1.4 Praktijkgids Arbeidsrecht 2023_ZP_CTF

Page 1

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Wet- en regelgeving

Samenvatting

1.4.1 De bepaalde tijd

1.4.1.1 Tijdsperiode

Burgerlijk Wetboek, artikelen 7:649, 652, 653, 657, 667, 668 en 668a De regelgeving in de cao die eventueel van toepassing is.

Met iedere werknemer kan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden aangegaan, behalve als dit niet is toegestaan bij cao. Zo'n arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt automatisch aan het einde van de overeengekomen periode, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. De werkgever moet wel een aanzegtermijn van een maand in acht nemen, wat inhoudt dat uiterlijk een maand voor de einddatum kenbaar moet worden gemaakt of de arbeidsovereenkomst wordt verlengd of niet en zo ja, op welke voorwaarden. Vergeet de werkgever de ‘aanzegging’ te doen, dan eindigt de arbeidsovereenkomst nog steeds op de afgesproken einddatum. De werkgever moet dan echter een schadevergoeding (‘aanzegvergoeding’) betalen.

Dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder voorafgaande opzegging eindigt, is een groot verschil met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die bij onvrijwillig ontslag moet worden opgezegd of ontbonden.

Met de invoering van de Flexwet per 1 januari 1999 is het mogelijk gemaakt om drie tijdelijke contracten af te sluiten, vallende in een periode van maximaal 36 maanden met inbegrip van eventuele onderbrekingen, waarvan de laatste van rechtswege eindigt. Werd de periode van 36 maanden overschreden, dan gold met ingang van de datum van die overschrijding de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstond ook wanneer meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar opvolgden, tenzij sprake was van een onderbreking van minstens drie maanden.

Nadat de maximale duur van de keten bij de WWZ (2015) was verkort tot 24 maanden is deze door de WAB (2020) weer teruggebracht naar de oorspronkelijke 36 maanden. De voorheen geldende onderbreking bij drie maanden is sinds 1 juli 2015 een onderbreking bij minimaal zes maanden, tenzij op grond van de cao een kortere onderbreking geldt. Bij cao kan van het aantal van drie contracten en van de periode van 36 maanden worden afgeweken. Wees hier dus bedacht op. Zie ook paragraaf 1.4.6.

De maximale proeftijdperiode voor een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor meer dan zes maanden, maar minder dan twee jaar, bedraagt slechts één maand. Dat geldt ook bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder duidelijke einddatum. Ook hier kan een afwijkende termijn in de cao zijn opgenomen. De werkgever doet er verstandig aan om in de overeenkomst een beding van tussentijdse opzegging op te nemen: het opent de deur naar een voortijdige beëindiging. Ten slotte is het verboden om onderscheid te maken tussen werknemers die voor bepaalde en die voor onbepaalde tijd in dienst zijn.

Uitgangspunt van het arbeidsovereenkomstenrecht is dat een werknemer voor onbepaalde tijd in dienst treedt, tenzij een bepaalde tijd is afgesproken. Er bestaat een aantal mogelijkheden om die bepaalde tijd overeen te komen.

De duur van de overeenkomst kan zijn gekoppeld aan het verstrijken van een bepaalde kalenderperiode. Er geldt geen minimum- of maximumtermijn, het kan een willekeurige periode zijn (dagen, weken, maanden, jaren). Dit is de meest voorkomende situatie. Een half jaar- of een jaarcontract zijn gebruikelijke vormen.

Veel cao's of arbeidsovereenkomsten bevatten een pensioenontslagbeding: de dienstbe-

47 Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor
tijd
bepaalde
1.4

1.4.1.2

Let op

trekking eindigt zodra de werknemer de 65-jarige (dan wel de AOW- of pensioengerechtigde) leeftijd bereikt (zie paragraaf 1.5.13). Hoewel meestal wordt gedacht dat het om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gaat, is bij zo'n beding eigenlijk sprake van een overeenkomst met een maximumtermijn, die van rechtswege eindigt zodra de werknemer de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Is een dergelijk beding niet opgenomen, dan loopt de arbeidsovereenkomst ook na het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd in principe gewoon door. Aangezien sinds 1 juli 2015 bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen toestemming van het UWV of instemming door de werknemer vereist is, kan de arbeidsovereenkomst in een dergelijk geval alsnog worden opgezegd. Uiteraard dient in dat geval wel de opzegtermijn in acht te worden genomen.

De beleidsregels van het UWV inzake ontslagaanvragen wegens het bereiken van de AOWgerechtigde leeftijd zijn eind 2012 aangescherpt. Geconstateerd werd dat werkgevers de AOW-gerechtigde werknemer na beëindiging van de arbeidsovereenkomst via opzegging een nieuwe arbeidsovereenkomst aanboden, maar dan voor bepaalde tijd, terwijl de toestemming was verleend vanuit de gedachte dat de oudere werknemer plaats maakte voor jongere werknemers. Met de sinds 1 juli 2015 bestaande mogelijkheid op te mogen zeggen vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, op voorwaarde dat die arbeidsovereenkomst voor het bereiken van die leeftijd is aangegaan, is dit beleid niet langer nodig. Opzegging kan nu zonder toestemming van het UWV.

Let op Let op

Vanwege de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd is er mogelijk aanpassing van de formulering van de bepaling in de arbeidsovereenkomst en/of in de cao nodig indien het pensioenontslagbeding wordt gehandhaafd ondanks de versoepelde ontslagregels die met de WWZ zijn ingevoerd.

Per 1 april 2014 worden werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel buiten beschouwing gelaten. De leeftijdsgroep ’55 jaar en ouder’ heeft per 1 april 2014 de AOW-gerechtigde leeftijd als bovengrens. Dit houdt in, zoals in de Ontslagregeling ook is vastgelegd, dat AOW-gerechtigden eerst moeten worden ontslagen indien er in het kader van een reorganisatie binnen uitwisselbare functies arbeidsplaatsen komen te vervallen en er in die uitwisselbare functies AOW-gerechtigden werkzaam zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een werknemer die voor zijn inkomen aangewezen is op het verrichten van arbeid plaats moet maken voor een AOW-gerechtigde werknemer voor wie dat niet het geval is.

In sommige cao's is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt zodra de werknemer gebruik maakt van een (pre- of vroeg-)pensioenregeling. Echter, niet elke rechter accepteert dat de arbeidsovereenkomst op grond van zo'n cao-bepaling van rechtswege eindigt. Dit kan namelijk in strijd zijn met het verbod op onderscheid naar leeftijd (zie hierover ook paragraaf 3.4.6).

Voorbeeld

Duur gekoppeld aan bepaalde werkzaamheden

Een werkneemster is in dienst bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), voorheen bij rechtsvoorganger USZO. Op de arbeidsovereenkomst is de cao UWV van toepassing. Die cao bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt per de eerste van de maand waarin de medewerker de pensioenleeftijd bereikt op basis van de voor hem geldende pensioenregeling. Op basis van een specifieke regeling voor ex-USZO medewerkers in die cao geldt voor werkneemster een pensioenleeftijd van 61 jaar. Zij doet een beroep op het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Het UWV erkent het gemaakte onderscheid maar beroept zich op een rechtvaardigingsgrond; op grond van de specifieke regeling kan een noodzakelijke inkrimping van het personeelsbestand plaatsvinden en het gebeurt op sociaal aanvaardbare wijze omdat er een financiële aanvullingsregeling bij hoort. Het gerechtshof 's-Gravenhage acht de gestelde rechtvaardigheidsgrond niet in lijn met het nationaal arbeidsmarktbeleid dat doorwerken op oudere leeftijd bevordert, en evenmin met het loopbaanbeleid voor bijvoorbeeld piloten, omdat dat beleid voor alle piloten geldt. Bovendien is de aanvullingsregeling een sigaar uit eigen doos omdat de vervroegde uittreders geen aanspraak kunnen maken op het Sociaal Plan. Het leeftijdsonderscheid is dus niet toegestaan en de cao-bepaling is nietig. Bron: Gerechtshof 's-Gravenhage, 4 augustus 2009 (ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4895).

De duur van de arbeidsovereenkomst kan ook worden gekoppeld aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Kiest men voor deze mogelijkheid, dan moeten de werkzaam-

48 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

heden zeer nauwkeurig in de arbeidsovereenkomst worden omschreven. Dit is noodzakelijk om misverstanden te voorkomen over het einde van de periode waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan. De ‘bepaalde tijd’ moet duidelijk zijn. Bij werkzaamheden voor de duur van een project wordt vaak gebruikgemaakt van een tijdelijk arbeidscontract, maar met name lange projecten lopen vaak uit. De werkgever wil de tijdelijke werknemer dan vaak wel wat langer in dienst houden, maar niet met een vast dienstverband. Het is mogelijk om een langdurend contract voor bepaalde tijd (dat wil zeggen van langer dan 36 maanden) af te sluiten.

Let op

Het is dus toegestaan om één arbeidsovereenkomst te sluiten voor bijvoorbeeld de duur van vier, vijf of tien jaar. Er geldt geen maximumtermijn voor één contract voor bepaalde tijd. Een werkgever moet alleen opletten als het gaat om verlengingen van contracten voor bepaalde tijd.

Een verlenging van één contract voor bepaalde tijd van langer dan drie jaar is mogelijk met nog eens maximaal drie maanden. Ook na deze verlenging loopt de arbeidsovereenkomst door puur tijdsverloop automatisch af. Er vindt dus in dit specifieke geval geen omzetting plaats naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarbij moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Eenmalige voortzetting met maximaal drie maanden is alleen mogelijk als de verlenging: ƒ plaatsvindt tussen dezelfde partijen, dus bijvoorbeeld niet door het inlenen van dezelfde werknemer via een uitzendbureau; ƒ onmiddellijk aansluit, dus zonder onderbreking; ƒ niet langer is dan drie maanden; ƒ slechts bestaat uit één arbeidsovereenkomst (dus niet driemaal verlengen met een maandcontract).

1.4.1.3 Vervanging van zieke werknemer

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan ook worden aangegaan voor de duur van de afwezigheid van een zieke werknemer. Het is aan te raden in de overeenkomst op te nemen dat deze duurt totdat de zieke werknemer terugkeert in het bedrijf; tegelijkertijd is het goed om een maximumduur af te spreken waarna de arbeidsovereenkomst in elk geval eindigt. De werkgever kan zo voorkomen dat hij aan de vervanger gebonden blijft als de zieke werknemer langdurig ziek blijft of niet meer terugkeert.

Er is nog een reden om de overeenkomst met de vervanger aan een maximumduur te binden. De mogelijkheid is aanwezig dat de zieke werknemer weliswaar ongeschikt is voor zijn eigen werk, maar (geheel of gedeeltelijk) geschikt wordt verklaard om passend werk te verrichten. Op de werkgever kan dan de plicht rusten ander werk ter beschikking te stellen (zie paragraaf 5.3.7). Als de zieke werknemer terugkomt maar ander werk gaat doen, is het de vraag of de arbeidsovereenkomst met de vervanger hierdoor zonder meer eindigt. Het vooraf afspreken van een maximumduur met de vervanger ondervangt dit probleem.

Voorbeeld

Een voorbeeld is de volgende bepaling: ‘De arbeidsovereenkomst gaat in op ...... 20.. en wordt aangegaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van werknemer X (nauwkeurig omschrijven). De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist op de dag van volledige arbeidsgeschiktheid van X voor de bedongen arbeid. De arbeidsovereenkomst eindigt in ieder geval uiterlijk van rechtswege, zonder dat opzegging vereist is, twaalf maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst, te weten op .......... 20...’ (twaalf maanden later).

1.4.1.4

Einde overeenkomst moet objectief bepaalbaar zijn

Voorbeeld

Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als het einde van de overeenkomst mede door de werkgever kan worden beïnvloed. Er wordt wel gezegd dat het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd objectief bepaalbaar moet zijn.

Een touringcarchauffeur is aangenomen voor de duur van het seizoen. Er is geen kalenderdatum vermeld. Werknemer krijgt medio september bericht dat zijn werkzaamheden eindigen per 1 november en dat zijn arbeidsovereenkomst van rechtswege dan ook eindigt. De werknemer gaat hiermee niet akkoord en wendt zich tot de kantonrechter. De werkgever stelt dat uit de van toepassing zijnde cao blijkt dat het seizoen in de branche gewoonlijk loopt van mei tot en met oktober, en dat de precieze einddatum afhangt van de hoeveelheid werk.

