Jaarlijkse uitgave | Editie 2019 Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Vlaams Agrarisch Centrum Ambachtsweg 20 | 9820 Merelbeke www.vac.eu | vac@vac.eu
1 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
VACwerk = dé Bedrijfseconomische boekhouding De VAC-bedrijfseconomische boekhouding is zijn geld waard. De bedrijfseconomische boekhouding van het Vlaams Agrarisch Centrum, VACwerk, is dè boekhouding voor de moderne en vooruitstrevende agrarische ondernemer. Voortdurend wordt het programma aangepast aan de noden en wensen van de deelnemende landbouwers. En, niet onbelangrijk, u krijgt gegarandeerd onafhankelijk advies, waarbij enkel ù en ùw bedrijf centraal staat. Meer info vindt u terug op pagina 65
Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: ‘Rentabiliteits- en kostprijsanalyse’ - Vlaams Agrarisch Centrum - Merelbeke De uitgever heeft geprobeerd de rechthebbenden van het beeldmateriaal te achterhalen. Wanneer een bron onvermeld is gebleven, kunnen rechthebbenden contact opnemen met de uitgever.
2 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Voorwoord Geachte lezer, U heeft inmiddels de 3de editie van het “Rentabiliteit- en kostprijsanalyse” uitgegeven door het Vlaams Agrarisch Centrum ter hand genomen. Het gemengde karakter van landbouwbedrijven is een deel van het antwoord op de risicoanalyse die elk bedrijf maakt. Hoe hoger de specialisatiegraad is, hoe afhankelijker het bedrijf is of wordt van de marktsituatie. Een groot deel van de bedrijven die beroep doen op de diensten van het Vlaams Agrarisch Centrum hebben een gemengd karakter. Deze familiale autonome bedrijven kiezen, naargelang de omstandigheden in eerste instantie voor bedrijfsontwikkeling. De bedrijfsontwikkeling situeert zich op meerdere vlakken in de bedrijfsvoering. Optimalisatie van de bedrijfsprocessen, kwaliteitsbewaking van het eindproduct, bestendigen en aanboren van klanten en markten, optimalisatie van de bestaande mogelijkheden, accuraat handelen en op middellange termijn “voor”denken. Dit naslagwerk bevat cijfermateriaal over de verschillende sectoren die onze landbouw rijk en kenmerkend is. Het stelt de agrarische ondernemer in de mogelijkheid om de bedrijfsvoering te toetsen en de mogelijkheden te ontdekken in de andere sectoren. De derde editie behandelt de sectoren akkerbouw-ruwvoeder-fruitteelt-varkenshouderij-geitenhouderijpluimveehouderij-vleesveehouderij en melkveehouderij. De acht beschreven sectoren omvatten niet de volledige landbouw. Het grotendeel van de bedrijven situeren zich in deze sectoren wat het mogelijk maakt om significant cijfermateriaal te bekomen. Het cijfermateriaal is gebaseerd op de data van het VAC-landbouwboekhoudprogramma VACwerk. Dit uitgangsmateriaal werd aangevuld en getoetst aan de bestaande openbaar gestelde data. Per sector wordt de methodiek verklaard. Iedere (agrarische) ondernemer stelt zich tot doel het grootst mogelijk rendement te halen op het geïnvesteerd kapitaal. Vergelijkend cijfermateriaal is belangrijk om het bedrijf te sturen en de rentabiliteit te verhogen. Dit naslagwerk kan een bijdrage leveren voor het maken van berekeningen, evaluaties en begrotingen. Het interpreteren van de cijfers is belangrijk. U moet de cijfers zien als een richtlijn en een tendens binnen een bepaalde sector. Afhankelijk van de actuele bedrijfssituatie, de marktwerking en de normen, kunnen de cijfers opgenomen worden in de managementplanning van het individueel bedrijf. In iedere editie wordt een bepaald onderdeel van de bedrijfsvoering extra belicht. In de vorige edities werden het energieverbruik en de werking van de maatschappen onder de loep genomen. Ditmaal schenken we aandacht aan de bredeweersverzekering als risicobeheerelement in de bedrijfsvoering. De begeleiding van de agrarische onderneming is een multidisciplinaire opdracht. Het Vlaams Agrarisch Centrum heeft een sterk netwerk uitgebouwd met onafhankelijke dienstverleners; fiscale-boekhoudkantoren-juristen-notarissen-architecten-experts-technici en academici. Onze gezamenlijke klanten weten deze onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid te appreciëren. Daarom zijn we trots dat we dit naslagwerk, onze missie getrouw, zonder sponsoring en subsidiering, uit dank kunnen aanbieden aan onze relaties.
3 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Inhoud Voorwoord ........................................................... p. 3 Inhoud ................................................................. p. 4 Akkerbouwteelten Methodiek .................................................. p. 5 Aardappelen .............................................. p. 6 Suikerbieten ............................................... p. 7 Granen Wintertarwe ...................................... p. 9 Wintergerst ..................................... p. 10 Triticale ........................................... p. 12 Korrelmaïs ...................................... p. 13 Ruwvoederteelten Methodiek ................................................ p. 15 Grasland Blijvende weide ............................... p. 15 Tijdelijk grasland ............................. p. 16 Silomaïs ................................................... p. 18 Voederbiet ................................................ p. 21 Klaver ....................................................... p. 22 Luzerne .................................................... p. 23 Fruitteelt Algemeen ................................................. p. 25 Methodiek ................................................ p. 25 Appelen .................................................... p. 26 Peren ....................................................... p. 29 Aardbeien ................................................ p. 32 Varkenshouderij Methodiek ................................................ p. 35 Zeugenhouderij ........................................ p. 36 Vleesvarkenshouderij .............................. p. 38 Geitenhouderij Methodiek ................................................ p. 40 Pluimveehouderij Methodiek ................................................ p. 44 Legkippenhouderij ................................... p. 45 Vleeskippenhouderij ................................ p. 48 Vleesveehouderij Methodiek ................................................ p. 50 Melkveehouderij Methodiek ................................................ p. 55 VACcent: 10 vragen .......................................... p. 60 Schattingscommissie en brede weersverzekering .................................... p. 61 Bedrijfseconomische resultatenrekening .......... p. 64 VACwerk ........................................................... p. 65
4 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Akkerbouwteelten De akkerbouwgewassen nemen 207.957 ha van het landbouwareaal in beslag. Dit is iets meer dan een derde van het Vlaamse landbouwareaal. De grootste groep akkerbouwgewassen zijn de granen, inclusief korrelmaïs. De droogte van 2 juni 2018 tot en met 6 augustus 2018, werd erkend als een landbouwramp.
Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met akkerbouwgewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in akkerbouw als om gemengde bedrijven die akkerbouw combineren met tuinbouw en/of veeteelt. De akkerbouwbedrijven met bio-teelten zijn tevens opgenomen in de cijfergegevens. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de omzet vermindert met de variabele en structurele kosten. Wanneer we schrijven over opbrengsten bedoelen we de kg opbrengsten. Wanneer we schrijven over omzet, bedoelen we de financiële opbrengsten. Opbrengst = kg Omzet = euro De omzet is samengesteld uit de verkoop van het hoofdproduct, de verkoop van het bijproduct en voorraadwijzigingen. De perceelsgebonden subsidies worden niet opgenomen in de resultatenrekening. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor zaad en pootgoed, de gewasbeschermingsmiddelen, de meststoffen, het loonwerk, de diverse directe teeltkosten en energie. Evolutie van het akkerbouwareaal, ha, Vlaanderen, 2014-2018 2014
2015
2016
2017
2018
granen aardappelen suikerbieten
139507 142030 139143 125902 43415 42155 49340 50589 19778 17647 18684 20517
127299 50039 19846
totaal
216079 212507 217560 208594
207957
(granen inclusief droge en vochtige korrelmaïs) bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek
De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, enz. De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz akkerbouw. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha. In het overzicht 2014-2018 hebben we voor de eerste keer de cijfergegevens van de teelt van triticale opgenomen.
5 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Aardappelen De omzet van aardappelen zijn sterk marktgevoelig. De eenheidsprijzen variëren zeer sterk tot 100%. Het schommelend areaal, volgend op een goed jaar, en schommelden opbrengsten zijn hier debet aan. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de omzet 5048 euro per ha. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet en de laagste omzet bedraagt ca 20%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste opbrengst en de laagste opbrengst bedraagt ca 60%. Dit toont aan dat de aardappelteelt een sterk prijsgevoelige en opbrengstgevoelige teelt is met weinig voorspelbare elementen. Aardappelen totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg
Productiviteit kg per ha
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
4554 4554 2012 697 251 556 428 79 155 2541 928 1612 45305 10,05
5637 5637 1537 577 183 408 308 59 131 4099 935 3196 31107 18,12
5433 5433 1761 584 191 583 346 58 118 3671 945 2820 31484 17,26
4569 4569 2248 754 298 512 364 65 101 2565 1125 1315 51450 8,88
4938 4938 1732 836 262 602 362 89 106 3306 969 1966 34890 14,15
5048 5048 1890 653 231 515 362 65 126 3219 983 2236 39837 12,67
98% 98% 92% 128% 114% 117% 100% 136% 84% 103% 99% 88% 88% 112%
108% 108% 77% 111% 88% 118% 99% 137% 105% 129% 86% 150% 68% 159%
De droogte van 2018 veroorzaakt een lage opbrengst in 2018. De opbrengst van 2018 is 12% lager dan het vijfjarig gemiddelde en zelfs 32% lager dan het vorige jaar.
Prijsvorming euro/100 kg
Financiële kengetallen
6 Vlaams Agrarisch Centrum
Uit de grafiek blijkt dat de invloed van de variabele kosten op de omzet relatief gering is. De invloed van de markt weegt zwaarder door. De variabele kosten zijn fluctuerend omwille van de prijs van het pootgoed, ook hier is het areaal de bepalende factor en de ziektedruk door de weersomstandigheden.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
De structurele kosten fluctueren minder aangezien in ons cijfermateriaal het areaal redelijk constant blijft.
Evolutie kosten
De variabele kosten stijgen sterker dan de structurele kosten.
De kosten voor zaad- en pootgoed en de gewasbeschermingsmiddelen zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 59%.
Samenstelling variabele kosten
Suikerbieten De financiële opbrengsten van de suikerbieten liggen doorgaans vast aangezien de suikerprijs gekend is en de financiële opbrengst rechtstreeks afhangt van de tonnages suikers dat geproduceerd worden. Het areaal suikerbieten neemt licht toe, waarschijnlijk onder invloed van de binding, lees verplichtingen, die de teler heeft met het suikerfabriek. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 2708 euro per ha. De tendens is dalend. Een boutade: de smartphone van de vrachtwagenbestuurder van een vracht bieten is meer waard dan de bieten. De omzet in 2018 was 14% lager dan het vijfjarige gemiddelde. De variabele kosten stegen tot 13% boven het vijfjarig gemiddelde. Suikerbieten totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gem.
3795 3795 1191 240 246 317 384 3 119 2603 714 1888 77283 4,91
2800 2800 1339 278 244 356 438 23 102 1461 880 581 78000 3,59
2191 2191 1143 251 189 307 385 11 99 1049 1320 -271 80500 2,72
2430 2420 1224 259 196 321 415 10 103 1205 984 449 84500 2,86
2323 2323 1436 264 212 359 538 13 112 888 986 163 77840 2,98
2708 2706 1267 258 217 332 432 12 107 1441 977 562 79625 3,40
86% 86% 113% 102% 98% 108% 125% 108% 105% 62% 101% 29% 98% 88%
tov vorig jaar 96% 96% 117% 102% 108% 112% 130% 130% 109% 74% 100% 36% 92% 104%
7 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Productiviteit kg per ha
De productiviteit is volgens de grafiek stijgend en flirt met de grens van 80 ton per ha.
Prijsvorming euro/100 kg
De prijsvorming is dalend en bedroeg in 2018 slechts 88% van het vijfjarige gemiddelde.
Financiële kengetallen
Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 61% bedragen van de gerealiseerde omzet. Het aandeel variabele kosten overstijgt hiermee de norm van 50%. De stijging van de variabele kosten en de daling van de eenheidsprijzen zetten de rendabiliteit van de teelt onder druk. Deze druk kan niet gecompenseerd worden door de opbrengststijgingen en hogere suikergehaltes.
Evolutie kosten
De structurele kosten zijn licht aan het stijgen. De stijging is reëel gelet op het relatief constante areaal.
Samenstelling variabele kosten
De kosten voor het loonwerk en de gewasbeschermingsmiddelen zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 56%.
8 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Granen Jaarlijks neemt het areaal granen af ten gunste van alternatieve teelten. De daling lijkt gestabiliseerd. Wintertarwe, wintergerst en korrelmaïs zijn de voornaamste graangewassen.
Wintertarwe De omzet van de teelt wintertarwe is onderhevig geworden aan sterkere wereldmarktschommelingen. De prijsvorming in de granen is sterk afhankelijk van de vraag (veevoeding) en de samenstelling van de voeders. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de omzet 1616 euro per ha waarvan ca 10% het stroverkoop deel van uit maakt. De omzet is in 2018 19% hoger dan het vijfjarig gemiddelde en zelfs 25% hoger dan vorig jaar. Wintertarwe totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct bruto-omzet bijproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg
Productiviteit kg per ha
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
1634 1557 77 851 141 207 253 242 9 41 783 744 39 8439 18,45
1644 1564 80 916 129 210 270 287 20 35 728 736 -8 9154 17,09
1337 1263 74 773 126 165 237 235 9 34 564 722 -157 8006 15,78
1543 1352 251 821 111 155 232 229 8 33 792 726 61 8490 15,92
1922 1620 298 857 113 162 253 258 12 59 1033 654 402 8392 19,30
1616 1471 156 844 124 180 249 250 12 40 780 716 67 8496 17,32
119% 110% 191% 102% 91% 90% 102% 103% 103% 146% 132% 91% 596% 99% 111%
125% 120% 119% 104% 102% 105% 109% 113% 146% 179% 130% 90% 659% 99% 121%
De productiviteit blijft stabiel rond 8500 kg. Door de droogte in 2018 was de opbrengst lager dan gemiddeld.
Prijsvorming euro/100 kg
De prijsvorming is licht stijgend. Waarschijnlijk is de betere prijsvorming het gevolg van een grotere vraag en een lager aanbod van (kwaliteits-) graan.
9 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Financiële kengetallen
Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 44% bedragen van de gerealiseerde omzet.
Evolutie kosten
De variabele kosten zijn licht stijgend. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel.
Samenstelling variabele kosten
De kosten voor het loonwerk en de gewasbeschermingsmiddelen zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 58%.
Wintergerst De omzet van wintergerst is in 2018 sterk hersteld. De omzetstijging bedraagt +13% tov van het vijfjarige gemiddelde en zelfs 21% tov vorig jaar. Wintergerst totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct bruto-omzet bijproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg
10 Vlaams Agrarisch Centrum
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
1675 1623 52 812 157 207 220 224 3 41 864 753 110 8500 19,09
1644 1175 80 916 120 163 137 221 20 37 728 715 -8 7380 15,92
1337 1263 74 773 126 165 237 235 9 35 564 632 -68 8159 15,48
1475 1288 129 689 125 126 219 201 5 37 615 632 164 8549 15,07
1780 1543 206 838 143 143 236 236 4 77 870 513 416 8245 18,71
1582 1378 108 806 134 161 210 223 8 45 728 649 123 8167 16,88
113% 112% 190% 104% 107% 89% 112% 106% 49% 170% 119% 79% 339% 101% 111%
121% 120% 160% 122% 114% 113% 108% 117% 80% 208% 141% 81% 254% 96% 124%
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Productiviteit kg per ha
Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1582 euro per ha. De productiviteit is gedaald ten gevolge de weersomstandigheden in 2018.
Prijsvorming euro/100 kg
Dit herstel is volledig toe te schrijven aan de betere prijsvorming. De prijsvorming in de granen is sterk afhankelijk van de vraag vanuit de veevoeding en het aanbod/prijs van alternatieven.
Financiële kengetallen
Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 47% bedragen van de gerealiseerde omzet. Dit is vergelijkbaar met de wintertarwe.
Evolutie kosten
De variabele kosten zijn gestegen. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel. De structurele kosten zijn gedaald door de inzet van meer werk door derden dan door de inzet van eigen investeringen.
Samenstelling variabele kosten
De kosten voor de gewasbeschermingsmiddelen en het loonwerk zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 56%.
11 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Triticale De omzet van triticale is in 2018 sterk hersteld. De omzetstijging bedraagt +16% tov van het vijfjarige gemiddelde en zelfs 31% tov vorig jaar. Triticale totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct bruto-omzet bijproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg
Productiviteit kg per ha
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
1248 862 342 788 134 266 183 274 14 28 846 405 429 7845 10,99
1118 789 322 745 129 260 168 268 15 27 755 409 367 8049 9,80
806 688 246 709 106 152 159 232 15 22 473 399 178 6249 11,01
955 748 199 746 121 124 161 279 18 24 588 426 191 7488 9,99
1250 1074 355 821 127 128 155 288 16 33 837 478 349 7257 14,80
1075 832 293 762 123 186 165 268 16 27 700 423 303 7378 11,28
116% 129% 121% 108% 103% 69% 94% 107% 103% 123% 120% 113% 115% 98% 131%
131% 144% 178% 110% 105% 103% 96% 103% 89% 138% 142% 112% 183% 97% 148%
Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1075 euro/ha. De productiviteit is licht gedaald ten gevolge de weersomstandigheden in 2018. Het lijkt dat triticale beter bestand is tegen de droogte dan de andere graangewassen.
