IMPROVISEREN Dat kan je leren! Improvisatietheater is wat het woord zegt: verhalen, scènes en beelden brengen zonder deze voor te bereiden, vaak vanuit een suggestie vanuit het publiek. Gelukkig blijft het niet bij “doe iets met een appel” waarna iedereen samen een fruitmand uitbeeldt. Er bestaan heel wat kleine opdrachten en spelletjes om beginners of onervaren spelers te laten kennismaken met improvisatietheater. En het grote voordeel is: je kan niets fout doen. Geloven in wat je doet is regel nummer 1! Met dank aan Gentse improclub Salamie Improv voor alle inspiratie!
OPWARMING
Om al deze redenen is het belangrijk om alle spelers in improvisatiemodus te brengen. Een goede opwarming met de hele groep is daarvoor ideaal. De opwarming gebeurt idealiter op drie vlakken: associëren, concentreren en energizen (te onthouden door het ezelsbruggetje ACE). Iedereen moet zich kunnen laten gaan.
Stap voor Stap Leeftijdsgroep: +10 jaar
Associëren Improviseren kan je leren! Het is bewezen dat hoe meer je traint, hoe meer je hersencellen verbindingen aanmaken in je hoofd. Associatieoefeningen stimuleren het creatieve in iedereen. Hoe meer je leert associëren, hoe creatiever en origineler je wordt en hoe sneller je gepast kan reageren op onverwachte of nieuwe informatie. Eén van de grootste misvattingen van improvisatie is dat het grappig moet zijn. Dat is niet per se het geval. Het is daarom belangrijk om te benadrukken dat iedereen het eerste mag zeggen dat in hem of haar opkomt. Alles is juist, zelfs als het niet grappig of origineel is.
Spelverloop: Iedereen gaat in een rij staan aan een muur van het lokaal. De begeleider van het spel formuleert een categorie (bv. groenten, fruit, automerken, BV’s, voornamen voor jongens …). Elke speler bedenkt aspecten die binnen die categorie passen. Per element dat hij/ zij bedacht heeft, zet hij/zij een stap naar voren terwijl de speler luidop zegt wat hij/zij bedacht. Elke speler houdt dat vol tot hij/zij aan de overkant is. Deze oefening is zeker niet om ter eerst. Het is belangrijk dat iedereen deze oefening vooral voor zichzelf doet. Een volgende stap in het spel kies je voor meer absurde categorieën, bijvoorbeeld manieren om de strijk te doen, namen van aliën-families … Deelnemers kunnen hun fantasie laten spreken en er zo ver in gaan als ze willen. Geen enkel antwoord is fout!
Armpje gooien Leeftijdsgroep: +10 jaar
Spelverloop: Ga in een kring staan (maak de groep niet te groot, kies desnoods voor meerdere kringen). Iedereen beweegt één arm op hetzelfde tempo omhoog en omlaag. Deze beweging geeft het ritme aan. Je kan best iemand van de begeleiding aanduiden die het ritme bepaalt, zo weet iedereen welk tempo er gevolgd wordt.
IMPROVISEREN
Improvisatietheater is eenvoudig. Er is geen tekst, je kan daar alvast geen fouten maken. En het is tof, want je kan volop in je fantasie duiken en nieuwe verhalen vertellen. Improvisatietheater wordt vaak als moeilijk aanzien, je moet immers durven. Je moet durven vooruit stappen en ‘iets’ doen, je moet durven vooruit stappen en reageren op iets waarvan je nog niet weet wat dat zal zijn. Sommige mensen improviseren gemakkelijker als ze onder ‘gekenden’ zijn; anderen durven zich meer smijten als ze zich onder vreemden bevinden. Het is alleszins van belang om gewoon te geraken aan elkaar. Om voluit te improviseren, is veiligheid immers belangrijk. De leden mogen geen schrik hebben om uitgelachen te worden of om iets verkeerd te doen.
Een speler begint met het zeggen van een woord op het moment dat de arm naar boven wijst. Dit kan eender welk woord zijn. Wanneer de arm opnieuw naar boven wijst zegt de volgende in de kring een woord waar hij/zij aan denkt bij het horen van het vorige woord, en dat gaat zo de kring rond. Het spreekt voor zich dat hoe sneller de arm op en neer gaat, hoe moeilijker de oefening. Je kan dus traag beginnen en steeds sneller gaan.
