Rentabiliteits en kostprijsanalyse 2012 2016

Page 1

Jaarlijkse uitgave | Editie 2017 Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Vlaams Agrarisch Centrum Ambachtsweg 20 | 9820 Merelbeke www.vac.eu | vac@vac.eu

1 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

VACwerk = dé Bedrijfseconomische boekhouding De VAC-bedrijfseconomische boekhouding is zijn geld waard. De bedrijfseconomische boekhouding van het Vlaams Agrarisch Centrum, VACwerk, is dè boekhouding voor de moderne en vooruitstrevende agrarische ondernemer. Voortdurend wordt het programma aangepast aan de noden en wensen van de deelnemende landbouwers. En, niet onbelangrijk, u krijgt gegarandeerd onafhankelijk advies, waarbij enkel ù en ùw bedrijf centraal staat.

Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: ‘Rentabiliteits- en kostprijsanalyse’ - Vlaams Agrarisch Centrum - Merelbeke De uitgever heeft geprobeerd de rechthebbenden van het beeldmateriaal te achterhalen. Wanneer een bron onvermeld is gebleven, kunnen rechthebbenden contact opnemen met de uitgever.

2 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Voorwoord Geachte lezer Voor u ligt de 1ste editie van “Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016” samengesteld en uitgegeven door het Vlaams Agrarisch Centrum. Jaarlijks verschijnen er rapporten en studies die specifiek gericht zijn naar een deelsector van de landbouw. Onze landbouw is divers. Landbouwbedrijven behouden het gemengde karakter in de bedrijfsvoering om het risico te spreiden. Dit naslagwerk bevat cijfermateriaal over de verschillende sectoren die onze landbouw rijk en kenmerkend is. Het stelt de agrarische ondernemer in de mogelijkheid om de bedrijfsvoering te toetsen en de mogelijkheden te ontdekken in de andere sectoren. De eerste editie behandelt de sectoren akkerbouw-ruwvoeder-fruitteelt-varkenshouderij-geitenhouderijpluimveehouderij-vleesveehouderij en melkveehouderij. De acht beschreven sectoren omvatten niet de volledige landbouw. Het grotendeel van de bedrijven situeren zich in deze sectoren wat het mogelijk maakt om significant cijfermateriaal te bekomen. Het cijfermateriaal is gebaseerd op de data van het VAC-landbouwboekhoudprogramma VACWERK. Dit uitgangsmateriaal werd aangevuld en getoetst aan de bestaande openbaar gestelde data. Per sector wordt de methodiek verklaard. Iedere (agrarische) ondernemer stelt zich tot doel het grootst mogelijk rendement te halen op het geïnvesteerd kapitaal. Vergelijkend cijfermateriaal is belangrijk om het bedrijf te sturen en de rentabiliteit te verhogen. Dit naslagwerk kan een bijdrage leveren voor het maken van berekeningen, evaluaties en begrotingen. Het interpreteren van de cijfers is belangrijk. U moet de cijfers zien als een richtlijn en een tendens binnen een bepaalde sector. Afhankelijk van de actuele bedrijfssituatie, de marktwerking en de normen, kunnen de cijfers opgenomen worden in de managementplanning van het individueel bedrijf. Ter ondersteuning geven we, per sector, een aantal ideeën mee hoe bedrijven zich verder kunnen ontwikkelen. Ideeën die gebruikt kunnen worden tijdens het potloodmoment. Een potloodmoment is een moment waarbij de bedrijfsleider zich vragen stelt over de gang van zaken van zijn bedrijf en welke acties hij gaat ondernemen om stelbare en haalbare doelstellingen te realiseren. Het item energieverbruik is een verderzetting van de regelgeving van de vroegere betoelaging van de landbouwboekhoudingen. De toenmalige subsidieregeling voorzag in een advies rond het energieverbruik uitgedrukt in joule. Sinds een aantal jaren hebben we deze module omgezet in liters brandstof en kilowattuur welk de interpretatie door de bedrijfsleider ten goede komt. Dit naslagwerk hebben we, zonder sponsoring en subsidiëring, kunnen samenstellen dankzij de inzet van onze medewerkers. Zij ervaren hoe erfbetreders de bedrijfsleiders aanzetten tot groei. Ondoordachte groei leidt tot een economisch drama. Daarom is en blijft onafhankelijk advies noodzakelijk. Tenslotte willen we de landbouwers en tuinders danken voor de medewerking aan VACWERK. Dankzij hun data kunnen we u dit cijfermateriaal ter beschikking stellen. Maar vooral, dankzij de tips en voorstellen van de VACWERK gebruikers slagen we erin om van VACWERK een performant boekhoudingsysteem te maken, voor en door agrarische ondernemers.

3 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

4 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Inhoud Voorwoord

p. 3

Inhoud

p. 5

Akkerbouwteelten Methodiek Aardappelen Suikerbieten Granen Wintertarwe Wintergerst KorrelmaĂŻs Ruwvoederteelten Methodiek Grasland Blijvende weide Tijdelijk grasland SilomaĂŻs Voederbiet Klaver Luzerne

p. 7 p. 8 p. 10 p. 12 p. 13 p. 15 p. 17 p. 18 p. 19 p. 20 p. 21 p. 22 p. 23

Fruitteelt Methodiek Appelen Peren Aardbeien

p. 24 p. 25 p. 28 p. 31

Varkenshouderij Methodiek Zeugenhouderij Vleesvarkenshouderij

p. 34 p. 34 p. 38

Geitenhouderij Methodiek

p. 39

Pluimveehouderij Methodiek Legkippenhouderij Vleeskippenhouderij

p. 43 p. 44 p. 47

Vleesveehouderij Methodiek

p. 50

Melkveehouderij Methodiek

p. 54

Energieverbruik

p. 63

Watervebruik

p. 70

Meten is weten

p. 71

5 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

6 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Akkerbouwteelten De akkerbouwgewassen nemen een kleine 212.000 ha van het landbouwareaal in beslag. De grootste groep akkerbouwgewassen zijn de granen, incl. korrelmaĂŻs.

Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met akkerbouwgewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in akkerbouw als om gemengde bedrijven die akkerbouw combineren met tuinbouw en/of veeteelt. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van het hoofdproduct, de verkoop van het bijproduct en voorraadwijzigingen. De perceelsgebonden subsdies worden niet opgenomen in de resultatenrekening. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor zaad en pootgoed, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, loonwerk en diverse directe teeltkosten. Evolutie akkerbouwareaal, ha, Vlaanderen, 2012-2015 2012

2013

2014

2015

granen aardappelen suikerbieten

151486 35752 20703

143226 41712 21054

139507 43415 19778

142030 43638 17647

totaal

221472

218955

216079

212508

(granen incl. droge en vochtige korrelmaĂŻs) bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek

De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz... De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz akkerbouw. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha.

7 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Aardappelen De financiële opbrengsten van aardappelen zijn sterker marktgevoelig dan andere akkerbouwteelten. Het schommelend areaal en opbrengsten zijn hier debet aan. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 5707,00 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst bedraagt ca 35%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst per 100 kg product en de laagste financiële opbrengst per 100 kg product bedraagt ca 45%. Dit toont aan dat de aardappelteelt een sterk prijsgevoelige teelt met weinig voorspelbare elementen is. Aardappelen totaal bruto opbrengst bruto-opbrengst hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst Euro per 100 kg

2012

2013

2014

2015

2016

5979 5979 1985 688 272 562 402 59 3993 860 3133 40840 14,64

6930 6930 2225 763 292 566 514 88 4705 961 3743 43193 16,04

4554 4554 2012 697 251 556 428 79 2541 928 1612 45305 10,05

5637 5637 1537 577 183 408 308 59 4099 903 3196 31107 18,12

5433 5433 1761 584 191 583 346 58 3671 850 2820 31484 17,26

Gemiddeld 5707 5707 1904 662 238 535 400 69 3802 900 2901 38386 14,87

Productiviteit per ha De grafiek zou de lezer verkeerdelijk aantonen dat de productie per ha daalt. Echter de lagere productiecijfers zijn het gevolg van het hogere areaal pootaardappelen en vroege aardappelen in de volledige berekening. Financiële kengetallen Uit de grafiek blijkt dat de invloed van de variabele kosten op de omzet relatief gering is. De invloed van de markt weegt zwaarder door. De variabele kosten zijn fluctuerend omwille van de prijs van het pootgoed, ook hier is het areaal de bepalende factor en de ziektedruk door de weersomstandigheden.

8 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten De structurele kosten fluctueren minder aangezien in ons cijfermateriaal het areaal redelijk constant blijft.

Samenstelling variabele kosten De kosten voor zaad- en pootgoed en de gewasbeschermingsmiddelen zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 63%.

9 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Suikerbieten De financiële opbrengsten van de suikerbieten liggen doorgaans vast aangezien de suikerprijs gekend is en de financiële opbrengst rechtstreeks afhangt van de tonnages suikers dat geproduceerd worden. Het areaal suikerbieten neemt af tengevolge van de hogere productiviteit. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 2982,00 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst bedraagt ca 42%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst per 100 kg product en de laagste financiële opbrengst per 100 kg product bedraagt ca 33%. Dit toont aan dat de suikerbietteelt minder prijsgevoelig is dan de aardappelteelt. De suikermarkt is met andere woorden een stabielere markt. Tabel: Suikerbieten totaal bruto opbrengst bruto-opbrengst hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

2012

2013

2014

2015

2016

2885 2885 1267 241 275 338 392 20 1617 788 829 79779

3241 3241 1236 228 268 327 405 9 2005 745 1260 75483

3795 3795 1191 240 246 317 384 3 2603 714 1888 77283

2800 2800 1339 278 244 356 438 23 1461 880 581 63171

2191 2191 1143 251 189 307 385 11 1049 1320 -271 67178

Gemiddeld 2982 2982 1235 248 244 329 401 13 1747 889 857 72579

Productiviteit per ha De productiviteit is volgens de grafiek stijgend en heeft de grens van 80 ton per ha bereikt.

Financiële kengetallen Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 41% bedragen van de gerealiseerde omzet.

10 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten De variabele kosten zijn fluctuerend omwille van de prijs van de kunstmeststoffen en de gewasbeschermingsmiddelen. De structurele kosten zijn gestegen aangezien het areaal waarop deze kosten kunnen toegerekend worden met 15% is gedaald.

Samenstelling variabele kosten De kosten voor het loonwerk en de gewasbeschermingsmiddelen zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 59%.