Prijsvorming euro/100 kg
Dit herstel is volledig toe te schrijven aan de betere prijsvorming. De prijsvorming in de granen is sterk afhankelijk van de vraag vanuit de veevoeding en het aanbod/prijs van alternatieven.
Financiële kengetallen
Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 65% bedragen van de gerealiseerde omzet. Het aandeel variabele kost is hoger dan bij de andere granen.
12 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Evolutie kosten
De variabele kosten zijn stijgend. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel. De structurele kosten zijn stijgend. Hiervoor kunnen we geen directe verklaring vinden.
Samenstelling variabele kosten
De kosten voor de meststoffen en het loonwerk zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 58%.
Korrelmaïs De omzet van de korrelmaïs zijn in 2018 zeer sterk gedaald. Korrelmais totaal bruto omzet bruto-omzet hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst euro per 100 kg Productiviteit kg per ha
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
1442 1442 626 172 119 122 213 1 54 816 734 82 12590 11,45
1478 1478 670 184 102 119 256 9 51 809 643 165 9675 15,28
1544 1544 622 170 103 125 222 3 59 918 658 249 12035 12,83
1946 1946 723 185 96 116 206 6 60 1006 706 286 12337 15,77
1179 1179 684 168 98 134 212 4 69 495 742 -246 9096 12,96
1518 1518 665 176 104 123 222 5 59 809 697 107 11147 13,62
78% 78% 103% 96% 95% 109% 96% 87% 118% 61% 107% -229% 82% 95%
61% 61% 95% 91% 102% 116% 103% 67% 115% 49% 105% -86% 74% 82%
Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1518 per ha. De productiviteit is gedaald tgv de droogte in 2018.
13 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Prijsvorming euro/100 kg
De omzet daling vindt zijn oorzaak in de lagere opbrengst 27% en de slechtere prijsvorming 18%.
Financiële kengetallen
Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten vergelijkbaar zijn met de norm van 50%.
Evolutie kosten
Tevens zijn de variabele kosten stabiel. Vooral de vermindering van het gebruik van kunstmeststoffen en deze vervangen door het aanbod uit dierlijk mest, is de reden voor een stabiele kostprijs. De prijs van het zaadgoed is gedaald. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel. De structurele kosten blijven stijgen.
Samenstelling variabele kosten
De kosten voor het zaadgoed en het loonwerk zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 56%.
14 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Ruwvoederteelten De ruwvoederteelten nemen meer dan 352.800 ha of ca 57% van het landbouwareaal in beslag. De grootste groep ruwvoedergewassen wordt gevormd door de graslanden. Het areaal voedergewassen is met 2% gestegen ten opzichte van 2017.
Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met ruwvoedergewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in melkvee of vleesvee als om gemengde bedrijven die veeteelt combineren met akkerbouw of tuinbouw. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor zaad en pootgoed, de gewasbeschermingsmiddelen, de meststoffen, het loonwerk, energie en de diverse directe teeltkosten. De diverse andere teeltkosten zijn o.a. bewaringsmiddelen, plastiek enz. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines, gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, taksen, enz. De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz rundveehouderij. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha. Bestemming benutte landbouwoppervlakte, in hectare, Vlaanderen, 2007 en 2014-2018 teelten voedergewassen tijdelijke weiden voedermaïs
2007
2014
2015
2016
2017
2018
336418 219863 110206
347236 221154 122949
342285 217575 119915
346348 223906 117485
344345 219504 120043
352809 223144 125159
Grasland Voor grasland dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen intensief productieve weiden (hier tijdelijk grasland genaamd) en de blijvende weiden.
Blijvende weilanden De kosten voor de blijvende weiden zijn gestegen ten gevolge van herstellingsingrepen (onkruidbestrijding) na de droogte. Uit de stijging voor de kosten van het loonwerk en diverse kosten (bewaring) kunnen we besluiten dat er meer aandacht wordt besteed aan de productie van kwalitatief beter gras. Het aandeel kunstmeststoffen is dalend. Weiden variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie
2014
2015
2016
2017
2018
483 25 213 13 214 18 69
405 25 167 10 189 13 71
402 21 158 7 190 23 72
405 45 125 10 192 22 78
489,07 33,24 136,70 12,00 211,56 21,98 73,59
gemid. 437 30 160 10 199 20 73
tov gemid.
tov vorig jaar
112% 111% 85% 115% 106% 112% 101%
121% 74% 109% 120% 110% 100% 95%
15 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Evolutie variabele kosten
Samenstelling variabele kosten
Tijdelijke graslanden De kosten voor het tijdelijk grasland liggen in 2018 12% hoger dan het vijfjarig gemiddelde en zelfs 37% hoger dan vorig jaar. De hoogste stijging wordt gerealiseerd in de onkruidbestrijding (droogte-effect?). De hoogste kosten zijn voor het loonwerk en energie. De loonwerkkosten zijn relatief constant gebleven. Tijdelijk grasland variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie Evolutie variabele kosten
16 Vlaams Agrarisch Centrum
2014
2015
2016
2017
2018
530 69 166 13 260 22 71
463 53 152 3 219 7 74
356 44 93 3 202 11 73
359 62 144 4 263 24 77
491,96 48,00 133,93 12,18 204,10 18,75 75,00
gemid. 440 55 138 7 230 17 74
tov gemid.
tov vorig jaar
112% 87% 97% 173% 89% 113% 101%
137% 77% 93% 305% 78% 78% 97%
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Samenstelling variabele kosten
Impact teeltkosten De grootste impact op het landbouwinkomen of de samenstelling van de operationele kosten is het voedermanagement. Bij veel melkveehouders is er ruimte voor verbetering. Uiteraard hebben hierbij ook de ligging en kwaliteit van de grond - factoren die je niet direct kunt veranderen - een grote invloed. Tips voor opbrengstverbetering • Verbetering van de kwaliteit van de graszode Herinzaai en doorzaai leiden tot een dichtere zode en betere grassoorten. Herinzaai of doorzaai is voor sommige bedrijven niet vanzelfsprekend wegens een beperkte liquiditeitsruimte - terwijl deze bedrijven het juist nodig hebben. Daarnaast is de potentiële grasopbrengst van nieuwe rassen hoger dan die van de rassen van 15 jaar geleden. Tijdens de herinzaai kan aandacht geschonken worden aan bekalking, verbetering van de structuur en verbetering van de waterafvoer. Na het inzaaien is het essentieel om de kwaliteit van de nieuwe zode in stand te houden door mollen en muizen te bestrijden en regelmatig te wiedeggen, om onkruid te bestrijden en structuurschade te voorkomen. Het terugdringen van mollen en muizen leidt naast een hogere grasopbrengst ook tot een hogere voederwaarde van het kuilgras en daardoor tot lage krachtvoerkosten. • Verbetering van de waterafvoer Het is verstandig om aantekeningen te maken over de plaats van deze plassen, en om daar bij geschikte omstandigheden actie op te ondernemen. Deze actie zal vaak bestaan uit herinzaai in combinatie met het egaliseren van het perceel (waar toegelaten!).Op plekken waar dit mogelijk niet tot het gewenste resultaat leidt, is de aanleg van drainage in een deel van het perceel mogelijk een goed alternatief. Volle mestkelders verhogen de noodzaak bij een aantal bedrijven om snel mest uit te rijden. Geduld is ook hier een schone zaak en voorkomt structuurschade en bijkomende opbrengstdaling. • Benutting van mineralen Een essentieel onderdeel van het streven naar een optimale grasopbrengst is de maximale benutting van mineralen. Voldoende mestopslagcapaciteit is hier de sleutel tot succes. Dierlijke mest, die in de periode van 16 februari tot 1 augustus uitgereden wordt, wordt het meest efficiënt benut. Hierbij is ook de wijze van uitrijden van belang.
17 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Silomaïs De kosten voor silomaïs zijn t.o.v. het vijfjarig gemiddelde 6% gestegen en lopen gelijk met de indexatie van de prijzen. De grootste stijging situeert zich in de energie en de diverse teeltkosten. Er wordt meer aandacht besteed aan de bewaring van de kuilen. Silomaïs variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
864 180 134 109 403 37 78
866 179 126 116 414 31 77
867 176 117 116 406 26 72
842 167 117 107 418 34 78
920,42 182,62 88,81 112,35 402,80 47,70 86,14
872 177 117 112 409 35 78
106% 103% 76% 100% 99% 136% 110%
109% 109% 76% 105% 96% 140% 110%
Evolutie variabele kosten
Samenstelling variabele kosten
Teelttechniek, een voortschrijdend inzicht Voor een geslaagde teelt en oogst is het belangrijk dat er voldoende planten staan. Zaaizaad, zaaitechniek, … hebben een belangrijke bijdrage hierin. Recente veranderingen rond de zaaizaadontsmetting zorgen er voor dat er in de toekomst meer aandacht moet besteed worden aan het zaaigebeuren. Goed zaad om mee te beginnen Kiezen voor goed zaaizaad is een eerste stap. Met goed zaad bedoelen we hier echter niet een goed ras, maar wel de kwaliteit van het zaad. Zaaizaad met een certificaat (bv. het blauwe etiket op de zak) biedt de garantie naar kiemkracht toe. Het verdient dan ook de aanbeveling om de etiketten bij te houden, zodat bij eventuele problemen de herkomst te traceren is. Hou er wel rekening mee dat de kiemkracht bepaald is onder laboomstandigheden. De opkomst in het veld is nog afhankelijk van allerlei andere omstandigheden zoals zaaitechniek, kiemschimmels, vogelvraat, weersomstandigheden, ... Door het wegvallen van enkele zaaizaadontsmettingen zoals thiram (TMTD) en methiocarb (Mesurol), zijn er naar de toekomst meer en meer problemen met de opkomst te verwachten. Het is bijgevolg van belang om alle voorwaarden voor een snelle opkomst zo goed als mogelijk na te streven. Wanneer de opkomst van de maïs
18 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
tegenvalt, is het aan te bevelen om eerst een keer ten velde te gaan en te kijken in plaats van direct naar de zaadhandelaar of loonwerker te bellen. Op het veld worden best op een aantal plekken de maïsrij opengekrabt. Rot zaad kan een indicatie zijn van kiemschimmels vnl. Pythium- en Fusariumsoorten. Zeker in jaren waar de maïs onder koudere en nattere omstandigheden moet kiemen, spelen kiemschimmels een belangrijke rol. Maar ook ritnaalden, de smalle bonenvlieg, ... kunnen voor een lagere opkomst of het wegvallen van kiemplanten zorgen. Vogels kunnen eveneens zaden gaan uitpikken. Bij een goede zaaitechniek ligt er om de 10-15cm een maïskorrel. Bij ruimere afstanden is het goed om op te letten voor eventuele dubbels. Er zijn dan wel voldoende zaden afgelegd maar onregelmatig. Als er geen dubbels te zien zijn en de zaden liggen op grote afstand van elkaar of zeer onregelmatig verdeeld, was er wellicht een technisch probleem met de zaaimachine. Als er wel voldoende zaden liggen en er geen andere oorzaak waar te nemen valt, kan er een probleem zijn met de zaadkwaliteit. Een goed zaaibed en de juiste zaaidiepte De zaaibedbereiding en bodemconditie spelen een rol bij de opkomst. Een goed zaaibed is zodanig aangelegd dat het zaad snel en vlot kan kiemen. Een vlotte kieming betekent immers een vlotte begin ontwikkeling en zo legt men een degelijke basis voor de verdere ontwikkeling. Een goed zaaibed is los bovenaan met een voldoende vaste ondergrond. Het zaad komt zo in een bodem te liggen die enerzijds voldoende opdroogt en opwarmt maar toch vochtig genoeg is om te kiemen. Een uniforme opkomst vraagt ook een vlak zaaibed om een egale zaaidiepte te garanderen. Een vlak en voldoende fijn zaaibed zal ook het slaagkans van de onkruidbestrijding sterk verbeteren. Wat de zaaidiepte betreft is 4 tot 5 cm optimaal. Een vaak voorkomende fout is dat maïs veel te diep gezaaid wordt. Vaak wordt er echter 7 tot 8 cm diep gezaaid. Dit geeft tot 10% minder opkomst. Vooral maïs die vóór 1 mei gezaaid wordt, mag maximum 3 tot 4 cm diep gezaaid worden. Een te hoge snelheid tijdens het zaaien kan er ook voor zorgen dat korrels nog dieper komen te liggen. Daarnaast kan een te los zaaibed ook nefast werken door een slechte capillaire werking van de bodem. Dieper zaaien leidt in veel gevallen tot een tragere opkomst, meer uitval door kiemschimmels en lagere opbrengst. Onder droge omstandigheden of bij mechanische onkruidbestrijding geniet eventueel wel de voorkeur om iets dieper te zaaien. Te ondiep zaaien kan de kieming in het gedrang brengen door een gebrekkige vochtvoorziening en geeft een verhoogd risico op vogelschade. Belangrijk om weten is wel dat bij een zaaizaadbehandeling met tefluthrin (Force) de zaaidiepte ca 3 cm moet zijn. Het product, toegepast tegen vnl ritnaalden, heeft een dampwerking. Bij te diep zaaien zal het jonge kiemplantje op een gegeven moment uit de beschermende zone groeien en toch nog aangetast kunnen worden door ritnaalden. Wanneer maïs zaaien? Algemeen kan men stellen dat maïs vroeg gezaaid mag worden. Uiterlijk lijkt er geen verschil tussen maïs die drie weken later gezaaid is, maar uit de vochtgehaltes bij de oogst blijkt het tegendeel. Vanaf 15-20 april tot de eerste week van mei kan er gezaaid worden. De ideale bodemtemperatuur voor de maïszaai is 8°C. Maar het blijft vooral belangrijk om het weerbericht te volgen. Voorspelt men de eerstkomende dagen koud en nat weer, dan is het beter om de zaai uit te stellen. Bij een te lage bodemtemperatuur vertraagt de opkomst en neemt het risico op kiemschimmels toe. Bij een vroege zaai bestaat er nog een kans op nachtvorstschade. Vroeg gezaaide maïs zal diep wortelen en kan zo ook bij periodes van droogte het nodige vocht ophalen. De alternatieven voor thiram hebben niet steeds dezelfde werkingsgraad. Om het risico op kiemschimmels te verkleinen is een te vroege zaai, of zaaien bij een te lage bodemtemperatuur, daarom af te raden. Laat zaaien kost vaak opbrengst. Al lijkt het huidige rassenassortiment hier minder gevoelig aan te zijn, zeker wanneer het de rassenkeuze wordt aangepast aan het zaaitijdstip. Bij korrelmaïs gaat dit meestal nog gepaard met een te hoog vochtgehalte. Te laat zaaien geeft ook een langer en legeringsgevoelig gewas. Er wordt vaak gezondigd tegen de ideale zaaidichtheid. Een te hoge standdichtheid geeft ijlere, zwakkere planten die langer zijn, maar ook meer legergevoelig. • Kuilmaïs: - Vóór 1 mei: 100.000 korrels per ha - Na 1 mei 95.000 korrels - Vanaf 15 mei 90.000 korrels per ha • Korrelmaïs: Moet gezaaid worden vóór 10 mei, steeds aan max. 95.000 korrels per ha. Zaaiwerk Het spreekt voor zich dat goed zaaiwerk enkel kan afgeleverd worden met een goed afgestelde zaaimachine. Een rijsnelheid van 6 à 8 km per uur geniet de voorkeur. Sneller rijden betekent vaak een onregelmatige zaai-
19 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
afstand: men ziet meer dubbels en missers, zeker bij een grof zaaibed. Er zijn tegenwoordig ook zaaimachines op de markt die hogere rijsnelheden toelaten. In tegenstelling tot een klassiek maïszaaimachine werken deze machines met overdruk in plaats van onderdruk. Het zaad wordt als het ware in de grond geschoten. Het zaaibed bleek eveneens van groot belang. Hogere rijsnelheden vragen bij voorkeur een voldoende vast zaaibed. Een te los zaaibed zorgt voor grondophoping voor het zaailelement. Mits een aangepaste instelling/ aanpassing is dit wel deels te ondervangen. Kiest men voor een ploegloos systeem, zijn er robuustere, zwaardere zaaielemelenten nodig om in de doorgaans hardere grond te werken. Schijfkouters, conische aandrukwielen en de diepteregeling zijn belangrijke aandachtspunten. Maïs wordt klassiek op 75cm rijafstand gezaaid. Deze rijafstand bood mogelijkheden om onkruiden gemakkelijk mechanisch te bestrijden en de oogstmachines met rij-afhankelijke voorzetstukken waren afgestemd op een rijafstand van 75cm. Met de komst van de rij-onafhankelijke voorzetstukken (voor kuilmaïs is dit al vele jaren) recent ook voor korrelmaïs is een rijafstand van 75cm niet meer noodzakelijk. Maïs op een andere rijafstand zaaien gebeurt op dit moment echter op zeer beperkte schaal. Toch lijkt er meer interesse in deze techniek te komen en dit omwille van verschillende redenen: • De bemesting van maïs gebeurt meestal door volleveldse toediening van drijfmest in combinatie met rijenbemesting met kunstmest. Langs de ene kant brengt men met de rijenbemesting de nutriënten dichtbij de plant, anderzijds moet de plant een uitgebreid wortelgestel ontwikkelen om de drijfmest volledig te benutten. Bij een nauwe plantafstand komen de planten “dichter” bij de drijfmest te staan wat zou moeten leiden tot een betere benutting van de drijfmest en mogelijk minder kunstmest. Mogelijk leidt dit ook tot een lager nitraatresidu. • Door een nauwere rij-afstand is het veld sneller dichtgegroeid. Onkruiden zouden zo minder kans moeten krijgen. Dit kan ook voordelen bieden naar mechanische onkruidbestrijding toe aangezien 1 of 2x wiedeggen zou moeten volstaan. • Een snellere bedekking van het veld kan in de huidige reglementering rond de perceelranden ook mogelijkheden bieden. • Bij een klassieke rij-afstand is er steeds een onbeteelde strook van ca 70cm breed. Op erosiegevoelige percelen zal op deze plaasten grond gaan spoelen. Door de rijafstand te verkleinen worden de onbeteelde stroken kleiner. Naar erosie toe zou dit voordelen moeten bieden. • De klassieke maïszaaimachines worden alsmaar groter en vragen zwaardere tractoren. Het risico op bodemverdichting neemt hierdoor toe, zeker wanneer er smalle banden op de tractor liggen. Door met bv. een graanzaaimachine te gaan zaaien kan er met een lichtere tractor en/of op een lagere bandenspanning gewerkt worden. • In het verleden werden reeds proeven opgezet met andere rij-afstanden. Er werden zaaiafstanden gehanteerd van 50cm tot breedwerpig. Uitgezonderd van de breedwerpige zaai bleek de invloed op de opbrengst beperkt te zijn. De onkruidbestrijding vraagt wel wat meer aandacht omdat de rijen sneller sluiten en er sneller een paraplu-effect kan optreden. Verschillende LCV partners hebben sinds 2014 meerdere technieken uitgetest. Bij de eerste proeven (20142016) werd een rijafstand van 75cm vergeleken met een rijafstand van 45cm, zaaien op 25cm met een graanzaaimachine en volleveldse zaai. Op de 2 locaties (PIBO-Campus en Vlaamse overheid) op een leemgrond waren de verschillen tussen de verschillende objecten klein. Op de zandgrond (Hooibeekhoeve i.s.m. Maschio Gaspardo) echter bleken er wel grote verschillen te zijn. Bij een rijafstand van 45cm werd er gedurende 3 jaar een duidelijke meeropbrengst gerealiseerd vergeleken met de klassieke afstand van 75cm. Een volleveldse zaai of een rijafstand van 25 cm met een graanzaaimachine gaven een kleine meeropbrengst maar een onregelmatige opkomst. Vanaf 2017 lag de focus op 4 locaties (Inagro, Hooibeekhoeve, Proefhoeve Bottelare en PIBO-Campus) op een rijafstand van 37,5 cm in combinatie met ruitzaai (Kverneland). Hooibeekhoeve experimenteerde in deze periode ook nog met het delta-row-systeem (Lemken) en maïs met een graanzaaimachine (Maschio Gaspardo). Zowel ruitzaai als delta-row bleken zeker naar kVEM-opbrengst duidelijk beter te scoren. De opbrengst in massa was niet altijd hoger dan bij een klassieke zaai van 75cm, maar het kolfaandeel lag hoger bij deze technieken. Maïs zaaien met een graanzaaimachine of cultivator, zowel op een rij-afstand van 12,5 cm en 25cm, kan ook, mits de zaaimachines worden uitgerust met schijfkouters en aandrukwieltjes. Het aandrukken en een egale zaaidiepte zijn aandachtspunten. De zaadhoeveelheid wordt hier niet meer ingesteld in korrels/ha maar in kg/ha. Het is dan ook van belang om het duizendkorrelgewicht te kennen. Naar erosie toe kan deze techniek voordelen bieden (cfr. Gomeros-project). Belangrijke vaststelling was wel dat de nitraatresidu’s bij de andere technieken niet veel verschilde van een klassieke zaai op 75cm. Bij maïs gezaaid met een graanzaaimachine lag dit zelfs hoger. Er moet ook rekening gehouden dat bij enkel bij deltarow ook een oogst als korrelmaïs mogelijk is.