IMPROVISEREN
Varianten: • Je kan in plaats van associaties maken ook een woordenrij maken waarbij de laatste letter van het woord de eerste letter van het volgende woord moet zijn. • Bij oudere leden kan je er een extra spelelement aan toevoegen: kunnen ze geen woord bedenken binnen het aangegeven ritme moeten ze een rondje rond de kring lopen en terug aansluiten. De woordenrij gaat dan gewoon verder terwijl de speler loopt. • Als je met veel spelers bent, kan je één kring maken die associeert op inhoud en één op de laatste letter. Ben je niet snel genoeg om een woord te verzinnen dan moet je wisselen van kring en daar verder meespelen.
Uitbeelden: een wedstrijdje Leeftijdsgroep: +8 jaar Voorbereiding: Verzinnen van enkele woorden/termen/begrippen
Zangstonde Leeftijdsgroep: +12 jaar
Out of the box Leeftijdsgroep: +10 jaar Materiaal: Twee willekeurige voorwerpen
Spelverloop: Ga in een kring staan en leg twee willekeurige voorwerpen in de kring. Een speler mag een associatie maken met de voorwerpen door deze te gebruiken bij het uitbeelden. Bijvoorbeeld: liggen er twee grote rollen plakband in het midden, dan kan de speler doen alsof het een bril is door ze voor zijn ogen te houden en te zeggen “het is een bril”, een volgende speler kan de rollen plakband nemen en doen alsof het de wielen zijn van zijn onzichtbare fiets, een volgende speler doet alsof het een koptelefoon is door ze bij de oren te houden … Kortom, een speler die inspiratie heeft bij deze twee voorwerpen mag een stap naar voor zetten, zeggen wat hij/zij ziet en dat uitbeelden en weer een stap naar achter zetten. Zo mag iedereen (meerdere) associaties maken. Belangrijk is dat een speler zelf mag kiezen of hij/zij een stap zet in de kring en iets uitbeeldt, en dat niemand verplicht is. Blijf het spel lang genoeg spelen dat iedereen op zijn gemak is en de antwoorden gekker worden.
Spelverloop: Verdeel de spelers in teams van 4 tot 6 personen. De begeleider geeft aan alle teams hetzelfde begrip of voorwerp (een notenkraker, een 3D-printer, het Atomium …). Alle teams krijgen nu 15 seconden om dat uit te beelden. De begeleider kiest het team dat het best op 15 seconden het begrip of het voorwerp heeft uitgebeeld. De korte tijd zorgt voor snelle beslissingen, nood aan vlotte samenwerking en hilarische taferelen!
Spelverloop: Ga in een kring staan. Een speler begint door een stap te zetten in de kring. Die speler zingt een liedje (dat mag uiteraard vals gezongen worden!). Als een speler een liedje kent dat daar bij past (bijvoorbeeld: een speler zingt “Zeil je voor het eerst”, dan denkt de volgende aan “Walk on Water”) dan begint die speler te zingen en mag de eerste stoppen. Zo ga je verder. Ondertussen dansen de niet-zingende spelers enthousiast.
Concentreren Concentratie bij improvisatie is ook belangrijk. Je weet nooit wat er gaat gebeuren dus moet je steeds op een hoog niveau van concentratie zijn om alles goed te kunnen volgen. Het bevordert ook het samenspel.
Synchroklap Leeftijdsgroep: +8 jaar
Spelverloop: Ga in een kring staan. Een speler begint. Die richt zich duidelijk (bijvoorbeeld via oogcontact) naar een andere speler in de kring. Die twee spelers klappen tegelijkertijd. Nu zit de klap bij die tweede speler. Die doet hetzelfde, namelijk zich richten naar een andere speler en ook zij twee klappen tegelijkertijd. Zo gaat de klap door. De snelheid waarmee de klap wordt doorgegeven, bepaalt de moeilijkheidsgraad.
