De schepping van de wetenschap

Page 1

DE SCHEPPING VAN DE WETENSCHAP Museum Catharijneconvent



Museum Catharijneconvent Utrecht

De schepping van de wetenschap Redactie Lieke Wijnia

Waanders Uitgevers, Zwolle


Inhoud

Voorwoord

De blik omhoog

De schepping van de wetenschap

8-19 Stuart Mathieson Enkele historische observaties over de verhouding tussen religie, wetenschap en waarneming

24-33 Marieke Maathuis De ontdekking van de hemel

10 Arjen Dijkstra Omwentelingen. Het boek van Copernicus dat de wereld zou veranderen 12 Thomas Dixon Wat Ter Brugghens De ongelovige Thomas ons over wetenschap en religie vertelt 14 Lieke Wijnia Een eigentijds Thomasbeeld 16, 18 Willem B. Drees Oorlog tussen geloof en wetenschap? 20-22 Afbeeldingen

26 Jos Gommans De astrolabe: kennis is macht 28 Arjen Dijkstra God is overal. Eise Eisinga als gelovige hemelbouwer 30 Marieke Maathuis Specola Vaticana: de Vaticaanse blik op de hemel 32 Lieke Wijnia Nieuwe inzichten, nieuwe vormen 34-62 Afbeeldingen


De blik naar binnen

De blik naar buiten

De blik naar beneden

64-74 Lieke Wijnia Diep van binnen

102-113 Norbert Peeters Aard-verschuivingen: Martinet, Darwin & Wallace blikken naar buiten

144-153 Lieke Wijnia Op wankele grond

66 Tim Huisman Anatomie voor iedereen 68 Geertje Dekkers Lichaam, ziel en de dag des oordeels 70 Lieke Wijnia Volhardende voorlopers: De Edinburgh Seven 72 Lieke Wijnia Voortleven na de dood: Henrietta Lacks’ bijzondere ­bijdrage aan de moderne ­wetenschap 75-100 Afbeeldingen

104 Marieke Maathuis De kleinste schepselen

146, 148 Trienke van der Spek Een nieuw scheppingsverhaal in beeld

106 Tim Huisman Kijken naar de bijbel der natuur

150 Lieke Wijnia Een mens die de zondvloed meemaakte?

108 Tim Huisman Proefondervindelijke natuurkunde

152, 154 Lieke Wijnia Mary Anning, paleontoloog extraordinaire

110 Norbert Peeters Over rupsen en waardplanten: het baanbrekende werk van Maria Sybilla Merian

155-182 Afbeeldingen

112 Norbert Peeters De ontvangst van een vernietigende boodschap: Darwins evolutieleer in Nederland

186 Literatuur

114-142 Afbeeldingen

185 Over de auteurs

189 Fotoverantwoording


6

De schepping van de wetenschap

Voorwoord De mens heeft altijd vol verwondering en vragen naar het universum, de aarde en de plek van zichzelf daarin gekeken. Hierbij zijn zowel ­religie als wetenschap belangrijke en vormende elementen, vroeger én nu. ­Opvallend genoeg wordt de onderlinge verhouding tussen religie en wetenschap, vooral de laatste anderhalve eeuw, als vijandig en conflic­tueus gezien. Het zouden gezworen rivalen zijn, die niet naast of met ­elkaar kunnen bestaan. Dit is, zo hebben vele wetenschaps­ historici aangetoond, een onterecht en eenzijdig beeld. Onder de titel De schepping van de wetenschap willen we met een tentoonstelling en deze bijbehorende publicatie laten zien dat de relatie tussen religie en wetenschap juist heel dynamisch, veelzijdig en kleurrijk is. Dit doen we door in te zoomen op het terrein van de wetenschap ­waarin het stereotype beeld van conflict het sterkst aanwezig is: de natuur­wetenschappen. Disciplines als astronomie, anatomie, biologie en ­geologie maakten vanaf de zestiende eeuw in het westen van Europa een ongekende ontwikkeling door. Niet voor niets wordt deze periode wel omschreven als de tijd van de wetenschappelijke revolutie. Het jaar 1543 was specifiek bijzonder. In mei van dat jaar verscheen het beroemde boek van Copernicus waarin hij het model van het heelal presenteert met daarin niet de aarde maar de zon als middelpunt. Slechts een maand later verscheen de eerste volledig op observatie gebaseerde ­anatomische atlas van het menselijk lichaam. De ideeën, theorieën en bevindingen in deze boeken waren van cruciaal belang in de verdere ontwikkeling van de natuurwetenschappen zoals we die nu kennen. Als er een ding uit De schepping van de wetenschap naar voren komt, dan is het wel dat het christendom in deze ontwikkeling een veelvormige en fundamentele aanwezigheid heeft. De tentoonstelling De schepping van de wetenschap organiseerde ­Museum Catharijneconvent in nauwe samenwerking met Teylers ­Museum in Haarlem en Rijksmuseum Boerhaave in Leiden. Het was een inspirerende ontmoeting tussen het nationale museum voor kunst en erfgoed van het christendom en twee vooraanstaande wetenschaps­ musea in ons land. Samen brengen we een fascinerende, maar lang ­onderbelichte geschiedenis voor het voetlicht. We danken de auteurs die een bijdrage leverden aan dit boek: Arjen Dijkstra, Thomas Dixon, Willem B. Drees, Jos Gommans, Tim Huisman, Marieke Maathuis,