20 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Voederbiet De teeltkosten van de voederbietenteelt zijn in stijgende lijn. Ook in deze voederteelt is er een stijging te noteren voor bewaring, gewasbescherming en loonwerk. De teelt van voederbieten is arbeidsintensief welk de hoge loonwerkkosten aantonen. Echter, ondanks het arbeidsintensieve aspect wint de teelt van voederbieten aan belang. Voederbiet variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie
2014
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
1278 290 210 320 452 6 80
1340 301 211 345 487 6 81
1454 314 207 388 541 5 78
1219 275 105 398 548 4 79
1507,98 282,63 155,36 414,56 565,63 7,17 82,63
1370 293 178 373 519 6 80
111% 97% 87% 111% 109% 127% 103%
124% 103% 148% 104% 103% 179% 105%
Evolutie variabele kosten - Voederbieten
Samenstelling variabele kosten - Voederbieten
De voordelen van voederbieten zijn: • Hoge en stabiele DS-opbrengst: • Uitstekende voederwaarde • Hoge opneembaarheid: tussen RV en KV • Smakelijk en gezond • Vruchtafwisseling (diepe penwortel)/ doorbreken monocultuur maïs, vergroening GLB • Bestrijding probleemonkruiden • Milieuvriendelijk gewas: Hoge N-opname door het gewas (wortel + loof) • Zeer gering % overschrijding norm nitraatresidu: Beperkt risico op N-uitloging • Inkuilen samen met andere voedermiddelen is praktisch uitvoerbaar en maakt het vervoederen zeer eenvoudig Het toepassen van voederbieten in een melkveerantsoen Het aantal melkveehouders die vandaag een voederrantsoen samenstellen met voederbieten gecombineerd met bietenperspulp en maïs is eerder beperkt. De combinatie komt meer voor op gemengde melkveebedrijven met een akkerbouwtak (suikerbieten). Voederbieten zijn een interessant gewas om te telen op melkveebedrijven. De teelt doorbreekt de monocultuur van maïs en kan een alternatief betekenen als derde teelt in het kader van de vergroeningseisen.
21 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Een belangrijk nadeel aan de voederbietenteelt is de beperkte bewaarbaarheid maar dit probleem zou opgelost kunnen worden door een deel van de voederbieten in te kuilen samen met maïs of bietenperspulp. Proeven tonen aan dat een mengkuil bestaande uit voederbieten en maïs leidt tot een verhoging van de melkproductie ten opzichte van een maïskuil. Deze stijging kan verklaard worden door een hogere voederopname met een hogere energieopname tot gevolg. Voederbieten toevoegen aan het rantsoen zou leiden tot een verhoogd vet – en eiwitgehalte doch de resultaten ervan zijn niet eenduidig. De resultaten zijn afhankelijk van verschillende factoren zoals de hoeveelheid voederbieten in de mengkuil of het rantsoen, de gebruikte mengpartner, de samenstelling van het rantsoen, …
Klaver De kosten voor de ruwvoederproductie uit klaver en gras-klaver bedragen gemiddeld ca 400 euro. Ook bij deze teelt is de loonwerkkost de hoogste kost. Klaver variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
413 97 85 32 197 3 75
379 66 36 9 261 12 88
398 46 45 4 275 15 89
429,74 78,17 85,97 10,75 141,61 18,82 94,42
405 72 63 14 219 12 87
106% 109% 136% 77% 65% 154% 109%
108% 170% 191% 269% 51% 125% 106%
Evolutie variabele kosten
Samenstelling variabele kosten
Teelttechniek Bodem Grasklaver groeit goed op alle bodemtexturen, van lichte zandgrond tot klei. Zorg op zand voor een pH van minstens 5,2 en op klei minstens 6,0. De Rhizobiumbacteriën die zorgen voor de stikstoffixatie uit de lucht werken pas optimaal bij een voldoende hoge pH. Een goede ontwatering is nodig. Rode klaver is dank zij zijn diepe penwortel weinig droogtegevoelig. Witte klaver is droogtegevoeliger dan rode klaver maar minder droogtegevoelig dan raaigras. Grasklaver wordt bij voorkeur gezaaid na een akkerteelt zoals vb. graan of vroeg geoogste maïs. Zaaien na scheuren van grasland kan, maar door de stikstofvrijstelling bestaat de kans dat het klaveraandeel lager zal liggen.
22 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Zaaitijdstip Najaar: grasklaver zaai je het best in het vroege najaar voor 10 september. Een latere zaai heeft een nadelig effect op het klaveraandeel en de opbrengst in het jaar na zaai. Voorjaar: zodra de bodemcondities goed zijn (begin april). Bij voorjaarszaai is de onkruiddruk groter en kan je tot 2 snedes grasopbrengst verliezen ten op zichte van een najaarszaai. Zaaizaadhoeveelheid Om te voldoen aan de subsidievoorwaarden (teelt van vlinderbloemigen PDPOIII) voor grasklaver moet men minstens 30kg graszaadmengsel per ha zaaien waarvan 10% witte klaver is. Bevat het mengsel ook rode klaver dan moet het aandeel klaverzaad minimaal 20% zijn. In de praktijk wordt vaak aan 40 à 45 kg/ha gezaaid maar met bijvoorbeeld 20 kg Engels raaigras + 7 kg rode klaver en 3 kg witte klaver /ha kunt je een mooi gras/klaver bestand bekomen. Rassen en mengsels Je hebt de keuze tussen een graszaadmengsel dat klaver bevat of je kan zelf klaverzaad bij een graszaadmengsel mengen. Graszaadmengsels met klaver bestaan zowel voor blijvend grasland als voor tijdelijk grasland. Bij de eerste zal klaver gemengd worden met overwegend Engels raaigras, bij de tweede zal het vaak om Italiaans raaigras gaan. Deze laatste zijn bedoeld om slechts 1 tot maximaal 3 jaar mee te gaan. Grasklaver mengsels kunnen witte of rode klaver of beiden bevatten. Rode klaver draagt vooral de eerste 2-3 jaar bij tot de productie en is wat lager in voederwaarde dan witte klaver. Witte klaver heeft een uitstekende voederwaarde en kan via bovengrondse uitlopers langer in het bestand aanwezig blijven en de rol van N-fixator op zich nemen. Als er uitsluitend gemaaid wordt kies je beter voor een mengsel met rode klaver. Zaaitechniek Omdat klaverzaden zeer klein zijn wordt ook grasklaver best ondiep gezaaid (max 1 cm) diepte. Regelmatig mengen van de zaden in de zaadbak is nodig om een homogene verdeling van de klaver over het perceel te bekomen. Doorzaaien van klaver in bestaand grasland valt vaak tegen. De mate waarin de klaver zich kan vestigen is enerzijds afhankelijk van een geringe concurrentie van het gras (open zode en kort gehouden gras), maar vooral erg afhankelijk van de weersomstandigheden met voldoende vocht voor de jonge klaverplantjes. Deze factoren hebben veel meer invloed dan de technieken die worden toegepast voor het doorzaaien.
Luzerne De kosten voor de ruwvoederproductie uit luzerne bedragen gemiddeld 560 euro. Hiervan beslaan de loonwerkkosten het grootste deel. Luzerne variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie
2015
2016
2017
2018
gemid.
tov gemid.
tov vorig jaar
411 212 61 18 108 35 34
553 179 52 17 243 33 37
676 181 61 19 248 33 34
606,42 154,63 82,56 11,59 270,19 51,75 35,70
562 182 62 16 217 38 35
108% 85% 134% 71% 124% 136% 102%
90% 85% 162% 61% 109% 157% 104%
Evolutie variabele kosten
23 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Samenstelling variabele kosten
De eiwitrijke structuurbron is smakelijk voer en levert pensprik. Door de lange wortels past luzerne goed op droge, maar niet te zure grond. Luzerne is een van de opties voor invulling van de vergroeningseis. Het is een meerjarig vlinderbloemig gewas, geschikt als rundveevoer in de vorm van ruwvoer (luzernehooi of -kuil) of krachtvoer (luzernebrok). Luzerne wortelt diep en is minder droogtegevoelig dan gras doordat het reserves opslaat in de wortelkop of kroon. Luzerne is op eenzelfde perceel drie tot vier jaar te telen. Het gewas vraagt een ruime rotatie (om de 4 jaar) en is een goede voorvrucht voor maïs vanwege de goede doorworteling van de bodem en de nalevering van stikstof. Proeven tonen een opbrengstverhoging bij de snijmaïs met 7%. Luzerne gedijt het beste op kalkrijke gronden met een pH van 6,5 tot 7,0. Het gewas past niet op te zure, natte, slecht doorwortelbare gronden met storende lagen en veel probleemonkruiden, zoals ridderzuring en straatgras. Voor luzerneteelt als ruwvoer is een ras met een hoge voederwaarde nodig. Inzaai van luzerne is mogelijk in het voorjaar vanaf half april of in de nazomer, tot medio augustus. Er is 30 tot 35 kilo zaaizaad per hectare nodig. Inzaai kan met een graszaaimachine, beter is met een breedzaaikouter. Dat geeft een betere zaad- en plantverdeling, waardoor onkruid minder kans krijgt. De zaaidiepte is 1 centimeter in vochtig zaaibed, 2 centimeter in droog zaaibed. Voordeel van luzerne is dat het luchtstikstof bindt. Daardoor is geen kunstmeststikstof nodig. Dat is gunstig voor de mineralenbalans. Bij minder goede inzaaiomstandigheden zorgt een startgift van 30 kilo stikstof voor een vlotte beginontwikkeling op lichtere gronden. Afhankelijk van de gehalten aan mineralen en spoorelementen in de bodem vraagt luzerne jaarlijks 30 kilo N, 75 kilo P2O5 en 250 kilo K2O. Let vooral goed op de kalium- en fosfaatvoorziening, want luzerne heeft hieraan een grote -behoefte. Soms heeft luzerneteelt ook bijmesting met borium, calcium en magnesium nodig. Luzerne is weinig ziektegevoelig en ook plagen komen zelden voor. Oogsten kan het beste met een schotelmaaier, eventueel uitgerust met een rollenkneuzer. Voor een betere verteerbaarheid en daarmee betere voerkwaliteit kunnen veehouders de eerste twee sneden het beste oogsten als de eerste groene bloemknoppen zichtbaar zijn. Dat is 7 tot 10 dagen voor het begin van de bloei. Om het gewas niet te veel uit te putten en voldoende reserves te laten opbouwen, is het raadzaam latere sneden later te maaien, bij het begin van de bloei (maximaal 10% open bloemen). Maaien bij een stoppellengte van 6 tot 10 centimeter zorgt voor vlotte hergroei. 5 tot 6 weken na maaien van een snede bloeit het gewas weer en kunnen veehouders de volgende sneden maaien. In de veldperiode is het belangrijk blad- en voerkwaliteitsverlies te beperken oftewel een korte veldperiode 1 of 2 dagen te hanteren en niet te schudden. Kuil luzerne in met een hakselaar voor een goede kuilverdichting en verbetering van de opname van grove stengels. Voor een goede conservering is een drogestofgehalte tussen 35 en 40% optimaal. In het jaar van luzerne-inzaai zijn 2 tot 3 sneden mogelijk en in de volgjaren 3 tot 5 sneden met een jaaropbrengst die varieert van 8 tot 15 ton droge stof per hectare. De opbrengst hangt sterk af van de vroegheid van de eerste snede, grondsoort en het weer, met name de vochtvoorziening. Goed geconserveerd luzernekuilvoer is voor rundvee een smakelijk product met gemiddeld 700 VEM en 14 tot 18% ruw eiwit. Het is eiwitrijk met een goed aminozuurpatroon, een hoge structuurwaarde en een goede verteerbaarheid van de organische stof. Luzerne is gezond voer, het bevat veel vitaminen, spoorelementen en mineralen, waaronder vitamine E en provitamine A (betacaroteen). Door een hoger aandeel lignine verteert luzerne langzamer dan gras en is de VEM en DVE van luzernekuil lager dan van graskuil en de OEB hoger. Door een hogere passagesnelheid is de luzerne-opname hoger dan van graskuil. Luzerne is een goede aanvulling op snijmaïs in het rantsoen en kan daarmee als vervanger van gras dienen. Uit onderzoek blijkt dat een maïsluzernerantsoen de productieresultaten van een maïs-grasrantsoen benadert. De voederwaarde van luzerne als ingekuild product is circa 10% hoger dan is te verwachten op basis van kuilanalyse-uitslagen. Ook voor jongvee vanaf een leeftijd van 8 á 9 maanden is luzernekuil als ruwvoer zeer goed te gebruiken.