De Woesj Leeftijdsgroep: +8 jaar
Varianten: • Aan het doorgeven van de Woesj kan een emotie gekoppeld worden. Je kan de Woesj heel droevig doorgeven of net heel enthousiast, heel verbaasd of geheimzinnig ... Bovendien kan je ook een ander woord kiezen dan “Woesj”, bijvoorbeeld “Assepoester” of “koffiekoek”. • In de plaats van de Woesj wordt er een denkbeeldig voorwerp doorgegeven. Het voorwerp begint heel erg klein en bij iedere speler die het doorgeeft, wordt het voorwerp een beetje groter en verandert het van gedaante. Bijvoorbeeld een bolvormig voorwerp groeit van een knikker tot een meteoriet, een langwerpig voorwerp van een naald tot een enorme tuinslang, een voertuig van een speelgoedautootje tot een tank. Het is belangrijk om goed uit te beelden hoe groot het voorwerp is en wat het precies is, bijvoorbeeld bijten in een appel die net uit de boom is gevallen. Let op: het voorwerp mag niet te snel groeien want het moet kunnen groeien tot aan de laatste persoon! Ga dus van naald naar lucifer en niet naar sjorbalk. • Je kan ook een voorwerp doorgeven zonder te melden wat het is. Zie het veranderen naarmate het wordt doorgegeven (cfr. zin doorfluisteren).
Big Buddy Leeftijdsgroep: +10 jaar
Spelverloop: Iedereen staat in een kring. Kies één speler die Big Buddy mag zijn. Vervolgens krijgt iedereen een nummer in de volgorde van de kring, te beginnen rechts van Big Buddy. Iedereen zegt: “Oh Big Buddy. Big Buddy, Big Buddy, Big Buddy!”. Big Buddy begint nu het spel door “Big Buddy” te zeggen en dan een nummer. Wie dat nummer heeft, zegt zijn nummer en daarna een ander nummer. Zo gaat het spel verder totdat iemand een fout maakt of te lang treuzelt. Wie een fout maakt of lang treuzelt moet ‘achteraan’, naast Big Buddy, gaan staan en krijgt dus het laatste nummer. Iedereen met een nummer hoger dan dat van de persoon die de fout gemaakt heeft, krijgt nu dus een nieuw nummer (één lager dan het nummer dat ze hadden) en alles begint opnieuw. Het is de bedoeling dat alles op een vlot, constant tempo gebeurt, geef dat tempo eventueel aan door in de handen te klappen of ter plekke te stappen. Variant: • Je kan dit spel ook al stappend spelen: in de kring zelf stappend of als een ‘slinger’ op straat. Zorg ervoor dat alles veilig verloopt en dat de nummers luid genoeg gescandeerd worden zodat iedereen het hoort.
Speedklapping Leeftijdsgroep: +8 jaar
Spelverloop: Alle spelers staan in een kring. Een eerste speler begint met het doorgeven van een klap. Dat doe je door te klappen in de richting van één van de spelers naast je. De volgende speler vangt deze klap door op dezelfde hoogte ook te klappen. Daarop draait deze speler zich naar de speler naast zich en klapt op een zelfgekozen hoogte (bijvoorbeeld ter hoogte van de knie) naar de volgende speler. Deze speler ‘vangt’ die klap op door ook te klappen op diezelfde hoogte en geeft de klap weer naar de volgende speler enzoverder.
IMPROVISEREN
Spelverloop: Ga in een kring staan. Een speler start met de ‘Woesj’ door te geven. Je doet dat door met beide onderarmen naar een speler naast jou te richten en ‘Woesj’ te roepen. De Woesj is als het ware een beestje dat je naar je buur gooit. De Woesj kan in wijzerzin en in tegenwijzerzin doorgegeven worden. Je verandert van richting door “Ho!” te roepen en je twee armen in de lucht te steken, als een muur die de Woesj tegenhoudt. Je kan de Woesj ook doorzappen. Dat doe je door te wijzen naar een speler in de kring en “Zap!” te roepen. Die speler zet dan opnieuw de Woesj in gang in een richting naar keuze. Als je de Woesj ontvangt kan je ook kiezen om “Mega Freak Out” te roepen. Alle spelers verwisselen dan van plaats en je start de Woesj weer vanop je nieuwe plaats. Of je roept “Groovylicious!” terwijl je een golvende beweging met je armen maakt. Alle spelers moeten die beweging nadoen en vervolgens geef je de Woesj weer door. Tip: leg dit spel stap voor stap aan de spelers uit: begin met een gewoon rondje te Woesj’en, leer dan “Ho!” aan en speel even verder en voeg zo systematisch een element toe aan het spel.