Voorwoord

­ tuart Mathieson, Norbert Peeters, Trienke van der Spek en Lieke S ­Wijnia. Velen van hen dachten ook mee in de voorbereidingen van de tentoonstelling, waarvoor we hen zeer erkentelijk zijn. Zonder financiële steun waren de tentoonstelling en publicatie er niet geweest. Onze grote dank gaat uit naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de VriendenLoterij, het Blockbusterfonds, het Cultuurfonds (in het bijzonder het Jadefonds), de ­Vereniging Vrienden van Museum Catharijneconvent en de donateurs die anoniem wensen te blijven. Net als de tentoonstelling, die als ontdekkingstocht is vormgegeven door Karin Langeveld en Cuby Gerards van Trapped in Suburbia, biedt dit boek een bijzondere kijkervaring. Niet alleen de inhoudelijke bij­ dragen belichten de manieren waarop de mens met een onderzoekende geest om zich heen kijkt. Ook de vormgeving van het boek zelf, door ­studio frederik de wal, draagt hieraan bij. Afbeeldingen van de prachtige kunstwerken, wetenschappelijke instrumenten, baanbrekende manu­ scripten en fascinerende fossielen staan op zo’n manier geplaatst dat ze zo optimaal mogelijk bekeken kunnen worden. Kantel uw blik en ­geniet van de vele intrigerende objecten die samen de geschiedenis van De schepping van de wetenschap vertellen. Anique de Kruijf Museum Catharijneconvent Directeur a.i. Marc de Beyer Teylers Museum Algemeen directeur Amito Haarhuis Rijksmuseum Boerhaave Directeur

7


De schepping van de wetenschap

Enkele historische observaties over de verhouding tussen religie, wetenschap en waarneming

Stuart Mathieson


Enkele historische observaties

Onder historici is veel discussie over hoe, wanneer en zelfs of de moderne wetenschap ooit begon. Er zijn echter wel een paar voor de hand liggende startpunten, zoals twee klassieke teksten uit 1543. In mei van dat jaar voltooide de Poolse astronoom Nicolaus ­Copernicus, kort voordat hij overleed, De revolutionibus orbium ­coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen). De maand daarop publiceerde de Vlaamse anatoom Andreas Vesalius De humani corporis fabrica libri septem (Over de bouw van het ­menselijk lichaam in zeven boeken). Met deze twee iconische ­geschriften als vertrekpunt wordt in dit hoofdstuk verkend hoe de ge­schiedenis van de wetenschap en de verbondenheid daarvan met religie in vele opzichten een geschiedenis van de waarneming is. Opkijken naar de hemelsferen Copernicus hield zich bezig met de omwentelingen van hemel­ lichamen, maar zijn werk betekende ook een omwenteling in het denken. Eeuwenlang was het dominante astronomische model het stelsel van de onderzoeker Ptolemaeus geweest, dat hij in de tweede eeuw na Christus in Alexandrië had uitgewerkt. Daarbij baseerde hij zich op de beginselen van Aristoteles, de Griekse filosoof uit de vierde eeuw voor Christus. Aristoteles stelde zich een heelal voor dat uit twee delen bestond. In het midden bevond zich de aarde, een onzuiver rijk waar dingen bewogen, veranderden, stierven en vergingen. Achter de maan lag, volmaakt en onveranderlijk, de hemel. De hemellichamen waren regelmatige bollen en bewogen in perfecte cirkels, figuren zonder begin of eind. Astronomen merkten echter op dat deze objecten geen uniforme, regelmatige cirkelbanen volgden, maar dat ze versnelden, vertraagden en soms zelfs in tegengestelde richting leken te gaan. Deze laatste objecten werden door de Grieken πλανήτης (planetes, zwerver) genoemd en de astronoom Ptolemaeus ontwikkelde een complex wiskundig systeem om hun bewegingen te verklaren. Copernicus stelde daar een ander systeem tegenover, dat beter bij het waarneembare bewijs paste. De sterren leken rond de aarde te draaien, omdat de aarde zelf een roterende beweging maakte. De beweging van de sterren was gezichtsbedrog, veroorzaakt doordat de waarnemer zelf bewoog. Daarentegen draaiden de planeten, de aarde incluis, rondom de zon. Cruciaal was dat dit suggereerde dat Venus verschillende verschijningsvormen zou hebben vergelijkbaar met de fasen van de maan, omdat deze planeet tussen de aarde en de zon bewoog. In 1608 werd in Nederland octrooi aangevraagd voor een apparaat waarmee de gebruiker objecten die zich op grote afstand ­bevonden kon waarnemen alsof ze dichtbij waren. Het jaar daarop hoorde de Italiaanse astronoom Galileo Galilei van deze uitvinding en besloot zelf een soortgelijk apparaat te maken, dat uiteindelijk bekend zou worden onder de naam telescoop. In 1610 observeerde

9


10

De schepping van de wetenschap

Omwentelingen. Het boek van Copernicus dat de wereld zou veranderen Arjen Dijkstra In 1543 verscheen De Revolutionibus ­­orbium coelestium (Over de omwente­ lingen van de hemellichamen) van ­Nicolaus Copernicus, een geestelijke uit het Poolse Thorn. Het boek zou de ­wereld van plaats doen veranderen. Niet langer was de aarde het centrum van het heelal, maar de zon (afb. 1). Het duurde nog eeuwen voor deze revolutionaire theorie algemeen geaccepteerd was. Met name uit theologische hoek (zowel de rooms-katholieke als de protestantse) kwamen nogal wat bezwaren. Opvallend genoeg was er daar juist ook veel waardering voor het boek. Sterren staan redelijk statisch aan de hemel, iedere nacht op dezelfde plek. De planeten, de maan en de zon niet. Die veranderen constant van plaats. ­Iedere nacht staan ze net ergens anders dan daarvoor, of hebben ze een net iets andere verschijningsvorm. In deze veranderlijkheid zijn duidelijke patronen te ontdekken. Sommige daarvan bepalen de jaarkalender. ­Wanneer begint de lente of de zomer? Wanneer is het volle maan? Op zulke ­gebeurtenissen werd het kerkelijk jaar ingesteld. Zo valt kerst rond de zonnewende in de winter en Pasen in het eerste weekend na de eerste volle maan nadat de zon de evenaar is gepasseerd, in de lente dus. Maar in de zestiende eeuw klopte de kalender niet meer met de werkelijkheid: de astronomische gebeurtenissen vonden ruim tien dagen te vroeg plaats. Zo viel midwinter al op 11 december en niet meer rond het kerstfeest. Het werd daardoor bijvoorbeeld ook steeds ingewikkelder om de datum van Pasen vast te stellen. Om dat te repareren waren goede astronomische gegevens nodig.