24 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Fruitteelten De fruitteelt vertegenwoordigt in 2018 17837 ha. De fruitteelt beslaat hiermee 2.88% van de totale Vlaamse landbouwoppervlakte. Het areaal blijft stabiel (+64 ha). Het grootste gedeelte van het areaal wordt ingenomen door het hard fruit (14748ha). Het areaal appelen vermindert met 2.93% ten voordele van het areaal peren dat stijgt met 3.41%. Het aantal bedrijven actief in de fruitteelt bedraagt 1944. Indeling per grootteklasse van de bedrijven die fruit telen, Vlaanderen, 2018 Openlucht aantal ha fruit/bedrijf 1) minder dan 1 ha 2) van 1 tot 2 ha 3) van 2 tot 5 ha 4) van 5 tot 10 ha 5) van 10 tot 15 ha 6) 15 ha of meer geheel van de bedrijven
aantal bedrijven
% bedrijven
areaal (ha)
% areaal
463 138 230 234 154 375
29,0% 8,7% 14,4% 14,7% 9,7% 23,5%
173 201 793 1695 1922 12436
1,0% 1,2% 4,6% 9,8% 11,2% 72,2%
1594
100,0%
17220
100,0%
Onder glas aantal ha fruit/bedrijf
aantal bedrijven
% bedrijven
areaal (ha)
% areaal
1) minder dan 0,5 ha 2) van 0,5 tot 1 ha 3) van 1 tot 1,5 ha 4) van 1,5 tot 2 ha 5) van 2 tot 2,5 ha 6) van 2,5 tot 3 ha 7) 3 ha of meer
118 59 52 33 16 14 58
33,7% 16,9% 14,9% 9,4% 4,6% 4,0% 16,6%
24 42 64 58 36 38 357
3,8% 6,8% 10,3% 9,3% 5,8% 6,1% 57,8%
geheel van de bedrijven
350
100,0%
617
100,0%
Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met fruitteeltgewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in fruitteelt als om gemengde bedrijven die fruitteelt combineren met akkerbouw/veeteelt. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Wanneer we spreken over opbrengst bedoelen we kg. Wanneer we spreken over omzet hebben we het over het financieel resultaat. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de omzet vermindert met de variabele en vaste kosten. De omzet is samengesteld uit de verkoop van het hoofdproduct. De perceelsgebonden subsidies, voorraadwijzigingen en opwaardering aanplantingen zijn niet opgenomen in de resultatenrekening. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor plantgoed, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, loonwerk, diverse directe teeltkosten, verkoopkosten, kosten voor bewaring, energie en seizoensarbeid. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, lonen voor vast personeel, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, boekhouding, enz.
25 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz tuinbouw. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha en per 100 kg. De aardbeien worden behandeld per are. Sinds boekjaar 2015 worden de kosten van seizoensarbeid opgedeeld in productkosten, oogstkosten en teeltkosten. Vanaf boekjaar 2017 worden de energiekosten opgesplitst per bedrijfstak. De uitsplitsing is opgenomen in de gemiddelden. In de aardbeien werd geen onderscheid gemaakt tussen de teelttypes. De biologische landbouw werd integraal opgenomen in de gemiddelden.
Appelen De omzetdaling van de appelen per ha van de voorbije jaren werd in 2018 doorbroken dankzij de hogere opbrengsten. Zowel in België als in de rest van Europa werd een recordoogst genoteerd. De handel in de zomerrassen verliep vlot tegen gunstiger prijzen. De aanvoer van industriefruit werd op een gunstige wijze verhandeld dankzij de lage stocks en de krapte op de Chinese markt. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de omzet 11262 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet en de laagste omzet per ha bedraagt ca 25%. De schommeling tussen de jaren met de omzet per 100 kg product en de laagste omzet per 100 kg product bedraagt ca 23%. Appelen per ha totaal bruto omzet meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
11084 202 1911 306 114 934 1536 33 1566 0 0 0 5635 5448 3298 2150 40400
11482 182 1557 355 102 839 1422 158 2900 2305 506 89 6677 4805 4984 -179 39264
10132 186 1875 222 110 983 1352 28 2030 1818 412 95 5584 4548 6222 -1675 33230
10124 221 1719 181 138 843 1410 5 2047 1264 267 517 6671 4393 5678 -2225 26323
13486 215 1965 336 193 745 1142 64 4845 3262 988 705 9048 3923 5727 -1805 48456
11262 201 1805 280 131 794 1372 58 2678 2162 543 352 6723 4623 5182 -747 37535
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
27,93 0,52 4,75 0,84 0,31 2,31 3,97 0,15 4,01 0,00 0,00 0,00 14,40 13,53 8,28 5,24
27,33 0,37 3,21 0,76 0,11 2,14 2,90 0,30 5,45 4,16 1,05 0,24 13,10 14,23 11,90 2,33
33,11 0,72 7,12 0,50 0,43 2,95 4,43 0,10 7,36 5,86 1,50 0,31 20,18 12,93 25,05 -12,12
35,57 1,00 8,52 1,33 0,51 3,75 5,52 1,00 8,47 5,73 1,07 1,67 29,12 10,20 28,60 -22,15
27,83 0,44 4,06 0,69 0,40 4,06 2,36 0,13 10,00 6,73 2,04 1,45 18,67 8,10 11,82 -3,73
30,35 0,61 5,53 0,82 0,35 3,90 3,84 0,34 7,06 5,62 1,41 0,92 19,09 11,80 17,13 -6,09
Appelen per 100 kg totaal bruto omzet meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen
26 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
De omzet per ha bedroeg in 2018 20% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. De omzet per ha was 33% hoger dan het vorige jaar. De omzet per 100 kg was in 2018 8% lager dan het vijfjarig gemiddelde. De omzet per 100 kg was 22% lager het vorige jaar. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod. Recordopbrengsten staan niet garant voor hogere omzetcijfers. Productiviteit
2018 zal gekenmerkt zijn door recordopbrengsten.
Financiële kengetallen per ha
De variabele kosten met voornamelijk de kosten voor seizoensarbeid, zijn per ha in 2018 fors gestegen gelet op de hoge opbrengst. Dit fenomeen heeft een omgekeerd effect wanneer we de kosten delen door de opbrengst.
Financiële kengetallen per 100 kg
Samenstelling variabele kosten per ha
De variabele kosten per ha bedragen 67% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt 67%. Er is derhalve relatief weinig verschil tussen beiden.
De drie grootste kostenposten zijn seizoensarbeid, gewasbescherming en verkoopkosten. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per ha of per 100 kg.
Samenstelling variabele kosten per 100 kg
27 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Evolutie variabele en structurele kosten per ha
Evolutie variabele en structurele kosten per 100 kg
Samenstelling arbeidskosten per ha
28 Vlaams Agrarisch Centrum
Samenstelling arbeidskosten per 100 kg
Zoals eerder beschreven volgen de variabele kosten de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz...) daarentegen volgen de productie niet en bedragen tijdens rampjaren meer dan de variabele kosten. Dit zijn economisch gevaarlijke situaties en zorgt voor druk op de financiële reserves van de fruitbedrijven. De evolutie is niet gunstig. De structurele kosten per ha zijn gestegen van 3298 euro per ha naar 5727 euro. De hogere structurele kosten zijn te verklaren door de aanwas van de perenaanplantingen, de investeringen in oogstprotectie en de stijgende loonkost van vast personeel (meer aanwervingen). Door de hogere structurele kost worden de fruitteeltbedrijf structureel tegen een hoger ondernemersrisico uitgebaat.
Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten, opkweken, en snoeien van de planten, de oogstkosten, dit zijn de pluken oogstkosten en tenslotte de productkosten. Dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken enz... van het fruit. Per ha bedragen de oogstkosten 24% van de omzet. Per 100 kg ha bedragen de oogstkosten 24% van de omzet. De productkosten bedragen voor appelen 2.04 euro per 100 kg. Dit geeft de bedrijfsleider de nodige tools om af te wegen of het loont om de productbehandeling (voornamelijk sorteren en verpakken) uit te besteden of in eigen beheer te organiseren.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Peren In 2018 werden bijna evenveel peren aangevoerd als in 2017 tegen een middenprijs die sterk lager lag dan het vorige jaar. De afzet van de zomerrassen verliep moeizaam. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de omzet 17031 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet en de laagste omzet bedraagt ca 49%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet per 100 kg product en de laagste omzet per 100 kg product bedraagt ca 32%. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod. De omzet per ha was in 2018 22% lager dan het vijfjarig gemiddelde. De omzet per ha was 12% lager dan het vorige jaar. De omzet per 100 kg was in 2018 7% lager dan het vijfjarig gemiddelde. De omzet per 100 kg was 17% lager het vorige jaar.
Peren per ha totaal bruto omzet meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
25403 192 2163 423 67 936 2284 302 764 0 0 0 5892 19510 5067 14443 54500
18163 222 1869 280 111 873 1616 322 4066 2823 983 260 8501 9662 5215 4447 33846
13120 237 2422 288 106 938 1214 156 2468 2022 397 49 6609 6511 7142 -631 28363
15132 298 2118 177 195 940 1372 133 2677 1607 642 427 7783 8288 6459 890 30808
13337 345 1946 306 247 849 1086 133 3243 2019 929 296 8249 5476 6035 -559 31584
17031 259 2104 295 145 895 1514 209 2644 2118 738 258 7407 9889 5984 3718 35820
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
51,18 0,60 5,21 1,31 0,21 1,72 6,35 0,81 2,37 0,00 0,00 0,00 16,05 35,13 13,33 21,80
35,17 0,50 3,67 0,62 0,02 2,57 3,28 0,85 7,04 4,49 1,95 0,60 15,96 19,21 8,94 10,27
42,50 0,95 9,92 0,62 0,40 3,31 2,96 0,79 12,00 9,88 1,89 0,24 27,04 15,46 22,82 -7,36
48,81 1,02 8,33 0,78 0,77 3,05 5,36 0,80 10,25 6,12 2,68 1,45 29,57 22,29 26,41 -7,17
40,63 1,03 8,38 0,71 0,34 2,33 3,62 0,42 13,26 8,59 3,17 1,5 30,19 10,54 21,48 -10,94
43,66 0,82 7,10 0,81 0,35 2,69 4,31 0,73 8,98 7,27 2,42 0,95 23,76 20,53 18,60 1,32
Peren per 100 kg totaal bruto omzet meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen
29 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Productiviteit
De productiviteit stabiliseert zich rond de 30 ton per ha.
Financiële kengetallen per ha
De variabele kosten per ha bedragen 62% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt 74%. Het verschil tussen beide is merkelijk groter dan bij appelen, wat wijst op een hoger aandeel variabele kosten welke gerelateerd is aan de hoeveelheid product, vb de verkoopskosten.
Financiële kengetallen per 100 kg
Samenstelling variabele kosten per ha
Samenstelling variabele kosten per 100 kg
30 Vlaams Agrarisch Centrum
De drie grootste kostenposten zijn seizoensarbeid, gewasbescherming en verkoopkosten. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per ha of per 100 kg.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Evolutie variabele en structurele kosten per ha
Zoals eerder beschreven volgen de variabele kosten de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz.) berekend per ha vertonen een dalende trend ten gevolge van het groter areaal en een groter areaal afgeschreven aanplantingen.
Evolutie variabele en structurele kosten per 100 kg
Samenstelling arbeidskosten per ha
Samenstelling arbeidskosten per 100 kg
Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten, opkweken, en snoeien van de planten, de oogstkosten, dit zijn de pluken oogstkosten en tenslotte de productkosten. Dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken enz... van het fruit. Per ha bedragen de oogstkosten 15% van de omzet. Per 100 kg ha bedragen de oogstkosten 21% van de omzet. De productkosten bedragen voor de peren 3.17 euro per 100 kg. Dit geeft de bedrijfsleider de nodige tools om af te wegen of het loont om de productbehandeling (voornamelijk sorteren en verpakken) uit te besteden of in eigen beheer te organiseren.
31 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Aardbeien De omzet van de aardbeien waren in 2018 4% lager dan het vijfjarig gemiddelde. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 683 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet bedraagt ca 33%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste omzet per 100 kg product en de laagste omzet per 100 kg product bedraagt ca 25%. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod.
Aardbeien per are totaal bruto omzet planten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
673,28 66,85 24,85 41,81 13,84 23,75 7,06 60,79 8,43 151,79 0,00 0,00 0,00 392,11 281,18 83,75 197,43 293
774,97 53,42 18,50 33,94 8,27 39,96 6,95 32,42 4,10 216,27 177,66 30,68 7,94 406,87 368,09 124,86 243,23 236
834,84 52,56 21,54 27,86 7,62 41,55 6,45 42,54 4,22 282,87 79,76 2,23 200,88 480,76 354,08 244,37 109,72 298
596,95 91,34 10,32 24,44 10,24 36,40 7,77 9,50 0,06 178,27 102,45 4,40 71,42 360,84 236,11 72,52 163,60 252
533,64 69,12 12,16 20,93 7,17 10,9 6,22 38,57 1,43 184,92 101,39 15,34 68,18 351,42 182,22 130,94 51,28 217
682,74 66,66 17,47 29,80 9,43 30,51 6,89 36,76 3,65 202,82 115,32 13,16 87,11 398,40 284,34 131,29 153,05 259,13
2014
2015
2016
2017
2018
Gemiddeld
229,77 23,21 7,98 14,58 4,78 7,21 2,05 20,25 2,48 47,04 0,00 0,00 0,00 127,53 102,24 28,85 73,39 293
187,97 14,70 4,02 8,90 3,75 7,31 2,01 10,64 0,55 52,60 36,99 11,00 4,61 102,47 85,49 28,74 56,76 236
251,92 21,30 6,66 10,52 3,51 10,01 1,98 15,88 1,43 85,06 38,01 1,04 46,00 154,39 97,53 56,88 40,66 298
248,85 39,37 4,19 9,87 4,30 13,14 2,15 3,98 0,03 74,55 44,56 1,80 28,15 99,33 99,33 30,36 68,97 252
219,16 31,37 4,64 8,45 2,46 4,74 1,55 16,93 1,18 74,91 40,92 7,77 26,22 146,22 72,95 32,78 40,16 217
227,53 25,99 5,50 10,46 3,76 8,48 1,95 13,54 1,13 66,83 40,12 5,40 26,25 125,99 91,51 35,52 55,99 259,13
Aardbeien per 100 kg totaal bruto omzet planten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten energie verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst
32 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Productiviteit
De grafiek over de productiviteit toont aan dat door verschillende teelttechnieken te combineren de productie per ha uitgevlakt is , doch in de vollegrondteelt is de productiedaling door de droogte aanzienlijk. Het zeer warme weer tijdens de oogst zorgde ervoor dat veel aardbeien niet tijdig konden geoogst worden en welk ook de oogstperiode danig inkortte.
Financiële kengetallen per are
De variabele kosten per ha bedragen 66% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt 67%. Het verschil is verwaarloosbaar, wat aantoont dat de variabele kosten nauw verbonden met de productie.
Financiële kengetallen per 100 kg
Samenstelling variabele kosten per are De grootste kostenpost is de seizoensarbeid. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per ha of per 100 kg.
Samenstelling variabele kosten per 100 kg
33 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Evolutie variabele en structurele kosten per are
Zoals voorheen aangetoond volgt de variabele kost de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz.) volgen in tegenstelling tot het hardfruit de productie. De aardbeiteelt is structureel een gezonde teelt.
Evolutie variabele en structurele kosten per 100 kg
Samenstelling arbeidskosten per ha
34 Vlaams Agrarisch Centrum
Samenstelling arbeidskosten per 100 kg
Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten en verzorgen van de planten, de oogstkosten, dit zijn de pluk- en oogstkosten en tenslotte de productkosten. Dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken, enz... van het fruit. Per ha bedragen de oogstkosten 54% terwijl per 100 kg deze een aandeel hebben van 56%. De seizoensarbeid per are bedraagt 30% van de omzet. Het aandeel per 100 kg product bedraagt 29% van de omzet.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Varkenshouderij Het aantal bedrijven met varkens is in Vlaanderen gedurende de laatste vijf jaren gedaald met 13%. In reële cijfers betekent dit dat 548 bedrijven zijn gestopt met het houden van varkens. In realiteit ligt het aantal stoppers waarschijnlijk hoger daar bedrijfssplitsingen en tijdelijke samenlopende actieve bedrijven de cijfers beïnvloeden. Het aantak varkens per bedrijf stijgt met 11%. Het totaal aantal varkens is gedaald met 3%. De grootste daling lezen we in het aantal zeugen (-10%). Een daling te wijten aan het aantal zeugenbedrijven die stoppen en de hogere productiviteit in de zeugenhouderij. Evolutie aantal bedrijven met varkens en aantal varkens per bedrijf, Vlaanderen, 2014 - 2018 evolutie bedrijven/varkens
2014
2015
2016
2017
2018
aantal bedrijven met varkens aantal varkens per bedrijf
4279 1404
4145 1443
3977 1460
3790 1514
3731 1563
Evolutie aantal varkens, Vlaanderen, in 1.000 stuks, 2014 - 2018 varkensstapel
2014
2015
2016
2017
2018
totaal varkens zeugen
6007,2 437,6
5981,2 429,9
5804,8 407,6
5738,2 401,0
5832,5 391,9
bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek
Methodiek Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2014 tot en met 2018 schetsen we een beeld van de productiviteit en rentabiliteit in de varkenshouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van zeugenbedrijven en gesloten varkensbedrijven. De verdeling van de opbrengsten en kosten in de gesloten varkensbedrijven is niet zo evident daar opbrengsten en kosten in het bedrijf worden doorgeschoven. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en structurele kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de varkens en de voorraadwijzigingen. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, dekkingskosten, kosten aan energie en de diverse directe kosten zoals mestafzet-mestverwerking. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, enz… De cijfers zijn uitgedrukt per zeug, per big en per verkocht vleesvarken.
35 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Zeugenhouderij Levend geboren biggen per zeug
De productiviteit van de zeugen is tijdens de laatste vijfjarige periode geleidelijk gestagneerd en situeert zich nu rond de 30 biggen per zeug.
Percentage gestorven biggen
Het percentage gestorven biggen fluctueert tussen 13.59% hoogste en 12.05% als laagste. Het aantal gestorven biggen is in 2018 ca 6% lager dan het vijfjarig gemiddelde.