Er kan ook dubbel geklapt worden. Dat betekent dat de klap teruggestuurd wordt naar de zender. Ook hier mag de hoogte aangepast worden natuurlijk. Probeer de snelheid goed op te drijven!
Psssht
Billy Bob Leeftijdsgroep: +10 jaar
Leeftijdsgroep: +8 jaar
Spelverloop: Verdeel de groep in teams van twee spelers. In elk team gaan de spelers tegenover elkaar zitten in kleermakerszit (of staan). In een gelijk ritme slaan beide spelers eerst op hun dijen en vervolgens wijzen ze met hun onderarmen naar links of naar rechts en herhalen dit in dit ritme: slaan, wijzen, slaan, wijzen … Wanneer beide spelers in dezelfde richting wijzen met hun armen (dus elkaars spiegelbeeld zijn) moet de volgende “wijzen” vervangen worden door “schieten”: beide spelers moeten pistolen vormen met hun handen en “psssht” zeggen.
IMPROVISEREN
Variant: • Je kan bij het wijzen naast links en rechts ook boven als richting toevoegen.
Energizen Energizers helpen om energie te krijgen, om iedereen los te maken, om te zorgen dat iedereen eens goed gek kan doen voor je eraan begint en om de schaamte wat te doen verdwijnen. Energizers worden in KSA ook buiten de context van improvisatietheater gebruikt. Aarzel dus niet om ook je eigen ideeën te gebruiken tijdens de opwarming!
Ha Ka Dosh Leeftijdsgroep: +10 jaar
Spelverloop: Alle spelers staan in een kring. Iedereen is een Samoerai met een bijhorend denkbeeldig zwaard. Een speler begint door het eigen ‘zwaard’ eerst hoog boven het hoofd te zwaaien en dan vanop afstand een persoon naar keuze doormidden te ‘snijden’ (door een neerwaartse beweging met het ‘zwaard’ richting die persoon). Op dat moment roept die speler met luide stem “HA!”. De speler die net werd doormidden gekliefd weert de aanval af door snel het eigen zwaard boven het hoofd te zwaaien en “KA!” te roepen. De spelers links en rechts van die speler houden zich klaar want vlak nadat de speler “KA!” roept klieven zij met hun zwaard de buik van die speler doormidden. Zij roepen op dat moment “DOSH!”. Nadat deze spelers DOSH geroepen hebben kan de ‘aangevallen’ speler zijn of haar zwaard weer naar iemand anders richten en roept die “HA!”. Zo gaat het verder. Tip: Hoe luider en hoe sneller, hoe leuker!
Spelverloop: Alle spelers staan in een kring, relatief dicht bij elkaar. Eén speler staat in het midden van de kring. Die wijst naar een andere speler en zegt luid “BillyBillyBop”. De speler naar wie gewezen wordt moet vooraleer de speler in het midden “BillyBillyBop” heeft kunnen uitspreken “Bop” roepen. Als het de speler in het midden lukt om “BillyBillyBop” uit te spreken voor de andere speler “Bop” roept dan wisselen de spelers van plaats en staat dus de speler die te traag was in het midden. Lukt het hem/haar niet dan probeert de speler in het midden opnieuw bij een andere speler. Tip: de speler in het midden kiest zelf hoe vaak hij/zij spelers aanduidt, hoe snel hij/zij overgaat van de ene speler naar de andere. Je mag dus heel snel drie personen na elkaar aanwijzen en “BillyBillyBop” zeggen en zo spelers verrassen! Variant: • Je kan het iets moeilijker maken door er personages aan toe te voegen. In plaats van “BillyBillyBob” te zeggen, kunnen de spelers “Olifant” zeggen. Dan maakt de aangewezen speler een slurf en trompettert ermee. De spelers aan weerzijden van de slurf maken olifantsoren met hun armen. Duurt het te lang of lukt het een speler niet, dan moet die in het midden staan. Bij “Broodrooster” is de middelste speler het broodje dat omhoog springt en roept “Ping!”, de twee buren draaien zich naar elkaar toe en pakken elkaars armen vast en vormen de broodrooster. Bij “James Bond” gaat de middelste speler als James Bond staan met een pistool in de handen, terwijl de buren al leunend flirterig “Oooh, James” kirren, met één voetje schalks in de lucht. Je kan zelf ook personages verzinnen wat hilarische combinaties kan veroorzaken.