Door jarenlange observatie had Copernicus die kennis verzameld. Terwijl hij daar mee bezig was, liep hij tegen problemen aan. Vanaf de aarde bekeken bewegen planeten zich niet zo eenvoudig als de zon dat doet. Af en toe lijken ze zelfs terug te draaien. Om deze bewegingen toch te kunnen verklaren en voorspellen, bedachten astronomen allerlei oplossingen. Ze lieten de planeten hypo­thetische cirkels draaien in hun baan om de aarde: epicirkels. Al tollend zouden ze om de aarde bewegen. Hoewel dat een oplossing bood, bracht het ook nieuwe vraagstukken met zich mee. Daar was Copernicus helemaal niet ­tevreden over. Hij meende de vraagstukken te ondervangen door een totaal nieuw systeem te introduceren. Een systeem dat eenvoudiger was, met de zon in het midden en de aarde als een draaiende planeet eromheen. Deze letterlijk revolutionaire ideeën waren in de ogen van zijn tijdgenoten volstrekt ongeloofwaardig. Zeker theologen zagen dit niet zitten, omdat de Bijbel in verschillende passages ­verhaalt over een bewegende zon, die zelfs een keer door God stil wordt gezet. De drukker vermeldde daarom op het laatste moment op de titelpagina van De Revolutionibus dat dit boek vooral theorieën bevatte en niet over de werkelijkheid ging. Copernicus overleed voor het boek helemaal af was, waarschijnlijk heeft hij nog net de drukproeven gezien, maar niet de waarschuwing voorin. Daarom waren het zijn volgelingen die over deze toevoeging in woede ontstaken; zij vonden dat het boek wel degelijk een serieus model van de werkelijkheid beschreef. De uit Dokkum afkomstige Gemma Frisius, professor aan de universiteit van Leuven, liet deze discussie aan zich

voorbijgaan. De wiskundige, astronoom, geograaf en arts wilde vooral weten of de gegevens waarop Copernicus zijn theorieën baseerde klopten. Zijn exemplaar van De Revolutionibus is een van de meest geannoteerde eerste drukken die er bewaard zijn. Steeds vergelijkt Frisius de observaties van Copernicus met die van hemzelf. Af en toe lijkt hij de nieuwe theorie te aanvaarden, maar hij maakt die stap nooit volledig. Begin zeventiende eeuw werd de telescoop ontdekt, waarmee Galileo Galileï baanbrekend onderzoek deed. Dit zwengelde de zaak over de beweging van de aarde opnieuw aan, waardoor het boek van Copernicus alsnog op de Index, de rooms-katholieke lijst van verboden boeken, kwam te staan. Met een bijzondere voorwaarde. Als de eigenaar bereid was een beperkt aantal passages door te halen, dan was het boek wel toegestaan. Het idee over een om de zon draaiende aarde was kennelijk niet zo gevaarlijk dat het de uitgave van het boek in de weg stond. De Revolutionibus was namelijk cruciaal geworden voor het bepalen van de kalender en de dagen in het kerkelijk jaar. Met een verbod zou de kerk zichzelf in de vingers snijden.

Afb. 1  P. 20


Enkele historische observaties

hij de fasen van Venus, waaruit bleek dat zij in haar baan aan de achterzijde van de zon (ten opzichte van de aarde) terechtkwam, wat in strijd was met het stelsel van Ptolemaeus. Ondertussen deden andere astronomen soortgelijke waar­ nemingen. De Duitser Johannes Kepler had het ontwerp van ­Galilei verbeterd en maakte een inventarisatie van supernova’s en ­kometen, waarmee hij liet zien dat het gebied achter de maan niet tijdloos of onveranderlijk was. Op basis van zijn waarnemingen wist hij te beschrijven hoe de planeten zich volgens vaste wetten voortbewogen. Dit was een belangrijke stap in het wetenschappe­ lijke denken: omdat het heelal volgens vaste wetten opereerde, konden deze wetten wiskundig worden berekend en beschreven en door waarneming ontdekt worden. Wat begon met een waar­ neming van objecten die langs de nachtelijke hemel bewogen, ­leidde tot een r­ evolutionaire verandering van het begrip dat ­mensen hadden van het heelal en hun plaats daarin. Copernicus, Galilei en Kepler maakten gebruik van waar­ nemingen om de kosmologie te verfijnen en legden het fundament waarop de moderne wetenschap zou worden gebouwd. Vanuit het perspectief van de hedendaagse westerse samenleving, waar de ­natuurwetenschappelijke focus op het waarneembare dominant is, is het verleidelijk om hun inspanningen als een eerste stap naar secularisatie te beschouwen. Alle drie waren zij echter oprechte ­gelovigen. Copernicus was kanunnik van het bisdom Ermland, ­Kepler had een opleiding tot luthers predikant gevolgd en ­weigerde zich tot het katholicisme te bekeren, en Galilei rekende paus ­Urbanus VIII en kardinaal Caesar Baronius tot zijn persoonlijke vrienden. Uiteindelijk werd Galilei door de roomse inquisitie ­berispt en onder huisarrest geplaatst, al is het een overtrokken ­gedachte dat hij een martelaar van de wetenschap zou zijn die ­vanwege zijn opvattingen werd gefolterd en gevangengezet. Kijken in het menselijk lichaam Waar de astronomie de mens een ingrijpend nieuw inzicht verschaf­te in zijn plaats in het heelal, veranderde de anatomie het begrip van het eigen lichaam. In de astronomie van de renaissance zette Ptolemaeus de toon, in de anatomie was dat een andere Griekse Romein, Galenus. In de tweede eeuw na Christus kon ­Galenus van­wege Romeinse godsdienstige wetten geen menselijke lichamen ontleden en daarom gebruikte hij dieren, vooral apen. Andreas Vesalius, die in 1543 in Padua werkzaam was, had geen last van zulke restricties. Hij vond zelfs een lokale magistraat bereid om hem de lijken van terechtgestelden te leveren. Vesalius betoogde dat kennis van het menselijk lichaam ­alleen door rechtstreekse waarneming kon worden verkregen. Zijn prachtig geïllustreerde werk over de bouw van het menselijk ­lichaam werd onmiddellijk een standaardwerk en bezorgde hem