11 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Granen Jaarlijks neemt het areaal granen af ten gunste van aardappelen en tuinbouwteelten. De vermindering van het areaal is vooral te wijten een de lage meerwaarde van het gewas tenzij het stro noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Wintertarwe, wintergerst en korrelmaïs zijn de voornaamste graangewassen.

Wintertarwe De financiële opbrengsten van wintertarwe heeft sinds 2014 een duik genomen en was met 17.96 euro per 100 kg ca 27% lager dan in 2012. De prijsvorming is de granen is sterk afhankelijk van de vraag (veevoeding) en de samenstelling van de voeders. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1734 euro. Tabel: Wintertarwe totaal bruto opbrengst bruto-opbrengst hoofdproduct bruto-opbrengst bijproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst Euro per 100 kg

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddeld

2076 1928 149 827 147 196 222 242 20 1249 668 580 8530 24,34

1977 1812 165 839 128 196 224 277 14 1139 646 492 8858 22,32

1634 1557 77 851 141 207 253 242 9 783 744 39 8439 19,36

1644 1564 80 916 129 210 270 287 20 728 736 -8 9154 17,96

1337 1263 74 773 126 165 237 235 9 564 722 -157 8006 16,70

1734 1625 109 841 134 195 241 257 14 893 703 189 8597 20,16

Productiviteit per ha De productiviteit is volgens de grafiek stijgend en kende in 2016 een sterke daling ten gevolge van de wateroverlast van 2016.

Financiële kengetallen Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 50% bedragen van de gerealiseerde omzet. De variabele kosten zijn licht stijgend. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel.

12 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten De structurele kosten zijn gedaald door de inzet van meer werk door derden dan door de inzet van eigen investeringen.

Samenstelling variabele kosten Volgens de grafiek zijn de kosten voor het zaadgoed en de gewasbeschermingsmiddelen de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn beide samen goed voor 63%.

Wintergerst De financiĂŤle opbrengsten van wintergerst hebben sinds 2013 een duik genomen om in 2015 terug het niveau te halen van 2012. De prijsvorming in de granen is sterk afhankelijk van de vraag van uit de veevoeding en het aanbod/prijs van alternatieven. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1630 euro.

Wintergerst totaal bruto opbrengst bruto-opbrengst hoofdproduct bruto-opbrengst bijproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst Euro per 100 kg

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddeld

1908 1884 24 845 117 148 386 191 4 1063 600 463 8620 22,13

1584 1572 13 691 123 141 276 150 1 894 593 300 8260 19,18

1675 1623 52 812 157 207 220 224 3 864 753 110 8500 19,71

1644 1175 80 916 120 163 137 221 20 728 715 -8 7380 22,28

1337 1263 74 773 126 165 237 235 9 564 632 -68 8159 16,39

1630 1503 49 807 129 165 251 204 7 823 659 159 8184 19,91

13 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Productiviteit per ha De productiviteit is volgens de grafiek stijgend. Ondanks de slechte zomer van 2016 tonen de voorlopige cijfers toch nog opbrengsten die redelijk gunstig zijn. De prijs daarentegen is ten gevolge van de slechtere kwaliteit gezakt.

FinanciĂŤle kengetallen Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 50% bedragen van de gerealiseerde omzet. Dit is vergelijkbaar met de wintertarwe. De variabele kosten zijn licht stijgend. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel.

Evolutie kosten De structurele kosten zijn gedaald door de inzet van meer werk door derden dan door de inzet van eigen investeringen.

Samenstelling variabele kosten De kosten voor zaadgoed en loonwerk zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn samen goed voor 60%.

14 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Korrelmaïs De financiële opbrengsten van de korrelmaïs zijn de laatste jaren gestabiliseerd waarschijnlijk te wijten aan het verminderde areaal. Het dalende areaal zou te wijten kunnen zijn aan de minder stabiele graanprijs. De invloed van buitenlands graan voelt men sterk in de korrelmaïs. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 1612 euro.

Tabel: Korrelmais totaal bruto opbrengst bruto-opbrengst hoofdproduct variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst Euro per 100 kg

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddeld

1922 1922 764 197 132 135 283 16 1158 725 433 11184 17,19

1676 1676 678 173 112 122 257 13 999 586 412 11051 15,17

1442 1442 626 172 119 122 213 1 816 734 82 12590 11,45

1478 1478 670 184 102 119 256 9 809 643 165 9675 15,28

1544 1544 622 170 103 125 222 3 918 658 249 12035 12,83

1612 1612 672 179 114 125 246 8 940 669 268 11307 14,26

Productiviteit per ha De productiviteit is volgens de grafiek licht stijgend. Ondanks de slechte zomer van 2016 tonen de voorlopige cijfers toch nog opbrengsten die redelijk gunstig zijn. De beste percelen werden gedorsen voor het graan. De overige percelen werden gehakseld voor ruwvoederwinning. Financiële kengetallen Uit de grafiek blijkt dat de variabele kosten ca 42% bedragen van de gerealiseerde omzet. Dit is het laagste aandeel in de graanteelt.

15 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten De variabele kosten zijn stabiel. Vooral de vermindering van het gebruik van kunstmeststoffen is de reden voor een stabiele kostprijs. De verhouding tussen de verschillende componenten van de variabele kosten blijft stabiel. De structurele kosten zijn gedaald door de inzet van meer werk door derden dan door de inzet van eigen investeringen. Samenstelling variabele kosten De kosten voor zaadgoed en loonwerk zijn de zwaarste uitgaven binnen de variabele kosten en zijn samen goed voor 64%.

16 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Ruwvoederteelten De ruwvoederteelten nemen meer dan 342.000 ha of ca 56% van het landbouwareaal in beslag. De grootste groep ruwvoedergewassen wordt gevormd door de graslanden.

Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met ruwvoedergewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in melkvee of vleesvee als om gemengde bedrijven die veeteelt combineren met akkerbouw of tuinbouw. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor zaad en pootgoed, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, loonwerk en diverse directe teeltkosten. De diverse andere teeltkosten zijn oa bewaringmiddelen, plastiek, enz.... De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz.... Bestemming van de benutte landbouwoppervlakte (ha), Vlaanderen, 2012-2015

voedergewassen weiden maĂŻs

2012

2013

2014

2015

345 847 228 426 114 558

351 544 226 200 122 342

347 236 221 154 122 949

342 285 217 575 119 915

De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz rundveehouderij. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha. De cijfers van 2016 zijn gebaseerd op onvolledige gegevens.

17 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Grasland Voor grasland dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen blijvende weide en intensief productieve weide = tijdelijk grasland.

Blijvende weide De kosten voor de blijvende weide zijn over de vijf jaren met 6% gestegen. Uit de stijging voor de kosten van het zaadgoed en loonwerk kunnen we opmaken dat meer grasland sneller wordt vernieuwd. De vernieuwing komt de kwaliteit van het grasland ten goede en manifesteert zich meer en meer bij de zoogkoe-vleesveehouders. De hoogste kosten zijn voor het loonwerk en de bemesting. De loonwerkkosten zijn gestegen en dit voornamelijk door de heraanleg van het grasland. De bemestingskosten zijn dalende dankzij de verbeterde valorisering van de dierlijke meststoffen. Blijvende weide 2012

2013

2014

2015

2016

gemiddeld

verschil tov 2012

379 12 179 11 154 23

409 18 171 10 197 14

483 25 213 13 214 18

405 25 167 10 189 13

402 21 158 7 190 23

416 20 178 10 189 18

106% 175% 88% 64% 123% 100%

variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten Evolutie variabele kosten

Samenstelling variabele kosten

18 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Tijdelijke grasland De kosten voor het tijdelijk grasland zijn over de vijf jaren met 8% gedaald en dit dankzij de lagere bemestingskosten door de verbeterde valorisering van de dierlijke meststoffen. De hoogste kosten zijn voor het loonwerk en de bemesting. De loonwerkkosten zijn relatief constant gebleven. De kostprijs van een blijvende weide is ca. 33,00 euro per ha lager of ca 8%. Tijdelijk grasland 2012

2013

2014

2015

2016

gemiddeld

verschil tov 2012

432 56 173 11 212 10

464 50 118 15 266 15

530 69 166 13 260 22

463 53 152 3 219 7

356 44 93 3 202 11

449 54 140 9 232 13

82% 79% 54% 27% 95% 110%

variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten Evolutie variabele kosten

Samenstelling variabele kosten

19 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Silomaïs De kosten voor silomaïs zijn tov 2012 met 13% gestegen. De stijging is voornamelijk toe te schrijven aan de stijging voor de gewasbescherming en de diverse teeltkosten. Het aantal verplichte bodemstalen is er niet vreemd aan. De hoogste kosten zijn voor het loonwerk en het zaaigoed. Silomaïs 2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddeld

Verschil tov 2012

770 172 111 105 360 21

844 176 137 112 386 32

864 180 134 109 403 37

866 179 126 116 414 31

867 176 117 116 406 26

842 177 125 112 394 29

113% 102% 105% 110% 113% 124%

variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten Evolutie variabele kosten

Samenstelling variabele kosten

20 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Voederbiet De kosten voor de teelt van voederbieten zijn tov 2012 met 21% gestegen. De stijging is voornamelijk toe te schrijven aan de stijging voor de gewasbescherming en het loonwerk. De teelt van voederbieten is arbeidsintensief welk de hoge loonwerkkosten aantonen. Voederbieten variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddeld

Verschil tov 2012

1200 299 208 333 353 8

1264 299 236 393 332 4

1278 290 210 320 452 6

1340 301 211 345 487 6

1454 314 207 388 541 5

1307 301 214 356 433 6

121% 105% 100% 117% 153% 63%

Evolutie variabele kosten

Ondanks het arbeidsintensieve aspect wint de teelt van voederbieten aan belang.

Samenstelling variabele kosten

De voordelen van voederbieten zijn: • Hoge en stabiele DS-opbrengst • Uitstekende voederwaarde • Hoge opneembaarheid: tussen RV en KV • Smakelijk en gezond • Vruchtafwisseling (diepe penwortel) / doorbreken monocultuur maïs, vergroening GLB • Bestrijding probleemonkruiden • Milieuvriendelijk gewas • Hoge N-opname door het gewas (wortel + loof) • Beperkt risico op N-uitloging • Zeer gering % overschrijding norm nitraatresidu • Inkuilen samen met andere voedermiddelen is praktisch uitvoerbaar en maakt vervoederen zeer eenvoudig • Voederbieten vormen een haalbaar alternatief voor perspulp omdat de bewaringstechnieken zijn verbeterd Hoe later de oogst plaatsvindt hoe hoger de opbrengsten zijn met een hoger DS% wat zorgt voor een betere bewaring. Door de late oogst verhoogt het risico op slechte omstandigheden. Daarom adviseert men om te ontbladeren en niet te ontkoppen en dit voor een betere bewaarbaarheid. Tracht verder de bieten zo proper mogelijk en zonder beschadiging in te kuilen. De kuil bevindt zich in open lucht op een verharde bodem. Er wordt een ventilatiegleuf bij grote hopen voorzien. Het afdekken dient enkel bij vorst te gebeuren. Wanneer de vorst voorbij is dient de folie terug gerold te worden. Met deze maatregelen behoudt men een zeer goed voeder en blijven de bewaarverliezen heel beperkt tot 15 maart (3-5%).