Worpindex
De worpindex schommelt weinig en situeert zich rond de 2.3. De worpindex is hoger op de betere bedrijven. Verschillen hier komen zowel voort uit het dekmanagement als uit de kortere speenleeftijd. In 2018 bedroeg de worpindex 3% lager dan het vijfjarig gemiddelde.
Variabele kosten per zeug
De daling van de variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten, energiekosten, mestafzetkosten en veeartskosten) is sinds 2018 gestagneerd. De stagnatie is voornamelijk toe te schrijven aan de stijgende voederprijzen en de kosten voor de mestafzet.
Voederverbruik in kg per zeug
Het voederverbruik per zeug fluctueert tussen 1166 kg per zeug en 1204 kg per zeug. Een reden temeer om de opbrengst-voerkostratio onder de loep te nemen.
36 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Opbrengst-voerkostratio per zeug
De opbrengst-voerkostratio geeft de verhouding weer tussen de opbrengst en de voederkosten. In 2014 bedroeg de opbrengst-voerratio 1.35 wat betekent dat de opbrengst 1.35 keer hoger was dan de voederkostprijs. U ziet in de grafiek dat de opbrengst-voerkostratio sinds 2014 terug in stijgende lijn is. In 2018 is deze verbetering van de opbrengst-voerkostratio gestopt.
Variabele kosten per big
Eenzelfde tendens merken we op wanneer de variabele kosten per big bekijken. De andere variabele kosten, exclusief voederkosten, vormen relatief een grotere kostenpost. We denken dan aan de kosten voor de mestafzet.
Kostenstructuur zeugen
Bijgaande grafieken geven de evolutie weer van de kostenstructuur van de zeugenhouderij.
Kostenstructuur biggen
Wegens de daling van het aantal zeugen, zijn de structurele kosten onder invloed van de significante milieu-investeringen (mestopslag, groepshuisvesting, luchtwassers, aankoop nutriënten) per eenheid niet gedaald. De hogere productiviteit is onvoldoende om de structurele kosten op te vangen.
Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritaire te richten op de worpindex, het productiegetal, het vervangingspercentage en de voederkosten. De worpindex: De worpindex fluctueert tussen 2.2 en 2.4 per jaar. De worpindex kan positief evolueren indien je weet dat bedrijven met een hogere worpindex minstens 85% van de zeugen drachtig zijn na de eerste dekking. Het aan-
37 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
tal terugkomers is lager dan 15%. Tevens verwerpen maximaal 4% van de aanwezige zeugen. Het interval spenen-bronst beïnvloedt eveneens de worpindex. Doorgaans wordt 95% van de zeugen geïnsemineerd voor de 7de dag na het spenen (interval spenen-bronst 5-7 dagen). Een interval spenen-bronst van meer dan 10 dagen bij 10% van de zeugen is problematisch. Het aantal verliesdagen, het verschil tussen de afvoerdatum en de laatste speendatum van de zeug, is vanzelfsprekend zo laag mogelijk. Het productiegetal: Het productiegetal is het aantal gespeende biggen per zeug en per jaar. Deze wordt bepaald door de worpindex en worpgetal (#geboren/zeug/jaar). Een hogere worpgrootte kan tientallen euro meer opbrengst regenereren per zeug. Gemiddeld daalt de kostprijs per big met 0.8 euro wanneer er 1 big per zeug per jaar meer wordt geproduceerd. Men mag zich niet blindstaren op het productiegetal alleen. Belangrijk en prioritair is een goede bigkwaliteit (geboortegewicht en groei) en bigvitaliteit. Met het oog op het behalen van goede zeugprestaties tijdens de volgende cycli is het eveneens aangewezen om de conditie van de zeugen op te volgen door middel van spekdiktemetingen (op 80 dagen dracht, bij werpen en bij spenen) en indien nodig deze via het voedermanagement bij te sturen. Als leidraad kan worden gesteld dat het spekdikteverlies tussen werpen en spenen niet meer dan 4 mm bedraagt. Het vervangingspercentage: Een optimaal vervangingspercentage situeert zich tussen de 40-45%, dus durf tijdig te vervangen. Een goede leeftijdsspreiding is essentieel. Voederkost: Het voederverbruik per zeug per jaar dient lager te zijn dan 1150 kg. De voedergift is afhankelijk van de voederwaarde (energie en eiwit), omgeving (klimaat), dierfactoren (onrust, conditie, genetica, worpgetal). Let op, goedkoop is niet altijd beterkoop. Technische opvolging aan de hand van bovenstaande parameters kan de zeugenhouder veel geld opbrengen.
Vleesvarkenshouderij Variabele kosten per vleesvarken
De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten, energiekosten en veeartskosten) zijn stijgend nadat de dalende trend is afgezwakt. De mestafzetkosten drukken op het resultaat.
Voederverbruik in kg per vleesvarken
Het voederverbruik per geproduceerd vleesvarken is structureel dalend, m.a.w. de voederconversie verbetert stelselmatig.
38 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Opbrengst-voerkostratio vleesvarkens
De opbrengst-voerkostratio geeft de verhouding weer tussen de opbrengst en de voederkosten. In 2014 bedroeg de opbrengst-voerratio 1.29 wat betekent dat de opbrengst 1.29 keer hoger was dan de voederkostprijs. U ziet in de grafiek dat de opbrengst-voerkostratio een grilliger verloop kent.
Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritaire te richten op de voederconversie, de dagelijkse groei, de groeisnelheid / mestduur, de uitval of sterfte en de voederkost. De voederconversie: De voederconversie is het aantal kg voeder dat nodig is voor 1 kg gewichtsaanzet. De bruto-voederconversie wordt berekend op basis van alle geproduceerde kg’s (dus ook de gestorven varkens!), de economische voederconversie wordt berekend op basis van de verkochte kg’s vlees. De nutritionele voederconversie wordt berekend op basis van de bruto voederconversie waarbij gewichtsaanzet gecorrigeerd wordt naar opleggewicht van 20 kg en aflevergewicht van 100 kg. Vier groepen factoren beïnvloeden de voederconversie. Als eerste factor is het voeder. Vanuit het voeder kunnen de samenstelling, de vorm, de voedertechniek en de afstelling (efficiënt toedienen) een belangrijke invloed hebben op de conversie. Daarnaast is het stalklimaat een invloed naast de diergebonden factoren, zoals het ras van de dieren, het geboortegewicht, het speengewicht, het geslacht en ziektes. En als laatste zijn er de factoren die te maken hebben met het management van het bedrijf zoals het drinkwater, de stallenbouw, hygiëne en het aflevergewicht. De jongste tien jaar blijft de gemiddelde voederconversie in Vlaanderen hangen op ongeveer 2,94, terwijl tussen 2000 en 2007 een verbetering van 3,08 naar 2,93 werd gerealiseerd. ILVO-onderzoeker Frederik Leen berekende vorig jaar nog dat varkenshouders, met de huidige voeder- en varkensprijzen, minstens 5 euro meer kunnen overhouden per gemiddeld aanwezig vleesvarken per jaar als ze hun voederconversie kunnen doen dalen met 0,1 eenheden. Precies die doelstelling wordt naar voor geschoven in het nieuwe onderzoeksproject. Eind 2020 wordt het ILVO project: Naar een bedrijfseconomische en milieukundige win-win door efficiënter voedergebruik in de varkenshouderij, afgerond. De grootste kost bij het afmesten van vleesvarkens is het voeder, met een gemiddelde van 50-70% van de totale afmestkost. Door het stijgen van de voerderprijzen en de toenemende druk op economische marges in de varkenshouderij neemt het belang van efficiënter produceren toe. Een verlaging van de voederconversie resulteert in een economische meeropbrengst en een reductie in de milieubelasting, door een verminderde behoefte aan voeder en een daling van de mestuitstoot.
39 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Geitenhouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2014 tot en met 2018 schetsen we in dit artikel een beeld van de rentabiliteit in de melkgeitenhouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van gangbare en biologische melkgeitenhouderijen.
Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de omzet vermindert met de variabele en vaste kosten. De omzet is samengesteld uit de verkoop van de melk, aanwas van de veestapel en verkoop en aankoop van dieren. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, dekkingskosten, energiekosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, taksen, begeleiding, enz... De cijfers zijn uitgedrukt per melkgeitenplaats en per 100 liter geproduceerde melk. We opteren om de berekeningen te maken per geitenmelkplaats omdat we dan de totale kosten kunnen in rekening brengen en omrekenen per plaats.
Situering De melkgeitenhouderij kent een gestage uitbreiding. Volgens de gegevens uit de opeenvolgende mestrapporten leren we dat er in 2018 39941 geiten ouder dan 1 jaar geregistreerd in de mestbankaangifte. Dit is een stijging met 77% tov 2014. Aantal geiten > 1 jaar
Terwijl de melkgeitenhouderij voorheen gekenmerkt werd door zelfverwerking en relatieve kleinschaligheid is de sector, door de vraag naar geitenmelk en dito prijzen, een investeringssector geworden waarin enkele grote bedrijven zich hebben gevestigd.
Melkprijs
De geitenmelkprijs komt tot stand op basis van vraag en aanbod. Na 2010 zijn de melkprijzen gaan stijgen met een uitzonderlijk hoge prijs sinds 2014. Sinds 2016 is een dalende trend ingezet en situeert de melkprijs op 56 euro per 100 liter.
40 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Analyse per plaats Variabele kosten en opbrengst per plaats
De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten, veeartskosten en energiekosten) zijn licht gestegen tgv de vraag naar ruwvoeders en de hogere krachtvoederprijzen. De stijging werd deels gecompenseerd door de lagere energieprijzen.
Voederkosten per plaats
De voederkosten vormen het grootste aandeel in de variabele kosten. De opfokkosten van een lam bedraagt ca 180 euro. Per drachtige geit worden jaarlijks gemiddeld 1.8 levende lammeren geboren. Gemiddeld wordt per worp 0.35 lammeren opgefokt tot melkgeit. De overige lammeren worden verkocht voor de afmesting.
Strucurele kosten per plaats
De structurele kosten zijn in 2018 dalende, waarschijnlijk door de verminderde afschrijvingskosten.
Melkproductie per plaats
De stijging van de melkproductie per plaats zet zich na een knik in 2017 verder door, is stagnerend doch bedraagt 8% meer dan het vijfjaarlijks gemiddelde.
41 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Analyse per 100 liter Variabele kosten en opbrengst per 100 liter
De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten, energiekosten en veeartskosten) zijn gestegen ten opzichte van de vorige jaren aangezien de stijgende kosten niet vertaald werden in een hogere productie.
Voederkosten per 100 liter
De voederkosten vormen het grootste aandeel in de variabele kosten. De voederkost kennen een stijging van 12% per 100 l voornamelijk toe te schrijven aan een hogere krachtvoedergift en ruwvoederprijzen.
Strucurele kosten per 100 l
De investeringen in melkinstallaties en stallen worden verspreid over meer liters melk waardoor de structurele kost per 100 l 16 % lager is dan het vijfjaarlijkse gemiddelde.
42 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritair te richten op de melkproductie. We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens.
We gaan uit van een standaardbedrijf gebaseerd op 800 geiten met een gemiddelde productie van 1.100 kg melk/geit/jaar. Omschrijving Opbrengsten verkoop melk verkoop foklammeren verkoop geiten verkoop nuchtere lammeren Totaal opbrengsten
Hoeveelheid 1100kg 8% 26% 1,3
Prijs
Bedrag
0,53/kg 275 12,5 -4
(in euro) 583,00 22,00 3,25 -5,20 603,05
Variabele kosten Voeder Stro Veekosten Energie Overige directe kosten Totaal
266,00 36,20 27,00 15,00 10,00 354,20
Saldo per geit
248,85
Wanneer we deze cijfers omrekenen naar verschillende productie-niveau’s krijgen we volgend resultaat. Productie
900 l
1100 l
1300 l
Opbrengsten
54,82
54,82
54,82
Variabele kosten Voeder Stro Veekosten Energie Overige directe kosten Totaal
26,22 3,29 2,70 1,67 1,11 34,99
24,18 3,29 2,45 1,36 0,91 32,20
23,15 3,29 2,28 1,15 0,77 30,65
Saldo per 100 kg melk
19,83
22,86
24,17
Bij een melkproductiestijging van 44%, van 900 liter naar 1300 liter, stijgt het saldo met 22%. Het saldostijging is lager dan vorig jaar. Het blijft essentieel om een uitgebalanceerd voederrantsoen samen te stellen. Technische begeleiding is dus noodzakelijk.
43 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Pluimveehouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2014 tot en met 2018 schetsen we hier een beeld van de rentabiliteit in de pluimveehouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van gangbare (alle huisvestingssystemen) en biologische pluimveebedrijven. Wegens de opname van de bio-legbedrijven is de gemiddelde omzet per 1000 plaatsen hoger dan het algemene gemiddelde.
Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De omzet is samengesteld uit de verkoop van de eieren en dieren vermindert met de aankoop en wijziging veeinventaris. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voeders, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, sanitaire kosten, energie en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, begeleiding, enz... De cijfers zijn uitgedrukt per 1000 plaatsen.
Situering De pluimveehouderij bestaat, vereenvoudigd, uit leghennenhouderij, moederdierenhouderij en vleeskippenhouderij. De pluimveestapel is sinds 2014 gegroeid met 12291235 eenheden. Evolutie van de pluimveestapel in Vlaanderen, 2014-2018 pluimveestapel vleeskippen (uitgezonderd ééndagskuikens) leghennen voor vermeerdering (reforme incl.) leghennen voor eiproductie (reforme incl.) poeljen fokhanen overig pluimvee kalkoenen ander pluimvee (excl. kalkoenen) totaal pluimvee
2014
2015
2016
2017
2018
17684941
19930414
23721329
22145969
27177329
1490290
1699563
2159892
1703175
1924476
6397808 2529294 156877 461007 nb nb
6933062 3034849 168410 361997 nb nb
7394639 2896569 168087 472159 336816 135343
6531747 3174341 151052 441703 nb nb
7742724 3503744 209230 453949 nb nb
28720217
32128295
36812675
34147987
41011452
Evolutie van de pluimveestapel in Vlaanderen 2013-2018, index 2006 = 100% pluimveestapel
2013
2014
2015
2016
2017
2018
totaal vleeskippen leghennen consumptieeieren
109 122
102 107
114 120
131 143
121 133
146 164
83
95
103
110
97
115
44 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Legkippenhouderij De eierprijs situeert zich in een vork tussen 75 en 200 euro per 100 kg. Onder invloed van de Fipronilcrisis is de eierenprijs spectaculair gestegen. Het aantal eieren per leghen bedraagt in 2018 323 eieren. Dit is 2% meer dan het vijfjarig gemiddelde. De productiestijging lijkt zich te stabiliseren.
Prijsvorming en productie
kooihuisvesting (witte eieren) productieperiode
scharrelhuisvesting (bruine eieren)
scharrelhuisvesting (witte eieren)
14/15
15/16
16/17
17/18v
15/15
15/16
16/17
17/18v
14/15
15/16
16/17
17/18v
technisch (#koppels)
(21)
(10)
(12)
(6)
(112)
(72)
(91)
(50)
(89)
(91)
(108)
(70)
opfokperiode (dagen)
14
20
20
22
19
19
19
19
20
20
20
21
levensweek
82
94
89
101
85
80
76
83
89
89
82
90
leegstand (dagen)
24
27
25
19
23
20
8
12
28
17
11
16
uitval legperiode (%)
6,7
8,4
6,7
8,2
8,2
7,4
7;8
8,2
8,9
8,1
8,3
11,2
legpercentage
90,3
90,2
90,90
91.4
87,2
88,3
88,4
88,0
90,1
91,1
90,9
91,6
eieren/20 wkn hen (st.)
381
449
424
498
380
359
346
377
427
419
373
433
kg ei/20 wkn hen
23,5
27,6
26,3
29,9
23,7
22,1
22,0
23,1
26,5
25,8
23,0
26,4
eigewicht (g)
61,7
61,3
61,7
59.6
61,9
61,7
61,8
61,3
61,9
61,4
60,5
61,0
voerverbruik pdpd (g)
111,2
108,8
110,8
109,8
118,7
120,0
119,4
119,3
115,8
116,2
116,6
118,0
voer per ei (g)
123,2
120,7
122,0
119,8
136,4
136,2
135,1
135,9
128,6
127,6
128,6
128,9
voerconversie
2,00
1,97
1,98
2,00
2,20
2,21
2,19
2,21
2,08
2,07
2,12
2,11
financieel (#koppels)
(20)
(112)
(64)
(91)
(76)
(88)
(80)
henprijs bij inzet
3,82
3,25
3,17
4,35
4,32
4,26
4,38
4,05
4,02
voerprijs (euro/100kg)
25,02
24,49
24,09
26,47
25,76
25,80
26,00
25,79
25,24
opbrengst (eurocent/ei)
5,36
5,57
5,15
6,36
6,49
6,54
5,93
6,51
6,13
voerwinst (euro poh/jaar) 3,36
4,94
3,93
2,14
1,08
2,87
3,09
4,43
2,39
vrije uitloop productieperiode
biologische
14/15
15/16
16/17
17/18v
14/15
15/16
16/17
17/18v
technisch (#koppels)
(51)
(52)
(65)
(40)
(50)
(59)
(43)
(30)
opfokperiode (dagen)
19
19
19
19
19
19
20
20
levensweek
82
79
73
85
77
73
76
80
leegstand (dagen)
32
24
17
19
22
39
19
36
uitval legperiode (%)
8,8
9,2
8,6
10,5
9,0
7,2
9,2
7,5
legpercentage
89,2
88,8
89,3
89,9
87,8
88,8
89,5
91,1
eieren/20 wkn hen (st.)