11


12

De schepping van de wetenschap

Wat Ter Brugghens De ongelovige Thomas ons over wetenschap en religie vertelt Thomas Dixon In het bekende bijbelverhaal van de ongelovige Thomas volgen we de reis van een sceptische discipel van ongeloof naar geloof. De opgestane Jezus was al eerder aan Maria Magdalena en zijn ­andere volgelingen verschenen, die allemaal tegen Thomas zeiden: ‘Wij hebben de Heer gezien.’ Maar Thomas is niet overtuigd: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het ­geloven.’ (Johannes 20:24-25). Een week later verschijnt Jezus aan alle discipelen en richt hij zich tot ­Thomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ Thomas antwoordt onmiddellijk: ‘Mijn Heer, mijn God!’ Jezus zegt tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je.’ En dan komt de crux van het verhaal: ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ (Johannes 20:27-29). Dit is een prachtige filosofische gelijkenis over zien en geloven. Maar wat betekent het precies? En welk licht werpt het op wetenschap en religie? We kunnen over deze vragen nadenken aan de hand van een briljante zeventiende­eeuwse verbeelding van Thomas door Hendrick ter Brugghen (afb. 2). Het schilderij biedt een visueel commentaar op het bijbelse verhaal en maakt ons daarmee bewust van de talrijke verschillende bronnen van kennis in zowel ­wetenschap als religie. Het eerste wat opvalt, is een verschil tussen het bijbelse verhaal en het schilderij. In het evangelie nodigt Jezus ­Thomas uit om de wond in zijn zij aan te raken, maar Thomas doet dat niet. Zijn geloof is uitsluitend gebaseerd op

zien. Hij ziet en gelooft. Ter Brugghen daarentegen volgt andere schilders, waaronder Caravaggio: hij laat Thomas Jezus aanraken en dan geloven. Aanraken geeft een krachtig gevoel van realisme. Het biedt een tastbare, ­f ysieke tegendruk en gaat verder dan alleen de blik. De filosofie van ‘idealisme’ van bisschop Berkely, die inhoudt dat elke vorm van realiteit uiteindelijk een mentale ervaring is, werd niet voor niets door Samuel Johnson ontkracht door tegen een grote steen te schoppen, en niet door naar die steen te kijken. Ook in de wetenschap is fysieke interactie van cruciaal belang. Het bestaan van het Higgs-deeltje werd door theoretici al langer verondersteld, maar is pas bevestigd door elektronen en neutronen te laten botsen in de deeltjesversneller van cern. Door Thomas te schilderen als ­iemand die zowel observatie als aan­ raking nodig heeft om te geloven, benadrukt hij dus het belang van de fysieke ervaring, zoals we dat ook in ons dagelijks leven merken en uit de theorieën van wetenschap en filosofie naar voren komt. Wat mij echter het meest fascineert is de brildragende oude man op het schilderij, die het tafereel aandachtig gadeslaat. Die bril is natuurlijk een ­anachronisme. In het Palestina van de eerste eeuw bestonden zulke brillen niet, al waren ze in de tijd van Ter ­Brugghen in Europa al enkele eeuwen beschikbaar. Aan het begin van de ­zeventiende eeuw had het een speciale nieuwe betekenis om door glazen ­lenzen naar iets te kijken. Het was het tijdperk van de uitvinding van de telescoop en de microscoop – observatie-­ instrumenten die door pioniers in Italië

Afb. 2  P. 21

en Nederland werden gemaakt en voor een revolutie zorgden in de wetenschappelijke waarneming. Het verhaal van de ongelovige ­Thomas is het relaas van een collectieve waarneming. In de Bijbel zijn verscheidene personen, afzonderlijk en in groepen, getuige van de opstanding en de bredere verspreiding van dit geloof staat of valt met de getuigenissen van deze mensen. Het doek van Ter Brugghen verbeeldt ook een groepsactiviteit. ­Centraal daarin staan Thomas, die het verrezen lichaam van Jezus bestudeert, en de oude man die wellicht ons als ­moderne waarnemers van het tafereel vertegen­woordigt. Daarnaast zijn er nog twee andere discipelen te zien. De een kijkt omhoog naar de hemel en de ander houdt zijn ogen gesloten, in ­innerlijke overpeinzing verzonken. Elk van de vijf figuren staat model voor een verschillend aspect van geloof. Met De ongelovige Thomas gaat Ter Brugghen een stapje verder dan het vertrouwde verhaal. Hij laat ons zien hoe geloofsovertuigingen ontstaan door een ingewikkeld samenspel van zintuiglijke bewijzen, getuigenissen en dieper inzicht. Wat Thomas aanraakt en waar de oude man door zijn bril naar tuurt, is slechts een deel van het verhaal. Volgens Johannes Calvijn is zintuiglijke ervaring niet het enige waardoor Thomas’ twijfel plaatsmaakt voor geloof. Er verandert iets in zijn hart. Thomas weet niet ­meteen hoe met Christus’ goddelijkheid om te gaan, schrijft Calvijn, maar uit die ervaring concludeert hij meer dan dat wat hij waarneemt. In zowel wetenschap als religie vormt het bewijs van onze zintuigen slechts het begin. Kennis is het product van een gemeenschappelijke inspanning die ons verder brengt dan wat we zelf kunnen zien en aanraken, via collectieve processen van herinnering, getuigenis, bezinning, bewijsvoering en redenering. Geloven is meer dan alleen zien.