21 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Klaver De kosten voor de ruwvoederproductie uit klaver en gras-klaver bedragen ca 400 euro. Ook bij deze teelt is de loonwerkkost de hoogste kost. Dit duidt temeer de tendens aan om werk uit te besteden aan derden in plaats van eigen arbeid en investeringen. Klaver variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten

2015

2016

gemiddeld

413 97 85 32 197 3

379 66 36 9 261 12

396 82 61 21 229 8

Evolutie variabele kosten

Samenstelling variabele kosten

22 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Luzerne De kosten voor de ruwvoederproductie uit luzerne bedragen ca 485 euro. Ook bij deze teelt is de loonwerkkost de hoogste kost gevolgd door de zaadgoedkosten. Luzerne variabele kosten zaad en pootgoed meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten

2015

2016

gemiddeld

411 212 61 18 108 35

553 179 52 17 323 33

482 196 57 18 216 34

Evolutie variabele kosten

Samenstelling variabele kosten

23 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Fruitteelten De fruitteelt vertegenwoordigt ca. 15.000 ha binnen het landbouwareaal. Hiervan nemen de appelen en peren het grootste deel van in beslag.

Methodiek De analyse gebeurt voor bedrijven met fruitteeltgewassen welke voor de bedrijfseconomische boekhouding beroep doen op het VACwerk programma van het VAC. Het gaat hierbij zowel om bedrijven gespecialiseerd in fruitteelt als om gemengde bedrijven die fruitteelt combineren met akkerbouw/veeteelt. De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten verminderd met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van het hoofdproduct. De perceelsgebonden subsidies worden niet opgenomen in de resultatenrekening. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor plantgoed, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, loonwerk, diverse directe teeltkosten, verkoopkosten, kosten voor bewaring en seizoensarbeid. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Dit bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz.... De vaste kosten zijn niet per teelt toegewezen maar wel per bedrijfstak, ttz tuinbouw. Alle cijfers zijn uitgedrukt per ha en per 100 kg. De aardbeien worden behandeld per are. De cijfers van 2016 zijn gebaseerd op onvolledige gegevens en zijn gebaseerd op geschatte waardes van verkoopbare voorraden. Sinds boekjaar 2015 worden de kosten van seizoensarbeid opgedeeld in product-, oogst- en teeltkosten. Bij de aardbeien werd geen onderscheid gemaakt tussen de teelttypes. De biologische landbouw werd integraal opgenomen in de gemiddelden. Fruit - aantal ha

Aardbeien Appel Peer

2016

2017

1.236,26 5.576,60 9.027,68

1.295,22 5.856,30 8.739,84

24 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Appelen De financiële opbrengsten van de appelen zijn per ha relatief stabiel aangezien het marktmechanisme van vraag en aanbod de lagere producties compenseert met hogere prijzen en omgekeerd. De cijfers van 2016 geven een vertekend beeld wegens de wateroverlast van juni 2016 en de lager opbrengsten. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 11575 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst bedraagt ca. 22%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst per 100 kg product en de laagste financiële opbrengst per 100 kg product bedraagt ca 23%. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod. Appelen per 100 kg 2012 totaal bruto opbrengst variabele kosten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

33,62 15,99 0,44 3,21 0,18 0,58 4,03 0,17 7,38 0,00 0,00 0,00 17,63 14,84 2,79 38800

2013 34,44 20,41 0,92 5,60 1,76 0,71 4,04 0,00 7,01 0,00 0,00 0,00 14,03 12,87 1,16 36100

2014 27,93 14,40 0,52 4,75 0,84 0,31 3,97 0,00 4,01 0,00 0,00 0,00 13,53 8,28 5,24 40400

2015 27,33 13,10 0,37 3,21 0,76 0,11 2,90 0,30 5,45 4,16 1,05 0,24 14,23 11,90 2,33 39264

2016 33,11 20,18 0,72 7,12 0,02 0,43 4,43 0,10 7,36 5,86 1,50 0,31 12,93 25,05 -12,12 33230

gem. 31,29 16,82 0,59 4,78 0,71 0,43 3,87 0,11 6,24 5,01 1,28 0,28 14,47 14,59 -0,12 37559

Appelen per ha totaal bruto opbrengst variabele kosten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

2012

2013

2014

2015

2016

gem.

12928 6085 167 1156 76 219 1641 77 2749 0 0 0 6843 5576 1268 38800

12248 7008 305 1830 697 274 1466 0 2351 0 0 0 5240 4512 728 36100

11084 5635 202 1911 306 114 1536 0 1566 0 0 0 5448 3298 2150 40400

11482 6677 182 1557 355 102 1422 158 2900 2305 506 89 4805 4984 -179 39264

10132 5584 186 1875 4 110 1352 28 2030 1818 412 95 4548 6222 -1675 33230

11575 6198 208 1666 288 164 1483 53 2319 2062 459 92 5377 4918 458 37559

Productiviteit De grafiek over de productiviteit toont duidelijk de impact van de waterschade in 2016.

25 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

FinanciĂŤle kengetallen per ha De variabele kosten per ha bedragen 53.54% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt 53.7%. Een verwaarloosbaar verschil wat aantoont dat de variabele kosten nauw verbonden zijn met de productie.

FinanciĂŤle kengetallen per 100 kg

Samenstelling variabele kosten per ha De drie grootste kostenposten zijn seizoensarbeid, gewasbescherming en verkoopkosten. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per ha of per 100 kg.

Samenstelling variabele kosten per 100 kg

26 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie variabele en structurele kosten per ha

Evolutie variabele en structurele kosten per 100 kg

Samenstelling arbeidskosten per ha

Samenstelling arbeidskosten per 100 kg

Zoals voorheen aangetoond volgt de variabele kost de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz.) echter volgen de productie niet en bedragen sinds 2016 (rampjaar) meer dan de variabel kosten. Dit is een gevaarlijke situatie en dreigt de bedrijven in liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen te brengen. Door de hoge structurele kost is het fruitteeltbedrijf structureel ongezond en tegen een te hoog risico aan het ondernemen.

Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk-programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in: • Teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten, opkweken, en snoeien van de planten, • Oogstkosten, dit zijn de pluk- en oogstkosten • Productkosten, dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken, enz... van het fruit. Per ha bedragen de oogstkosten 80% terwijl per 100 kg deze een aandeel hebben van 78%. De productkosten bedragen voor appelen 1.50 euro per 100 kg. Dit geeft de bedrijfsleider de nodige tools om af te wegen of het loont om de productbehandeling (voornamelijk sorteren en verpakken) uit te besteden of in eigen beheer te organiseren.

27 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Peren De financiële opbrengsten van de peren hebben zwaar te lijden onder de Ruslandboycot. Daarbovenop heeft de perenteelt in 2016 zwaar te lijden gehad onder de waterschade en stormschade van 2016. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 18110 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst bedraagt ca 49 %. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst per 100 kg product en de laagste financiële opbrengst per 100 kg product bedraagt ca 36%. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod. Het areaal peren blijft toenemen en is groter geworden dan het areaal appelen. Peren per ha totaal bruto opbrengst variabele kosten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

2012

2013

2014

2015

2016

gem.

17378 6376 211 1437 54 211 1623 430 2409 0 0 0 11002 5671 5331 31900

16487 6129 252 1684 344 147 1399 335 2292 0 0 0 10358 5884 4474 32200

25403 5892 192 2163 423 67 2284 302 764 0 0 0 19510 5067 14443 54500

18163 8501 2 1869 280 111 1616 322 4066 2823 983 260 9662 5215 4447 33846

13120 6609 237 2422 5 106 1214 156 2468 2022 397 49 6511 7142 -631 28363

18110 6701 179 1915 221 128 1627 309 2400 2423 690 155 11409 5796 5613 36162

2012

2013

2014

2015

2016

gem.

Peren per 100 kg totaal bruto opbrengst variabele kosten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

55,06 21,59 0,67 5,13 0,20 0,75 5,15 1,52 8,17 0,00 0,00 0,00 33,46 19,55 13,91 31900

51,03 19,74 0,85 5,64 1,06 0,38 4,42 0,85 7,35 0,00 0,00 0,00 31,30 17,69 13,61 32200

51,18 16,05 0,60 5,21 1,31 0,21 6,35 0,81 2,37 0,00 0,00 0,00 35,13 13,33 21,80 54500

35,17 15,96 0,50 3,67 0,62 0,02 3,28 0,85 7,04 4,49 1,95 0,60 19,21 8,94 10,27 33846

42,50 27,04 0,95 9,92 0,01 0,40 2,96 0,79 12,00 9,88 1,89 0,24 15,46 22,82 -7,36 28363

46,99 20,08 0,71 5,91 0,64 0,35 4,43 0,96 7,39 7,19 1,92 0,42 26,91 16,47 10,45 36162

Productiviteit De grafiek over de productiviteit toont duidelijk de impact van de waterschade in 2016.

28 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

FinanciĂŤle kengetallen per ha De variabele kosten per ha bedragen 37% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt 43%. Het verschil is merkelijk groter dan bij appelen, wat wijst op een hoger aandeel variabele kost welke gerelateerd is aan de hoeveelheid product, bv. de verkoopskosten.

FinanciĂŤle kengetallen per 100 kg

Samenstelling variabele kosten per ha De drie grootste kostenposten zijn seizoensarbeid, gewasbescherming en verkoopkosten. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per ha of per 100 kg.

Samenstelling variabele kosten per 100 kg

29 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten variabele en structurele kosten per ha

Evolutie kosten variabele en structurele kosten per 100 kg

Samenstelling arbeidskosten per ha

30 Vlaams Agrarisch Centrum

Samenstelling arbeidskosten per 100 kg

Zoals voorheen aangetoond volgt de variabele kost de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz.) echter volgen de productie niet. Per ha en ten gevolge de waterschade van 2016 bedragen deze in 2016 meer dan de variabele kosten. Het fenomeen ziet er gezonder uit wanneer we de grafiek zien per 100 kg. De grafieken duiden een alarmfase aan doch is nog niet zo gevaarlijk als bij de appelen.

Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk-programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in: • Teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten, opkweken, en snoeien van de planten, • Oogstkosten, dit zijn de pluk- en oogstkosten • Productkosten, dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken, enz... van het fruit. Per ha bedragen de oogstkosten 74% terwijl per 100 kg deze een aandeel hebben van 76%. De productkosten bedragen voor de peren 1.92 euro per 100 kg. Dit geeft de bedrijfsleider de nodige tools om af te wegen of het loont om de productbehandeling (voornamelijk sorteren en verpakken) uit te besteden of in eigen beheer te organiseren.


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Aardbeien De financiële opbrengsten van de aardbeien waren in 2016 goed. Gemiddeld over de vijf jaren bedraagt de opbrengst 700 euro. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst bedraagt ca. 65%. De schommeling tussen de jaren met de hoogste financiële opbrengst en de laagste financiële opbrengst per 100 kg product bedraagt ca 55%. Dit toont aan dat prijsvorming sterk afhankelijk is van het aanbod. Het areaal aardbeien verschuift jaarlijks meer van vollegrondsteelt naar stellingteelten en er worden inspanningen geleverd voor een optimale teeltspreiding. Aardbeien per are 2012 totaal bruto opbrengst variabele kosten planten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

319,95 138,80 20,13 2,11 15,95 9,56 5,64 30,04 0,08 55,29 0,00 0,00 0,00 181,15 41,68 139,47 190,00

2013 898,30 409,28 67,18 17,85 28,03 68,24 61,64 39,83 0,93 125,58 0,00 0,00 0,00 489,02 164,31 324,71 308,00

2014 673,28 392,11 66,85 24,85 41,81 13,84 23,75 60,79 8,43 151,79 0,00 0,00 0,00 281,18 83,75 197,43 293,00

2015 774,97 406,87 53,42 18,50 33,94 8,27 39,96 32,42 4,10 216,27 177,66 30,68 7,94 368,09 124,86 243,23 236,00

2016 834,84 480,76 52,56 21,54 27,86 7,62 41,55 42,54 4,22 282,87 79,76 2,23 200,88 354,08 244,37 109,72 298,00

gem. 700,27 365,56 52,03 16,97 29,52 21,51 34,51 41,12 3,55 166,36 128,71 16,46 104,41 334,70 131,79 202,91 265,00

Aardbeien per 100 kg 2012 totaal bruto opbrengst variabele kosten planten meststoffen gewasbescherming loonwerk diverse teeltkosten verkoopkosten bewaarkosten seizoensarbeid oogst product teelt bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen kg opbrengst

163,32 73,66 11,18 1,10 9,18 5,72 2,45 15,66 0,04 28,34 0,00 0,00 0,00 89,66 23,37 66,37 190,00

2013 296,89 136,06 24,07 6,16 9,49 25,32 21,20 13,15 0,25 36,42 0,00 0,00 0,00 160,83 53,21 107,62 308,00

2014 229,77 127,53 23,21 7,98 14,58 4,78 7,21 20,25 2,48 47,04 0,00 0,00 0,00 102,24 28,85 73,39 293,00

2015 187,97 102,47 14,70 4,02 8,90 3,75 7,31 10,64 0,55 52,60 36,99 11,00 4,61 85,49 28,74 56,76 236,00

2016 251,92 154,39 21,30 6,66 10,52 3,51 10,01 15,88 1,43 85,06 38,01 1,04 46,00 97,53 56,88 40,66 298,00

gem. 225,97 118,82 18,89 5,18 10,53 8,62 9,64 15,12 0,95 49,89 37,50 6,02 25,31 107,15 38,21 68,96 265,00

Productiviteit De grafiek over de productiviteit toont aan dat door verschillende teelttechnieken te combineren de productie per bedrijf stabiel is.

31 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

FinanciĂŤle kengetallen per ha De variabele kosten per ha bedragen 52% van de omzet. Het aandeel variabele kosten per 100 kg bedraagt ook 52%. Het verschil is verwaarloosbaar, wat aantoont dat de variabele kosten nauw verbonden met de productie.

FinanciĂŤle kengetallen per 100 kg

Samenstelling variabele kosten per ha De grootste kostenpost is de seizoensarbeid. Er is weinig verschil in samenstelling tussen de eenheid per are of per 100 kg.

Samenstelling variabele kosten per 100 kg

32 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Evolutie kosten variabele en structurele kosten per ha Zoals voorheen aangetoond volgt de variabele kost de productie. De structurele kosten (pacht, afschrijvingen, rentes, algemene kosten enz.) volgen in tegenstelling tot het hardfruit de productie. De aardbeiteelt is structureel een gezonde teelt.

Evolutie kosten variabele en structurele kosten per 100 kg

Samenstelling arbeidskosten per ha

Samenstelling arbeidskosten per 100 kg

Aangezien de gelegenheidsarbeid de omvangrijkste variabele kost is, is het interessant deze belangrijke kost dieper te analyseren. Sinds boekjaar 2015 kunnen de deelnemers van het VACwerk-programma de arbeidskosten gedetailleerd registreren. De arbeidskosten worden opgedeeld in: • Teeltkosten, dit zijn de arbeidskosten voor het planten, opkweken, en snoeien van de planten, • Oogstkosten, dit zijn de pluk- en oogstkosten • Productkosten, dit zijn de kosten verbonden aan het sorteren, inpakken, enz... van het fruit. Per are bedragen de oogstkosten 51% terwijl per 100 kg deze een aandeel hebben van 54%.

33 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Varkenshouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2007 tot en met 2016 schetsen we hier een beeld van de productiviteit in de varkenshouderij gedurende de voorbije tien jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van zeugenbedrijven en gesloten varkensbedrijven. De verdeling van de opbrengsten en kosten in de gesloten varkensbedrijven is niet zo evident daar opbrengsten en kosten intern worden doorgeschoven. Opgelet, de cijfers van boekjaar 2016 zijn gebaseerd op voorlopige resultaten.

Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de varkens en de voorrraadwijzigingen. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, dekkingskosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie enz... De cijfers zijn uitgedrukt per zeug, per big en per verkocht vleesvarken.

Zeugenhouderij Levend geboren biggen per zeug De productiviteit van de zeugen is tijdens de tienjarige periode stelselmatig gestegen. Het aantal levend geboren biggen per zeug is gestegen van 22.2 biggen per zeug naar 31.40 biggen per zeug. Deze relatieve stijging bedraagt 29%. De productiviteitsstijging blijft gestaag toenemen.

34 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Percentage gestorven biggen Het percentage gestorven biggen fluctueert tussen 13.95% hoogste en 12.14% als laagste.

Worpindex De worpindex schommelt weinig en situeert zich rond de 2.4. De worpindex is hoger op de betere bedrijven. Verschillen hier komen zowel voort uit het dekmanagement als uit de kortere speenleeftijd.

Variabele kosten per zeug De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) blijven stijgen alhoewel de stijgingstoename vertraagt en zelfs voor 2016 is gedaald. Opmerkelijk is dat het aandeel voederkost minder snel is gestegen dan de andere kostenposten, sanitaire ingrepen, mestafzet, enz...

Voederverbruik in kg per zeug Het voederverbruik per zeug fluctueert tussen 1166 kg per zeug en 1200 kg per zeug.

35 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Opbrengst-voerkostratio per zeug

Een reden temeer om de opbrengst-voerkostratio onder de loep te nemen. De opbrengst-voerkostratio geeft de verhouding weer tussen de opbrengst en de voederkosten. In 2007 bedroeg de opbrengst-voerkostratio 1.42 wat betekent dat de opbrengst 1.42 keer hoger was dan de voederkostprijs. U ziet in de grafiek dat de opbrengst-voerkostratio een daling van de OVR per zeug laat optekenen, deels door de lagere omzetcijfers en deels door de hogere voederprijzen. Voor 2016 lijkt de verbetering van de opbrengst-voerkostratio zich verder te zetten.

Variabele kosten per big Eenzelfde tendens merken we op wanneer de variabele kosten per big bekijken. De andere variabele kosten, excl. voederkosten, vormen relatief een grotere kostenpost.

Kostenstructuur zeugenhouderij Bijgaande figuur geeft de evolutie weer van de kostenstructuur van de zeugenhouderij.

36 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

De structurele kosten Ondanks de uitbreidingen zijn de structurele kosten onder invloed van de significante milieu-investeringen (mestopslag, groepshuisvesting, luchtwassers, aankoop nutriënten) per eenheid niet gedaald. Er is zwaar geïnvesteerd in procesinnovatie en niet in productinnovatie. Dit investeringsproces leidt tot zware complicaties op bedrijfsniveau. Het is aan iedere individuele varkenshouder om zijn eigen rekening te maken en zich af te vragen of groei tot glorie van de leveranciers en afnemers, beter is dan een goed management en verfijning van de technieken. Ontwikkeling kan ook zonder groei en kan tot gunstiger financiële resultaten leiden.

Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritaire te richten op de worpindex, het productiegetal, het vervangingspercentage en de voederkosten. De worpindex: De worpindex fluctueert tussen 2.2 en 2.4 per jaar. De worpindex kan positief evolueren indien je weet dat bedrijven met een hogere worpindex minstens 85% van de zeugen drachtig zijn na de eerste dekking. Het aantal terugkomers is lager dan 15%. Tevens verwerpen maximaal 4% van de aanwezige zeugen. Het interval spenen-bronst beïnvloedt eveneens de worpindex. Doorgaans wordt 95% van de zeugen geïnsemineerd voor de 7de dag na het spenen (interval spenen-bronst 5-7 dagen). Een interval spenen-bronst van meer dan 10 dagen bij 10% van de zeugen is problematisch. Het aantal verliesdagen, het verschil tussen de afvoerdatum en de laatste speendatum van de zeug, is vanzelfsprekend zo laag mogelijk. Het productiegetal: Het productiegetal is het aantal gespeende biggen per zeug en per jaar. Deze wordt bepaald door de worpindex en worpgetal (#geboren/zeug/jaar). Een hogere worpgrootte kan tientallen euro meer opbrengst regenereren per zeug. Gemiddeld daalt de kostprijs per big met 0.8 euro wanneer er 1 big per zeug per jaar meer wordt geproduceerd. Men mag zich niet blindstaren op het productiegetal alleen. Belangrijk en prioritair is een goede bigkwaliteit (geboortegewicht en groei) en -vitaliteit. Met het oog op het behalen van goede zeugprestaties tijdens de volgende cycli is het eveneens aangewezen om de conditie van de zeugen op te volgen door middel van spekdiktemetingen (op 80 dagen dracht, bij werpen en bij spenen) en indien nodig deze via het voedermanagement bij te sturen. Als leidraad kan worden gesteld dat het spekdikteverlies tussen werpen en spenen niet meer dan 4 mm bedraagt. Het vervangingspercentage: Een optimaal vervangingspercentage situeert zich tussen de 40-45%, dus durf tijdig te vervangen. Een goede leeftijdsspreiding is essentieel. Voederkost: Het voederverbruik per zeug per jaar dient lager te zijn dan 1150 kg. De voedergift is afhankelijk van de voederwaarde (energie en eiwit), omgeving (klimaat), dierfactoren (onrust, conditie, genetica, worpgetal). Let op, goedkoop is niet altijd beterkoop.