De kantonrechter is van mening dat het einde van het contract onvoldoende objectief is

49

Voortzetting ‘bij gebleken geschiktheid’

bepaald, nu de werkgever zelf kan beslissen welke opdrachten hij wel of niet aanneemt en daarmee zelf het einde van het seizoen kan bepalen. De arbeidsovereenkomst wordt niet beschouwd als aangegaan voor bepaalde tijd, en loopt daarom niet van rechtswege af. Bron: Kantonrechter Alphen aan den Rijn, 2 december 1997 (JAR 1997, 43)

De eis dat het einde van de arbeidsovereenkomst objectief bepaalbaar moet zijn, kan ook een probleem vormen als in een overeenkomst voor bepaalde tijd is opgenomen dat deze zal worden voortgezet ‘bij gebleken geschiktheid’. Aangezien de vraag of de werknemer geschikt is gebleken ter (eenzijdige) beoordeling van de werkgever is, loopt de werkgever de kans dat de rechter zal oordelen dat de werkgever dus het al of niet eindigen van de overeenkomst voor bepaalde tijd kan beïnvloeden. Dat kan tot het oordeel leiden dat het einde onvoldoende objectief bepaalbaar is en (dus) sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

1.4.2

1.4.3 Tussentijdse opzegging

In een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd langer dan zes maanden kan een proeftijd worden opgenomen. De proeftijd is niet aan een minimumtermijn gebonden, maar mag afhankelijk van de looptijd van de arbeidsovereenkomst een termijn van één, respectievelijk twee maanden niet overschrijden (zie uitgebreid paragraaf 1.5.1).

Een proeftijd kan maximaal één maand duren bij een arbeidsovereenkomst met een looptijd van meer dan zes maanden maar korter dan twee jaar. Bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van een project of ter vervanging van een zieke werknemer (dus waarbij het eindtijdstip niet vooraf met een datum is vastgelegd) geldt ook een maximale proeftijd van één maand. Alleen bij cao mag voor beide gevallen een langere proeftijd worden afgesproken, maar nooit één die langer duurt dan twee maanden. Bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor twee jaar of langer geldt dat een proeftijd van maximaal twee maanden mag worden aangegaan.

De proeftijd moet voor beide partijen gelijk zijn. Bovendien mag de proeftijd in geen geval, dus ook niet door het aangaan van een nieuwe proeftijd na een verstreken proeftijd, op langer dan twee maanden uitkomen. Is hier toch sprake van, dan is de hele proeftijd nietig.

In een cao kan afgeweken zijn van de hoofdregel dat een proeftijd bij een arbeidsovereenkomst langer dan zes maanden en korter dan twee jaar maximaal één maand mag zijn. Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 1.5.1.

Het is in een uitzonderingssituatie toegestaan een tweede proeftijd overeen te komen in een opvolgende arbeidsovereenkomst. Dan is wel vereist dat de opvolgende arbeidsovereenkomst inhoudelijk duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de werknemer vergt.

De partij die de arbeidsovereenkomst opzegt, is verplicht, in elk geval op verzoek van de andere partij, schriftelijk de reden van opzegging te geven. Deze verplichting geldt ook in geval van opzegging tijdens de proeftijd. De werkgever die op een verzoek van de werknemer weigert de reden van het ontslag schriftelijk mee te delen, handelt in strijd met goed werkgeverschap. Op die grond kan hij door de rechter tot schadevergoeding worden veroordeeld.

Wanneer een werkgever eenmaal op verzoek van de werkgever de reden van de opzegging heeft gegeven, kan die reden voor opzegging vervolgens worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen en/of wettelijke bepalingen, zoals ten aanzien van gelijke behandeling en misbruik van recht.

Uitgangspunt bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst is dat zij geldt voor de afgesproken duur en niet tussentijds door één van partijen eenzijdig kan worden beëindigd. Normaal gesproken eindigt de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op het afgesproken eindtijdstip, en dan automatisch (van rechtswege), dus zonder ontslagvergunning, opzegging en opzegtermijn. Dat is alleen anders bij de uitzonderingen van beëindiging tijdens de proeftijd of een ontslag op staande voet. Er kunnen echter ook andere omstandigheden zijn waardoor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toch voortijdig moet worden beëindigd, bijvoorbeeld bij ernstig disfunctioneren of een reorganisatie.

Zonder een tussentijdse opzegclausule kan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alleen via ontbinding door de kantonrechter tussentijds eindigen. De datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst is dan echter op zijn vroegst met ingang van de datum

50 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN
Proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Let op Let op Let op

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Opnemen van een bepaling over tussentijdse opzegging

van de ontbindingsbeschikking.

In de wet wordt expliciet bepaald dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts tussentijds kan worden opgezegd als dat recht voor ieder der partijen schriftelijk is overeengekomen. De wet geeft niet aan dat een dergelijk beding uitsluitend bij de aanvang van de arbeidsrelatie kan worden overeengekomen. Daaruit kan worden afgeleid dat een dergelijk beding ook later kan worden afgesproken. Als een cao, een eigen collectieve regeling en/of de schriftelijke arbeidsovereenkomst geen bepaling bevat die tussentijdse opzegging mogelijk maakt, blijft voortijdige beëindiging slechts via een ontbindingsverzoek aan de kantonrechter mogelijk. Daarbij geldt dat de kantonrechter bevoegd is een vergoeding toe te kennen ten bedrage van het aantal maandsalarissen dat resteert tot de overeengekomen einddatum.

Let op Let op

Het opnemen van het woord ‘tussentijds’ in een opzegbepaling in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is cruciaal. Als alleen maar in het algemeen over opzegging wordt gesproken dan bestaat het risico dat dat wordt gezien als een overeengekomen verplichting om ook de tijdelijke arbeidsovereenkomst via de normale opzegregels te beeindigen (redelijke grond, ontslagvergunning of instemming, opzegverbod, opzegtermijn etc.), in plaats van dat deze ‘van rechtswege’ eindigt op de overeengekomen einddatum. Als in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bijvoorbeeld alleen staat opgenomen dat voor beide partijen een opzegtermijn van een maand geldt, zou dat kunnen worden uitgelegd als een overeengekomen voorafgaande opzegbepaling, waardoor het contract niet langer van rechtswege eindigt.

Wanneer tussentijdse opzegging is bedongen en de werkgever wil tussentijds opzeggen, moet hij wel eerst een ontslagvergunning aanvragen (en vervolgens ook de geldende opzegtermijn in acht nemen) of de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zie over deze procedure bij opzegging hoofdstuk 7.4 en over de procedure bij ontbinding hoofdstuk 7.5.

Sinds de invoering van de WWZ heeft een werkgever niet meer de keuze of hij een ontslag via het UWV of via de kantonrechter wil laten verlopen. De wetgever heeft bepaald dat bij een voorgenomen ontslag op grond van bedrijfseconomische redenen of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid het UWV bevoegd is. Een uitzondering op die hoofdregel is wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmogelijkheid. In zo’n situatie is uitsluitend de kantonrechter bevoegd, niet het UWV.

Voorbeeld: wel of geen tussentijds opzegbeding overeengekomen Op 30 september 2020 heeft de kantonrechter in Rotterdam uitspraak gedaan in een ontslagzaak (op grond van de bedrijfseconomische redenen) waar het in de kern draaide om de volgende opzegbepaling:

(…) Artikel 2 – Opzegging

1. De arbeidsovereenkomst kan te allen tijde door ieder van partijen worden opgezegd tegen het einde van een kalendermaand met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden door werkgever en één door werknemer. (…)”

De werkgever had in eerste instantie een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend. Het UWV had de werkgever echter doorverwezen naar de kantonrechter, omdat volgens het UWV geen sprake was van een tussentijds opzegbare arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werkgever heeft de ontslagaanvraag daarop ingetrokken.

De kantonrechter oordeelt anders:

“(…) 5.4 Vaststaat in het onderhavige geval dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Anders dan het UWV is de kantonrechter evenwel van oordeel dat in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wel degelijk een tussentijds opzegbeding is opgenomen. Uit artikel 2 lid 1 van de arbeidsovereenkomst, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.3 geciteerd, volgt immers dat de arbeidsovereenkomst ‘te allen tijde’ door ieder van partijen kan worden opgezegd tegen het einde van een kalendermaand met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst dus ook tussentijds door ieder van partijen kan worden opgezegd, zodat niet duidelijk is waarop

51

Let op

het UWV haar telefonische mededeling baseert dat de arbeidsovereenkomst niet voorziet in een tussentijdse opzegmogelijkheid. (…)”

Dit oordeel helpt de werkgever overigens niet, want de conclusie van de kantonrechter dat wél sprake is van een tussentijds opzegbeding betekent dat de werkgever met het ontbindingsverzoek aan het verkeerde loket is: een bedrijfseconomisch ontslag moet – in eerste instantie – beoordeeld worden door het UWV:

“(…) 5.5 De kantonrechter acht zich gelet op het voorgaande alsmede het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 sub c BW dan ook niet bevoegd op het onderhavige verzoek te beslissen. Dat partijen het eens zijn over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2020 wegens bedrijfseconomische omstandigheden, zoals ter zitting is gebleken, kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Immers, de kantonrechter dient ambtshalve te beoordelen of MariPharm in haar verzoek ontvankelijk is. Dat is in casu niet het geval, nu MariPharm haar verzoek baseert op de a-grond (bedrijfseconomische omstandigheden) en de uitzondering van artikel 7:671b lid 2 sub c BW zich niet voordoet. Een en ander betekent derhalve dat MariPharm in haar verzoek niet ontvankelijk is. (…)” (Ktr. Rotterdam 30 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:8650).

Is de mogelijkheid van tussentijdse opzegging opgenomen in de arbeidsovereenkomst, dan moet u er rekening mee houden dat het UWV kritisch kijkt naar een ontslagaanvraag. Er is immers niet voor niets een overeenkomst voor bepaalde tijd afgesloten en wanneer er niet een hele goede reden bestaat om de overeenkomst eerder te beëindigen, zal het UWV toestemming weigeren.

Tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden

Behalve via tussentijdse opzegging is het ook mogelijk de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voortijdig in onderling overleg met de werknemer te beëindigen. Dan is er echter geen sprake van een eenzijdige rechtshandeling, maar van het sluiten van een beëindigingsovereenkomst tussen twee partijen, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd (zie over beëindiging met wederzijds goedvinden hoofdstuk 7.2).

Let op

Als gevolg van een wijziging in de werkloosheidswet per 1 januari 2016 is het bij het ontbreken van een tussentijds opzegbeding niet meer mogelijk om bij een beëindiging met wederzijds goedvinden een WW-uitkering te krijgen vóór de oorspronkelijke einddatum van de arbeidsovereenkomst. Artikel 19 lid 4 van de WW staat hier aan in de weg: Geen recht op uitkering heeft de werknemer totdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn verstreken, indien deze tussentijds met wederzijds goedvinden is geëindigd, zonder dat in die arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze tussentijds kan worden opgezegd als bedoeld in artikel 667, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Met andere woorden: een WW-uitkering is in dit soort situaties pas mogelijk op de oorspronkelijk overeengekomen einddatum.

Toch tussentijdse opzegging mogelijk op grond van onvoorziene omstandigheden?

In het algemene verbintenissenrecht kent een regeling voor onvoorziene omstandigheden. Dat is een omstandigheid waar partijen, bij het sluiten van hun overeenkomst, geen rekening mee hebben kunnen houden, omdat deze niet voorzienbaar was. Met een beroep op onvoorziene omstandigheden kan een overeenkomst – indien het beroep slaagt – worden vernietigd, of worden gewijzigd. Hoe pakt dit uit als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd géén tussentijdse opzegmogelijkheid bevat en kort na het sluiten van de arbeidsovereenkomst de coronapandemie uitbreekt?

In een uitspraak van 28 september 2020 oordeelt de kantonrechter dit vraagstuk. De betreffende tijdelijke arbeidsovereenkomst bevatte geen tussentijds opzegbeding. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst echter toch al acht dagen na aanvang van de werkzaamheden op. De werknemer vordert hierop de gefixeerde schadevergoeding, te weten het loon tot de overeengekomen einddatum). De rechter wijst dit toe. De werkgever heeft immers zelf heeft verzuimd een tussentijdse opzegbevoegdheid overeen te komen. Dat werkgever door de gevolgen van COVID-19 nu wél tussentijds wil beëindigen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico blijft en niet op werknemer kan worden afgewenteld. Er bestaat volgens de kantonrechter geen aanleiding om een parallel te trekken met uitspraken die in het huurrecht (waarin een beroep op onvoorziene omstandigheden bijvoorbeeld kan leiden tot matiging van de huurkosten).

52 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Deze uitspraak bevestigt dat in het arbeidsrecht een beroep op algemeen verbintenissenrechtelijke bepalingen (zoals onvoorziene omstandigheden) gedaan lam worden, maar niet snel succesvol zal. Hierbij speelt de beschermingsgedachte die aan het arbeidsrecht ten grondslag ligt een belangrijke rol.