Enkele historische observaties

uiteindelijk een positie als lijfarts van keizer Karel V en later van zijn zoon, Filips II van Spanje. Net als bij Galilei is er sprake van een z­ ekere mythevorming rondom de vraag hoe Vesalius zich verhield tot religie. Het verhaal dat hij het lichaam van een edelman aan het ontleden was en merkte dat diens hart nog klopte, waarna hij bij de inquisitie werd aangegeven, lijkt onwaarschijnlijk. Wat wel zeker is, is dat hij het Spaanse hof verliet om op ­pelgrimsreis naar Jeruzalem te gaan. Op de terugreis stierf hij op het Grieks ­eiland Zakynthos aan een onderweg opgelopen ziekte. De Nederlandse expertise in het maken van lenzen leidde niet alleen tot de ontwikkeling van de telescoop. Antoni van ­Leeuwenhoek maakte honderden microscopen, waarmee hij in het menselijk lichaam kon kijken en uiteenlopende verschijnselen als bacteriën en spierweefsel waarnam en ontdekte. Als toegewijd ­calvinist zag Van Leeuwenhoek zijn werk als de openbaring van ‘de onbegrijpelijke volmaaktheid, de exacte orde en de ondoorgrondelijke voorzienige zorg’ waarmee God de natuurlijke wereld had geschapen.1 Waarneming als fundament De uitvinding van nieuwe optische instrumenten speelde een belangrijke praktische rol in het onderzoek, omdat daardoor de waarneming werd verbeterd. De waarneming zelf werd het filosofische grondbeginsel van de wetenschap van de zeventiende eeuw. In zijn Novum Organum (Nieuw instrument, 1620) schreef de filosoof en ­diplomaat Francis Bacon een wetenschappelijke methode op basis van waarnemingen voor. Anders dan de hedendaagse w ­ etenschap, die gewoonlijk als een reeks disciplines wordt beschouwd, zag Bacon wetenschap als een methodologie en een filosofisch raamwerk. Centraal stond het verzamelen van empirische gegevens, oftewel gegevens die door de zintuigen worden vergaard. In theorie konden dit alle zintuigen zijn, maar in de praktijk ging het bijna ­altijd om observatie. Uit een verzameling van waarnemingen kon met een techniek die inductief redeneren wordt genoemd een ­algemene verklarende theorie worden afgeleid. Dit was een heel andere methode dan de deductieve benadering die in de middeleeuwse en vroegmoderne filosofie het meest werd toegepast en die haar grondslag vond in de logica van Aristoteles. Bij deductief redeneren loopt een algemene hypothese uit op een specifieke conclusie, gewoonlijk in de vorm van een syllogisme. Het klassieke voorbeeld van een syllogisme is: ‘Alle mensen zijn sterfelijk. Socrates is een mens. Dus Socrates is sterfelijk.’ ­Inductief redeneren keerde de denkrichting om, van specifiek naar algemeen, met een sleutelrol voor de waarneming. Hoe meer bewijzen er werden verzameld, des te robuuster en overtuigender de conclusie; daarom was waarneming het belangrijkste en ­wetenschappelijk gezien het meest betrouwbare middel om een

13


14

De schepping van de wetenschap

Een eigentijds Thomasbeeld Lieke Wijnia Zonder twijfel of scepsis kan de wetenschappelijke methode niet functioneren. Twijfel kan, naast nieuwsgierigheid, als kern van de wetenschap worden beschouwd. In de context van het christendom wordt de apostel Thomas vaak aangehaald als het zinnebeeld van een scepticus die de wederopstanding van Christus weigert te geloven zolang hij geen proefondervindelijk bewijs heeft. Het moment dat dit bewijs aan hem ­gepresenteerd wordt, komt tot op de dag van vandaag terug in de beeldende kunst. Speciaal voor de tentoonstelling De schepping van de wetenschap maakte Kathrin Schlegel een nieuw, eigentijds Thomasbeeld (afb.3). Toen ze zich in het onderwerp verdiepte werd Schlegel getroffen door de analogie tussen de wijze waarop kunstwerken een transformatieve waarde kunnen ­belichamen en rituele hande­ lingen zoals die tijdens de katholieke liturgie worden uitgevoerd. Ook gebouwen kunnen een gedaantewisseling doormaken. Zoals het zegenen van een gebouw is ­bedoeld om het als kerk te wijden, kan datzelfde gebouw weer ontdaan worden van de bezielde en gezegende hoedanigheid op het moment dat het in onbruik raakt. Objecten die van belang zijn voor het verloop van de liturgie kunnen daarentegen volgens de katholieke kerk niet van hun religieuze status worden ont­heven. Deze dienen te worden vernietigd als ze geen religieuze bestemming meer hebben. Toch gebeurt het maar al te vaak dat zelfs liturgisch vaatwerk op rommelmarkten of online verkoopsites belandt. In het onderzoek voor het kunstwerk kwam Schlegel een in onbruik geraakte miskelk tegen, verweesd en ronddolend. Uit respect voor de eerdere functie van het object, besloot ze het materiaal van de kelk te gebruiken voor een nieuwe sculptuur met religieuze betekenis. Ze goot er een hedendaags beeld van de ­ongelovige Thomas van, waarmee ze