37 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Vleesvarkens Variabele kosten per vleesvarken De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) zijn dalend doch de dalende trend is afgezwakt.

Voederverbruik in kg per vleesvarken Het voederverbruik per geproduceerd vleesvarken is structureel dalend, m.a.w. de voederconversie verbetert stelselmatig.

Opbrengst-voerkostratio vleesvarkens De opbrengst-voerkostratio geeft de verhouding weer tussen de opbrengst en de voederkosten. In 2007 bedroeg de opbrengst-voerratio 1.36 wat betekent dat de opbrengst 1.36 keer hoger was dan de voederkostprijs. U ziet in de grafiek dat de opbrengst-voerkostratio een daling van de OVR per geproduceerd vleesvarken liet optekenen. In 2016 is de tendens in positieve zin verbeterd.

Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritaire te richten op de voederconversie, de dagelijkse groei, de groeisnelheid/mestduur, de uitval of sterfte en de voederkost. De voederconversie: De voederconversie is het aantal kg voeder dat nodig is voor 1 kg gewichtsaanzet. De bruto-voederconversie wordt berekend op basis van alle geproduceerde kg’s (dus ook de gestorven varkens!), de economische voederconversie wordt berekend op basis van de verkochte kg’s vlees. De nutritionele voederconversie wordt berekend op basis van de bruto voederconversie waarbij gewichtsaanzet gecorrigeerd wordt naar opleggewicht van 20 kg en aflevergewicht van 100 kg. De voederconversie kan verbeterd worden door het voeder morsen te beperken, het toepassen van meerfasenvoedering en de overgang van het voeder toepassen op het juiste gewicht. Let vooral op dat er steeds voldoende en proper water ter beschikking is.

38 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Geitenhouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2012 tot en met 2016 schetsen we hier een beeld van de rentabiliteit in de melkgeitenhouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van gangbare en biologische melkgeitenhouderijen.

Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de melk, aanwas van de veestapel en verkoop en aankoop van dieren. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veearstkosten, dekkingskosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz... De cijfers zijn uitgedrukt per melkgeitenplaats en per 100 liter geproduceerde melk. We opteren om de berekeningen te maken per geitenmelkplaats omdat we dan de totale kosten kunnen in rekening brengen en omrekenen per plaats.

Situering De melkgeitenhouderij kent een explosieve uitbreiding. Volgens de gegevens van het mestrapport waren er in 2007 15.000 geiten geregistreerd. In 2015 werden er reeds 36.000 geiten geregistreerd. Terwijl de melkgeitenhouderij voorheen gekenmerkt werd door zelfverwerking en relatieve kleinschaligheid is de sector, door de vraag naar geitenmelk en dito prijzen, een investeringssector geworden waarin enkele grote bedrijven zich hebben gevestigd. De geitenmelkprijs komt tot stand op basis van vraag en aanbod. Na 2010 zijn de melkprijzen gaan stijgen met een uitzonderlijk hoge prijs sinds 2014. In 2016 lijkt de prijs enigszins getemperd. Melkprijs

39 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Analyse per plaats Variabele kosten en opbrengst per plaats De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) blijven stijgen en zijn in 2016 8% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. De opfokkosten van een lam bedraagt ca 180 euro. Per drachtige geit worden jaarlijks gemiddeld 1.8 levende lammeren geboren. Gemiddeld wordt per worp 0.35 lammeren opgefokt tot melkgeit. De overige lammeren worden verkocht voor de afmesting. In 2014 en 2015 werden er hogere prijzen gerealiseerd voor de verkoop van lammeren omwille van de groei van de veestapel. Voederkosten per plaats De voederkosten vormen het grootste aandeel in de variabele kosten. De voederkost kennen een stijging van 12% per plaats voornamelijk toe te schrijven aan een hogere krachtvoedergift en krachtvoederprijs.

Strucurele kosten per plaats De investeringen in melkinstallaties en stallen worden verspeid over meer plaatsen waardoor de structurele kost per plaats 3% lager is dan het vijfjaarlijkse gemiddelde.

Melkproductie per plaats De productie per plaats is met 7% gestegen ten opzichte van het vijfjaarlijks gemiddelde.

40 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Analyse per 100 liter Variabele kosten en opbrengst per 100 liter De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) blijven stijgen doch de stijging per 100 l is minder significant dan de stijging per plaats. Terwijl in 2016 de variabele kost per plaats 8% hoger is dan het vijfjarig gemiddelde bedraagt de stijging per 100 l 2%.

Voederkosten per 100 liter De voederkosten vormen het grootste aandeel in de variabele kosten. De voederkost kennen een stijging van 10% per 100 l voornamelijk toe te schrijven aan een hogere krachtvoedergift en krachtvoederprijs.

Strucurele kosten per 100 l De investeringen in melkinstallaties en stallen worden verspeid over meer liters melk waardoor de structurele kost per 100 l 8% lager is dan het vijfjaarlijkse gemiddelde.

41 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. Deze impact dient zich prioritair te richten op de melkproductie. We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens. We gaan uit van een standaardbedrijf gebaseerd op 800 geiten met een gemiddelde prodcutie van 1.100 kg melk/geit/jaar. Omschrijving Opbrengsten verkoop melk verkoop foklammeren verkoop geiten verkoop nuchtere lammeren Totaal opbrengsten

Hoeveelheid 1100 kg 8% 26 % 1,3

Prijs

Bedrag

0,52/kg 275 12,5 -4

(in euro) 572,00 22,00 3,25 -5,20 592,05

Variabele kosten Voeder Stro Veekosten Energie Overige directe kosten Totaal

265,00 28,20 27,00 15,00 10,00 345,20

Saldo per geit

246,85

Wanneer we deze cijfers omrekenen naar verschillende productie-niveau’s krijgen we volgend resultaat. Productie

900 l

1100 l

1300 l

Opbrengsten

53,62

53,82

54,39

Variabele kosten Voeder Stro Veekosten Energie Overige directe kosten Totaal

26,11 3,13 2,70 1,67 1,11 34,72

24,09 2,56 2,45 1,36 0,91 31,38

23,08 2,17 2,28 1,15 0,77 29,45

Saldo per 100 kg melk

18,99

22,44

24,93

Bij een melkproductiestijging van 44%, van 900 liter naar 1300 liter, stijgt het saldo met 31%. Het is de moeite waard om een uitgebalanceerd voederrantsoen samen te stellen. Technische begeleiding is dus noodzakelijk.

42 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Pluimveehouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2012 tot en met 2016 schetsen we hier een beeld van de rentabiliteit in de pluimveehouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van gangbare en biologische pluimveebedrijven.

Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de eieren en dieren. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor aankoop van dieren, voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veearstkosten, sanitaire kosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz... De cijfers zijn uitgedrukt per 1000 plaatsen.

Situering De pluimveehouderij bestaat, vereenvoudigd, uit de leghennenhouderij, de moederdierenhouderij en vleeskippenhouderij. In 2015 waren er 19.930.414 vleeskippen en 6.933.062 legkippen. Totaal in 2015: 32.128.295 stuks pluimvee, in 2012: 30.151.029 stuks pluimvee. Evolutie van de pluimveestapel in Vlaanderen 2001 - 2015, index 2001= 100%

43 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

In 2013 waren er 448 bedrijven met legkippen en 520 bedrijven met vleeskippen.

Legkippenhouderij Productie Prijsvorming en productie De eierprijs situeert zich in een vork tussen 75 en 125 euro per 100 kg. De volatiliteit bedraagt 66%. Onder invloed van de Fipro-nilcrisis is de eierenprijs spectaculair gestegen. Het aantal eieren per leghen bedraagt in 2016 318 eieren. Dit is 2% meer dan het vijfjarig gemiddelde.

Nationale prijs bruinschalige kooi-eieren klasse A

44 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

kooihuisvesting (witte eieren) productieperiode

scharrelhuisvesting (bruine eieren)

scharrelhuisvesting (witte eieren)

12/13

13/14

14/15

15/16v

12/13

13/14

14/15

15/16v

12/13

13/14

14/15

15/16v

technisch (#koppels)

(10)

(19)

(21)

(9)

(139)

(112)

(112)

(59)

(71)

(105)

(89)

(84)

opfokperiode (dagen)

16

18

14

21

19

18

19

19

20

19

20

20

levensweek

91

85

82

97

80

80

85

80

85

87

89

91

leegstand (dagen)

12

9

24

31

39

19

23

21

26

21

28

19

uitval legperiode (%)

8,5

7,3

6,7

9,1

9,1

8,8

8,2

7,8

9,0

8,5

8,9

8,6

legpercentage

89,9

91,2

90,3

89,5

88,0

88,3

87,2

88,3

90,8

90,1

90,1

90,9

eieren/20 wkn hen (st.)

422

398

381

460

352

361

380

362

398

403

427

426

kg ei/20 wkn hen

25,8

24,3

23,5

28,4

21,6

22,1

23,7

22,4

24,4

24,9

26,5

26,3

eigewicht (g)

61,0

61,2

61,7

61,7

61,1

60,7

61,9

61,8

61,5

61,5

61,9

61,6

voerverbruik pdpd (g)

110,1

110,1

111,2

109,0

120,3

118,1

118,7

120,7

117,1

115,7

115,8

116,4

voer per ei (g)

122,0

120,9

123,2

121,8

136,8

133,8

136,4

136,8

128,9

128,5

128,6

128,1

voerconversie

2,00

1,98

2,00

1,98

2,23

2,19

2,20

2,22

2,07

2,09

2,08

2,07

vrije uitloop productieperiode

biologische

12/13

13/14

14/15

15/16v

12/13

13/14

14/15

15/16v

technisch (#koppels)

(65)

(49)

(51)

(49)

(48)

(42)

(50)

(56)

opfokperiode (dagen)

18

18

19

19

20

17

19

19

levensweek

75

79

82

80

76

76

77

74

leegstand (dagen)

29

26

32

24

29

32

22

40

uitval legperiode (%)

9,9

8,7

8,8

9,2

7,9

8,8

9,0

7,0

legpercentage

88,9

89,2

89,2

88,8

87,9

87,5

87,8

88,8

eieren/20 wkn hen (st.)