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan op een aantal manieren eindigen:

a. Van rechtswege, na het verstrijken van de afgesproken periode (tenzij anders overeengekomen), dus zonder dat toestemming van het UWV, opzegging of ontbinding vereist is.

b. Als een mogelijkheid van tussentijdse opzegging is opgenomen, kan de overeenkomst door opzegging (na toestemming van het UWV of instemming door de werknemer) of ontbinding (door de kantonrechter) tussentijds worden beëindigd (zie paragraaf 1.4.3).

c. Als sprake is van een verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt deze eveneens van rechtswege zolang de verlenging eindigt binnen de 36 maanden termijn en/of tot en met het derde tijdelijke contract dat partijen eventueel met onderbrekingen van minder dan zes maanden sluiten. Daarna vindt automatisch conversie plaats naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en moet worden opgezegd of ontbonden (zie hierover paragraaf 7.4.2.1 of hoofdstuk 7.5). Zie voor de verlenging van contracten voor bepaalde tijd, de ketenregeling en het overgangsrecht meer uitgebreid paragraaf 1.4.5.

d. Voor het overige gelden alle wijzen van beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd; bijvoorbeeld ontslag op staande voet wegens een dringende reden (zie hoofdstuk 7.8) of beëindiging met wederzijds goedvinden (zie hoofdstuk 7.2) of ontbinding door de kantonrechter (zie hoofdstuk 7.5).

De werkgever heeft veel vrijheid om te beslissen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. Ook al heeft de werknemer naar tevredenheid gefunctioneerd, het is aan de werkgever om al dan niet dóór te gaan. In beginsel kan zo'n beslissing van de werkgever (bijvoorbeeld vanwege het niet geschikt zijn van een werknemer) niet via de toetsing aan goed werkgeverschap aan de rechter worden voorgelegd. Dit kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties (Bron: Ktr. Assen, 7 maart 2009, ECLI:NL:RBASS:2007:BA9390).

Let op

1.4.4.1 Aanzegtermijn

Als een cao van toepassing is waarin is afgeweken van de wettelijke ketenregeling (drie opvolgende contracten binnen 36 maanden), kan een verlengd contract ook ná 36 maanden van rechtswege eindigen. Controleer bij verlenging dus altijd de toepasselijke cao.

Met de Wet werk en zekerheid is een nieuwe rechtsfiguur geïntroduceerd: de aanzegtermijn. Deze aanzegtermijn is in het leven geroepen om werknemers die werkzaam zijn op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van zes maanden of langer (een wettelijk recht) duidelijkheid te geven over de toekomst van hun dienstverband. De bedoeling van de aanzegtermijn is dus om onzekerheid tegen te gaan. De aanzegtermijn houdt in dat een werkgever uiterlijk een maand voor de overeengekomen einddatum de werknemer schriftelijk moet informeren of de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet of niet en zo ja, onder welke voorwaarden. Laat de werkgever dit na of vindt de aanzegging niet tijdig plaats, dan heeft de werknemer recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan de periode waarmee de werkgever in verzuim is om aan te zeggen: wordt in het geheel niet aangezegd, dan bedraagt de vergoeding één maand loon; wordt tien dagen te laat aangezegd, dan bedraagt de vergoeding 1/3 van één maand loon.

Let op Let op

De aanzegtermijn geldt niet bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten waarvan de einddatum niet is gesteld op een kalenderdatum, bijvoorbeeld bij vervanging wegens ziekte. In dergelijke situaties is de einddatum voor beide partijen onbekend en is het voor de werkgever ook niet mogelijk om een maand voor de einddatum aan te zeggen. De aanzegverplichting geldt ook niet in uitzendovereenkomsten met een uitzendbeding. Op grond van het uitzendbeding eindigt de uitzendovereenkomst op het moment dat de inlener opzegt; ook dan is het de (uitzend)werkgever niet bekend wanneer de uitzendovereenkomst eindigt en kan de aanzegtermijn van een maand niet in acht worden genomen.

Onder het loon wordt hier (anders dan bij de transitievergoeding) verstaan het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand. Bij een wisselend aantal uren moet uit worden gegaan van het gemiddelde over de laatste 12 maanden of, indien de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd, het gemiddelde over de totale duur van de arbeidsovereenkomst. Vakantiegeld, eindejaarsuitkering en dergelijken maken geen

53
1.4.4 Einde van de arbeidsovereenkomst

Let op

deel uit van de aanzegvergoeding.

Als er sprake is van een wisselend aantal uren, worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het gemiddelde loon. Perioden dat niet is gewerkt in verband met verlof, staking of arbeidsongeschiktheid worden niet in aanmerking genomen. Als dit betekent dat in totaal 30 dagen of meer buiten beschouwing blijven, moet ter vervanging de laatste maand voorafgaand aan de periode waarover het gemiddelde wordt berekend, en waar geen sprake is van verlof, staking of arbeidsongeschiktheid, in de berekening van het gemiddelde worden betrokken. Als meer dan 60 dagen buiten beschouwing moeten blijven, moet een extra voorafgaande maand in de berekening worden betrokken, etc.

Voorbeeld

Een werknemer is drie jaar in dienst en werkt op wisselende tijden. Op 1 juni 2016 eindigt de arbeidsovereenkomst. In de maand februari 2016 heeft de werknemer 20 dagen verlof gehad en in de maand april 2016 heeft de werknemer door ziekte 12 dagen niet kunnen werken. In totaal heeft de werknemer 32 dagen niet gewerkt in verband met verlof en arbeidsongeschiktheid. Voor het berekenen van het gemiddelde loon moet daarom ook de maand mei 2015 meegenomen worden.

Voorbeeld

De arbeidsovereenkomst loopt af op 1 september. Het loon bedraagt € 3.000 bruto per maand. De aanzegging moet ontvangen zijn door werknemer uiterlijk op 1 augustus. Stel niet informeren en stoppen: ƒ sanctie: één maandsalaris

Stel wel op tijd informeren maar niet schriftelijk: ƒ sanctie: één maandsalaris

Stel niet op tijd informeren maar wel schriftelijk (bijvoorbeeld 10 augustus): ƒ sanctie: pro rato deel van maandsalaris (€ 1.000)

Let op

Let op

De aanzegtermijn geldt voor alle arbeidsovereenkomsten van zes maanden of langer die eindigen op of na 1 februari 2015.

Wees erop bedacht dat de werknemer ook aanspraak kan maken op de vergoeding als de arbeidsovereenkomst wel wordt voortgezet, maar dat niet schriftelijk wordt bevestigd met inachtneming van de aanzegtermijn. De wetgever gaat ervan uit dat in dergelijke gevallen een werknemer niet snel aanspraak zal maken op de vergoeding, maar het kan wel – zoals ook uit de rechtspraak blijkt – en het is dus goed daarop bedacht te zijn. Uit de rechtspraak blijkt dat er weinig ruimte is om de vergoeding af te wijzen.

Voorbeeld Voorbeeld

Op 8 oktober 2015 heeft de kantonrechter te Apeldoorn een werkgever die mondeling een aanbod tot verlenging had gedaan (dat de werknemer had aanvaard) maar dit aanbod niet op schrift had gezet, veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding (Zaaknummer 4336239 HA VERZ 15-109).

Op 1 november 2018 treedt de werknemer in dienst in de functie van medewerker webshop. De arbeidsovereenkomst loopt tot 1 maart 2019 en wordt daarna verlengd met één jaar, tot 28 februari 2020. Na 28 februari 2020 heeft de werknemer zijn werk voortgezet, waarmee de arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar is verlengd. Op 4 maart 2020 vertrekt de werknemer van het werk en op 5 maart 2020 verschijnt hij niet.

De werkgever wijst de werknemer op zijn ongeoorloofde verzuim en verzoekt hem ofwel het werk te hervatten ofwel op te zeggen. De werknemer doet geen van beide, maar dient wel op 28 april 2020 een verzoekschrift in tot toewijzing van de aanzegvergoeding.

De kantonrechter overweegt als volgt over de gevorderde aanzegvergoeding:

“(…) Vast staat dat de werkgever niet schriftelijk en niet tijdig aan de werknemer heeft laten weten of zijn arbeidsovereenkomst na 28 februari 2020 zou worden voortgezet. Volgens de werkgever is een beroep van de werknemer op een vergoeding wegens het niet tijdig voldoen aan de aanzegverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat de eis van schriftelijke aanzegging bedoeld is ter bescherming van de werknemer. De werknemer moet tijdig duidelijkheid krijgen over de vraag of zijn arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet. Volgens de werkgever was daarover voor de

54 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

werknemer geen enkele twijfel.

Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW of artikel 6:248 lid 2 BW), moet terughoudendheid worden betracht. Dit geldt zeker als het gaat om een regel van dwingend recht. Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. In de wettelijke regel van de aanzegvergoeding ligt een dergelijke belangenafweging al besloten. De wetgever heeft namelijk onder ogen gezien dat een aanzegging ook mondeling zou kunnen worden gedaan, maar niettemin de keuze gemaakt dat de aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht” (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, C, pag. 79). De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid zou zijn verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook anderszins is niet gesteld of gebleken dat toepassing van artikel 7:668 lid 1, aanhef en onder a, BW tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Het verweer van de werkgever slaagt dus niet.

Op grond van artikel 7:668 lid 3 BW is de werkgever, nu in het geheel geen schriftelijke aanzegging is gedaan, een bruto maandsalaris verschuldigd. (…)” (Rb. Midden-Nederland 29 september 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4308)

Let op

Wanneer bij aanvang van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd al duidelijk is dat niet verlengd zal worden of het de intentie is om niet te verlengen, kan de aanzegging ook worden opgenomen in de arbeidsovereenkomst.

De achterliggende gedachte van de aanzegtermijn is zoals aangegeven het tegengaan van onzekerheid bij de werknemer over de situatie na de einddatum van de arbeidsovereenkomst. De vraag is hoe in dat opzicht omgegaan moet worden met de situatie dat de aanzegging in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, omdat uitgangspunt is geweest dat geen verlenging plaats zal vinden, maar hier tijdens de loop van de arbeidsovereenkomst op wordt terug gekomen. Als dat meer dan één maand voor de einddatum is, heeft dat geen consequenties omdat er dan nog genoeg tijd is de werknemer (schriftelijk) te informeren over het voornemen tot verlenging en over de voorwaarden waaronder voortzetting plaats zal vinden. Als dit moment echter korter dan één maand voor de einddatum ligt, roept het de vraag op of de werknemer in dat geval aanspraak heeft op de vergoeding op grond van een te late aanzegging.

Juridisch beschouwd lijkt met de aanzegging in de arbeidsovereenkomst voldaan te zijn aan de achterliggende gedachte: de werknemer heeft zich vanaf het begin kunnen instellen op het feit dat de arbeidsovereenkomst geen vervolg krijgt en hij dus op zoek zal moeten naar ander werk. Als de werkgever later van gedachten verandert, ook al is dat korter dan één maand voor de einddatum, verandert dat niets aan het feit dat met de aanzegging in de arbeidsovereenkomst onzekerheid is voorkomen. Het feit dat de werkgever alsnog wil verlengen, al dan niet op basis van andere arbeidsvoorwaarden, zou dan ook beschouwd kunnen worden als een nieuw aanbod dat door de werknemer aanvaard of afgewezen kan worden. Van een schending van de verplichting tot (tijdige) aanzegging is dan geen sprake. Of dit in de praktijk ook zo zal worden uitgelegd, zal moeten blijken. In elk geval is aan te raden ook in deze gevallen, waarbij in de arbeidsovereenkomst is aangezegd (dat niet wordt verlengd) en later besloten wordt de arbeidsovereenkomst toch te verlengen, waar mogelijk gewoon de termijn van één maand in acht te nemen.

Let op

Wordt ondanks een aanzegging in de arbeidsovereenkomst dat niet verlengd zal worden, besloten om toch een volgende arbeidsovereenkomst aan te gaan, dan kan dit (zie ook hiervoor). Wees er wel op bedacht dat de werknemer in een dergelijk geval al een andere baan in het vooruitzicht kan hebben, ervan uitgaande dat geen verlenging plaats zou vinden. De werknemer is uiteraard niet verplicht de verlenging te accepteren. Wees erop bedacht dat bij de nieuwe arbeidsovereenkomst weer op tijd moet worden aangezegd als opnieuw sprake is van bepaalde tijd van zes maanden of langer.

Voorbeeld

De kantonrechter te Leeuwarden heeft op 13 mei 2015 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de werknemer zich op het standpunt stelde dat haar werkgever ten onrechte niet

55

had aangezegd en op die grond de aanzegvergoeding verschuldigd was. De werknemer was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar met als einddatum 1 maart 2015. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever niet aan de aanzegverplichting heeft voldaan en dat geen sprake is van een uitzondering (faillissement, surseance of WSNP). De werknemer wordt daarom in het gelijk gesteld en de aanzegvergoeding, gelijk aan één maand bruto loon, wordt toegewezen.