367
356
328
402
337
318
344
375
kg ei/20 wkn hen
22,9
22,6
21,1
24,4
20,8
19,2
22,2
23,2
eigewicht (g)
61,3
61,8
60,4
60,8
61,2
61,1
61,9
61,7
voerverbruik pdpd (g)
121,0
121,0
119,7
119,2
122,7
124,0
125,2
124,5
voer per ei (g)
135,8
136,4
134,5
132,4
139,6
139,6
140,0
136,8
voerconversie
2,20
2,21
2,21
2,18
2,29
2,30
2,25
2,21
financieel (#koppels)
(48)
(44)
(56)
(32)
(36)
(36)
henprijs bij inzet
4,37
4,25
4,18
7,41
7,37
7,18
voerprijs (euro/100kg)
26,37
26,51
26,09
43,90
44,51
46,09
opbrengst (eurocent/ei)
8,95
7,74
8,17
13,55
13,99
14,12
voerwinst (euro poh/jaar) 5,73
7,1
7,81
10,18
9,46
9,08
45 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Analyse per 1000 plaatsen De variabele kosten en opbrengsten per 1000 leghennen
De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) zijn sterk afhankelijk van de voederprijzen, vnl de graanprijzen.
Voederkosten per 1000 leghennen
De voederkosten zijn in 2018 8% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Voornamelijk door de stijging van de bio-krachtvoeders.
Kostenstructuur per 1000 leghennen
De structurele kosten per 1000 plaatsen zijn in 2018 licht gedaald.
Groei door ontwikkeling Terwijl bijvoorbeeld in de melkveehouderij de melkproductie per koe kan verhoogd worden door selectie, voedersamenstelling en diermanagement ligt de impact van het management in de eierproductie per leghen op andere vlakken. De eiproductie per leghen hangt samen met de lengte van de productieperiode, de bereikte topproductie, de uitval en de persistentie van de legcurve. Het management richt zich op stalsystemen (structurele kost) en voedersamenstelling (variabele kost). De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens.
46 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Standaard leghennenbedrijf uitgedrukt per 1000 leghennen
Wanneer we deze cijfers vergelijken met de verschillende systemen komen we aan volgend resultaat
Omschrijving
Bedrag
Volgens type
Kooi
Scharrel
Vrije uitloop
Bio
opbrengsten eieren slachthennen
30 202,50 29 887,50 315,00
opbrengsten eieren slachthennen
71% 71% 83%
83% 83% 86%
92% 92% 105%
154% 154% 127%
variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten
22 770,00 5 130,00 16 210,00 30,00 375,00 345,00 680,00
variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten
80% 72% 82% 0% 80% 96% 78%
89% 85% 90% 100% 85% 101% 88%
87% 87% 85% 100% 112% 113% 109%
145% 156% 143% 200% 123% 90% 125%
Saldo
44%
65%
110%
182%
saldo
7 432,50
Bio-leghennen bedrijven hebben potentieel een brutosaldo dat 82% hoger ligt dan een gangbaar standaardbedrijf. Productienormen Koloniehuisvesting wit Productieperiode (dagen) - opfok (17-20 weken) - leg (vanaf 20 weken) - leegstand Uitval (%) - overgang (17-20 weken) - leg (vanaf 20 weken) eieren per 20 weken hen (st.) kg ei per 20 weken hen eigewicht (g) voerverbruik p.d/p.d. (v.a. 20 weken) (g) voerconversie (voer v.a. 20 weken, eieren v.a. 17 weken)
20 490 20
Scharrel wit
21 476 21
Scharrel plus / bruin (BL*) 21 420 21
Vrije uitloop bruin
Biologisch
21 434 21
21 406 21
0,3 9
0,3 10
0,3 10
0,3 11
0,3 11
419 25,8 61,5 110
414 25,3 61 118,5
358 22 61,5 120
370 22,6 61 124
341 21 61,5 126
2,0
2,12
2,17
2,25
2,31
47 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Vleeskippenhouderij Prijsvorming en groei per dag per dier
De vleesprijs situeert zich in een vork tussen 147 en 195 euro per 100 kg. De groei per dag per dier verbetert vrijwel gestaag. Deze groei is het resultaat van verdere selectie, groeimanagement en evenwichtiger voedersamenstelling.
Analyse per 1000 plaatsen De variabele kosten en opbrengsten per 1000 vleeskippen
De variabele kosten (voederkosten, energie, sanitaire kosten en veeartskosten) zijn sterk afhankelijk van de voederprijzen, vnl de graanprijzen.
Voederkosten per 1000 vleeskippen
De voederkosten zijn in 2018 1% lager dan het vijfjarig gemiddelde.
Kostenstructuur per 1000 vleeskippen
De structurele kosten per 1000 plaatsen kennen een licht dalende trend.
Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen.
48 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens. De technische prestaties zijn gestabiliseerd. Dit resulteert dat de impact van het stalsysteem (bezettingsgraad) een grotere impact heeft op het bedrijfsresultaat dan de evolutie van de technische prestaties. Regulier en conceptkuikens 2012 productieperiode (dagen) leegstand (dagen) aflevergewicht uitval (%) groei/dier/dag (g) voerconversie
2013
2014
2015
2016
42 41 42 42 43 6 6 6 6 6 2300 2270 2290 2340 2370 3,1 3,3 3,4 3,4 3,6 57 56 57 58 58 1,65 1,65 1,64 1,65 1,67
Saldo-berekeningen per 100 opgezette vleeskuikens Bezetting 42 kg/ m² omschrijving
hoeveelheid
eenheidsprijs
bedrag
opbrengsten kg vlees
2300
0,84
1929,20 1929,20
1000 3675
0,33 0,32
variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten saldo
1693,30 330,00 1175,90 10,00 50,00 65,00 62,40 235,90
Bezetting max. 38 kg/m² en lagere groeisnelheid <50 gr/dag omschrijving
hoeveelheid
opbrengsten kg vlees
2310
1
1000 4386
0,355 0,32
variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten
eenheidsprijs
saldo
bedrag 2308,60 2308,60 1973,50 355,00 1403,60 12,50 45,00 86,00 71,40 335,10
Bezetting max. 14 kuikens/m² en lagere groeisnelheid <45 gr/dag omschrijving
hoeveelheid
eenheidsprijs
bedrag
opbrengsten kg vlees
2340
1,15
2691,00 2691,00
1000 4914
0,355 0,315
variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten saldo
2145,80 355,00 1547,90 20,00 40,00 106,00 36,90 545,20
49 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Vleesveehouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2014 tot en met 2018 schetsen we een beeld van de rentabiliteit in de rundveehouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van zoogkoebedrijven, vleesbedrijven en gemengde bedrijven.
Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de aan- en verkoop van de runderen, de aanwas van de veestapel, de voorraadwijzigingen en de gekoppelde steun (zoogkoepremie). De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, energiekosten, dekkingskosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, begeleiding enz... De cijfers worden weergegeven per GVE (Groot-Vee-Eenheid).
Situering Het lijkt een tendens te worden dat vooral kleinere bedrijven met oudere bedrijfsleiders er de brui aangeven. De economische rendabiliteit en de arbeid doen zulke bedrijven uitkijken naar andere inkomstenbronnen zoals beheersovereenkomsten op graslanden activeren. De impact van de hervorming van de gekoppelde steun zoogkoerechten welk tot doel had de rentabiliteit op de zoogkoebedrijven te verbeteren is eerder beperkt gebleven. De rundveehouderij heeft het moeilijk. De rentabiliteit blijft onder druk staan. In de boekhoudingen treffen we een grote diversiteit aan van bedrijfsvoeringen welk een doorslag is van de rundveesector. Van gespecialiseerde topbedrijven die het economisch beter doen, over gemengde bedrijven die het grasland wensen te valoriseren tot kleinschalige extensieve bedrijven. Ieder bedrijfstype heeft zijn wetmatigheden en specifieke eigenschappen. Wanneer de rundveehouder de wetmatigheden en eigenschappen van zijn bedrijf en zich zelf kent, kunnen er doelstellingen worden geformuleerd. Aantal zoogkoeien
50 Vlaams Agrarisch Centrum
Het aantal zoogkoeien als het aantal bedrijven met zoogkoeien nemen jaarlijks af. Het aantal zoogkoeien is met 6% gedaald tov 2014.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Aantal bedrijven
Het aantal bedrijven met zoogkoeien is gedaald met 16%.
Aantal zoogkoeien per bedrijf
Het aantal zoogkoeien per bedrijf stijgt door de specialisatie met 9%.
Bruto opbrengst
De gerealiseerde opbrengsten waren in 2018 3% hoger dan het meerjarige gemiddelde. De reden voor deze lichte stijging is de verminderde invloed van betere prijzen in een verder verleden. De stijging is niet van die aard om het rendement op te krikken tot een economisch verantwoord niveau.
Variabele kosten
In 2018 zijn de variabele kosten 19% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Vooral de gestegen krachtvoederkosten en dekkingskosten zijn debet aan deze stijging. De voederkosten vormen het grootste deel van de variabele kosten en zijn dus vatbaar om bij afwijkingen de rendabiliteit danig te beïnvloeden.
Structurele kosten
De structurele kosten zijn in 2018 16% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Deze stijging is toe te schrijven aan de hogere pachtprijzen, de investeringslasten van rundveestallen en de overnames van rechten (zoogkoerechten en NER).
51 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Arbeidsinkomen
De licht verbetering van de verkoopsprijzen hebben geresulteerd in een lichte verbetering van het arbeidsinkomen ten opzichte van 2017. 2017 is het slechte jaar van het vijfjarig gemiddelde.
Voederkosten
De voederkosten zijn de zwaarste kost op een zoogkoe/vleesveebedrijf. Ten gevolge van de droogte, werden op de rundveebedrijven de slinkende voorraad ruwvoeder aangevuld met ruwvoederaankopen, aankopen van alternatieve voeders en krachtvoeders. Door deze omstandigheden zijn de voederkosten 11% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Vooral de aankoop van krachtvoeders is spectaculair gestegen.
Veekosten
De totale overige veekosten zijn in 2018 sterk gestegen ten opzichte van het vijfjarig gemiddelde. Terwijl de veeartskosten dalen per GVE onder invloed van andere vleesrassen welke minder keizersnede behoeven stijgt significant de uitgaven voor dekkingsgelden. Dit betekent dat de rundveehouder verder inspanningen getroost in de veredeling.
Uitdagingen De eerste uitdaging voor de rundveehouderij vormt de rendabiliteit over het algemeen maar meer in het bijzonder voor de gespecialiseerde bedrijven. Rendabiliteitverbetering kan door inzicht te verwerven in de groei en vruchtbaarheid van de veestapel. Wanneer de inzichten zijn verworven, kan de veehouder haalbare doelstellingen formuleren. Met de jaargroei wordt de vleesproductie bedoeld, dit is het aantal kilo’s vlees geproduceerd door alle dieren op het bedrijf per jaar. De jaargroei wordt bepaald door: • vruchtbaarheid • management van de veestapel • kwaliteit van het verstrekte voeder
52 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Vruchtbaarheid Het drachtigheidspercentage zou 90% moeten bedragen en van de 100 aanwezige drachtige dieren (zoogkoeien en vaarzen) moeten er per jaar minstens 85 een kalf produceren. Ook de boekhoudterm “kalvingsindex” geeft aan hoeveel kalveren op het bedrijf geboren worden. Dit is het aantal levend geboren kalveren van zoogkoeien en vaarzen per gemiddeld aanwezige zoogkoe en gedeeld door de tussenkalftijd maal 365 dagen. Een kalvingsindex van 1,0 kan als gunstig beschouwd worden. Volgende rekensom maakt dit duidelijk: Een bedrijf met 100 zoogkoeien heeft jaarlijks 90 zoogkoeien drachtig waarvan 85% een levend kalf ter wereld brengen. Dus worden er 76 kalveren geboren waarvan ongeveer de helft een vaars zijn. Van de 38 vaarzen zal ongeveer 10% uitvallen omwille van sterfte, niet drachtig worden, … Er zullen dus 34 vaarzen en 76 zoogkoeien een levend kalf ter wereld brengen. Op het bedrijf met gemiddeld 100 zoogkoeien worden jaarlijks 110 levende kalveren geboren. Rekening houdend met een ideale tussenkalftijd van 385 dagen (zie verder) geeft dit volgende kalvingsindex:
De gemiddelde zoogkoebedrijven realiseren een kalvingsindex van gemiddeld 1.04. Uiteraard speelt vruchtbaarheid, een vroege eerste dracht en een korte tussenkalftijd hier een belangrijke rol. Er moet dan ook voor gezorgd worden dat koeien die geen nakomelingen produceren zo snel mogelijk afgemest en verkocht worden, zodat een zo maximaal mogelijk aantal fokkoeien kan worden gehouden. Hun aantal wordt immers gelimiteerd door de vergunde dierplaatsen en/of aanwezige NER’s. Het binnenhalen van de koeien tijdens de zomer ter controle van de dracht kan interessant zijn. Immers, de niet drachtige dieren kunnen op dat moment afgemest worden en een betere prijs genereren dan dieren die pas in het najaar op de markt komen. Een ideale tussenkalftijd van 385 dagen is te realiseren door 60 à 70 dagen na kalving over te gaan op insemineren of dekken en ervoor te zorgen dat de koeien na gemiddeld 21 dagen met maximaal twee bevruchtingen drachtig zijn. Het efficiëntiegetal wordt gedefinieerd door het aantal inseminaties uitgevoerd bij drachtige dieren te delen op het aantal drachtige dieren. Om een tussenkalftijd van 385 dagen te halen moet dit getal voor vaarzen kleiner dan of gelijk zijn aan 1,5 en voor koeien kleiner dan of gelijk aan 2. Het management van de veestapel Sterfte Uit de boekhoudingen blijkt dat de sterfte rond de 9 à 11% bedraagt. Groei Voldoende groei bij de stieren en de vaarzen realiseren, is van groot economisch belang. Wat de groei van de stieren betreft vindt iedereen het normaal dat deze goed gevoederd worden vanaf het begin. Voor vaarzen is het bekomen dan de eerste bronst en dus ook de eerste dracht belangrijk. Eens de eerste kalving achter de rug is, mag het rantsoen teruggeschroefd worden. Het gewicht bij de eerste kalving is belangrijker dan de leeftijd. Er wordt gestreefd naar een gewicht van 600 kg bij de eerste kalving (einde dracht). Met een groei van ongeveer 750-800g/dag haalt een vaars dit gewicht op een leeftijd tussen de 24 à 26 maanden. Bovendien moeten de dieren op een leeftijd van 14 à 15 maanden bij een gewicht van 400 kg kunnen geïnsemineerd of gedekt worden. Het vervangingspercentage is een belangrijk gegeven. In de zoogkoeienhouderij dienen de koeien veel sneller te circuleren dan in de melkveehouderij. Jongere dieren groeien nog en produceren dus naast hun kalf ook nog extra vlees. Bij oudere dieren is de groei heel miniem (150 gram/dag)en wordt er enkel een kalf geproduceerd. Bovendien is de verkoopprijs voor oudere reforme koeien duidelijk lager dan voor reforme koeien die twee à drie keer gekalfd hebben. Zet ze dan ook zo jong mogelijk af. Houd eventueel die ene koe die ‘gemakkelijk’ afkalft, maar gemiddeld genomen moeten ze na twee à drie keer kalven afgevoerd worden. Hoe jonger de dieren op dat moment zijn, hoe beter. Jonge dieren afmesten betekent ook dat er voldoende jongvee moet aanwezig zijn om die te vervangen, wat impliceert dat de vruchtbaarheid op het bedrijf goed moet zijn. Op die manier wordt een vervangingspercentage van ongeveer 33% tot zelfs 50% nagestreefd.