337

364

367

356

341

360

337

319

kg ei/20 wkn hen

20,2

22,3

22,9

22,6

21,3

22,4

20,8

19,3

eigewicht (g)

60,8

61,1

61,3

61,8

61,5

61,7

61,2

61,0

voerverbruik pdpd (g)

122,3

119,6

121,0

121,0

124,9

124,5

122,7

124,1

voer per ei (g)

135,1

134,2

135,8

136,4

142,2

142,3

139,6

139,7

voerconversie

2,22

2,20

2,20

2,21

2,29

2,30

2,29

2,31

Analyse per 1000 plaatsen De variabele kosten en opbrengsten per 1000 leghennen De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) zijn sterk afhankelijk van de voederprijzen, vnl. de graanprijzen.

Voederkosten per 1000 leghennen De voederkosten zijn in 2016 10% lager dan het vijfjarig gemiddelde.

45 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Kostenstructuur per 1000 leghennen De structurele kosten per 1000 plaatsen kennen een dalende tendens

Groei door ontwikkeling Terwijl bijvoorbeeld in de melkveehouderij de melkproductie per koe kan verhoogd worden door selectie, voedersamenstelling en diermanagement ligt de impact van het management in de eierproductie per leghen op andere vlakken. De eiproductie per leghen hangt samen met de lengte van de productieperiode, de bereikte topproductie, de uitval en de persistentie van de legcurve. Het management richt zich op stalsystemen (structurele kost) en voedersamenstelling (variabele kost). Kolonie- Scharrel Vrije BioloProductie huisvesting uitloop gisch De kengetallen weergegeven in het wit bruin bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetal- Productieperiode (dagen) len geven een zicht op wat voorbij is. Ze opfok (17-20 we.) 20 21 21 21 490 455 434 406 stellen de bedrijfsleider in staat om de leg (vanaf 20 we.) 20 21 21 21 kengetallen en management bij te stu- leegstand ren. Uitval (%) De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen.

overgang (17-20 we.) leg (vanaf 20 we.)

0,3 9

0,3 9

0,3 10

0,3 11

eieren per 20 we. hen (st.) kg ei per 20 we. hen

419 25,8

387 23,8

360 22,1

338 20,8

eigewicht (g)

61,5

61,5

61,5

61,5

voerverbruik p.d/p.d. (v.a. 20 we.) (g)

110

118

121

126

voerconversie (voer v.a. 20 we., eieren v.a. 17 we.)

2,0

2,15

2,25

2,33

We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens. Standaard leghennenbedrijf uitgedrukt per 1000 leghennen

Wanneer we deze cijfers vergelijken met de verschillende systemen komen we aan volgend resultaat

Omschrijving

Bedrag

Volgens type

Kooi

Scharrel

Vrije uitloop

Bio

opbrengsten eieren slachthennen

28 692,00 28 362,00 330,00

opbrengsten eieren slachthennen

75% 74% 79%

81% 80% 103%

90% 90% 103%

155% 155% 121%

variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten

21 192,00 4 950,00 15 092,00 30,00 420,00 390,00 310,00

variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten

80% 54% 88% 100% 71% 85% 106%

89% 86% 90% 100% 76% 90% 110%

89% 89% 87% 100% 100% 100% 113%

146% 152% 150% 100% 36% 67% 119%

Saldo

60%

58%

95%

177%

saldo

7 500,00

Bio-leghennen bedrijven hebben potentieel een brutosaldo dat 77% hoger ligt dan een gangbaar standaardbedrijf.

46 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Vleeskippenhouderij Prijsvorming en productie Nationale prijs diepgevroren braadkippen, 1100 g spitklaar De vleesprijs situeert zich in een vork tussen 155 en 195 euro per 100 kg. De volatiliteit bedraagt 21%.

Groei per dag per dier De groei per dag per dier verbetert vrijwel gestaag. Deze groei is het resultaat van verdere selectie, groeimanagement en evenwichtiger voedersamenstelling.

Analyse per 1000 plaatsen Variabele kosten en opbrengst per 1000 vleeskippen De variabele kosten (voederkosten, sanitaire kosten en veeartskosten) zijn sterk afhankelijk van de voederprijzen, vnl de graanprijzen.

Voederkosten per 1000 vleeskippen De voederkosten zijn in 2016 8% lager dan het vijfjarig gemiddelde.

47 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

De structurele kosten per 1000 plaatsen De structurele kosten per 1000 plaatsen kennen een stabiele tendens.

Groei door ontwikkeling De kengetallen weergegeven in het bedrijfseconomisch resultaat geven een beeld van het management. Kengetallen geven een zicht op wat voorbij is. Ze stellen de bedrijfsleider in staat om de kengetallen en management bij te sturen. De bedrijfsleider dient zich echter te behoeden voor tunnelvisie op zijn eigen bedrijfsresultaat en moet durven de cijfers vergelijken met de sectorgemiddelden. Zoals hierboven beschreven heeft de bedrijfsleider direct een impact op de variabele kosten en de opbrengsten ongeacht de marktprijzen en de kostprijzen. We gebruiken hiervoor Nederlandse cijfergegevens.

productieperiode (dagen) leegstand (dagen) aflevergewicht uitval (%) groei/dier/dag (g) voerconversie

48 Vlaams Agrarisch Centrum

2011

2012

2013

2014

2015

42 6 2250 3,1 57 1,68

42 6 2300 3,1 57 1,65

41 6 2270 3,3 56 1,65

42 6 2290 3,4 57 1,64

42 6 2340 3,4 58 1,65


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

De technische prestaties zijn gestabiliseerd. Dit resulteert dat de impact van het stalsysteem (bezettingsgraad) een grotere impact heeft op het bedrijfsresultaat dan de evolutie van de technische prestaties. Saldo-berekeningen per 100 opgezette vleeskuikens Bezetting 42 kg/ m² omschrijving

hoeveelheid

eenheidsprijs

bedrag

opbrengsten kg vlees

2200

0,84

1848,20 1848,20

1000 3586

0,34 0,315

variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten saldo

1662,10 340,00 1129,70 10,00 55,55 22,50 104,35 186,10

Bezetting max. 38 kg/m² en lagere groeisnelheid <50 gr/dag omschrijving

hoeveelheid

eenheidsprijs

bedrag

opbrengsten kg vlees

2340

0,95

2223,00 2223,00

1000 4400

0,355 0,31

variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten saldo

2021,50 355,00 1363,80 12,50 45,60 30,00 214,60 201,50

Bezetting max. 14 kuikens/m² en lagere groeisnelheid <45 gr/dag omschrijving

hoeveelheid

eenheidsprijs

bedrag

opbrengsten kg vlees

2364

1,08

2553,10 2553,10

1000 4893

0,355 0,305

variabele kosten aankoop hennen voeder stro veekosten energie overige directe kosten saldo

2340,10 355,00 1492,50 15,00 35,50 37,00 405,10 213,00

49 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Vleesveehouderij Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2012 tot en met 2016 schetsen we hier een beeld van de rentabiliteit in de rundveehouderij gedurende de voorbije vijf jaren. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van zoogkoebedrijven, vleesbedrijven en gemengde bedrijven.

Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de runderen, de aanwas van de veestapel, de voorraadwijzigingen en de gekoppelde steun (zoogkoepremie). De variabele kosten zijn kosten die rechtsteeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veearstkosten, dekkingskosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie, enz... De cijfers worden weergegeven per GVE (Groot-Vee-Eenheid). De rundveehouderij heeft het moeilijk. De rentabiliteit staat onder druk. In de boekhoudingen treffen we een grote diversiteit aan van bedrijfsvoeringen welk een doorslag is van de rundveesector. Van gespecialiseerde topbedrijven die het economisch beter doen, over gemengde bedrijven die het grasland wensen te valoriseren tot kleinschalige extensieve bedrijven. Ieder bedrijfstype heeft zijn wetmatigheden en specifieke eigenschappen. Wanneer de rundveehouder de wetmatigheden en eigenschappen van zijn bedrijf en zich zelf kent, kunnen er doelstellingen worden geformuleerd. Het aantal zoogkoeien neemt jaarlijks af. 2011 Vooral gemengde melkveebedrijven hebben het potentieel van vleesvee omgezet naar melkvee, binnen de beschikbare NER’s.

50 Vlaams Agrarisch Centrum

2012

2013

2014

2015

aantal zoogkoeien 174400 175394 168840 152368 153268 aantal bedrijven 8471 8320 8120 8478 8244 aantal zoogkoe/bedrijf 20,59 21,08 20,79 21,31 22,09


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Bruto opbrengst De gerealiseerde opbrengsten waren in 2016 5% lager dan het meerjarige gemiddelde. Deels is deze daling te zoeken in de lagere vleesprijzen en de hervorming van het zoogkoeienpremiestelsel.

Variabele kosten In 2016 zijn de variabele kosten 8% hoger dan het vijfjarig gemiddelde. Vooral de waterschade van het voorjaar van 2016 heeft menig rundveehouder doen beslissen om andere voeders aan te kopen. Structurele kosten De structurele kosten zijn in 2016 8% hoger gesitueerd dan het vijfjarig gemiddelde. Deze stijging zou te verklaren zijn door de daling van het aantal stuks rundvee waardoor de structurele kost per eenheid stijgt. Arbeidsinkomen

51 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Voederkosten De voederkosten, waarschijnlijk ten gevolge van de waterschade, zijn in hoger 2016. De krachtvoederkosten liggen 7% en de ruwvoederkosten 12% hoger in 2016 dan het vijfjarig gemiddelde.

Veekosten De totale overige veekosten zijn in 2016 ietsje lager dan het vijfjarig gemiddelde. Terwijl de veeartskosten dalen per GVE onder invloed van andere vleesrassen welke minder keizersnede behoeven stijgt significant de uitgaven voor dekkingsgelden. Dit betekent dat de rundveehouder verder inspanningen getroost in de veredeling.