Eveneens op 13 mei 2015 heeft de kantonrechter te Den Haag een uitspraak gedaan in een zaak waarin een werknemer de aanzegvergoeding vorderde. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde op 31 januari 2015 en de aanzegverplichting alleen geldt voor arbeidsovereenkomsten die op of na 1 februari 2015 eindigen. De aanzegplicht is in werking getreden per 1 januari 2015 en is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten die eindigen binnen een maand na inwerkingtreding.

In beide gevallen heeft de kantonrechter eerst een procesrechtelijk aspect behandeld. In beide gevallen had de werknemer namelijk een verzoekschrift ingediend. De kantonrechters stelden echter allebei vast dat de wetswijziging waarin is geregeld dat dit type procedures moet worden ingeleid met een verzoekschrift per 1 juli 2015 in werking zou treden en dus een dagvaarding uitgebracht had moeten worden. Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 13 mei 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:2325) en Rechtbank Den Haag, 13 mei 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:5372).

1.4.4.2 Werknemer gaat niet in op aanbod verlenging

1.4.5 Verlenging van de arbeidsovereenkomst vóór 1 juli 2015

Uitdrukkelijke en stilzwijgende voortzetting

De werknemer hoeft evenals de werkgever tegen het einde van het contract voor bepaalde tijd geen opzegtermijn in acht te nemen. De arbeidsovereenkomst eindigt immers in beginsel van rechtswege aan het einde van de overeengekomen periode. Als de werknemer een aanbod voor een nieuw tijdelijk contract krijgt maar hij weigert dat, dan krijgt hij geen WW-uitkering. Sinds 1 januari 2012 zijn die regels aangescherpt.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt op het moment dat de afgesproken looptijd is verstreken. Het kan zijn dat de werkgever de arbeidsovereenkomst nogmaals voor bepaalde tijd wil verlengen en dat daarover afspraken worden gemaakt. Ook komt het voor dat de werknemer gewoon feitelijk zijn werkzaamheden voortzet zonder dat afspraken worden gemaakt over die voortzetting. Het gaat hierbij om uitdrukkelijke tegenover stilzwijgende voortzetting.

Bij uitdrukkelijke voortzetting staat het de werkgever en werknemer vrij om te verlengen voor de tijd die zij wensen. Als eerst een jaarcontract is overeengekomen, mag best worden verlengd met bijvoorbeeld een half jaar of bijvoorbeeld twee jaar. Er is geen verplichting opnieuw een arbeidsovereenkomst voor dezelfde duur af te spreken. Als niets is afgesproken en de werknemer blijft na de overeengekomen einddatum gewoon werken, dan wordt het tijdelijke dienstverband geacht (stilzwijgend) op dezelfde voorwaarden voor dezelfde duur als de vorige arbeidsovereenkomst te zijn voortgezet, maar met een maximumtermijn van één jaar.

Let wel, wanneer een werkgever eerder te kennen heeft gegeven niet te willen verlengen en de werknemer komt één dag na de einddatum uit eigen beweging toch op het werk, dan is het niet zo dat er direct een stilzwijgend voortgezette arbeidsovereenkomst is ontstaan. Wel is het zaak om de werknemer in dat geval weg te sturen en niet het werk te laten hervatten.

Let op Voorbeeld

De werkgever en de werknemer waren tegen het einde van hun jaarcontract met elkaar in onderhandeling over verlenging. De werkgever wilde per sé niet meer dan twee maanden geven, de werknemer wilde alleen een verlenging met een jaar. Na afloop van het contract bleef de werknemer werken, zonder dat de onderhandelingen waren afgerond. Na twee maanden beriep de werkgever zich op het einde van het contract, want dat was de maximale verlenging die zij had geboden. De werknemer beriep zich op stilzwijgende voortzetting, dus voor dezelfde duur als het eerste contract. Er waren immers geen uitdrukkelijke afspraken over verlenging gemaakt. De Hoge Raad besliste dat de werknemer niet mocht vertrouwen op een stilzwijgende voortzetting gelet op het duidelijke standpunt van de werkgever van maximaal twee maanden. Er was dus sprake van slechts een verlenging voor die duur (ECLI:NL:PHR:2007:BA6755).

Op 1 april 2015 sluiten werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor de duur van 4 jaar, met als einddatum 31 maart 2019. Deze arbeidsovereenkomst valt onder de

56 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

aanzegplicht: de werkgever zal dus uiterlijk 28 februari 2019 schriftelijk moeten aanzeggen.

Zowel bij uitdrukkelijke als stilzwijgende voortzetting geldt (vanaf 1 februari 2015) de aanzegplicht. Bij stilzwijgende voortzetting is vanzelfsprekend niet voldaan aan de aanzegverplichting, zodat de vergoeding van één maand verschuldigd is. De wetgever gaat ervan uit dat werknemers in dit soort gevallen niet snel aanspraak zullen maken op die vergoeding omdat hun arbeidsovereenkomst immers verlengd wordt, maar het is goed te realiseren dat de aanspraak op de vergoeding wel bestaat.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt in beginsel van rechtswege, dus zonder dat er een opzegging met ontslagvergunning of een ontbinding door de kantonrechter vereist is. Dit geldt ook voor een verlengd contract voor bepaalde tijd. Echter, na verloop van tijd dan wel na enkele voortgezette contracten ontstaat alsnog een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zie artikel 7:668a BW). Dat wordt wel de ‘drie + drie’-regel genoemd.

Houd wel rekening met de aanzegtermijn wanneer het een arbeidsovereenkomst van meer dan zes maanden betreft.

Na een keten van tijdelijke contracten of na het verstrijken van een periode van tijdelijke contracten ontstaat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De wettelijke regeling tot 1 juli 2015 is daarbij als volgt samen te vatten:

1. Zodra een werknemer meer dan 36 maanden in dienst is op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, verandert zijn arbeidsovereenkomst vanzelf in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2. Zodra in een keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meer dan drie contracten zijn aangegaan ontstaat vanaf het vierde contract een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3. Bij onderbrekingen van langer dan drie maanden moet men opnieuw gaan tellen bij de regels onder 1 en 2.

4. Een arbeidsovereenkomst van drie maanden of korter, die onmiddellijk volgt op één eerdere arbeidsovereenkomst van 36 maanden of langer, eindigt van rechtswege.

Zowel de ketenregel als de perioderegel moet men in de gaten houden. Zo kan een tweede contract voor bepaalde tijd al tussentijds een contract voor onbepaalde tijd worden, als gedurende het tweede contract de 36 maanden periode verstrijkt. Denk aan een contract voor twee jaar dat wordt verlengd met een nieuw contract voor twee jaar. Andersom kan al binnen 36 maanden een contract voor onbepaalde tijd ontstaan, namelijk als sprake is van meer dan drie korte contracten. Te denken is aan vier opvolgende arbeidsovereenkomsten van telkens een half jaar.

In veel cao's is afgeweken van de periode van 36 maanden en/of van de keten van drie contracten. Een bekende cao waarin meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogelijk zijn, is de horeca cao. Raadpleeg daarom altijd de eventueel toepasselijke cao. Zie ook paragraaf 1.4.8.

De wettelijke conversie (dat wil zeggen de automatische omzetting van een contract voor bepaalde tijd in een contract voor onbepaalde tijd) vindt plaats vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden.

Bedrijf A heeft met werknemer B een contract gesloten voor de duur van twee jaar (vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011). De partijen verlengen dit contract aansluitend nogmaals voor twee jaar, dus tot en met 31 december 2013. Door overschrijding van de periode van 36 maanden verandert het tweede tijdelijke arbeidscontract al op 1 januari 2013 in een vast dienstverband. De conversie vindt dus plaats tijdens de verlenging. Daarnaast vindt conversie plaats wanneer meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden. Als een vierde arbeidsovereenkomst wordt aangegaan ontstaat er op dat moment een vast dienstverband.

57
Let op
Let
Conversie Voorbeeld
1.4.5.1 De drie+drie-regel tot 1 juli 2015 Let op Het keten-en-periodesysteem
op 1.4.5.2

Voorbeeld

Per 1 januari 2012 sluiten een werkgever en een werknemer een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden die aansluitend tweemaal (op 1 juli 2012 en op 1 januari 2013) met een half jaar wordt verlengd. Deze arbeidsovereenkomsten lopen steeds automatisch af. Als de arbeidsverhouding per 1 juli 2013 wordt voortgezet, ontstaat er vanaf die datum volgens de wet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en geniet de werknemer ontslagbescherming.

Voorbeeld

Per 1 januari 2010 sluiten werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor de duur van acht maanden. Op 31 augustus 2010 loopt de arbeidsovereenkomst automatisch af. Er wordt niet direct een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden. Per 1 januari 2011 wordt een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar afgesloten en deze wordt per 1 januari 2012 voortgezet met nog eens een periode jaar tot en met 31 december 2012. Na een onderbreking van twee maanden sluiten dezelfde werkgever en werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van elf maanden: van 1 maart 2013 tot en met 1 februari 2014. Tussen 31 augustus 2010 en 1 januari 2011 zat een onderbreking van meer dan drie maanden. Het eerste contract telt dus niet mee in de keten. Daarna zijn er nog drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geweest, dus binnen de wettelijke grens. Toch ontstaat wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het eerste contract was 12 maanden, het tweede was ook 12 maanden en het derde 11 maanden. In totaal 35 maanden dus lijkt dat geen probleem. Omdat echter een onderbreking van minder dan drie maanden meetelt bij de berekening gaat het hier mis. De onderbreking was twee maanden, het totaal wordt daarmee 37 maanden, zodat na de maximale termijn van 36 maanden (per 1 januari 2014) een conversie plaatsvindt naar een vast contract.

Let op

Wettelijke conversie vindt niet plaats, wanneer het om een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gaat, ook al duurt deze langer dan 36 maanden. Het is dus mogelijk een arbeidsovereenkomst voor de duur van bijvoorbeeld vier jaar af te sluiten, die na afloop van die vier jaar automatisch eindigt. Ook vindt geen omzetting van een tijdelijk naar een vast dienstverband plaats, als een eerste langlopend tijdelijk dienstverband (van 36 maanden of langer) eenmalig wordt voortgezet met nog eens maximaal drie maanden, bijvoorbeeld om een project dat uitgelopen is te kunnen voltooien. Eenmalige verlenging, zonder het ontstaan van een vast dienstverband is alleen mogelijk als: ƒ de verlenging plaatsvindt tussen dezelfde partijen, dus niet via bijvoorbeeld een uitzendbureau; ƒ de verlenging zonder onderbreking meteen aansluit; ƒ de verlenging niet langer duurt dan drie maanden; ƒ en die drie maanden uit één arbeidscontract bestaan (en bijvoorbeeld niet uit drie verlengingen van één maand).

Conversie geen terugwerkende kracht

Het gaat hier om omzetting door de wet van de ene contractvorm in de andere, zonder dat tussenkomst van partijen en of van de rechter daarvoor nodig is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze conversie geen terugwerkende kracht heeft. Het is dus niet zo, dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht vanaf de eerste tijdelijke arbeidsovereenkomst ontstaat, maar pas vanaf de dag dat de maximale duur is overschreden dan wel vanaf de totstandkoming van het vierde contract.

Ook al heeft de conversie dus geen terugwerkende kracht, voor de berekening van de anciënniteit en de termijn van opzegging moet wel de begindatum van de eerste in de keten van overeenkomsten als uitgangspunt worden genomen.

Rechtsgevolgen conversie

Voor de werknemer, die voorheen op tijdelijke basis werkzaam was, betekent dit dat hij nu op basis van zijn contract voor onbepaalde tijd op de volledige bescherming van het ontslagrecht een beroep kan doen. Wil de werkgever zijn arbeidsovereenkomst beëindigen, dan is nu opzegging vereist, met naleving van de ontslagvergunningseis en alle opzegbepalingen uit het BW (Burgerlijk Wetboek), zoals de opzegverboden.

De opzegtermijn die in dit geval in acht moet worden genomen, wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste tijdelijke arbeidsovereenkomst.

Opvolgende werkgevers

Het keten- en periodesysteem is ook van toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Het moet

58 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

daarbij gaan om dezelfde of soortgelijke arbeid. De arbeidsovereenkomsten bij de opvolgende werkgevers tellen dan als schakel mee alsof het om een ketting/periode van arbeidsovereenkomsten met één en dezelfde werkgever zou gaan.

Er moet wel sprake zijn van een eerdere arbeidsovereenkomst, anders telt die overeenkomst niet mee voor de keten- en/of periodenreeks.