Ja, dat doen we!
denkbeeldige rackets. Het is aan de spelers om zich voor te doen als de nummers 1 van de wereld in tennis, dus er mogen best spectaculaire slagen zijn in hun spel. En heb je al veel toptennissers gezien die in stilte spelen?
Leeftijdsgroep: +10 jaar
Spelverloop: De groep loopt, stapt of staat verspreid over het lokaal. De begeleider roept een handeling bv. “laten we tanden poetsen” waarop iedereen heel hard roept “ja dat doen we” en iedereen begint zijn tanden te poetsen. Vervolgens roept de begeleider een andere handeling, “laten we allemaal gaan liggen!”, enzoverder. Als de deelnemers in de juiste sfeer zitten kan je ook toelaten dat zij zelf om de beurt iets roepen.
De gekke bus Leeftijdsgroep: +10 jaar Materiaal: Stoelen
Lachsessie
Je hebt veel soorten improvisatiegames, met verschillende moeilijkheidsgraden. Het internet staat er vol van, voor als je nog meer inspiratie wil. In deze spelrubriek zijn een paar klassiekers opgenomen, zowel voor beginnende spelers als voor gevorderden.
Instapspelletjes
Machine bouwen Leeftijdsgroep: +12 jaar
Leeftijdsgroep: +6 jaar
Spelverloop: Een lachsessie is een goede manier om de spanning en terughoudendheid weg te werken en de sfeer erin te brengen. Het is vaak eenvoudiger wanneer de begeleiding vooraan staat en zo de groep meetrekt. Je kan beginnen met iedereen gewoon luidop te laten lachen. Vervolgens ga je over op verschillende soorten lachen (bulderlach, gniffelen, schaterlach, grijnzen …).
Fotograaf Leeftijdsgroep: +10 jaar
Variant: • Je kan met de groep ook ritmisch lachen: je begint traag met “Ha-ha” en versnelt steeds het tempo.
Luchttennis Leeftijdsgroep: +10 jaar
Spelverloop: Verdeel de spelers in teams van vier. Span samen een denkbeeldig net op en laat ze even een spelletje tennisdubbelspel spelen met een denkbeeldige bal en
Spelverloop: De bedoeling is dat de hele groep samen een machine vormt. De begeleiding kiest wat voor soort machine, bijvoorbeeld een machine die M&M’s sorteert op kleur, een machine die baby’s helpt geboren worden, een machine die een hele kapperszaak kan vervangen … Elke speler gaat één voor één naar het ‘podium’ als deel van de machine (je positioneert je ergens en voert een beweging uit) en maakt daarbij een geluidje. De spelers blijven de geluidjes en bewegingen volhouden tot de machine volledig gemaakt is. Op het einde (als elke speler een onderdeel is van de machine) moet de machine volledig zijn en moet het nut van de machine duidelijk zijn.
Spelverloop: Een vijftal spelers staan op een rij met hun rug naar het publiek. Er wordt geteld tot en met 5 en bij elke tel zetten de spelers een stap vooruit. Na de ‘5’ volgt een klap in de handen door het publiek als signaal dat de spelers zich moeten omdraaien. Op dat moment roept een begeleider luid een bepaalde situatie, bijvoorbeeld een boerderij, trouwfoto, voetbalveld, dierentuin … De spelers moeten de scène onmiddellijk uitbeelden alsof het publiek naar een foto van die situatie kijkt. Weinig tijd om na te denken dus! Het aantal personen kan natuurlijk variëren naargelang de situatie. “1” (stap), “2” (stap), “3” (stap), “4” (stap), “5” (stap), klap (draaien), “Trouwfoto!” (uitbeelden)
IMPROVISEREN
Spelverloop: Plaats stoelen zoals in een bus: één vooraan en erachter telkens twee stoelen naast elkaar. Zorg dat er voor iedereen een stoel is. Drie spelers zetten zich al in de bus. De rest staat op een rij iets verder. Eén voor één stappen de passagiers in als een bepaald ‘personage’: een heks, een bodybuilder, een omaatje, een prinses … het kan allemaal. Van zodra deze persoon neerzit, nemen alle passagiers van de bus dat personage over, dus plots is iedereen in de bus een heks, bodybuilder ... Als dat goed gelukt is, kan de volgende passagier opstappen. Hoe gekker, hoe leuker!