Uitdagingen De grote uitdaging voor de rundveehouderij vormt de rendabiliteit. Rendabiliteitsverbetering kan door inzicht te verwerven in de groei en vruchtbaarheid van de veestapel. Wanneer de inzichten zijn verworven, kan de veehouder haalbare doelstellingen formuleren. Met de jaargroei wordt de vleesproductie bedoeld, dit is het aantal kilo’s vlees geproduceerd door alle dieren op het bedrijf per jaar. De jaargroei wordt bepaald door: • vruchtbaarheid • management van de veestapel • de kwaliteit van het verstrekte voeder Vruchtbaarheid Het drachtigheidspercentage zou 90% moeten bedragen en van de 100 aanwezige drachtige dieren (zoogkoeien en vaarzen) moeten er per jaar minstens 85 een kalf produceren. Ook de boekhoudterm “kalvings-index” geeft aan hoeveel kalveren op het bedrijf geboren worden. Dit is het aantal levend geboren kalveren van zoogkoeien en vaarzen per gemiddeld aanwezige zoogkoe en gedeeld door de tussenkalftijd maal 365 dagen. Een kalvingsin-dex van 1,0 kan als gunstig beschouwd worden. Volgende rekensom maakt dit duidelijk: Een bedrijf met 100 zoogkoeien heeft jaarlijks 90 zoogkoeien drachtig waarvan 85% een levend kalf ter wereld brengen. Dus worden er 76 kalveren geboren waarvan ongeveer de helft een vaars zijn. Van de 38 vaarzen zal ongeveer 10% uitvallen omwille van sterfte, niet drachtig worden, … Er zullen dus 34 vaarzen en 76 zoogkoeien een levend kalf ter wereld brengen. Op het bedrijf met gemiddeld 100 zoogkoeien worden jaarlijks 110 levende kalveren geboren. Rekening houdend met een ideale tussenkalftijd van 385 dagen (zie verder) geeft dit volgende kalvingsindex: (110 levende geboren kalveren x 365 dagen) / (100 gemiddeld aanwezige zoogkoeien x 385 dagen) = 1,0 De gemiddelde zoogkoebedrijven realiseren een kalvingsindex van gemiddeld 0,82 à 0,89. Uiteraard speelt vruchtbaarheid, een vroege eerste dracht en een korte tussenkalftijd hier een belangrijke rol. Er moet dan ook voor gezorgd worden dat koeien die geen nakomelingen produceren zo snel mogelijk afgemest

52 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

en verkocht worden, zodat een zo maximaal mogelijk aantal fokkoeien kan worden gehouden. Hun aantal wordt immers gelimiteerd door de vergunde dierplaatsen en/of aanwezige NER’s. Het binnenhalen van de koeien tijdens de zomer ter controle van de dracht kan interessant zijn. Immers, de niet drachtige dieren kunnen op dat moment afgemest worden en een betere prijs genereren dan dieren die pas in het najaar op de markt komen. Een ideale tussenkalftijd van 385 dagen is te realiseren door 60 à 70 dagen na kalving over te gaan op insemineren of dekken en ervoor te zorgen dat de koeien na gemiddeld 21 dagen met maximaal twee bevruchtingen drachtig zijn. Het efficiëntiegetal wordt gedefinieerd door het aantal inseminaties uitgevoerd bij drachtige dieren te delen op het aantal drachtige dieren. Om een tussenkalftijd van 385 dagen te halen moet dit getal voor vaarzen kleiner dan of gelijk zijn aan 1,5 en voor koeien kleiner dan of gelijk aan 2. Het management van de veestapel Sterfte Uit de boekhoudingen blijkt dat de sterfte rond de 10 à 13% bedraagt. Groei Voldoende groei bij de stieren en de vaarzen realiseren, is van groot economisch belang. Wat de groei van de stieren betreft vindt iedereen het normaal dat deze goed gevoederd worden vanaf het begin. Voor vaarzen is het bekomen dan de eerste bronst en dus ook de eerste dracht belangrijk. Eens de eerste kalving achter de rug is, mag het rantsoen teruggeschroefd worden. Het gewicht bij de eerste kalving is belangrijker dan de leeftijd. Er wordt gestreefd naar een gewicht van 600 kg bij de eerste kalving (einde dracht). Met een groei van ongeveer 750-800g/dag haalt een vaars dit gewicht op een leeftijd tussen de 24 à 26 maanden. Bovendien moeten de dieren op een leeftijd van 14 à 15 maanden bij een gewicht van 400 kg kunnen geïnsemineerd of gedekt worden. Het vervangingspercentage is een belangrijk gegeven. In de zoogkoeienhouderij dienen de koeien veel sneller circuleren dan in de melkveehouderij. Jongere dieren groeien nog en produceren dus naast hun kalf ook nog extra vlees. Bij oudere dieren is de groei heel miniem (150 gram/dag) en wordt er enkel een kalf geproduceerd. Bovendien is de verkoopprijs voor oudere reforme koeien duidelijk lager dan voor reforme koeien die twee à drie keer gekalfd hebben. Zet ze dan ook zo jong mogelijk af. Houd eventueel die ene koe die ‘gemakkelijk’ afkalft, maar gemiddeld genomen moeten ze na twee à drie keer kalven afgevoerd worden. Hoe jonger de dieren op dat moment zijn, hoe beter. Jonge dieren afmesten betekent ook dat er voldoende jongvee moet aanwezig zijn om die te vervangen, wat impliceert dat de vruchtbaarheid op het bedrijf goed moet zijn. Op die manier wordt een vervangingspercentage van ongeveer 33% tot zelfs 50% nagestreefd.

Aan de slag Ken uw bedrijf en stel haalbare doelstellingen op en bereken het saldo dat u kan verwerven indien u de doelstellingen haalt. Dit stimuleert u tot het realiseren van de doelstellingen. • Leeftijd eerste dekking: 14-15 maanden bij 350 kg • Leeftijd eerste kalving: 24-28 maanden • Korte tussenkalftijd: 385 dagen • Sterfte: < 10% • Groei: 750 à 1100 gr per dag

VACwerk Het management of zeg maar ondernemerschap wint steeds meer aan belang. Om goede managementbeslissingen te nemen (op lange termijn) of om op korte termijn in te grijpen in de bedrijfsvoering is een correct bijgehouden landbouwboekhouding meer dan een noodzakelijk hulpmiddel. Uit de boekhoudingen leren we dat er effectief een verschil in arbeids-inkomen te noteren is van ca. 800-1200 euro per zoogkoe. Dit geeft aan dat er nog ruimte is voor ontwikkeling. Ontwikkeling heeft zonder zware (investerings)kosten een positieve invloed op de bruto-marge.

53 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Melkveehouderij Sinds de afschaffing van het melkquotum stellen we een grote diversiteit vast in de ontwikkelingstrajecten van melkveebedrijven. Terwijl sommige resoluut kiezen voor groei in de bedrijfsproductie middels een forse uitbreiding, kiezen anderen voor een ontwikkelingsstrategie. Ongeacht welke strategie er wordt gekozen, de bedrijfsleider moet zich afvragen waar de meerwaarde wordt gecreĂŤerd. Het is dus absoluut noodzakelijk om strategische management beslissingen te nemen op basis van boekhoudkundige cijfergegevens over een lange termijn en niet op basis van de korte termijn gerealiseerde en geanalyseerde cijfers. Op basis van de cijfergegevens vanuit de bedrijfseconomische boekhoudingen van de boekjaren 2007 tot en met 2016 schetsen we hier een beeld van de rentabiliteit in de melkveehouderij gedurende de voorbije 10 jaar. Er dient opgemerkt dat de cijfers werden bekomen van melkveebedrijven waarvan sommige nog een tak akkerbouw of vleesvee exploiteren.

Methodiek De gemiddelden zijn berekend per kengetal waardoor de bedragen afwijken van het rekenkundig resultaat. Gemiddelden zijn bruikbaar voor het aantonen van een tendens en kunnen niet als absoluut beschouwd worden. Het arbeidsinkomen is het resultaat van de opbrengsten vermindert met de variabele en vaste kosten. De opbrengsten zijn samengesteld uit de verkoop van de runderen, de aanwas van de veestapel, de melkopbrengsten en de voorraadwijzigingen. De variabele kosten zijn kosten die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de opbrengsten. Ze zijn samengesteld uit de kosten voor voederaankopen, eigen gewonnen voeders, veeartskosten, dekkingskosten en de diverse directe kosten. De structurele kosten hebben geen invloed op de opbrengst. Deze bestaan uit grondlasten, pacht, onderhoud machines en gebouwen, afschrijvingen, toegerekende rentes en algemene kosten zoals verzekeringen, energie enz.... De cijfers worden weergegeven per 100 liter en per GVE (Groot-Vee-Eenheid).

Evolutie Het aantal runderen (melkvee en vleesvee) vertoonde initieel een lichte daling in de periode 2007-2012, van 1,33 miljoen dieren in 2007 tot 1,29 miljoen dieren in 2012 (- 3% t.o.v. 2007). Sindsdien is het aantal runderen opnieuw gestegen tot 1,34 miljoen runderen in 2016 (+ 4% t.o.v. 2012). De specialisatie van de melkveehouderij zet zich verder. We kunnen deze tendens afleiden uit de cijfers van onze boekhoudingen.

54 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Productiviteit - aantal geleverde liters

Het aantal geleverde liters melk per bedrijf stijgt met 194.031 liter van 298.311 liter naar 492.342 liter, een stijging met 65%. De stijging van de bedrijfsmelkproductie wordt deels gerealiseerd door de stijging van het aantal gemolken koeien. Het aantal gemolken koeien per bedrijf stijgt van 43 naar 62 of een stijging met 44%.

Productiviteit - aantal koeien per bedrijf

Om de transitie van de melkveebedrijven in het post-quotum tijdperk de duiden hebben we de cijfers vergeleken met het tienjarig gemiddelde. Het aantal gemolken koeien is 18% hoger dan het tienjarig gemiddelde. Deels is dit mogelijk gemaakt door de switch van vleesvee naar melkvee binnen de beschikbare nutrientenemissierechten, deels hebben bedrijven NER’s verworven om de groei mogelijk te maken.

Productiviteit - aantal liters per koe

Deels wordt de productiestijging gerealiseerd door de stijging van het aantal liters geproduceerde melk per koe. De melkproductie per koe stijgt van 7.253 liter per koe naar 7.797 liter per koe, een stijging van 7%. Relatief is de melkproductie per koe in 2016 5% hoger dan het tienjarig gemiddelde. Met andere woorden een significant deel van de productiestijging wordt gerealiseerd door de toename van de veestapel (=groei) en minder door een stijging van de melkproductie per koe (=ontwikkeling).