Voorbeeld

Een werknemer heeft aanvankelijk gewerkt op basis van een leer-arbeidsovereenkomst in de functie van assemblage medewerker. Deze overeenkomst wordt opgevolgd door meerdere contracten voor bepaalde tijd. De werknemer, die de eerste overeenkomst meetelt, stelt dat een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan. De rechter geeft als voorlopig oordeel in kort geding, dat de werknemer onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij tijdens de leer-arbeidsovereenkomst productieve werkzaamheden heeft verricht. De rechter concludeert dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en de rechter telt op die grond de eerste overeenkomst niet mee (Bron: Kantonrechter Amersfoort, 3 mei 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4351).

Een werkgever die een uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aanbiedt, moet goed rekening houden met de perioden en het aantal contracten waarin deze voor hem als uitzendkracht hetzelfde of soortgelijk werk heeft verricht. Zo'n periode/contract telt namelijk mee in de reeks. Voor uitzendwerkgevers zelf geldt een versoepeling van deze regelgeving; contracten en perioden gaan pas tellen zodra de uitzendkracht in meer dan 26 weken gewerkt heeft in het kader van een uitzendovereenkomst (zie hierover verder paragraaf 2.1.2.3).

Let op Let op

De reeks wordt niet onderbroken na een faillissement. Volgens de Hoge Raad in het Boekenvoordeel-arrest tellen de voorafgaande arbeidsovereenkomst(en) mee (Bron: HR, 14 juli 2006 - JAR 190).

Het vereiste dat het moet gaan om dezelfde of soortgelijke arbeid is alleen van belang bij het antwoord op de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap en dus of een eerder contract met een andere werkgever meetelt of niet. Als de werkgever dezelfde blijft, maar de soort arbeid wijzigt bij een volgend contract, dan dienen die contracten/ perioden altijd bij elkaar te worden opgeteld.

Onderbreking van langer dan 3 maanden

Als er tussen twee contracten een periode van langer dan drie maanden ligt, wordt de reeks onderbroken en gaat de telling opnieuw beginnen. Volgens de Hoge Raad in het Greenpeace-arrest (ECLI:NL:PHR:2007:BA2504) is van een ongeoorloofde ontduiking of uitholling van de wettelijke regels niet reeds sprake door het enkele feit dat de werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer na het verstrijken van zo'n tussenpoos weer in dienst zal treden, ook als hiermee expliciet wordt beoogd om een vast dienstverband te voorkomen. In de lagere rechtspraak wordt zo'n constructie echter niet altijd toegestaan en wordt het in bijzondere omstandigheden beschouwd als misbruik van recht.

Voorbeeld

Bepaalde tijd in aansluiting op onbepaalde tijd

Werkgever B zegt het dienstverband van werknemer A op, na verkregen ontslagvergunning en met inachtneming van de opzegtermijn. Nog geen drie maanden na afloop van de opzegtermijn gaan A en B weer opnieuw met elkaar in zee, zij het op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar, dat na afloop nog eenmaal wordt verlengd met een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Die arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.

Wanneer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt en vervolgens binnen drie maanden tussen dezelfde partijen werd opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, liep dat laatste contract niet altijd van rechtswege af. Alleen als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig was geëindigd door middel van een rechtsgeldige opzegging (door de werkgever of, bij faillissement, door de curator) of door ontbinding door de rechter, eindigde de aansluitende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege. Deze ‘wettelijke regel’, ingevoerd bij de Flexwet op 1 januari 1999, wordt ook wel de Ragetlie-regel genoemd, naar een oud arrest van de Hoge Raad.

Opvolgend werkgeverschap

De hiervoor uiteengezette Ragetlieregel geldt ook als de werknemer in dienst is geweest bij verschillende werkgevers, die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn.

59

1.4.5.3

Let op

In een uitspraak van 11 mei 2012 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het opvolgend werkgeverschap geoordeeld dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Bron: Hoge Raad, 11 mei 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY0814.

Let op

Deze uitspraak van de Hoge Raad is maar beperkt houdbaar, omdat de wetgever ervoor heeft gekozen het criterium dat de Hoge Raad ontwikkeld heeft in de wet niet over te nemen. Sinds 1 juli 2015 staat in de wet dat van opvolgend werkgeverschap sprake is als de werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn, ongeacht of het ‘inzicht in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer’ aanwezig is.

Volgens de wetgever zou de toepassing van de ketenregeling te veel beperkt worden als ook aan het criterium van de Hoge Raad voldaan zou moeten zijn.

Voorbeeld

Werknemer A verricht productiewerkzaamheden bij bedrijf B op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het dienstverband tussen A en B eindigt met wederzijds goedvinden, zonder opzegging door A of B en zonder ontbinding door de rechter. Een maand later hervat A dezelfde werkzaamheden in het bedrijf van B, maar dan op grond van een uitzendovereenkomst voor de duur van drie maanden met uitzendbureau C. Wanneer C die uitzendovereenkomst met A niet wenst voort te zetten, moet C voor een rechtsgeldige beëindiging een ontslagvergunning hebben of een ontbindingsverzoek indienen bij de rechter, tenzij A zelf opzegt.

Let op

Van opvolgend werkgeverschap is volgens de wetgever uitdrukkelijk geen sprake als de werknemer op eigen initiatief bij een andere werkgever hetzelfde werk gaat doen. Het opvolgend werkgeverschap is een criterium ter bescherming van de werknemer wanneer de arbeid op initiatief van de werkgever bij een andere werkgever wordt voortgezet. Wanneer de werknemer er zelf voor kiest hetzelfde werk voortaan bij een andere werkgever te gaan verrichten, is deze bescherming niet nodig.

Verhouding regeling keten- en periodesysteem en de Ragetlieregel

Voorbeeld

Het kan zijn dat in een bepaalde situatie zowel de regels van het keten- en periodesysteem (art. 7:668a BW) als de Ragetlieregel (art. 7:667 lid 4 en 5 BW) van toepassing zijn. De vraag is welke regel dan voorrang heeft. De Hoge Raad heeft zich daar nog niet expliciet over uitgelaten. Wel is er een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag.

Een werknemer is in dienst sinds 14 februari 1977 bij een werkgever A. De curator zegt namens de inmiddels failliete werkgever A het dienstverband rechtsgeldig op per 30 augustus 2004. Al enkele dagen later, op 6 september 2004, treedt de werknemer in dienst bij werkgever B, in het kader van een zogeheten doorstart, op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de duur van een half jaar. De werkzaamheden zijn hetzelfde gebleven. Na dat jaar wordt het contract nog een keer verlengd vanaf 6 maart 2005 tot en met 31 december 2005. De werkgever laat tegen het einde van dat tweede contract de werknemer weten dat verdere verlenging niet zal plaatsvinden. De werknemer beroept zich op het keten- en periodesysteem en stelt dat op basis daarvan een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan, reeds met ingang van 7 september 2004.

Volgens de werkgever geldt hier de Ragetlieregel nu het een contract voor bepaalde tijd volgend op een contract voor onbepaalde tijd betreft. En omdat het contract voor onbepaalde tijd rechtsgeldig is opgezegd hoeven volgens de Ragetlieregel de contracten voor bepaalde tijd nadien niet opgezegd te worden, zolang er niet een nieuwe ketenperiode is ontstaan.

Het Gerechtshof oordeelt dat er geen rangvolgorde bestaat tussen de Ragetlieregel en de regels van het keten- en periodesysteem, zich daarbij baserend op de wetsgeschiedenis. Er bestaat ook geen bezwaar tegen dat beide bepalingen in een concrete situatie hun werking hebben. Het Gerechtshof concludeert vervolgens dat de Ragetlieregeling feitelijk geen effect sorteert in alle gevallen, zoals ook in dit geval, waarin op grond van het keten-periodesysteem een contract voor onbepaalde tijd tot stand komt (Bron: Gerechtshof

60 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

1.4.6 Verlenging van de arbeidsovereenkomst en het overgangsrecht

's-Gravenhage, 3 maart 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH5977).

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt op het moment dat de afgesproken looptijd is verstreken. Het kan zijn dat de werkgever de arbeidsovereenkomst wil verlengen, opnieuw voor bepaalde tijd, en dat daar (nieuwe) afspraken over gemaakt worden. Ook komt het voor dat de werknemer gewoon feitelijk zijn werkzaamheden voortzet zonder dat afspraken worden gemaakt over die voortzetting. Het gaat hierbij om uitdrukkelijke tegenover stilzwijgende voortzetting.

Uitdrukkelijke en stilzwijgende voortzetting

Bij uitdrukkelijke voortzetting staat het de werkgever en werknemer vrij om te verlengen voor de tijd die zij wensen. Als eerst een jaarcontract is overeengekomen, mag best worden verlengd met bijvoorbeeld een half jaar of bijvoorbeeld twee jaar. Er is geen verplichting opnieuw een arbeidsovereenkomst voor dezelfde duur af te spreken. Als niets is afgesproken en de werknemer blijft na de overeengekomen einddatum gewoon werken, dan wordt het tijdelijke dienstverband geacht (stilzwijgend) op dezelfde voorwaarden voor dezelfde duur als de vorige arbeidsovereenkomst te zijn voortgezet, maar met een maximumtermijn van één jaar.

Let op Let op

Als sprake is van een oproepovereenkomst, dan gelden bijzondere regels rondom de verlenging. Uitgangspunt bij oproepovereenkomsten is dat na 12 maanden een aanbod moet worden gedaan voor het aantal uur dat de werknemer in de 12 maanden daarvoor gemiddeld heeft gewerkt (zie verder paragraaf 2.2.1).

Let wel, wanneer een werkgever eerder te kennen heeft gegeven niet te willen verlengen en de werknemer komt één dag na de einddatum uit eigen beweging toch op het werk, dan is het niet zo dat er direct een stilzwijgend voortgezette arbeidsovereenkomst is ontstaan. Wel is het zaak om de werknemer in dat geval weg te sturen en niet het werk te laten hervatten.

De werkgever en de werknemer waren tegen het einde van hun jaarcontract met elkaar in onderhandeling over verlenging. De werkgever wilde per sé niet meer dan twee maanden geven, de werknemer wilde alleen een verlenging met een jaar. Na afloop van het contract bleef de werknemer werken, zonder dat de onderhandelingen waren afgerond. Na twee maanden beriep de werkgever zich op het einde van het contract, want dat was de maximale verlenging die zij had geboden. De werknemer beriep zich op stilzwijgende voortzetting, dus voor dezelfde duur als het eerste contract. Er waren immers geen uitdrukkelijke afspraken over verlenging gemaakt. De Hoge Raad besliste dat de werknemer niet mocht vertrouwen op een stilzwijgende voortzetting gelet op het duidelijke standpunt van de werkgever van maximaal twee maanden. Er was dus sprake van slechts een verlenging voor die duur (Bron: ECLI:NL:PHR:2007:BA6755 - ECLI:NL:HR:2007:BA6755).

Let op

Zowel bij uitdrukkelijke als stilzwijgende voortzetting geldt (vanaf 1 februari 2015) de aanzegplicht. Bij stilzwijgende voortzetting is vanzelfsprekend niet voldaan aan de aanzegverplichting, zodat de vergoeding van één maand verschuldigd is. De wetgever gaat ervan uit dat werknemers in dit soort gevallen niet snel aanspraak zullen maken op die vergoeding omdat hun arbeidsovereenkomst immers verlengd wordt, maar het is goed te realiseren dat de aanspraak op de vergoeding wel bestaat.

Het keten-en-periodesysteem

Om een werknemer te beschermen tegen een oneindige reeks van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, is de ‘ketenregeling’ geïntroduceerd: na een keten van tijdelijke arbeidsovereenkomsten of na het verstrijken van een periode van tijdelijke arbeidsovereenkomsten ontstaat automatisch (‘van rechtswege’) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De wettelijke regeling is als volgt samen te vatten:

1. Zodra een werknemer meer dan 36 maanden in dienst is op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, verandert zijn arbeidsovereenkomst vanzelf in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2. Zodra in een keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meer dan drie arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan, ontstaat vanaf de vierde arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3. Bij onderbrekingen van langer dan zes maanden moet men opnieuw gaan tellen bij de regels onder 1 en 2.

4. Een arbeidsovereenkomst van ten hoogste drie maanden, die onmiddellijk volgt op

61

Let op

1.4.6.1 Conversie

één eerdere arbeidsovereenkomst van 36 maanden of langer, eindigt van rechtswege.

In de wet worden twee categorieën van tijdelijke arbeidsovereenkomsten uitgesloten van de ketenregeling. Dit betreft de tijdelijke arbeidsovereenkomsten die aan zijn gegaan in het kader van educatie (zoals de beroepsbegeleidende leerweg) en de tijdelijke arbeidsovereenkomsten met werknemers tot 18 jaar met een gemiddelde arbeidsomvang van minder dan 12 uur per week. Dergelijke tijdelijke arbeidsovereenkomsten tellen dus niet mee voor de periode van maximaal 36 maanden en ook niet voor het aantal van drie opvolgende arbeidsovereenkomsten.