IMPROGAMES
Verhaal bouwen
staan en herhaalt wat hij/zij is: “ik ben een mes”. Het spel gaat weer verder: een nieuwe speler voegt zichzelf toe aan de scene “ik ben een sneetje brood dat door het mes gesneden is”, nog een speler gaat ook naar voor “ik ben de choco op het sneetje brood” (uitbeeldend door op het sneetje brood te gaan liggen). Eenmaal drie spelers in de scène staan gaat de speler die er al het langst staat, namelijk het mes, weg en neemt een andere speler mee door te zeggen: “ik ben een mes en neem het sneetje brood mee”. De chocospeler herhaalt wat hij/zij is voor het publiek en zo speel je verder.
Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Alle spelers staan in een kring. Om beurt zeggen ze een zin en bouwen ze zo samen een logisch verhaal. Het verhaal begint met “Er was eens …”. Belangrijk is om in te spelen op wat de anderen zeggen en nieuwe wendingen in het verhaal te accepteren, niet vast te houden aan het eigen idee van waar het verhaal naartoe gaat. Tip: hou het verhaal eenvoudig!
Trio’s
Decor bouwen
Leeftijdsgroep: +10 jaar Aantal spelers: 6-8 spelers
IMPROVISEREN
Spelverloop: De spelers staan in een halve cirkel (maak de kring niet al te groot, splits desnoods in twee groepen op). Een speler stapt naar voor, richt zich naar de andere spelers en zegt “ik ben een …” (bijvoorbeeld “ik ben een vork”) en beeldt dit uit zodat iedereen het goed kan zien. Een tweede speler gaat naar voor en zegt eveneens tegen de anderen “ik ben een …” (bijvoorbeeld “ik ben een mes”) en gaat bij de andere speler staan en beeldt dat voorwerp uit. Een derde speler volgt eveneens met “ik ben een …” en gaat bij de andere spelers staan, uitbeeldend wat hij/zij is. Dat derde voorwerp (of begrip) moet passen bij de twee voorwerpen die er al zijn (dat kan zijn een lepel, een bord …). Eenmaal er drie spelers in de scène staan zegt de eerste speler in de scène (die een vork was): “ik ben een vork en neem de … mee”, waarbij deze speler kiest welke andere speler hij ook uit de scène verwijdert: bijvoorbeeld “ik ben een vork en neem de lepel mee”, waarop speler 1 en speler 3 weggaan. Speler 2 blijft
Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Iedereen kan meedoen aan dit spel. De spelbegeleider bepaalt de locatie, bijvoorbeeld kleuterklas, brandweerkazerne … De eerste speler gaat binnen en doet een handeling in deze locatie. Alles wat elke speler doet moet worden meegenomen door een andere speler. Als de eerste speler via een bepaalde soort deur binnenkomt, moeten andere spelers deze deur overnemen (zowel qua geluid als qua plaats …). Als iemand de deur niet toedoet, kan de volgende de deur niet opendoen. Speelt bijvoorbeeld één speler in het ballenbad van de kleuterklas, kan een andere speler daar later geen poppenkast bovenop zetten.
Persconferentie Leeftijdsgroep: +14 jaar
Spelverloop: Een speler verlaat de ruimte. De andere spelers overleggen een bepaalde situatie waardoor die ene speler in het nieuws zou kunnen gekomen zijn, bijvoorbeeld de speler heeft een papegaai gered uit een brandend ziekenhuis. Dat kan ook worden verzonnen door de begeleiding op voorhand. De speler komt weer terug. De andere spelers zijn journalisten die vragen stellen aan deze speler over het nieuwsfeit. De speler probeert aan de hand van deze vragen te achterhalen wat er aan de hand was en welke rol hij/zij in dit nieuwsfeit speelde. Uiteraard moet de speler ondertussen ook de vragen van de journalisten beantwoorden zo goed als de speler kan, met de informatie die hij/zij ondertussen heeft vergaard.
Gebaren en taal Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Twee spelers gaan voor de groep zitten. De ene speler zit op een stoel, de andere speler zit op de knieën ach-
ter deze stoel en steekt de armen door de mouwen van de speler op de stoel. De speler op de stoel vertelt over een gegeven onderwerp (of antwoordt op vragen van de groep), terwijl de speler achter hem de passende (of minder passende, ooit al eens iemand zien tandenpoetsen terwijl hij een verhaal vertelt?) gebaren met zijn armen en handen uitvoert.