53 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Kwaliteit verstrekte voeder Het aantal GVE bedraagt gemiddeld 2.76 GVE per ha. De bezetting is gestegen, waarschijnlijk door de stopzetting van de meer extensieve bedrijven. De netto ruwvoerbehoefte voor een zoogkoe bedraagt tijdens de stalperiode 2.965 kg DS. De netto grasopname in de weideperiode bedraagt 3.250 kg DS. Uit de veebezettingnorm GVE per ha leren we dat de bezetting intensief is. GVE perha
DS opbrengst
veebezetting
5 7 9 11
0,8 1,1 1,3 1,5
Zoogkoeienhouderij en beheer van natuurlijke graslanden Begrazing met zoogkoeien is een van de methoden om grasachtige vegetaties in natuurgebieden te beheren. De prijzen voor vleesvee staan onder druk dat de klassieke zoogkoeienhouderij weinig cash regeneert. Door samenwerkingsverbanden op te zetten tussen veehouders en terreinbeheerders kan een win-win situatie ontstaan. Is er wel een win-win situatie wanneer een vergoeding voor de veehouder uitblijft? In 2002 reeds verscheen het praktijkrapport nr. 1 Zoogkoeienhouderij met Natuurgraslanden - een modelmatige benadering van opbrengsten en kosten van de universiteit van Wageningen. In deze studie zijn gegevens verzameld van een aantal zoogkoeienbedrijven. Deze gegevens zijn samen met literatuurgegevens verwerkt tot een rekenmodel waarmee kan worden berekend wat het begrazen van natuurgraslanden met zoogkoeien oplevert of kost. Uitgangspunt van de berekening is dat een veehouder een reëel inkomen moet halen uit het houden van vleesvee op natuurgraslanden. Het rekenmodel gaat uit van de gewasproductie van natuurgrasland. Opgegeven wordt wat de jaarproductie is, hoe de groei in het voorjaar verloopt en of er sprake is van een opbrengstdepressie in de zomer. Het grasaanbod bepaalt hoeveel dieren er kunnen weiden en hoeveel ruwvoer kan worden gewonnen. Stierkalveren kunnen op het bedrijf worden afgemest op verschillende rantsoenen en met verschillende groeisnelheden of als broutard worden verkocht. Wanneer het arbeidsaanbod als uitgangspunt genomen wordt, resulteert het aanhouden van stierkalveren in minder zoogkoeien, waardoor minder hectares kunnen worden beheerd. Voederwinning kan in eigen beheer of in loonwerk worden uitgevoerd. Ook hier geldt dat het uitvoeren van voederwinning in eigen mechanisatie leidt tot minder vee. Voor het uitrijden van mest geldt hetzelfde. In veel gevallen is verkoop van vaste mest aantrekkelijker dan uitrijden. Het verlaagt de directe kosten en doordat de gewasopbrengst afneemt, kunnen met hetzelfde aantal dieren meer hectares worden beweid. Voor een weidevogeldoelstelling en de voerkwaliteit van het gewas kan het uitrijden van een hoeveelheid vaste mest echter gewenst zijn. Uit verschillende voorbeeldberekeningen blijkt dat het niet mogelijk is een bedrijfsopzet te kiezen waarbij het terreinbeheer met zoogkoeien kostendekkend is. Zelfs wanneer het bedrijf kan beschikken over zoogkoeienrechten voor alle dieren, is een aanvulling nodig om de veehouder een acceptabel inkomen te garanderen. De terreinbeheerder zal daarom een vergoeding moeten betalen in plaats van een pachtprijs te vragen. Wanneer de terreinbeheerder het beheer met zoogkoeien zelf uitvoert is het vaak nog duurder, doordat de loonkosten van een semi-ambtenaar hoger zijn dan van een zelfstandig ondernemer.
54 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Melkveehouderij De agrarische ondernemer staat voor momenten dat strategische management beslissingen dienen genomen te worden. De boekhoudkundige cijfergegevens over een lange termijn zijn een essentieel element in de opbouw van de beslissing. Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2014 tot en met 2018 tonen we een beeld van de rentabiliteit in de rmelkveehouderij gedurende de voorbije 5 jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van melkveebedrijven waarvan sommige nog een tak akkerbouw of vleesvee exploiteren.
Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De omzet is samengesteld uit de aan- en verkoop van de runderen, de aanwas van de veestapel, de melkopbrengsten en de voorraadwijzigingen. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, dekkingskosten, energiekosten en de diverse directe kosten. De energiekosten zijn ofwel opgenomen bij de diverse directe kosten (electriciteit) en opgenomen in de ruwvoederkost (brandstof voor ruwvoederwinning). De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, begeleiding, enz… De cijfers worden weergegeven per 100 liter en per GVE (Groot-Vee-Eenheid).
Evolutie Het aantal melkkoeien bedraagt in 2018 317 264. Dit aantal is 9.2% meer dan in 2014. De specialisatie van de melkveehouderij zet zich verder. We kunnen deze tendens afleiden uit de cijfers van onze boekhoudingen. Hetaantal melkkoeien is met 7% gestegen tov van 2017. Op Vlaams niveau bedraagt de gemiddelde melkproductie per bedrijf 617.245 liter.
55 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Productiviteit - aantal geleverde liters
Productiviteit - aantal koeien per bedrijf
Het aantal geleverde liters melk per bedrijf in de VAC boekhoudingen bedraagt 610.404 liter. Dit is 20% boven het 5 jarig gemiddelde en een stijging van 9% tov van vorig jaar. De stijging van de bedrijfsmelkproductie wordt deels gerealiseerd door de stijging van het aantal gemolken koeien . Het aantal gemolken koeien per bedrijf stijgt van 67 naar 72 of een stijging met 7 %. Deels wordt de productiestijging gerealiseerd door de stijging van het aantal liters geproduceerde melk per koe. De melkproductie per koe is gestegen naar 9.192 liter en is 14% hoger dan het vijfjarig gemiddelde.
Productiviteit - aantal liters per koe
Krachtvoederverbruik
Productiviteit - gram krachtvoeder per liter
56 Vlaams Agrarisch Centrum
Terwijl voorheen een significant deel van de productiestijging werd gerealiseerd door de toename van de veestapel (=groei) en minder door een stijging van de melkproductie per koe (=ontwikkeling) merken we stilaan een tendens naar meer ontwikkeling. Het aantal liter per koe stijgt sneller dan de veestapel.
De melkproductiestijging per koe kan gerealiseerd worden door aandacht te hebben voor de genetica, de gezondheidstoestand van de koe, de voedersamenstelling en de kwaliteit van het voeder. Krachtvoeder is een zeer belangrijk element in de productie, samenstelling en kostprijs. Krachtvoederkosten zijn variabele kosten en bepalen mee de opbrengst en dus het saldo. Door het niet efficiënt verstrekken van krachtvoeder, gaan de kosten omhoog. Een hogere krachtvoedergift resulteert niet altijd in een productiestijging. Hierdoor zal het rendement per liter melk dalen. De wet van de afnemende meeropbrengsten, weet u wel. Het krachtvoederverbruik per koe is in 2018 licht gestegen van 1.506 kg per koe naar 1.555 kg per koe. Het krachtvoederverbruik ligt 15% hoger dan het vijfjarig gemiddelde.
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Vet en eiwit
In 2014 werd er 181 g krachtvoeder vervoederd per 100 l melk. In 2018 werd er 215 g krachtvoeder vervoederd per 100 l melk. Het vijfjarig gemiddelde bedraagt 201 gram per liter. Het vetgehalte is gestegen naar 4.289. Het vetgehalte was in 2018 1% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Het eiwitgehalte is gestegen naar 3.555. Het eiwitgehalte is 2% hoger dan het vijfjarige gemiddelde.
Productiviteit - aantal liters per ha groenvoeder
Het is de betrachting van iedere melkveehouder om het aandeel ruwvoedermelk te verhogen. Uit Nederlandse cijfers blijkt dat bedrijven met een goed voermanagement is staat zijn om 4000 liter per ha extra melk te produceren. Uit de VAC-boekhoudingen blijkt dat de geproduceerde liter per ha ruwvoeder zijn gestegen van 11.423 liter naar 13.167 liter. In 2018 bedroegen deze liters 6% meer dan het vijfjarig gemiddelde. Hieruit kunnen we concluderen dat de ruwvoedermelkproductie efficiënter is dan voorheen. De stijging van het aantal melkkoeien per bedrijf resulteert in een intensiever gebruik van de beschikbare oppervlakte ruwvoeder. Het aantal GVE (grootvee-eenheden) per ha is gestabiliseerd op 2.39 GVE/ha.
Productiviteit - aantal GVE per ha groenvoeder
Bruto-opbrengst per 100 l
Bruto-opbrengst per GVE
De bruto-opbrengst is samengesteld uit de opbrengsten van de verkoop van melk en melkproducten, de aan- en verkoop van dieren en de wijziging in de veestapel (aanwas). Zoals u merkt in de grafiek van zijn de opbrengsten per 100 l melk sterk schommelend. De schommelingen zijn te wijten aan de volatiele melkprijsvorming en de aanwas van de veestapel. De omschakeling naar een quotumvrije markt heeft geresulteerd in een slechtere prijsvorming.
57 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Variabele kosten De variabele kosten zijn de kosten die je maakt om het product te produceren en zijn derhalve direct gelinkt aan het productieniveau. De variabele kosten zijn in de melkveehouderij samen te vatten in krachtvoederkosten, ruwvoederkosten en overige veekosten zoals veeartskosten en dekgelden. In de ruwvoederkosten zijn de energiekosten inbegrepen. De variabele kosten bedragen 20.04 euro per liter melk en zijn in 2018 4% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Deze stijging is voornamelijk toe te schrijven aan de voederprijzen en energieprijzen. De opbrengsten vermindert met de variabele kosten geeft ons de bruto-marge. Het saldo is een maat voor het vakmanschap op het melkveebedrijf. Hoe hoger dit saldo, hoe beter de melkveehouder in staat blijkt te zijn om goede opbrengsten te combineren met lage kosten. Het gemiddelde saldo bedroeg in 2018 €18.62 per 100 ltr. Dit is 8% lager dan het vijfjarig gemiddelde.
Samenstelling variabele kosten per 100 l
ruwvoederkosten krachtvoederkosten totale voederkosten overige kosten
2014
2015
2016
2017
2018
gem.
tov gem.
tov vorig jaar
7,62 7,22 15,71 4,57
7,10 7,58 15,96 3,69
6,44 6,60 14,11 3,58
6,50 7,02 14,85 3,46
5,90 7,47 14,81 3,88
6,71 7,18 15,09 3,84
88% 104% 98% 101%
91% 106% 100% 112%
Structurele kosten Financiële kengetallen per 100 l
Financiële kengetallen per GVE
De structurele kosten zijn jaarlijks weerkerende kosten die geen rechtstreeks verband hebben met de productie. De structurele kosten zijn samengesteld uit de afschrijvingen van de investeringen, de rentes op het geïnvesteerd kapitaal, pacht, onderhoud en de algemene kosten. De structurele kosten zijn dalende onder invloed van de bedrijfsgegevens van een aantal bedrijven die de melkproductie hebben verhoogd zonder te investeren in stallenbouw. In dit post quotumtijdperk stellen we vast dat de structurele kost in absolute cijfers gestabiliseerd zijn. We kunnen dit afleiden uit de volgende berekening: de totale melkproductie per bedrijf is gestegen met 20% boven het vijfjarig gemiddelde en de structurele kosten per 100 liter zijn met 20% zijn gedaald ten opzichte van het vijfjarig gemiddelde.
58 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Arbeidsinkomen De VAC landbouwboekhoudingen houden geen rekening met de fictieve lonen voor de bedrijfsleider. Dit betekent dat het berekende arbeidsinkomen de winst is van het bedrijf waarmee de bedrijfsleider de kosten voor privé-uitgaven zoals levensonderhoud, sparen, sociale zekerheid en belastingen en reserveringen voor investeringen financiert. Het arbeidsinkomen per 100 liter melk is gestegen ten opzicht 2017. Bekeken over het vijfjarig gemiddelde was het arbeidsinkomen in 2018 18% hoger.
Analyse Kritieke melkopbrengst 100 l
De kritieke melkopbrengst geeft de melkopbrengst weer waarbij de lopende uitgaven voor de bedrijfsvoering kunnen worden betaald. Indien de kritieke melkopbrengst meerdere jaren dicht bij de ontvangen melkprijs ligt, is dat een indicatie dat er geen ruimte is om financiële reserves op te bouwen. De kritieke melkopbrengst is gedaald van 36.55 euro per 100 liter melk in 2014 naar 31.23 euro per 100 liter melk in 2018.
De operationele hefboom Een interessante ratio is de operationele hefboom. Het VAC hanteert deze ratio om het risico-profiel van het bedrijf te duiden. De operationele hefboom meet het operationeel risico van de activiteit of de graad waarin de opbrengstwijzigingen de winst beïnvloeden. Het operationele hefboomeffect ook wel degree of operating leverage genoemd komt voort uit het bestaan van vaste kosten in het bedrijf. De operationele hefboomwerking gebruikt de vaste kosten voor het vergroten van de effecten van omzetveranderingen op het bedrijfsresultaat. Hierbij geldt hoe groter de hefboomwerking des te risicovoller de bedrijfsvoering is maar daar tegen over staat de kans op een aanzienlijke stijging in winsten. Een lagere hefboomwerking is vice versa. De operationele hefboom komt tot stand door de brutomarge te delen door de winst. Voor bedrijven met een hoge operationele hefboom is de winstrealisatie sterk beïnvloedbaar, zowel in positieve (winst) als negatieve (verlies) zin. Terwijl de operationele hefboom in 2014 nog 2.77 bedroeg is deze door de verminderde structurele kosten verbeterd naar 2.58. Gezien over vijfjarige gemiddelde bedraagt de verbetering 29%. De melkveebedrijven staan er beter voor dan de jaren kort na het post-quotumtijdperk.
59 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Tien vragen over VACcent of hoe communiceert het VAC met u? Heel wat van uw documenten worden niet meer per post verzonden maar zijn beschikbaar op VACcent ùw persoonlijk klantendossier op ons digitaal platform. 1. Wat is VACcent? VACcent is ons digitaal platform waarbij én landbouwboekhouding én raadpleging bedrijfsdocumenten én informatie én borging samenkomt. 2. Is VACcent interessant voor mij ? Vast en zeker! De VACcent-klant kan bijvoorbeeld tijdens het plaatsbezoek van de schattingscommissie op de smartphone de fotoplannen en de verzamelaanvraag raadplegen. Als VACcent-klant vindt u in één opslag, ons boekhoudprogramma VACWERK, uw laatste berichten, de laatste nieuwsfeiten en uw documenten terug. 3. Hoe weet ik of er een document is geplaatst? VACcent-klanten ontvangen een mail met de boodschap dat er een document is geplaatst met vermelding van het onderwerp. 4. Hoe werkt VACcent? Via onze website www.vac.eu kan de VACcent-klant inloggen op zijn persoonlijke bedrijfspagina. Elke klant ontvangt een unieke login. 5. Wat indien ik mijn login niet meer weet? Een eenvoudig mailtje naar ons volstaat om uw login te verkrijgen. 6. Hoe moet ik de “borging” begrijpen? Hierbij geven wij graag een actueel voorbeeld: Momenteel worden VACcent-klanten die een verplicht nitraatresidustaal moeten nemen door VACcent geborgen. De percelen van de VACcent-klant zijn raadpleegbaar op VACcent. De klant wordt geïnfomeerd over wat er te doen staat. Op 10 oktober worden de klanten gecontacteerd om te informeren naar de stand van zaken. Zo vermijdt u een boete van 150,00 euro per niet genomen staal. 7. Wat kost VACcent? VACcent is gratis voor klanten die genieten van een VAC-dienstverlening vanaf 435,00 euro op jaarbasis en die lid zijn van het VAC. 8. Zijn er nog andere voordelen? VACcent klanten genieten van een weerkerende doorlichting naar de bestekoop energieleverancier. 9. Ik heb twee bedrijven. Heb ik dan twee logins? Keep it simple. U heeft één login voor één of meerdere bedrijven. 10. Kan ik zelf documenten opslaan op VACcent? Neen, enkel de beheerder archiveert de documenten.
Meer info over VACcent? Aarzel niet en contacteer ons: vac@vac.eu
60 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Schattingscommissie en brede weersverzekering Door de invoering van de brede weersverzekering is er bij de agrarische ondernemers en de lokale besturen veel onduidelijkheid over de toepassing van beide instrumenten. Tot en met 2024 hebben beide systemen hun eigen rol bij een mogelijke ramp. De brede weersverzekering Gedurende de overgangsperiode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 kan schade aan teelten en niet-binnengehaalde oogsten die in principe verzekerd kunnen worden door een brede weersverzekering, maar die niet verzekerd zijn, nog gedeeltelijk vergoed worden voor de risico’s vorst, storm en rukwinden, sneeuw- of ijsdruk, hevige of aanhoudende regen en ernstige droogte. Wanneer je schade hebt en je hebt een brede weersverzekering, dan wordt je conform de polisvoorwaarden al dan niet vergoed voor de geleden schade. Agrarische ondernemers die een brede weersverzekering hebben afgesloten voor minstens 25% van het areaal komen voor de niet verzekerde oppervlakte (maximaal 75%) in aanmerking voor een tussenkomst van het Rampenfonds. Agrarische ondernemers die geen brede weersverzekering hebben afgesloten, hebben vanaf 2020 geen toegang voor het verkrijgen van een tegemoetkoming. Bent u niet of voor minder dan 25% van uw totale teeltareaal verzekerd, dan komt u niet in aanmerking voor een tegemoetkoming voor uw schade. Onder het totale teeltareaal wordt verstaan: de som van de perceelsoppervlaktes van de hoofdteelten in eigen gebruik op 31 mei, zoals geregistreerd in uw verzamelaanvraag van het jaar van de ramp onder de code A en I. Bent u voor minstens 25%, maar minder dan 50%, van uw totale teeltareaal verzekert, dan komt u voor een tegemoetkoming in aanmerking voor de niet-verzekerde schade. U ontvangt maximaal volgende afnemende vergoedingspercentages voor deze schade: • vanaf 1 januari 2020: 40% • vanaf 1 januari 2021: 32% • vanaf 1 januari 2022: 24% • vanaf 1 januari 2023: 16% • vanaf 1 januari 2024: 8% • vanaf 1 januari 2025: 0% Bent u voor minstens 50% van uw totale teeltareaal verzekerd, dan ontvangt u voor de niet-verzekerde schade maximaal: • vanaf 1 januari 2020: 80% • vanaf 1 januari 2021: 64% • vanaf 1 januari 2022: 48% • vanaf 1 januari 2023: 32% • vanaf 1 januari 2024: 16% • vanaf 1 januari 2025: 0% Vanaf 1 januari 2025 komt uw schade niet meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. Deze overgangsmaatregel geldt niet als u aan de hand van een attest van vrijstelling van de bijdrage aan het sociaal verzekeringsfonds kan aantonen dat u zich in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt. Voorbeeld De verzamelaanvraag 2020 van een ondernemer bestaat uit 40 ha bedrijfsareaal, waarvan 19 ha appel en 21 ha uien. In 2020 treedt extreme droogte op waardoor de uienoogst vrijwel volledig verloren is. De geraamde schade bedraagt 100000 Euro. • Scenario 1: de ondernemer heeft zijn 19 ha appel in 2020 verzekerd door middel van een hagelverzekering. De ondernemer zal niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen vermits hij geen brede weersverzekering heeft afgesloten en hagel niet is opgenomen in de overgangsmaatregel.