Zodra in een arbeidsovereenkomst met een werknemer jonger dan 18 het gemiddeld aantal uren boven het gemiddelde van 12 per week komt, is die arbeidsovereenkomst niet meer uitgezonderd van de ketenregeling. Houd dat gemiddelde dus goed in de gaten.

De wettelijke conversie (dat wil zeggen de automatische omzetting van een contract voor bepaalde tijd in een contract voor onbepaalde tijd) vindt plaats vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden.

Voorbeeld

Bedrijf A heeft met werknemer B een contract gesloten voor de duur van twee jaar (vanaf 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2020). De partijen verlengen dit contract aansluitend nogmaals voor anderhalf jaar, dus tot en met 31 december 2021. Door overschrijding van de periode van 36 maanden verandert de tweede tijdelijke arbeidsovereenkomst al op 1 juli 2021 in een vast dienstverband. De conversie vindt dus plaats tijdens de verlenging, op het moment dat de termijn van 36 maanden wordt overschreden.

Daarnaast vindt conversie plaats wanneer meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden. Zodra een vierde arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, ontstaat er op dat moment een vast dienstverband.

Een onderbreking van zes maanden of korter telt mee in de keten. Het is voor het ontstaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dus niet nodig dat de tijdelijke arbeidsovereenkomsten elkaar aansluitend opvolgen. Pas als de onderbreking tussen twee tijdelijke arbeidsovereenkomsten langer is dan zes maanden is de keten onderbroken.

Voorbeeld Voorbeeld

Per 1 januari 2016 sluiten een werkgever en een werknemer een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden die aansluitend tweemaal (op 1 juli 2016 en op 1 oktober 2016) met drie maanden wordt verlengd. Deze arbeidsovereenkomsten lopen steeds automatisch af. Als de arbeidsverhouding per 1 januari 2017 wordt voortgezet met een vierde contract, ontstaat er vanaf die datum volgens de wet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en geniet de werknemer de bijbehorende ontslagbescherming.

Per 1 januari 2019 sluiten werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor de duur van 5 maanden. Op 31 mei 2019 loopt de arbeidsovereenkomst automatisch af. Er wordt niet direct een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden. Per 1 november 2019 wordt een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van 22 maanden afgesloten en deze wordt per 1 september 2021 voortgezet met nog eens 10 maanden, tot en met 30 juni 2022. Omdat de onderbreking tussen 31 mei 2019 en 1 november 2019 korter is dan zes maanden, namelijk vijf maanden, telt ook deze onderbreking mee in de keten. De keten loopt daardoor van 1 januari 2019 tot 30 juni 2022. Dat is een overschrijding van de maximale duur van 36 maanden – al op 1 januari 2022 – en daarom is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Let op

Wettelijke conversie vindt niet plaats, wanneer het om een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gaat, ook al duurt deze langer dan 36 maanden. Het is dus mogelijk een arbeidsovereenkomst voor de duur van bijvoorbeeld vier jaar af te sluiten, die na afloop van die vier jaar automatisch eindigt.

Ook vindt geen omzetting van een tijdelijk naar een vast dienstverband plaats, als een eerste langlopend tijdelijk dienstverband (van 36 maanden of langer) eenmalig wordt voortgezet met nog eens maximaal drie maanden, bijvoorbeeld om een project dat uitgelopen is te kunnen voltooien. Eenmalige verlenging, zonder het ontstaan van een vast dienst-

62 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN
Uitzonderingen

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

verband is alleen mogelijk als: ƒ de verlenging plaatsvindt tussen dezelfde partijen, dus niet via bijvoorbeeld een uitzendbureau; ƒ de verlenging zonder onderbreking meteen aansluit; ƒ de verlenging niet langer duurt dan drie maanden; ƒ en die drie maanden uit één arbeidscontract bestaan (en bijvoorbeeld niet uit drie verlengingen van één maand).

Conversie geen terugwerkende kracht Rechtsgevolgen conversie Opvolgende werkgevers Voorbeeld

Het gaat hier om omzetting door de wet van de ene contractsvorm in de andere, zonder dat tussenkomst van partijen en of van de rechter daarvoor nodig is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze conversie geen terugwerkende kracht heeft. Het is dus niet zo, dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht vanaf de eerste tijdelijke arbeidsovereenkomst ontstaat, maar pas vanaf de dag dat de maximale duur is overschreden dan wel vanaf de totstandkoming van het vierde contract. Ook al heeft de conversie dus geen terugwerkende kracht, voor de berekening van de anciënniteit en de termijn van opzegging moet wel de begindatum van de eerste in de keten van overeenkomsten als uitgangspunt worden genomen.

Voor de werknemer, die voorheen op tijdelijke basis werkzaam was, betekent dit dat hij nu op basis van zijn contract voor onbepaalde tijd op de volledige bescherming van het ontslagrecht een beroep kan doen. Wil de werkgever zijn arbeidsovereenkomst beëindigen, dan is nu opzegging vereist of ontbinding, met naleving van de ontslagvergunningseis en alle opzegbepalingen uit het BW (Burgerlijk Wetboek), zoals de opzegverboden.

Het keten- en periodesysteem is ook van toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Het moet daarbij gaan om dezelfde of soortgelijke arbeid. De arbeidsovereenkomsten bij de opvolgende werkgevers tellen dan als schakel mee alsof het om een ketting/periode van arbeidsovereenkomsten met één en dezelfde werkgever zou gaan.

Er moet wel sprake zijn van een eerdere arbeidsovereenkomst, anders telt die overeenkomst niet mee voor de keten- en/of periodenreeks.

Een werknemer heeft aanvankelijk gewerkt op basis van een leer-arbeidsovereenkomst in de functie van assemblage medewerker. Deze overeenkomst wordt opgevolgd door meerdere contracten voor bepaalde tijd. De werknemer, die de eerste overeenkomst meetelt, stelt dat een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan. De rechter geeft als voorlopig oordeel in kort geding, dat de werknemer onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij tijdens de leer-arbeidsovereenkomst productieve werkzaamheden heeft verricht. De rechter concludeert dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en de rechter telt op die grond de eerste overeenkomst niet mee (Bron: Kantonrechter Amersfoort, 3 mei 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4351).

Een werkgever die een uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aanbiedt, moet goed rekening houden met de perioden en het aantal contracten waarin deze voor hem als uitzendkracht hetzelfde of soortgelijk werk heeft verricht. Zo'n periode/contract telt namelijk mee in de reeks. Voor uitzendwerkgevers zelf geldt een versoepeling van deze regelgeving; contracten en perioden gaan pas tellen zodra de uitzendkracht in meer dan 26 weken gewerkt heeft in het kader van een uitzendovereenkomst (zie hierover verder paragraaf 2.1.2.3).

Een werknemer treedt op 5 september 2011 in dienst als taxichauffeur bij Taxi Dorenbos. De eerste arbeidsovereenkomst heeft een duur van zes maanden. De arbeidsovereenkomst wordt tweemaal verlengd, zonder onderbreking. De laatste dag van de tweede verlenging is 4 september 2014.

Kort voor de laatste werkdag, 8 augustus 2014, heeft de werknemer een ‘aanmeldformulier medewerker en contract’ van Talent4 Taxi Diensten (T4T) ondertekend. Op dit formulier is de werknemer aangeduid als ‘payrollmedewerker’. Bij het gesprek, het invullen van het formulier en het ondertekenen daarvan is geen medewerker van T4T aanwezig geweest; de werknemer was ook niet als werkzoekende ingeschreven bij T4T.

63
Voorbeeld

Op 28 augustus 2014 heeft T4T de werknemer een – namens T4T ondertekende – arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toegestuurd van 5 september 2014 tot en met 4 december 2014 samen met een ‘uitzendbevestiging’. In die uitzendbevestiging staat dat Taxi Dorenbos opdrachtgever is.

De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst ondertekend en aan T4T retour gestuurd. Bij e-mail van 28 november 2014 heeft T4T werknemer geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst met drie maanden wordt verlengd tot 4 maart 2015. Medio februari 2015 heeft werknemer van Taxi Dorenbos te horen gekregen dat de werknemer na 5 maart 2015 niet meer zou worden ingezet als chauffeur. Toch heeft de werknemer ook daarna (van 5 september 2014 tot en met 4 maart 2015, en vanaf 8 mei 2015) nog chauffeurswerkzaamheden bij Taxi Dorenbos verricht.

De werknemer stelt dat (sinds 5 september 2014) sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Taxi Dorenbos. Dit wordt door Taxi Dorenbos betwist.

De kantonrechter stelt de werknemer in het gelijk. Zo ook het Hof:

“(…) De verhouding tussen T4T en de werknemer kan worden gekwalificeerd als een uitzendovereenkomst. (rov. 5.4)

Met de ketenregeling zoals neergelegd in art. 7:668a (oud) BW is beoogd te voldoen aan Richtlijn 1999/70/EG (hierna: de Richtlijn), waarin tot uitgangspunt is genomen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding is. Vóór 1 juli 2015 mocht een tijdelijke arbeidsovereenkomst maximaal twee keer worden verlengd, waarbij de drie overeenkomsten samen de maximale duur van drie jaar niet mochten overschrijden. De Taxi-CAO bood niet de mogelijkheid van dat aantal of die duur af te wijken. (rov. 5.5)

Taxi Dorenbos was erg tevreden over de werkzaamheden van de werknemer, maar wilde geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met hem aangaan, terwijl zij wel van zijn diensten gebruik wilde maken voor de resterende contractduur van het aan haar aanbestede vervoer. Niet alleen is van belang hoe partijen de overeenkomst op schrift hebben gesteld, maar ook op welke wijze zij feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de arbeidsverhouding. Vast staat dat Taxi Dorenbos het initiatief heeft genomen om de constructie met T4T tot stand te brengen. De werknemer heeft alleen zijn handtekening gezet onder een door Taxi Dorenbos opgesteld en aan hem voorgehouden aanmeldformulier en een later toegezonden contract, waarna er materieel niets voor hem wijzigde. De werknemer stond vanaf 5 september 2014 slechts op de ‘payroll’ van T4T, maar bleef via die arbeidsverhouding werkzaam voor Taxi Dorenbos. De door de werknemer gewerkte uren werden daarbij ter verloning niet door hem maar door Taxi Dorenbos aan T4T doorgegeven. De werknemer heeft, buiten het toezenden van enkele stukken en een e-mailbericht, steeds alleen met Taxi Dorenbos te maken gehad. (rov. 5.6)

Dat de Richtlijn niet ziet op uitzendovereenkomsten, betekent niet dat het gebruik van een uitzendovereenkomst voor een payrollconstructie ten behoeve van dezelfde werkgever, aansluitend op de maximale termijn dan wel het maximale aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, met het enkele doel om onder de met de Richtlijn beoogde bescherming uit te komen, die bescherming mag frustreren. (rov. 5.7)

Van een ander doel dan het door Taxi Dorenbos ontduiken van de beoogde bescherming is niet gebleken. (rov. 5.8)

De vergelijking met het Greenpeace-arrest 2 gaat mank, omdat in het geval van de werknemer, anders dan in het geval dat leidde tot dat arrest, geen sprake is geweest van een feitelijke onderbreking van de werkzaamheden. (rov. 5.9)

Omdat de payrollconstructie is gehanteerd voor het enkele doel om onder de bescherming van de ketenregeling uit te komen, kan deze constructie niet verhinderen dat vanaf de eerste dag waarop de werknemer via T4T bij Taxi Dorenbos ging werken, dus op 5 september 2014, tussen de werknemer en Taxi Dorenbos een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. (rov. 5.10) (…)”

Taxi Dorenbos stelt cassatie in bij de Hoge Raad, maar vergeefs:

64 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

1.4.6.2

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

“(…) De gedachtegang van het hof in rov. 5.4-5.8 (…) komt erop neer dat weliswaar op papier tussen de werknemer en T4T een uitzendovereenkomst bestond, maar dat deze overeenkomst slechts was geconstrueerd om onder de voor de werknemer uit de ketenregeling voortvloeiende bescherming uit te komen, en dat daarom van een reële uitzendovereenkomst tussen de werknemer en T4T geen sprake was. (…) Uitgaande van dit oordeel, was vanaf het moment dat de werknemer via T4T zijn werkzaamheden bij Taxi Dorenbos voortzette (te weten: 5 september 2014), in wezen sprake van een vierde arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en Taxi Dorenbos. Direct vóór 5 september 2014 was tussen de werknemer en Taxi Dorenbos al sprake geweest van drie elkaar opvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor een periode van in totaal 36 maanden. Van het bepaalde in art. 7:668a lid 1 (oud) BW is noch in de Taxi-CAO noch bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan ten nadele van de werknemer afgeweken. (…)”

Kortom, als de uitzendovereenkomst (of payrollovereenkomst) niet het karakter heeft van een daadwerkelijke uitzendovereenkomst (of payrollovereenkomst) en slechts sprake is van een constructie om aan de werking van de ketenregeling te ontkomen, prikt de rechter die papieren constructie door. (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:312).