Voor gevorderden
Dubben Leeftijdsgroep: +14 jaar
Rewind Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Enkele spelers krijgen een situatie of verhaallijn voorgeschoteld en spelen een scène rond deze situatie, alsof ze op tv komen. De andere spelers zijn toeschouwers en krijgen een denkbeeldige afstandsbediening. De toeschouwers kunnen op elk moment op de terugspoelknop op hun afstandsbediening induwen zodat de spelers het toneel dat ze zojuist uitgevoerd hebben achterstevoren moeten spelen tot er opnieuw op ‘play’ gedrukt wordt.
De markt
Broekzak Leeftijdsgroep: +12 jaar
Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Eén of meerdere spelers gaan vooraan staan. Het publiek (de rest van de groep) geeft aan die personen een voorwerp of concept waarvoor ze reclame moeten maken alsof ze op de markt zouden staan. Dat kan gaan van enkele punaises tot sluikstorten, van wonen onder een viaduct tot bier met pepersmaak.
De verteller Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Een speler wordt gekozen als verteller en leest voor uit een (kinder)boek. Het verhaal dat verteld wordt, wordt ondertussen uitgebeeld door enkele spelers die hun stem niet mogen gebruiken, de verteller is immers hun stem. Als het boek een nieuw personage introduceert moet er iemand uit het publiek snel inpikken en meespelen met het verhaal.
Spelverloop: Iedereen noteert uitspraken op verschillende papiertjes. Dat zijn korte zinnetjes, iets wat je zegt uit verbazing, kwaadheid, verdriet, spot, schrik … Gebruik hier geen eigennamen. Bijvoorbeeld: “Wat een nonsens!” of “Dat zou ik niet doen.” Kies twee tot drie spelers die een scène zullen uitvoeren. Die spelers krijgen elk een paar papiertjes die ze in hun broekzak kunnen steken. De groep geeft een suggestie voor de scène (bv. een locatie of situatie) en de spelers beginnen met een geïmproviseerd toneel. Tijdens het toneel kan een speler kiezen om een briefje uit zijn broekzak te halen en dat onmiddellijk hardop voor te lezen (zonder onderbreking of aanvulling). Alle spelers moeten er nu voor zorgen dat de uitspraak op dat papiertje past in het verhaal dat tot hiertoe werd gespeeld door op de uitspraak verder te bouwen.
Dierenwinkel Leeftijdsgroep: +12 jaar
Spelverloop: Eén speler houdt een dierenwinkel open. Een andere speler komt een dier terugbrengen dat hij/zij daar eerder heeft gekocht, maar waar iets mis mee is. De dierenwinkeleigenaar gaat even naar buiten zodat de rest van de groep af kan spreken over welk dier het gaat en wat er mee is.
IMPROVISEREN
Variant: • Je kan ook extra knoppen voorzien op de afstandsbediening: een pauzeknop waardoor de spelers plots stokstijf moeten stilstaan of een fastforwardknop zodat de spelers in dubbele snelheid de scène moeten verderzetten.
Spelverloop: Twee spelers beelden een verhaal uit. Daarvoor krijgen ze inspiratie van de begeleiding of de groep, namelijk over de relatie tussen de twee spelers (bv. dokter en patiënt, schoondochter en schoonmoeder, Sint en Piet, leerkracht en ouder van een kind in de klas …). Deze twee spelers krijgen elk een andere speler die aan hen gekoppeld is, hun dub-speler. De dub-spelers zitten op de grond vlak bij het publiek en gericht naar de twee spelers, zodat ze de scène goed kunnen zien. De spelers die het verhaal uitbeelden maken geen enkel geluid. De twee dub-spelers moeten de scène voorzien van geluid en tekst. Het is de bedoeling dat als een dub-speler iets zegt, de mond van de toneelspeler beweegt en omgekeerd: als de toneelspeler zijn mond beweegt de dub-speler ook iets zegt. Dat leidt gegarandeerd tot prachtige en hilarische momenten!