het materiaal een nieuw leven inblies. De vinger die de zijdewond beroert, doet een spruit ontkiemen die letterlijk voortkomt uit twijfel en figuurlijk een verbinding legt tussen de oorsprong van het leven en de groei van kennis en ­wetenschap. Het jonge groen nodigt uit om de positie van de mens in de wereld te heroverwegen en om het wereldbeeld waarin een deel van de mensheid zich ‘de kroon op de schepping’ waant ­opnieuw te b ­ ezien en kritisch te beschouwen. Gevoed door twijfel en voortschrij­ dende hedendaagse inzichten wil de kunstenaar met de zijdewond, ook wel vulva Christi genoemd, bovendien het vraagstuk over het geslacht en de gedaante van God bespreekbaar maken. In het verlengde hiervan raakt zij aan het maatschappelijk discours over ­binaire sekse-indeling en gender­ ongelijkheid die mede ingegeven zijn door een ­eeuwenlang patriarchaal ­georiënteerd godsbeeld. Met Vessel to flesh wakkert Schlegel verbeeldingskracht en vrije associatie aan en nodigt zij ons uit om veranderlijkheid te omarmen en elk vanzelf­ sprekend beeld opnieuw in ogenschouw te nemen. Het maakt dat het beeld niet alleen de twijfel belichaamt, maar ­tegelijkertijd ook twijfel zaait over ­onderwerpen die in het heden voor (on)waar worden aangenomen.

Afb. 3  P. 22


Enkele historische observaties

conclusie te trekken. Deductief redeneren werd daarentegen ­geassocieerd met middeleeuws denken en obscurantisme. In de tijd van de Verlichting ging de aanpak van Bacon een eigen leven leiden: de wetenschappelijke methode werd vaak als baconianisme aangeduid, zelfs als het belang van waarneming en het wantrouwen van hypotheses hierbij verder voerde dan Bacon ooit had bedoeld. Deze methode vormde het brandpunt van het zelfverzekerde rationalisme van de nieuwe wetenschappelijke ­cultuur. Toen Voltaire, een fervent anglofiel, werd gevraagd om over belangrijke Engelse denkers te schrijven, begon hij niet bij Shakespeare of Isaac Newton maar bij ‘Lord Bacon (…) de vader van de experimentele filosofie.’2 Zelfs Newton ontkwam niet aan de invloed van de baconiaanse methode. Toen hij bij de ontwikkeling van zijn zwaartekrachttheorie van speculatie werd beticht, verweerde hij zich met de woorden ‘ik verzin geen hypotheses.’3 Newton benadrukte dat hij door zorgvuldige waarneming inzicht had ­gekregen in de regels die golden voor de werking van het heelal. ­Hoewel zijn overtuigingen onorthodox waren, was Newton zeer ­r­eligieus. In al zijn observaties zag hij bewijzen van een bekwame schepper die een heelal had ontworpen en in beweging had gezet dat volgens vaste wetten functioneerde. Bij sommige van Newtons bijna-tijdgenoten leidde rationalisme tot scepticisme. Ondanks zijn strikt materialistische benadering wist René Descartes zijn ­begrip van een mechanisch heelal uiteindelijk te verzoenen met zijn godsgeloof. David Hume echter legde dusdanig de nadruk op het waarneembare en het waarneembare alleen, dat hij het bestaan van bovennatuurlijke of niet-waarneembare verschijnselen ­betwijfelde. Door God gegeven vaardigheden Een van de invloedrijke reacties op het scepticisme van Hume was de ‘Common sense’ filosofie. Deze stroming werd geleid door prominente Schotse filosofen als Thomas Reid. Zij betoogden dat via de menselijke zintuigen betrouwbare gegevens over de natuurlijke wereld konden worden verkregen. Aangezien dit een empirisch proces was, gebaseerd op waarneming, volgden ze de baconiaanse wetenschappelijke methode. Omdat mensen en hun geest door God waren geschapen, verbond dit ook waarneming en betrouw­ bare kennis met het geloof: God had de mensen mentale vaardigheden gegeven, waarmee zij betrouwbare informatie konden achterhalen over het heelal dat hij had geschapen. In William ­Paley’s Natural Theology (1802) werd deze benadering verder uitgewerkt. Paley betoogde dat zorgvuldige observatie van de natuur­ lijke wereld overtuigend bewijs voor het bestaan van God zou opleveren. Hij vergeleek het heelal met een horloge: er lag onmiskenbaar een ontwerp aan ten grondslag, dat zou iedereen zien die er goed naar keek. Omdat het bestaan van een horloge het bestaan

15


16

De schepping van de wetenschap

Oorlog tussen geloof en wetenschap? Willem B. Drees Het denken over geloof en wetenschap in termen van een oorlog is een negentiende-eeuwse uitvinding. Vanzelf­ sprekend waren er eerder conflicten, maar die laten zich niet goed beschrijven als conflicten tussen ‘geloof’ en ­‘ wetenschap’. Zo gaat het bij Galileo Galilei, de ­zeventiende-eeuwse Italiaanse sterren­ kundige, eerst om een conflict tussen geleerden onderling. Tegenstanders van Galilei halen er de Bijbel bij; als je zijn theorie zou aanvaarden, dan klopt een passage in het bijbelboek Jozua niet. Immers, in Jozua 10:12 vraagt Jozua God om de zon stil te laten staan en zo de dag te verlengen, waardoor de Israëlieten hun vijanden kunnen verslaan. Dit veronderstelt dat de zon om de aarde draait, terwijl Galilei de positie van ­Copernicus innam, namelijk dat de zon altijd stilstaat en het de aarde is die draait. Galilei verdedigt zich met een open brief aan groothertogin Christina in Florence. Daarin beroept hij zich op een kardinaal die over de Bijbel gezegd zou hebben ‘dat het de bedoeling van de Heilige Geest is ons te leren hoe men naar de hemel gaat, en niet hoe de hemel gaat’, dus niet hoe de hemellichamen zich bewegen.1 En later, wanneer Galilei paus Urbanus VIII persoonlijk gekwetst heeft, wordt de veroordeling van zijn opvattingen ondertekend door de Italiaanse kardinalen, maar niet door de Spaanse. Dit laat zien dat het hier gaat om een machtsstrijd tussen nationaliteiten en kloosterordes; aan beide kanten in het conflict vinden we zowel geloof als wetenschap. Ook in de negentiende eeuw was er geen sprake van een pure strijd tussen geloof en wetenschap. In het voorwoord van zijn boek A History of the Warfare of Science with Theology in Christendom (1896), schrijft Andrew D. White: ‘Religie, gezien als de erkenning van “een