Let op

De reeks wordt niet onderbroken na een faillissement. Volgens de Hoge Raad in het Boekenvoordeel arrest tellen de voorafgaande arbeidsovereenkomst(en) mee (Bron: HR, 14 juli 2006 - JAR 190).

Let op

Het vereiste dat het moet gaan om dezelfde of soortgelijke arbeid is alleen van belang bij het antwoord op de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap en dus of een eerder contract met een andere werkgever meetelt of niet. Als de werkgever dezelfde blijft, maar de soort arbeid wijzigt bij een volgend contract, dan dienen die contracten/ perioden altijd bij elkaar te worden opgeteld.

Als er tussen twee contracten een periode van langer dan zes maanden ligt, wordt de reeks onderbroken en gaat de telling opnieuw beginnen. Volgens de Hoge Raad in het Greenpeace-arrest (ECLI:NL:PHR:2007:BA2504) is van een ongeoorloofde ontduiking of uitholling van de wettelijke regels (destijds gold nog de tussenpoos van drie maanden) niet reeds sprake door het enkele feit dat de werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer na het verstrijken van zo'n tussenpoos weer in dienst zal treden, ook als hiermee expliciet wordt beoogd om een vast dienstverband te voorkomen. In de lagere rechtspraak wordt zo'n constructie echter niet altijd toegestaan, en wordt het in bijzondere omstandigheden beschouwd als misbruik van recht.

Bepaalde tijd in aansluiting op onbepaalde tijd

Wanneer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt en vervolgens binnen zes maanden tussen dezelfde partijen wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, loopt dat laatste contract niet altijd van rechtswege af. Dit is alleen anders als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig was geëindigd middels een rechtsgeldige opzegging (door de werkgever of, bij faillissement, door de curator) of door ontbinding door de rechter. Deze ‘wettelijke regel’, ingevoerd bij de Flexwet op 1 januari 1999, wordt ook wel de Ragetlie-regel genoemd, naar een oud arrest van de Hoge Raad.

Let op

De termijn van opzegging moet berekend worden vanaf de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zie voor de berekening van opzegtermijnen verder paragraaf 7.7.1, zie ook artikel 7:667 lid 4 laatste zin).

Als de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd rechtsgeldig is beëindigd via ontbinding door de kantonrechter of door opzegging na een ontslagvergunningsprocedure, kan weer opnieuw een arbeidscontract voor bepaalde tijd worden afgesloten, dat dan wel van rechtswege afloopt. Zelfs een nieuwe reeks is mogelijk.

Voorbeeld

Werknemer A is bij werkgever B in dienst voor onbepaalde tijd sinds 1 januari 2004. Zij komen na enkele jaren in goed overleg overeen dat het dienstverband eindigt per 31 december 2012, en leggen die afspraak duidelijk vast in een schriftelijke beëindigingsovereenkomst. Na beëindiging van het vaste dienstverband besluiten partijen echter korte tijd later, in februari 2013, om het eerdere dienstverband nog een tijdelijk vervolg te geven omdat het werkgever B niet lukt een goede opvolger van A te vinden. Zij sluiten met ingang van 1 maart 2013 een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, tot en met 31 augustus 2013. Deze laatste arbeidsovereenkomst eindigt niet van rechtswege.

65
Onderbreking van langer dan 6 maanden

Opzegging of ontbinding door de rechter is nodig voor een rechtsgeldige beëindiging van het bepaalde tijd contract.

In een uitspraak van 20 december 2013 heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat onder rechtsgeldige opzegging niet verstaan moet worden de opzegging door de werknemer. Het gaat, aldus de Hoge Raad, om het feit dat de beëindiging is getoetst (door het UWV of de kantonrechter) en die toetsing vindt bij een opzegging door de werknemer niet plaats. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die - binnen drie maanden - volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die geëindigd is door opzegging door de werknemer, eindigt dus niet van rechtswege (HR 20 december 2013, JAR 2014/34).

In een uitspraak van 11 mei 2012 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het opvolgend werkgeverschap geoordeeld dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Bron: Hoge Raad, 11 mei 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY0814.

Deze uitspraak van de Hoge Raad is maar beperkt houdbaar gebleken, omdat de wetgever ervoor heeft gekozen de aanvullende eisen in de wet niet over te nemen. Sinds 1 juli 2015 staat expliciet in de wet dat van opvolgend werkgeverschap sprake is als de werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn, ongeacht of het ‘inzicht in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer’ aanwezig is. Volgens de wetgever zou de toepassing van de ketenregeling te veel beperkt worden als ook aan het criterium van de Hoge Raad voldaan zou moeten zijn, het ‘banden- en inzicht’- vereiste. Alleen voor werknemers en (opvolgend) werkgevers in de periode na 11 mei 2012 en voor 1 juli 2015 kan het aanvullende criterium van belang zijn voor de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap. Het arrest van de Hoge Raad werd met name instemmend ontvangen met het oog op faillissementssituaties, nu het de risico’s op vaste dienstverbanden bij het in dienst nemen van personeel van de failliete werkgever verkleinde. Door expliciet in de wettekst op te nemen dat banden met de vorige werkgever en inzicht in de geschiktheid geen vereiste is, staat buiten kijf dat contracten bij de failliete werkgever meetellen in de ketenregeling, mits uiteraard ‘ten aanzien van de verrichte arbeid’ de nieuwe werkgever als opvolger kan worden beschouwd.

Van opvolgend werkgeverschap is volgens de wetgever uitdrukkelijk geen sprake als de werknemer op eigen initiatief bij een andere werkgever hetzelfde werk gaat doen. Het opvolgend werkgeverschap is een criterium ter bescherming van de werknemer wanneer de arbeid op initiatief van de werkgever bij een andere werkgever wordt voortgezet. Wanneer de werknemer er zelf voor kiest hetzelfde werk voortaan bij een andere werkgever te gaan verrichten, is deze bescherming niet nodig.

De WWZ heeft verandering gebracht in de mogelijkheden om bij cao af te wijken van de ketenregeling. De periode van (indertijd nog 24 maar sinds de WAB weer) 36 maanden kan bij cao worden verlengd tot maximaal 48 maanden en het aantal van drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan worden verruimd tot zes. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn onder de WAB gehandhaafd.

De mogelijkheid om bij cao af te wijken van de wettelijke ketenregeling is beperkt tot functies of functiegroepen waarvan ‘de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering’ de verlenging (tot maximaal 48 maanden) of de verhoging (tot maximaal zes arbeidsovereenkomsten) vereist. Welke functies of functiegroepen dit zijn, moet concreet in de cao zijn opgenomen met een toelichting waarom de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering voor specifiek die functies een aanpassing van de wettelijke ketenregeling vereist.

De toelichting die de wetgever geeft bij het begrip ‘intrinsieke aard van de bedrijfsvoering’ is beperkt. Uitgangspunt is dat alleen in zwaarwegende gevallen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt en dat ‘normale schommelingen in de bedrijfs-

66 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN
Voorbeeld Let op Let op Let op 1.4.6.3 Cao en WAB

1.4.6.4

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

voering als gevolg van economische omstandigheden’ niet voldoende zijn voor afwijking.

Concreet genoemd wordt de situatie dat de financiering van werkzaamheden projectmatig plaatsvindt en daarom afwijking van de wettelijke ketenregeling rechtvaardigt, waarbij volgens de wetgever gedacht kan worden aan de sectoren media en cultuur en de academische sector. In de horeca zal, aldus de wetgever, de vaste kok niet onder de uitzonderingsmogelijkheid vallen en een bediende die alleen tijdens drukke periodes werkt wel.

Let op

Het projectmatig financieren in de academische sector heeft betrekking op bijvoorbeeld onderzoekers. Vaak wordt het loon van een onderzoeker gefinancierd op basis van een beurs of subsidie, beschikbaar gesteld door de overheid of de private sector. Voor deze categorie werknemers heeft de wetgever het mogelijk willen maken langer dan (aanvankelijk 24 en tegenwoordig) 36 maanden en met meer dan drie opvolgende contracten te werken, zonder dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat waar de werkgever dan, na afloop van de beurs of subsidieperiode geen financiële middelen voor heeft.

De mogelijkheid om bij cao de tussenpoos te verkorten van zes naar drie maanden is beperkt tot functies die gedurende een periode van ten hoogste negen maanden per jaar uitgeoefend kunnen worden. Bij invoering van deze uitzonderingsmogelijkheid heeft de wetgever specifiek de land- en tuinbouwsector op het oog gehad, waar het werkaanbod grotendeels afhankelijk is van weersomstandigheden. Deze branche werd te zeer benadeeld door de minimale tussenpoos van zes maanden die in acht moest worden genomen.

In het kader van de WAB heeft de wetgever gezegd dat het ‘aan de cao-partijen (is) om te bepalen voor welke functies afwijking van de hoofdregel noodzakelijk is en hieraan zo nodig voorwaarden te verbinden. Dit zorgt ervoor dat er per sector of op bedrijfsniveau maatwerk bij cao kan worden geleverd. Cao-partijen zijn het beste in staat om te beoordelen welke functies hiervoor in aanmerking komen, zoals reeds het geval is voor seizoenswerk’. De wetgever ziet hier dus een duidelijke rol weggelegd voor cao-partijen om vast te stellen welke functies gedurende ten hoogste negen maanden per jaar – aaneengesloten – uitgeoefend kunnen worden.

Uiteraard kan zo’n concrete invulling door cao-partijen door de rechter getoetst worden, maar de rechter zal daarbij in principe terughoudend moeten zijn in die toetsing, omdat de wetgever uitdrukkelijk – ook met zoveel woorden bevestigd in antwoord op gerichte vragen van Kamerleden – de beoordeling aan de cao-partijen heeft willen overlaten. Die ruimte moet dus ook benut kunnen worden, binnen redelijke grenzen.

Uitzonderingen op ketenregeling

Cao-partijen kunnen bij de minister van SZW een verzoek indienen om (een) bepaalde functie(s) niet onder de werking van de ketenregeling te laten vallen. Er moet dan worden aangetoond dat het gebruik van tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor die functie(s) bestendig gebruik is in de betreffende sector en dat het vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering en de functie(s) noodzakelijk is dat gewerkt wordt op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomst. In een aparte regeling (van 24 juni 2015) heeft de wetgever de volgende functies opgenomen waar de ketenregeling niet op van toepassing is: ƒ Contractspeler, trainer-coach – waaronder de jeugdcoach –, assistent trainer-coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer werkzaam in de herencompetitie van de bedrijfstak betaald voetbal;

Bondstrainer en technisch directeur bij een nationale sportbond;

Danser en acteur in de podiumkunstsectoren dans of theater;

De musicus die als remplaçant werkzaam is bij een orkest; ƒ Presentatoren bij RTL Nederland met een bruto jaarsalaris van € 100.000,– of meer (inclusief vakantiegeld); ƒ

Werknemers in het primair onderwijs (of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra) voor zover de arbeidsovereenkomst is aangegaan in verband met vervanging wegens ziekte; ƒ

IJshockeyspelers werkzaam als betaald contractspeler bij een ijshockeyclub, waarvoor het speelseizoen in een internationale competitie langer duurt dan zes maanden.

Voor deze functies geldt dus dat ongeacht het aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd dat elkaar opvolgt, geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat.

67
ƒ
ƒ
ƒ

1.4.6.5

Overgangsrecht in het kader van de WAB

Ook voor het primair onderwijs geldt (sinds de WAB) een uitzondering. De ketenregeling is niet van toepassing op invalkrachten in het primaire onderwijs die werkzaam zijn op basis van kortdurende contracten voor bepaalde tijd ter vervanging van een zieke leerkracht.

Onder de WAB keert de ketenregeling in feite grotendeels terug naar de situatie zoals die was vóór de WWZ. Ook toen was de maximale duur van de keten 36 maanden. Omdat de WAB een verruiming van de ketenregeling betekent, is er geen overgangsrecht. Dit houdt in dat sinds 1 januari 2020 de verruimde ketenregeling van toepassing is.

Voorbeelden

De gevolgen van deze onmiddellijke werking zijn uitgewerkt in de volgende voorbeelden:

Voorbeeld 1: De eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 6 maanden) is aangegaan van 1 april 2018 tot 1 oktober 2018. Hierop volgt een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor een periode van 12 maanden) van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019 en een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 12 maanden) van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020. In dit geval is de keten vóór 1 januari 2020 korter dan 24 maanden en op 1 oktober 2020 korter dan 36 maanden, zodat nog geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat.