De dierenwinkelhouder begint de scène en de koper komt binnen in de winkel. Het spel is voorbij wanneer dier en malfunctie geraden zijn dankzij antwoorden op vragen die de dierenwinkelhouder stelt en de bewegingen van de speler die het dier terugbrengt. Zo kan de speler die het dier terugbrengt tips geven door het dier in de handen te nemen of te aaien (en zo de grootte al te bepalen). Tip: Om het grappig te houden zijn beide aspecten best niet gerelateerd, dus bijvoorbeeld eerder “een nijlpaard dat geen saxofoon kan spelen” dan een “papegaai die niets nazegt”.
Feestje
bare bakker is een bakker die veel kwijlt waardoor elk brood vol hangt met kwijl. De speler die dat bedacht had stapt naar voor, doet alsof hij een brood kneedt en ondertussen geluiden maakt die horen bij kwijlen, zijn mond afveegt aan zijn mouw en nog eens op het brood niest. Is de inspiratie op rond een gekozen beroep of handeling dan geeft de begeleiding of de groep een nieuwe suggestie.
Leeftijdsgroep: +14 jaar
IMPROVISEREN
Spelverloop: De setting is als volgt: een speler is jarig en organiseert een feestje. Minstens vier andere spelers zijn uitgenodigd waarvan de jarige moet raden wie dat zijn door hun uitspraken, gedrag en antwoorden. De vier spelers zijn een Bekende Vlaming, een historisch figuur en een bekend duo, gekozen door de rest van de groep die toekijkt. Tip: je kan de spelers één voor één laten toekomen op het feestje, zodat de jarige eerst kan raden wie de eerste speler is alvorens de aandacht te moeten geven aan de volgende speler. Het duo komt uiteraard wel samen toe. Variant: • In plaats van een jarige en vier uitgenodigden kan je ook de setting van Blind Date gebruiken: één speler is op zoek naar de liefde, drie andere spelers zitten ‘achter de muur’ en stellen zichzelf voor aan de hand van vragen die de eerste speler stelt. Hun antwoorden zijn passend bij het personage dat ze voorstellen.
Slechtst denkbare Leeftijdsgroep: +14 jaar
Spelverloop: Alle spelers staan op een rij. De begeleider (of een deel van de groep die toekijkt) geeft een suggestie van beroep of dagelijkse handeling en zet daarvoor ‘de slechtst denkbare’. Bijvoorbeeld: de slechtst denkbare begrafenisondernemer, de slechtst denkbare bakker, de slechtst denkbare manier om af te wassen, de slechtst denkbare manier om je tanden te poetsen … Bij een suggestie mag een speler die een idee heeft een stap naar voor zetten, dat in scène zetten en weer een stap naar achter zetten. Met in scène zetten bedoelen we een klein toneeltje opvoeren, bijvoorbeeld slechtst denkbare bakker is een bakker die zich overslaapt, dus de speler die dat bedenkt beeldt dit uit door op de grond te liggen, de wekker telkens te negeren en verder te slapen. Of de slechtst denk-
ABC Leeftijdsgroep: +14 jaar
Spelverloop: Twee spelers staan op het ‘podium’, de twee andere spelers zijn vervangers die aan de kant wachten op hun beurt. De twee spelers op het podium spelen een scène waarbij ze elk om beurt een zin zeggen die telkens met een volgende letter van het alfabet begint. De spelbegeleider kiest bij welke letter ze beginnen en wat de setting van de scène is (bv. twee buren maken een praatje in de tuin, een grootmoeder maakt ruzie met de postbode …). Van zodra een speler een ‘fout’ maakt (niet beginnen met de juiste letter van het alfabet of geen volledige zin vormen) dan wordt die speler vervangen door de vervanger. De vervanging kan je aangeven door een klap van de rest van de groep, dat de spelers weten dat ze moeten wisselen. Varianten: • In plaats van de letters van het alfabet te gebruiken moeten de spelers rijmen. Dat doe je door de eerste speler twee zinnen te laten zeggen, de tweede speler te laten rijmen op de tweede zin en zelf een nieuwe zin toe te laten voegen. De tweede speler rijmt op de nieuwe zin en voegt op zijn beurt ook weer een nieuwe zin toe aan het gesprek enzoverder. • Niet moeilijk genoeg? Laat de spelers een bepaalde letter uit het alfabet niet gebruiken. Toch die letter gebruikt? Wissel!