61 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
• Scenario 2: de ondernemer heeft 9 ha appel in 2020 verzekerd door middel van een brede weersverzekering. De ondernemer zal niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen vermits hij slechts voor 22,5% van zijn bedrijfsareaal een brede weersverzekering heeft afgesloten. • Scenario 3: de ondernemer heeft zijn 19 ha appel in 2020 verzekerd door middel van een brede weersverzekering. Door toepassing van de vrijstelling van 500 Euro en de coëfficiëntberekening bedraagt het basisbedrag van de tegemoetkoming 53 650 Euro. De ondernemer is echter slechts voor 47,5% van zijn totaal teeltareaal verzekerd. De tegemoetkoming voor de 21 ha uien zal dan ook beperkt worden tot 40% van het nettobedrag van de schade, zijnde 40 000 Euro. • Scenario 4: de ondernemer heeft zijn 19 ha appelen en 10 ha uien in 2020 verzekerd door middel van een brede weersverzekering. Door toepassing van de vrijstelling van 500 Euro en de coëfficiëntberekening bedraagt het basisbedrag van de tegemoetkoming 53 650 Euro. Vermits de ondernemer voor 72.5% van zijn totaal teeltareaal verzekerd is, kan hij maximaal voor 80% van het nettobedrag van zijn schade in aanmerking komen. De ondernemer zal een tegemoetkoming conform de coëfficiëntberekening van 53 650 Euro ontvangen voor de schade aan 11 ha uien. Aandachtspunten bij afsluiten verzekering Voorafgaand aan het afsluiten van een verzekering kan de agrarische ondernemer meerdere offertes aanvragen bij verschillende verzekeraars. Merk op dat bij de vergelijking naast de premie ook de andere verschillende elementen in aanmerking moet genomen worden, zoals de reikwijdte van de waarborgen, het bedrag van eventuele vrijstellingen of de uitsluitingclausules. Lees dus steeds goed de voorwaarden en details van de verschillende verzekeringspolissen en ga na welke verzekering het beste aansluit bij de behoeften van uw bedrijf. Enkele voorbeelden van mogelijke verschillen tussen de verzekeringen: • Normen voor weersfenomenen Moeten er bepaalde normen overschreden worden (bv. zoveel mm neerslag, zoveel graden vorst,…) vooraleer de verzekering tussenkomt? • Eigen risico Betaalt de verzekeraar de verzekerde waarde volledig terug, of is er een eigen risico? Zo ja, van hoeveel? • Maximale uitbetaling Er kan een beperking zijn op het maximale bedrag dat uitbetaald wordt. • Uitsluitingen Onder bepaalde voorwaarden betaalt de verzekering niet uit, bijvoorbeeld bij een van overheidswege ingestelde captatie- of beregeningsverbod. • Kwaliteitsschade Is kwaliteitsschade mee verzekerd of enkel kwantiteit? • Dekkingsperiode Vanaf en tot wanneer ben je verzekerd? • Moeten alle teelten of alle percelen van een teelt verzekerd worden? Het is voor de subsidie brede weersverzekering geen verplichting dat alle teelten verzekerd worden. Het is ook geen verplichting dat alle percelen van een teelt moeten verzekerd worden. Een verzekeraar heeft wel de commerciële vrijheid om een landbouwer er toe te verplichten al zijn percelen van een teelt te verzekeren of niet. Een verzekeraar kan ook bepaalde percelen weigeren om te verzekeren maar hij kan geen teelt weigeren. Het is ook geen verplichting om alle 3 de teelten (voorteelt, hoofdteelt, nateelt) op een perceel te verzekeren. • Hoe wordt het schadepercentage aan het beschadigde gewas of teelt bepaald? • Voor fruittelers: Is alleen de oogst verzekerd of ook de bomen/plantopstand? Conform onze missie, bieden wij aan onze klanten de mogelijkheid om een vergelijkende marktstudie te laten opmaken naar de compatibiliteit van de verschillende erkende polissen in functie van het bedrijfstype, teeltplan en risicoanalyse.
62 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
De gemeentelijke schattingscommissie De schattingscommissie van de gemeente waar de getroffen percelen gelegen zijn, is bevoegd. Voor schade aan land- en tuinbouw is het bijzonder belangrijk dat je beschikt over een proces-verbaal van vaststelling van schade door de gemeentelijke schattingscommissies. Naast het proces-verbaal van de schattingscommissie kunnen ook andere bewijzen (zoals fotomateriaal, leveringsbonnen enz.) nuttig zijn. Indien de schattingscommissie niet optreedt, kun je beroep doen op een expert. Het verslag van de expert kan gebruikt worden voor de vaststelling van de schade indien de ramp is erkend. Het verslag van de expert kan niet gebruikt worden voor fiscale doeleinden. Het P.V. van de schattingscommissie kan gebruik worden voor: • Vaststelling verliespercentage voor verliesrekening bij een belastingaangifte op basis van forfaitaire barema’s • Attest omzetverlies voor een belastingaangifte op basis van werkelijke inkomsten en uitgaven en vennootschappen • Teruggave Vlambijdragen • Aanvraag pachtprijsvermindering • Vermindering onroerende voorheffing • Allerhande bewijskracht o.a. nitraatresidu Brede weersverzekering en schattingscommissie De brede weersverzekering staat in voor de eventuele vergoeding van de verzekerde teelten. De verzekering staat niet in voor de schadeberekening van de niet verzekerde teelten en voor het afleveren van de PV. Dus beide instanties dien je te verwittigen bij schade.
Zonnebrand In de pers was er wat deining over de schade ten gevolge van zonnebrand. Al op 26 juni 2020 keurde de SALV het advies, waaraan het VAC intensief heeft meegewerkt, goed met volgende tekst: Onderzoek in welke mate zonnebrand als effect van klimaatverandering kan worden opgenomen in de lijst met potentieel ongunstige natuurverschijnselen die als een natuurramp kunnen worden erkend. Tijdens de zomer van 2019 bracht zonnebrand immers heel wat teelten zware schade toe. In het erkenningsbesluit van 5 juni 2020 duidt Vlaamse Regering zonnebrand aan als een aanleiding van een landbouwramp, na erkenning van de uitzonderlijkheid van het natuurverschijnsel door het Koninklijk Meteorologisch Instituut.
Wat te doen? 1. De schattingscommissie uitnodigen schriftelijk en indien geen reactie: aangetekend versturen en bewijs bewaren. Te bezorgen bij de uitnodiging: Verzamelaanvraag 2020, fotoplannen en schatting van de schade. 2. De verzekeringmakelaar contacteren met vermelding van de vermoedelijke oogstdatum.
63 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
Bedrijfseconomische resultatenrekening Hoe is deze rekening opgebouwd? ARBEIDSINKOMEN
BESCHIKBAAR INKOMEN
per eenheid, ha, are, 100 kg, 100 l, dierenplaats
Omzet (+) + + + -
verkopen marktbare producten verkopen dieren aankopen dieren gekoppelde steun voorraadwijziging
+
andere inkomsten vergoedingen subsidie
+
+ verkopen marktbare producten + verkopen dieren - aankopen dieren + gekoppelde steun
Variabele kosten (-) voeders zaden-planten meststoffen fyto andere teeltkosten veekosten veearts loonwerk energie seizoenarbeid bewaarkosten verkoopkosten
voeders zaden-planten meststoffen fyto ander teeltkosten veekosten veearts loonwerk energie seizoenarbeid bewaarkosten verkoopkosten
Bruto-marge (=) Structurele kosten (-) afschrijvingen rente pacht fictieve pacht grondlasten onderhoud gebouwen onderhoud machines algemene kosten reguliere lonen
Arbeidsinkomen (=)
64 Vlaams Agrarisch Centrum
kapitaalaflossingen intresten pacht grondlasten onderhoud gebouwen onderhoud machines algemene onkosten reguliere lonen
Beschikbaar inkomen (=)
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
VACwerk Dé bedrijfseconomische boekhouding Het “VACwerk” programma maakt integraal deel uit van ons digitaal platform “VACcent”.
1. Het ingaveprogramma Dankzij de verticale structuur is het “VACwerk”-ingaveprogramma toegankelijk vanop PC, laptop en smartphone. Het ingaveprogramma bevat vier componenten: het algemene deel, de inventaris, de teelten en de bedrijfstakken. De klant kan op ieder tabblad in eigen bewoordingen commentaar toe voegen. Deze commentaar kan een geheugensteuntje zijn, of een aandachtspunt voor de adviseur of andere…. De klant kan vanuit ieder tabblad per mail een bericht sturen naar de dienst om een probleem of bemerking te melden. De dienst ziet vanuit welk tabblad de mail werd verstuurd zodat er snel en zelfs in realtime het probleem kan behandeld worden. Wanneer de klant oordeelt dat alle gegevens genoteerd zijn, sluit hij het boekjaar af waarna de dienst hiervan automatisch wordt geïnformeerd. Hiermee slagen we erin, om binnen een respectabele termijn een resultatenrekening te bezorgen aan de klant. 1.1. Het algemene deel In het algemene deel wordt het teeltplan, de algemene kosten zoals onderhoud machines, onderhoud gebouwen, onderhoud trekker, pachten, huur, verzekeringen, begeleidingskosten, lidgelden, lonen van vaste werknemers, het aantal (familiale) volwaardige arbeidskrachten en de andere inkomsten en uitgaven genoteerd. Volgens weging van een bedrijfstak of volgens inzicht van de begeleider, worden deze kosten toebedeeld aan een bedrijfstak. Van de kredieten worden de jaarlijkse lasten, kapitaal en intrest genoteerd. De bestemming van deze kost is afhankelijk van de bestemming van het krediet. Voor de energie heeft de klant keuze uit alle soorten vormen van energie. Hij kan deze bestemmen volgens bedrijfstak. De brandstofkosten voor ruwvoeders worden integraal opgenomen in de teeltkost en niet apart doorgerekend aan het rundvee. Tevens kan de klant en/of de begeleidingsdienst in het algemene deel de mestbalans in realtime berekenen. De aangevoerde mest kan specifiek toegewezen worden aan een bedrijfstak, teelt of perceel. 1.2. De inventaris De inventaris is een overzicht van alle bezittingen en schulden van het bedrijf. De gebouwen, werktuigen, rechten enz. kunnen in eigen bewoordingen worden genoteerd. De klant beschikt over een keuzelijst van omschrijvingen met afschrijvingsduur en kan de investering toewijzen aan een bedrijfstak. Omdat de investeringen over een lange periode worden afgeschreven en dus bepalend zijn voor het resultaat, kan de klant zelf geen wijzigingen aanbrengen aan de bestaande investeringslijst. De investeringslijst wordt jaarlijks geüpdatet in samenspraak met de klant. 1.3. De teelten Alle teelten hebben dezelfde opbouw van ingave. Eigen benaming, teeltnaam, oppervlakte, categorie en bedrijfstak. De klant kan de gegevens per perceel of percelengroep registreren. Binnen de teelt worden de volgende gegevens genoteerd: • Kosten aan zaden en plantgoed, loonwerk en diverse teeltkosten • Fytoproducten (hoeveelheid en prijs) met een keuzelijst van de erkende middelen. Automatisch verschijnt soort, actieve stof en erkennningsnummer waardoor de klant tevens een registratie heeft voor het FAVV. De lijst van erkende middelen wordt geregeld geüpdatet. • Meststoffen, hoeveelheid en prijs (met een keuzelijst ) • De kosten aan arbeid worden gespecificeerd volgens handelingen aan de teelt (schoffelen-snoeien), oogst (plukken) en product (sorteren). • Het product kan worden verkocht (handel-veiling-korte keten) of verbruikt. Indien het product wordt verbruikt worden de aantallen toegewezen aan de bedrijfstak die het product verbruikt.
65 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
1.4. De bedrijfstakken De bedrijfstakken bestaan uit alle diersoorten, de korte keten en para-agrarische activiteiten. De klant kan de activiteiten activeren. Voor de diersoorten is de opbouw van de ingave identiek. De ingave start met de begin-en eindinventaris waarbij de klant kan kiezen voor een eigen waardering of een centraal geregistreerde waardering. De verkoop bestaat uit de verkoop van dieren, dierproducten en specifieke inkomsten. De klant kan aanduiden of de verkoop geschied in het kader van de korte keten. De productiegegevens (geboorten en sterftes) worden geregistreerd. Via een controleknop kan de klant de veebeweging controleren. De kosten bestaan uit voeders (per soort en diersoort), veeartskosten, KI en specifieke kosten. Met de bedrijfstak “korte keten” kan de klant de kostprijs berekenen van het product dat hij verkoopt in de korte keten. Bijvoorbeeld: Een klant verkoopt rundvlees op de hoeve. Het rund wordt boekhoudkundig verkocht tegen marktwaarde aan de korte keten. In de korte keten wordt deze waarde automatisch overgenomen als aankoop. Deze aankoopprijs wordt aangevuld met slacht- en versnijdingkosten, verpakkingsmateriaal, additieven enz... De investeringen (vb. koeltoog) worden afgeschreven in de korte keten. De klant krijgt een berekening van de omzetkosten en winst per eenheid (vb. kg) van het vlees. Para-agrarische activiteiten kunnen toevallige inkomsten zijn, of opbrengst – kosten van vb. zonnepanelen.
2. Het bedrijfsresultaat 2.1. Financieel-economisch resultaat Het bedrijfsresultaat geeft een schematisch overzicht van het financieel-economisch resultaat. Het bedrijfsresultaat geeft dit resultaat weer voor het ganse bedrijf en specifiek per bedrijfstak. Hierbij wordt het arbeidsinkomen berekend en het beschikbaar inkomen (de werkelijke opbrengsten en kosten). Dit cijfermateriaal wordt weergeven in zijn totaliteit en per eenheid (ha, are, 100 kg, dierplaats, GVE, 100 ltr melk). De fictieve rente op het geïnvesteerd kapitaal bedraagt 3%. 2.2. Technisch resultaat De landbouwboekhouding geeft de technische prestaties weer zoals productie per eenheid, vruchtbaarheid, voederkost in kg per koe enz... Op basis van deze gegevens kan een advies geformuleerd worden om de technische prestaties te verbeteren. 2.3. Balans – bedrijfskenmerken en financiële ratio De balans geeft een overzicht van het vermogen (actief) en de schulden (passief). De balans vormt een element in de waardebepaling van het bedrijf. De bedrijfskenmerken geeft een overzicht van de teelten, de rechten, de gronden in eigendom en de arbeidskrachten. De financiële ratio’s geven een overzicht van de financiële prestaties zoals cashflow, aanwending financiële middelen, schuldratio, rendabiliteit van het (eigen-vreemd) vermogen. 2.4. Milieu-energieprestatiegraad De klant kan op het overzichtsblad een idee vormen van het energie- en waterverbruik per eenheid en kan desgevallend de energiestromen van nabij opvolgen.
3. Het nut van een bedrijfseconomische boekhouding Ondanks de administratieve “over”-last op de bedrijven is het voeren van een bedrijfseconomische boekhouding noodzakelijk als managementtool om het bedrijf te runnen. Het totaal aan cijfergegevens geeft de klant het nodige inzicht om de bedrijfsvoering tijdig bij te sturen. De vork tussen de lage inkomensvormende bedrijven en de hoge inkomensvormende bedrijven toont aan dat er nog rek zit in de bedrijfsvoering. Een degelijk advies op basis van correcte gegevens draagt bij tot inkomen verhogende ingrepen die ver de kostprijs van het boekhoudingadvies overstijgen. De bedrijfseconomische boekhouding dient als basis voor het opstellen van een financieel plan, een ondernemingsplan en waardebepaling bij verkoop of overdracht van het bedrijf(stak). Tevens kan er op basis van de bedrijfseconomische boekhouding het fiscale statuut van het bedrijf geoptimaliseerd worden.
66 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
67 Vlaams Agrarisch Centrum
Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2014-2018
VLAAMS AGRARISCH CENTRUM STEEDS TOT UW DIENST En wat kunnen we voor u doen? Het is onze missie om een onafhankelijke en deskundige dienstverlening, voorlichting en belangenverdediging uit te bouwen voor de autonome familiale landbouwbedrijven. De persoonlijke aandacht naar de landbouwer en tuinder speelt een centrale rol in onze werking. Onze enthousiaste, vakkundige en uitstekend opgeleide medewerkers ijveren voor een duurzame en optimale samenwerking met de boer in wederzijds vertrouwen. We nemen de administratieve last weg… … zo houdt ‘de boer’ de handen vrij om te doen waar hij goed in is: ‘boeren’.
Vlaams Agrarisch Centrum 68 Vlaams Agrarisch Centrum
Ambachtsweg 20 | 9820 Merelbeke www.vac.eu | vac@vac.eu