Voorbeeld 2: Er is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 1 jaar) aangegaan van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019. Er is een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 1,5 jaar) aangegaan van 1 oktober 2019 tot 1 april 2021. De tweede arbeidsovereenkomst blijft een overeenkomst voor bepaalde tijd en gaat niet over in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De duur van de opvolgende contracten overschrijdt weliswaar een periode van 24 maanden, maar het moment waarop de periode van 24 maanden wordt gepasseerd ligt ná 1 januari 2020. En ná 1 januari 2020 ligt de grens op 36 maanden.

Voorbeeld 3: Er is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 12 maanden) aangegaan van 1 oktober 2017 tot 1 oktober 2018. Hierop volgt een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor een periode van 14 maanden) van 1 oktober 2018 tot 1 december 2019. In dit geval ontstaat op grond van de ketenregeling zoals die tot 1 januari 2020 geldt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met ingang van 1 oktober 2019 (er wordt op die datum immers een periode van 24 maanden overschreden).

In het kort komt het op het volgende neer: ƒ wanneer een keten van arbeidsovereenkomsten vóór 1 januari 2020 (tussenpozen korter dan 6 maanden meegeteld) de grens van 24 maanden overschrijdt, ontstaat vanaf het moment van die overschrijding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd; ƒ wanneer een keten van arbeidsovereenkomsten ná 1 januari 2020 (tussenpozen korter dan 6 maanden meegeteld) de grens van 24 maanden overschrijdt, eindigt die laatste arbeidsovereenkomst van rechtswege. Pas wanneer in die keten de grens van 36 maanden wordt overschreden, ontstaat vanaf het moment van die overschrijding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Overgangsrecht ketenregeling en cao

Wanneer geen sprake is van een cao of in de toepasselijke cao niet van het wettelijk systeem is afgeweken, geldt het voorgaande: onmiddellijke werking van de ketenregeling.

Als op de arbeidsovereenkomst wél een cao van toepassing is en in die cao ten gunste van de werknemer van de ketenregeling is afgeweken (lees: een maximale keten geldt die korter is dan 36 maanden), geldt die afwijking. Een variatie op voorbeeld 2, ditmaal met een afwijking van de ketenregeling in de cao tot maximaal 20 maanden, verduidelijkt dit:

Voorbeeld 4: Er is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 1 jaar) aangegaan van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019. Er is een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 1,5 jaar) aangegaan van 1 oktober 2019 tot 1 april 2021. Op beide arbeidsovereenkomsten is een cao van toepassing die een keten toestaat tot maximaal 20 maanden. De tweede arbeidsovereenkomst gaat door deze cao-bepaling op 1 juni 2020 over in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De duur van de opvolgende contracten overschrijdt op die datum immers een periode van 20 maanden. Het feit dat sinds 1 januari 2020 een maximale keten van 36 maanden geldt op grond van de wet, doet daar niet aan af: de afwijking in de cao ten gunste van de werknemer gaat voor.

68 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

1.4.6.6

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Verhouding regeling keten- en periodesysteem en de Ragetlieregel

Voorbeeld

Het kan zijn dat in een bepaalde situatie zowel de regels van het keten- en periodesysteem (art. 7:668a BW) als de Ragetlieregel (art. 7:667 lid 5 BW) van toepassing zijn. De vraag is welke regel dan voorrang heeft. De Hoge Raad heeft zich daar nog niet expliciet over uitgelaten. Wel is er een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag.

Een werknemer is in dienst sinds 14 februari 1977 bij een werkgever A. De curator zegt namens de inmiddels failliete werkgever A het dienstverband rechtsgeldig op per 30 augustus 2004. Al enkele dagen later, op 6 september 2004, treedt de werknemer in dienst bij werkgever B, in het kader van een zogeheten doorstart, op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de duur van een half jaar. De werkzaamheden zijn hetzelfde gebleven. Na dat jaar wordt het contract nog een keer verlengd vanaf 6 maart 2005 tot en met 31 december 2005. De werkgever laat tegen het einde van dat tweede contract de werknemer weten dat verdere verlenging niet zal plaatsvinden. De werknemer beroept zich op het keten- en periodesysteem en stelt dat op basis daarvan een contract voor onbepaalde tijd is ontstaan, reeds met ingang van 7 september 2004.

Volgens de werkgever geldt hier de Ragetlieregel nu het een contract voor bepaalde tijd volgend op een contract voor onbepaalde tijd betreft. En omdat het contract voor onbepaalde tijd rechtsgeldig is opgezegd hoeven volgens de Ragetlieregel de contracten voor bepaalde tijd nadien niet opgezegd te worden, zolang er niet een nieuwe ketenperiode is ontstaan. Het Gerechtshof oordeelt dat er geen rangvolgorde bestaat tussen de Ragetlieregel en de regels van het keten- en periodesysteem, zich daarbij baserend op de wetsgeschiedenis. Er bestaat ook geen bezwaar tegen dat beide bepalingen in een concrete situatie hun werking hebben. Het gerechtshof concludeert vervolgens dat de Ragetlieregeling feitelijk geen effect sorteert in alle gevallen, zoals ook in dit geval, waarin op grond van het keten-periodesysteem een contract voor onbepaalde tijd tot stand komt. (Bron: Gerechtshof 's-Gravenhage, 3 maart 2009 ECLI:NL:GHSGR:2009:BH5977)

1.4.7 Doorwerken na AOW-gerechtigde leeftijd

Ketenregeling

Let op

Opzegtermijn

Sinds 1 januari 2016 zijn nieuwe regels van kracht voor het verlengen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben gepasseerd. Naast het feit dat AOW-gerechtigde werknemers geen recht hebben op een transitievergoeding, heeft de wetgever ook andere maatregelen genomen om het aantrekkelijker voor werkgevers te maken oudere werknemers in dienst te nemen en te houden. Met de Wet Doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd zijn verschillende wetten veranderd om de aantrekkelijkheid van het laten doorwerken van AOW-gerechtigde werknemers te vergroten. De belangrijkste wijzigingen komen hierna aan bod.

Voor werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, is een uitzondering gemaakt op de ketenregeling. In plaats van (maximaal) drie arbeidsovereenkomsten in een periode van (maximaal) 36 maanden, geldt voor de AOW-gerechtigde werknemers een keten van (maximaal) zes arbeidsovereenkomsten in (maximaal) 48 maanden. Na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd begint de keten opnieuw te lopen.

Deze ruimere keten geldt alleen voor arbeidsovereenkomsten die aan zijn gegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Arbeidsovereenkomsten die aan zijn gegaan vóór het bereiken van die leeftijd vallen onder de wettelijke ketenregeling (3x2x6). Zie voor de ketenregeling ook paragraaf 1.4.6.

De opzegtermijn van een arbeidsovereenkomst met een AOW-gerechtigde werknemer is beperkt tot één maand. Voor nog niet AOW-gerechtigde werknemers geldt een opzegtermijn van één tot vier maanden afhankelijk van de lengte van het dienstverband. De verkorte opzegtermijn geldt ook als een werknemer al voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst was (zie over de opzegtermijnen ook paragraaf 7.7.1).

Loondoorbetaling bij ziekte

De loondoorbetalingsplicht, de re-integratieverplichtingen van de werkgever en het opzegverbod bij ziekte zijn beperkt tot 13 weken in plaats van 104 weken. Deze verkorting van de loondoorbetalingsplicht geldt zowel voor de AOW-gerechtigde werknemers die voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst waren als voor AOW-gerechtigde werknemers die na het bereiken van die leeftijd een arbeidsovereenkomst aangaan met een werkgever (zie voor de loondoorbetaling bij ziekte en de re-integratieverplichtingen ook paragraaf 5.1.1 e.v., zie voor het opzegverbod bij ziekte ook paragraaf 7.6.1).

69

Wet flexibel werken

Let op

Voor werknemers die arbeidsongeschikt waren op 1 januari 2016 en op dat moment de AOW-gerechtigde leeftijd al hadden bereikt of vóór 1 juli 2016 hebben bereiken, geldt overgangsrecht. Op grond van dit overgangsrecht is voor deze categorie werknemers de loondoorbetalingsplicht en het opzegverbod blijven gelden tot 1 juli 2016. Sinds 1 juli 2016 is ook voor deze werknemers de loondoorbetalingsplicht en het opzegverbod beperkt tot 13 weken.

Let op

Na een evaluatie van de effecten van de Wet Doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt besloten of de loondoorbetaling van 13 weken verder wordt verkort tot zes weken.

Werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen geen beroep doen op de Wet Flexibel Werken om hun arbeidsduur aan te passen. Deze uitsluiting is bedoeld om te voorkomen dat een AOW-gerechtigde leeftijd zijn arbeidsduur kan uitbreiden, wat ten koste zou (kunnen) gaan van een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Dat heeft de wetgever willen voorkomen, om de positie van jongere werknemers te beschermen.

1.4.8 Cao

In een cao kan worden afgeweken van de wettelijke bepalingen rond de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Voorbeelden van afwijkende bepalingen die regelmatig in cao's voorkomen:

ƒ De cao kan regelen dat niet in alle gevallen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag worden aangegaan, maar alleen als zich een bepaalde situatie voordoet.

ƒ Er kan een maximale duur van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de cao zijn opgenomen.

ƒ

In plaats van een stilzwijgende verlenging voor ten hoogste één jaar (zoals in paragraaf 1.4.5 besproken) kan een cao bepalen dat na afloop van de overeenkomst voor bepaalde tijd een verlenging voor onbepaalde tijd intreedt.

ƒ

In de cao kan van het keten-en-periodesysteem (de 3×2x6-regel) ten nadele of ten voordele van de werknemer worden afgeweken. Zo is het mogelijk dat in de cao wordt bepaald dat aansluitend zes arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden aangegaan binnen 48 maanden. Pas bij een zevende contract voor bepaalde tijd of na 48 maanden zou dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan.

De regels rond bepaalde tijd contracten zijn gebaseerd op Europese Richtlijnen. Op grond daarvan is het waarschijnlijk niet mogelijk in een cao een onbeperkt aantal contracten voor bepaalde tijd of voor een onbeperkte duur toe te staan.

Let op

1.4.8.1 Invalkrachten primair onderwijs

1.4.9 Geen onderscheid tussen vast en tijdelijk personeel

De Wet Werk en Zekerheid (per 1 juli 2015) en de Wet Arbeidsmarkt in balans (per 1 januari 2020) hebben niet alleen verandering gebracht in de ketenregeling zelf, maar ook in de mogelijkheden om bij cao van het wettelijke systeem af te wijken. Zie voor een toelichting op deze wijzigingen paragraaf 1.4.5.

In het kader van het Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans (WAB) zijn invalkrachten in het primair onderwijs uitgezonderd van de werking van de ketenregeling wanneer zij invallen voor zieke werknemers.

Het is wettelijk verboden om bij de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen werknemers op grond van de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst. Er mag geen sprake zijn van direct onderscheid en ook niet van indirect onderscheid (zie hierover paragraaf 3.4.10). Dat betekent dat een werknemer met een bepaalde tijd contract aanspraak moet kunnen maken op dezelfde arbeidsvoorwaarden (desnoods naar rato) als een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Sanctie

Bedingen in de individuele arbeidsovereenkomst of in de cao die in strijd zijn met het discriminatieverbod zijn nietig. Dat betekent dat de tijdelijke werknemer dan recht heeft op de arbeidsvoorwaarden die voor vaste werknemers geldt. Als de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt omdat de werknemer een beroep heeft gedaan op het discriminatieverbod, is er sprake van een vernietigbaar ontslag. Het College voor de Rechten van de Mens is bevoegd te onderzoeken of er sprake is van discriminatie.

Voorbeeld

Een werkgever keerde elke november een dertiende maanduitkering uit aan werkne -

70 Deel 1 ARBEIDSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1.4 Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

mers met een contract voor onbepaalde tijd en -met terugwerkende kracht- aan werknemers met een bepaalde tijd contract, als zij later tenminste alsnog een vast contract kregen. Hierdoor kreeg een werknemer met een contract voor bepaalde tijd die in dienst was van 15 september 2008 tot 1 juni 2009 (en daarna niet mocht blijven) in november 2008 geen 13e maand. Volgens de toenmalige Commissie Gelijke Behandeling was er sprake van een ongeoorloofd onderscheid op basis van de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst (CGB-oordeel 2009-39).

De werkgever is op grond van de wet bovendien verplicht om de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tijdig en duidelijk in kennis te stellen van een vacature voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een algemene bekendmaking op een geschikte plaats in de onderneming. Deze verplichting brengt overigens niet met zich mee dat de werkgever tijdelijke werknemers voorrang moet geven bij het opvullen van openstaande vacatures. Het is voldoende wanneer deze vacatures onder de aandacht van de tijdelijke werknemer zijn gebracht.

Let op

Deze verboden/regels voor tijdelijke werknemers gelden niet voor uitzendkrachten.

71
Meldingsplicht vacatureaanbod

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.