kracht in het universum, niet in onszelf, die voor rechtvaardigheid zorgt”, en in de liefde van God en van onze naasten, zal gestaag sterker en sterker worden.’2 Geloof als erkenning van een macht in of achter de werkelijkheid, van de grond van het bestaan, en als een houding van liefde voor God en de naaste, zal juist sterker worden wanneer er openheid is voor wetenschap. Het gaat White namelijk niet om oorlog tegen geloof, maar tegen theologie, en daarmee tegen kerkelijke macht. Hij was de eerste president van Cornell University in de staat New York. Kerkgenootschappen, die hun eigen colleges hadden, verzetten zich tegen deze oecumenische universiteit. White was eerder gepasseerd voor een benoeming aan een van de christelijke colleges omdat hij niet het ware geloof zou aanhangen. Hij was geen lid geworden van de Anglicaanse kerk omdat de predikant stelde dat ongedoopte kinderen en leden van andere kerken – waaronder zijn grootmoeder – een eeuwige straf moeten ondergaan. White nam religie serieus, maar had het aan de stok met sektarische clubs en theologisch dogmatisme. Het spreken over een conflict is een goed instrument om toehoorders voor de keuze te stellen: óf je kiest voor het ware geloof óf je kiest voor de wetenschap. Het ware geloof, dat is het ware geloof zoals de spreker dat opvat – de Bijbel van kaft tot kaft, het onfeilbare leergezag van de paus en daarmee van de Rooms-Katholieke Kerk, geloof in een hiernamaals, of nog iets anders dat volgens de spreker de kern is. Voor Amerikaanse creationisten, die het verhaal van de schepping in zes dagen als wetenschappelijke waarheid lezen, zijn de belangrijkste tegenstanders andere christenen die menen dat christenen de evolutietheorie kunnen aanvaarden. Volgens hen zijn dat geen echte christe-

nen. Gaat geloof om dogma’s als onveranderlijke, onaantastbare theologische waarheidsclaims? Of gaat het om het besef deel te zijn van een groot, door ons nooit volledig gekend, geheel en om een levenshouding van eerbied en naastenliefde? Sommigen lezen het scheppings­ verhaal als een gedicht van verwondering en dankbaarheid. Anderen willen hun religieuze beleving integreren met ­wetenschappelijke kennis; misschien steekt achter de evolutionaire verklaring de Schepper, die de natuurwetten gegeven heeft waardoor evolutie mogelijk is. Zo lijken me drie fracties te onderscheiden: degenen die een conflict voor zich zien; degenen die denken dat met helder onderscheid van genre, een boedelscheiding, geloof en wetenschap naast elkaar kunnen staan, én degenen die streven naar een inhoudelijke dialoog of integratie. Gelovigen verschillen onderling niet alleen in dat wat ze geloven, maar ook in hun antwoord op de vraag wat geloven eigenlijk is. Is geloof zoiets als het overtuigd zijn van een wetenschappe­ lijke theorie? Dan kom je misschien uit bij een conflict. Of gaat het om de vraag hoe men in het leven staat, met vertrouwen en bezield door idealen? Dan kunnen inspirerende religieuze verhalen en voorstellingen naast wetenschappelijke inzichten staan. Of zijn we op zoek naar een groot verhaal, een nieuw wereldbeeld, waarin al onze kennis en al onze overtuigingen en waarden samen komen? Dan is wetenschap materiaal voor verdere filosofische speculatie.

lees verder op pagina 18


Enkele historische observaties

van een horlogemaker impliceerde, moest een ontworpen heelal wel het bestaan van een goddelijke schepper impliceren. God had twee boeken geschreven – de bijzondere openbaring in de Bijbel, en het bewijs van zijn schepping in het boek van de natuur. Tegen het midden van de negentiende eeuw bood de combinatie van baconianisme, Common Sense, natuurlijke theologie en de tweeboekenbenadering een bevredigende en onderling ondersteunende manier om wetenschap en geloofsovertuiging te verenigen. Op het Europese vasteland waren veel belangrijke wetenschappers heel uitgesproken over hun geloof en de rol daarvan in hun onderzoek, zoals de Moravische monnik Gregor Mendel, de ontdekker van de genetische overerving, pastoor en botanist Lars Levi ­Læstadius, naturalist Georges Cuvier en de ontdekker van micro­ biële infectie Louis Pasteur. In het Verenigd Koninkrijk waren ­geloof en wetenschap haast onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bacon was in talrijke opzichten de patroonheilige van de Britse ­ wetenschap en de toepassing van zijn wetenschappelijke methode werd beschouwd als een belangrijke factor in het succes van handel en industrie in Groot-Brittannië. De priesters van de Anglicaanse Kerk hadden een universitaire opleiding gevolgd en werden over het algemeen goed betaald. Als zij hun standplaats op het platteland hadden, konden ze in hun overvloedige vrije tijd de natuur­ lijke wereld verkennen en waarnemen. Deze ‘priester-naturalisten’ verrichtten veel wetenschappelijk onderzoek en hadden maatschappelijk en intellectueel dusdanig veel prestige dat zelfs Charles Darwin er een wilde worden – voordat zijn reis met de hms Beagle hem in een andere richting stuurde. Anglicaanse theologen ­bekleedden ook belangrijke posities aan de universiteiten van ­Oxford en Cambridge, onder wie priester William Buckland, die in 1824 als eerste een fossiel van een dinosaurus beschreef. Veranderende interpretaties De ontdekkingen van Buckland vielen samen met een aantal ontdekkingen in de geologie, bijvoorbeeld van James Hutton, Charles Lyell en Hugh Miller, die naast geoloog ook een prominente voorvechter van de vrije kerk van Schotland was. Al deze observaties van de aarde en wat daaronder lag leidden tot vragen over de ­ouderdom van onze planeet. Er werden uitgestorven diersoorten ontdekt en het bewijs werd geleverd dat vorming van land door geologische processen vele millennia in beslag nam. Hierdoor werd de ouderdom van de aarde steeds hoger geschat: van duizenden tot miljoenen en vervolgens miljarden jaren. Voor degenen die de zeven scheppingsdagen in de Bijbel letterlijk wilden opvatten, was dit problematisch. Er werden echter veel vindingrijke methoden bedacht om wat in de Schrift stond te verzoenen met wat in de natuurlijke wereld werd waargenomen. Een van de methoden was het veronderstellen van een ‘kloof’ in het scheppingsverhaal, waar-

17


18

De schepping van de wetenschap

Er zijn daarbij ook nog meer specifiek menselijke vragen. Zijn we apen? Worden we gedreven door het egoïsme van onze genen of de automatismen van ons brein? Is het met de dood afgelopen? Wie zijn we als mensen? Sommigen pogen om via de wetenschap leven na de dood te rechtvaardigen met schijnbaar wetenschappelijke claims over ­bijna-doodervaringen. Wat mij betreft zijn dergelijke inspanningen onzinnig. ­Geloof is voor mij leven in vertrouwen, aanvaarden van onze eindigheid en ­materialiteit, onze bescheiden rol in het grote geheel. Maar anderen geloven iets anders en denken anders over geloven. Beschouwingen over geloof en wetenschap zijn zo gezien vooral gesprekken over onszelf, over de reikwijdte van ons kennen en kunnen, onze verantwoordelijkheid en onze beleving.

Noten 1 Galileo Galilei, Kijker, Kerk en Kosmos: ­Galilei’s ‘Bericht van de sterren’ en ‘Brief aan Groothertogin Christina’. Vertaald en ingeleid door Margriet Agricola, Albert Van Helden en Steven Van Impe, Amsterdam 2017, 152. 2 A.D. White, A History of the Warfare of ­Science with Theology in Christendom, Volume 1., New York 1896, xii. ‘Religion, as seen in the recognition of “a Power in the Universe, not ourselves, which makes for righteousness”, and in the love of God and of our neighbour, will steadily grow stronger and stronger.’


Enkele historische observaties

Noten 1 Abraham Schierbeek (red.), Measuring the Invisible World: The Life and Works of Antoni Van Leeuwenhoek, New York 1959, 171. 2 Voltaire, Lettres philosophiques (1734), Lettre XII. ‘Le chancelier Bacon (…) le père de la philosophie expérimentale’. 3 ‘Hypotheses non fingo.’ Voor een complete geschiedenis van deze zin, zie I. Bernard Cohen, ‘The First English Version of Newton’s Hypotheses non fingo.’ Isis, 53 (1962), 379-88.

in miljarden jaren van geologische processen konden worden ­gevoegd, of een figuurlijke uitleg van het Hebreeuwse woord jom (dag) in plaats van een letterlijke interpretatie van 24 uur. Charles Darwin was zich ervan bewust dat zijn theorie van ­natuurlijke selectie voortvloeide uit de beproefde baconiaanse ­benadering, en een groot deel van zijn Origin of species (1859) ­wijdde hij aan het beschrijven van zijn zorgvuldige waarnemingen tijdens zijn vijf jaar durende reis met de Beagle. Darwin hoopte dat zijn ­lezers er door zijn overvloedige hoeveelheid empirische gegevens van overtuigd zouden raken dat zijn hypothese geloofwaardig en wetenschappelijk verantwoord was. De belangrijkste anti-Darwin­organisatie was het Victoria I­ nstitute, dat in 1865 in Londen werd opgericht om de harmonie tussen wetenschap en religie en de ­baconiaanse traditie te verdedigen. Omdat Darwins idee van ­natuurlijke selectie niet rechtstreeks kon worden waargenomen, betoogden zij dat het in beginsel o ­ nwetenschappelijk was. Ook vandaag nog stellen anti-evolutie­organisaties als Answers in ­Genesis dat evolutie geen wetenschappelijk feit is omdat ze niet kan worden waargenomen. De prominente aanwezigheid van dergelijke groepen en het weerwoord van denkers als Richard Dawkins in de hedendaagse discussies over wetenschap en religie wekken de indruk dat Darwin in naam van de wetenschap een beslissende slag aan religie heeft toegediend. Veel religieuze denkers hebben de evolutiegedachte echter zonder al te veel problemen in hun wereldbeeld geïntegreerd. Aan het eind van de negentiende eeuw accepteerde zelfs de voorzitter van het Victoria Institute, Sir George Gabriel Stokes, een vorm van evolutie, zolang die maar door God in gang was gezet. Stokes was een uitmuntend natuurkundige en overtuigd evangelisch christen. In zijn werk, maar ook in zijn geloof, speelde waarneming een centrale rol. Tijdens zijn onderzoeken was hij onder de indruk van de werking van het menselijk oog en van de natuurkundige wetten die het licht reguleren. Beide impliceerden volgens hem het bestaan van een goddelijke wetgever. Waarneming was bij het aanbreken van de twintigste eeuw voor religieuze wetenschappers net zo belangrijk als voor de eerste ­astronomen. Geen ander thema is zo nauw verbonden met de ­geschiedenis van de wetenschappelijke praktijk en geen ander ­beginsel is altijd zo van belang geweest voor de relatie tussen ­wetenschap en religie.

19


20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.