Krachtvoederverbruik

De melkproductiestijging per koe kan gerealiseerd worden door aandacht te hebben voor de genetica, de gezondheidstoestand van de koe, de voedersamenstelling en de kwaliteit van het voeder. Kortom, de technische know-how van de melkveehouder komt hier in beeld. Krachtvoeder is een zeer belangrijk element in de productie, samenstelling en kostprijs. Krachtvoederkosten zijn variabele kosten en bepalen mee de opbrengst en dus het saldo. Door het niet efficiĂŤnt verstrekken van krachtvoeder, gaan de kosten omhoog.

55 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Productiviteit - gram krachtvoeder per liter

Een hogere krachtvoedergift resulteert niet altijd in een productie-stijging. Hierdoor zal het rendement per liter melk dalen. De wet van de afnemende meerop-brengsten, weet u wel. Het krachtvoederverbruik per koe is in 2016 sterk gestegen van 1292 kg per koe naar 1325 kg per koe. Deze stijging is toe te schrijven aan een tekort aan ruwvoeders omwille van de wateroverlast in het voorjaar van 2016. In 2016 werd 7% meer krachtvoeder toegediend dan het tienjarig gemiddelde.

Vet en eiwit

De voederefficiĂŤntie per liter melk is verbeterd. In 2007 werd er 217 g krachtvoeder vervoederd per 100 l melk. In 2016 bedroeg dit, ondanks de slechte omstandigheden 203 g. Het tienjarig gemiddelde bedraagt 197 gram per liter. Het vetgehalte is gedaald van 4.27 naar 4.18. Het bedroeg, omwille van de weersomstandigheden van 2016 3% lager dan het 10 jarig gemiddelde. Het eiwitgehalte blijft relatief constant en situeert nu op 3.48.

Productiviteit - aantal liters per ha groenvoeder

Het is de betrachting van iedere melkveehouder om het aandeel ruwvoedermelk te verhogen. Uit Nederlandse cijfers blijkt dat bedrijven met een goed voermanagement is staat zijn om 4000 liter per ha extra melk te produceren. Uit de VAC-boekhoudingen blijkt dat de geproduceerde liter per ha ruwvoeder zijn gestegen van 11.120 liter naar 12.435 liter. In 2016 bedroegen deze liters 10% meer dan het tienjarig gemiddelde. Hieruit kunnen we concluderen dat de ruwvoedermelkproductie efficiĂŤnter is dan voorheen.

Productiviteit - aantal GVE per ha groenvoeder

De stijging van het aantal melkkoeien per bedrijf resulteert in een intensiever gebruik van de beschikbare oppervlakte ruwvoeder. Het aantal GVE (grootvee-eenheden) per ha stijgt van 2.30 GVE/ha naar 2.46 GVE/ha. Dit is 5% meer bezetting dan het tienjarig gemiddelde. Deze toename van de intensiteit is merkelijk lager dan de stijging van het aantal melkkoeien per bedrijf.

56 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

De verklaring is te vinden in de stijging van de beschikbare bedrijfsoppervlakte (=groei), de stijging van de beschikbare oppervlakte ruwvoeder door omzetting van akkerbouw naar ruwvoeder-productie (= ontwikkeling) en een efficiĂŤntere ruwvoederwinning (=ontwikkeling). Vooral in 2015 is de tendens versterkt. Dit kan te verklaren zijn door enerzijds de opgelegde gewasdiversificatie ten gevolge van de vergroening van het GLB , en anderzijds door de ruwvoedervoedervoorraden aan te spreken om alzo oppervlakte te benutten voor akkerbouwgewassen en dit in het kader van de verbetering van de liquiditeitspositie. Bruto-opbrengst per 100 l

Bruto-opbrengst per GVE

De bruto-opbrengst is samengesteld uit de opbrengsten van de verkoop van melk en melkproducten, de verkoop van dieren en de wijziging in de veestapel (aanwas). Zoals u merkt in de grafiek van zijn de opbrengsten per 100 l melk sterk schommelend. De schommelingen zijn te wijten aan de volatiele melkprijsvorming en de aanwas van de veestapel. De omschakeling naar een quotumvrije markt heeft geresulteerd in een slechte prijsvorming.

Samenstelling variabele kosten per 100 l De variabele kosten zijn de kosten die je maakt om het product te produceren en zijn derhalve direct gelinkt aan het productieniveau. De variabele kosten zijn in de melkveehouderij samen te vatten in krachtvoederkosten, ruwvoederkosten en overige veekosten zoals veeartskosten en dekgelden. De variabele kosten zijn gestegen van 13.89 euro/100 liter melk naar 16.69 euro/100 liter melk. Een stijging met 20%. Voornamelijk de stijging van de aandeel krachtvoeder en aankoop ruwvoeder ten gevolge van de wateroverlast van 2016 zijn debet aan deze stijging. Echter wanneer we de variabele kosten van 2016 vergelijken met het tienjarig gemiddelde kennen we een stijging van 2%. Onder druk van de stijgende prijs van de meststoffen, de fytoproducten en de schaarste in 2016 is de ruwvoederkost gestegen met 30%. De overige kosten zijn gestegen met 7%. De ruwvoederkosten bedragen 5.44 euro/100 liter melk. De opbrengsten vermindert met de variabele kosten geeft ons de bruto-marge. Het saldo is een maat voor het vakmanschap op het melkveebedrijf. Hoe hoger dit saldo, hoe beter de melkveehouder in staat blijkt te zijn om goede opbrengsten te combineren met lage kosten. Het gemiddelde saldo bedroeg in 2016 19.19 euro/100 l. Dit is 40% lager dan in 2007. De bruto-marge was in 2016 23% lager dan het tienjarig gemiddelde.

57 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Financiële kengetallen per 100 l

Structurele kosten De structurele kosten zijn jaarlijks weerkerende kosten die geen rechtstreeks verband hebben met de productie. De structurele kosten zijn samengesteld uit de afschrijvingen van de investeringen, de rentes op het geïnvesteerd kapitaal, pacht, onderhoud en de algemene kosten.

Financiële kengetallen per GVE

De structurele kosten zijn gedaald van 15.61 euro per 100 liter naar 15.42 euro per 100 liter. Een daling met 2%. Wanneer we vaststellen dat de totale melkproductie per bedrijf is gestegen met 28 % boven het tienjarig gemiddelde en de structurele kosten per 100 liter slechts met 5% zijn gedaald ten opzichte van het tienjarig gemiddelde kunnen we concluderen dat in absolute cijfers de structurele kost is toegenomen. Arbeidsinkomen De VAC landbouwboekhoudingen houden geen rekening met de fictieve lonen voor de bedrijfsleider. Dit betekent dat het berekende arbeidsinkomen de winst is van het bedrijf waarmee de bedrijfsleider de kosten voor privé-uitgaven zoals levensonderhoud, sparen, sociale zekerheid en belastingen en reserveringen voor investeringen financiert. Het arbeidsinkomen is gedaald van 16.43 euro per 100 liter naar 3.77 euro per 100 liter. Bekeken over het tienjarig gemiddelde bedroeg het arbeidsinkomen in 2016 57% lager.

Kritieke melkopbrengst 100 l De kritieke melkopbrengst geeft de melkopbrengst weer waarbij de lopende uitgaven voor de bedrijfsvoering kunnen worden betaald. Indien de kritieke melkopbrengst meerdere jaren dicht bij de ontvangen melkprijs ligt, is dat een indicatie dat er geen ruimte is om financiële reserves op te bouwen. De kritieke melkopbrengst is gestegen van 29.50 euro per 100 liter melk in 2007 naar 32.11 euro per 100 liter melk in 2016.

58 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

De operationele hefboom Een interessante ratio is de operationele hefboom. Het VAC hanteert deze ratio om het risico-profiel van het bedrijf te duiden. De operationele hefboom meet het operationeel risico van de activiteit of de graad waarin de opbrengstwijzigingen de winst beïnvloeden. Het operationele hefboomeffect ook wel degree of operating leverage genoemd komt voort uit het bestaan van vaste kosten in het bedrijf. De operationele hefboomwerking gebruikt de vaste kosten voor het vergroten van de effecten van omzetveranderingen op het bedrijfsresultaat. Hierbij geldt hoe groter de hefboomwerking des te risicovoller de bedrijfsvoering is maar daar tegen over staat de kans op een aanzienlijke stijging in winsten. Een lagere hefboomwerking is vice versa. De operationele hefboom komt tot stand door de brutomarge te delen door de winst. Dit wordt duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Voorbeeld Operationele hefboom bedrijf 1

bedrijf 2

liters melk melkprijs per 100 l variabele kosten per 100 l structurele kosten bruto-opbrengst variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen hefboom

400.000,00 € 25,00 € 16,00 € 25.000,00 € 100.000,00 € 64.000,00 € 36.000,00 € 25.000,00 € 11.000,00 3,27

400.000,00 € 25,00 € 16,00 € 40.000,00 € 100.000,00 € 64.000,00 € 36.000,00 € 35.000,00 € 1.000,00 36,00

liters melk melkprijs per 100 l variabele kosten per 100 l structurele kosten bruto-opbrengst variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen productiestijging stijging arbeidsinkomen

440.000,00 € 25,00 € 16,00 € 25.000,00 € 110.000,00 € 70.400,00 € 39.600,00 € 25.000,00 € 14.600,00 € 0,10 133%

440.000,00 € 25,00 € 16,00 € 40.000,00 € 110.000,00 € 70.400,00 € 39.600,00 € 35.000,00 € 4.600,00 € 0,10 460%

liters melk melkprijs per 100 l variabele kosten per 100 l structurele kosten bruto-opbrengst variabele kosten bruto marge structurele kosten arbeidsinkomen prijsdaling daling arbeidsinkomen

400.000,00 € 22,50 € 16,00 € 25.000,00 € 90.000,00 € 64.000,00 € 26.000,00 € 25.000,00 € 1.000,00 -0,10 9%

400.000,00 € 22,50 € 16,00 € 40.000,00 € 90.000,00 € 64.000,00 € 26.000,00 € 35.000,00 -€ 9.000,00 -0,10 -900%

Voor bedrijven met een hoge operationele hefboom is de winstrealisatie sterk beïnvloedbaar, zowel in positieve (winst) als negatieve (verlies) zin. Terwijl de operationele hefboom in 2007 nog 1.95 bedroeg is deze verslechterd tot 5.09. Gezien over 10 jaar is het cijfer 56% slechter geworden. De bedrijven zijn met andere woorden 56% gevoeliger aan productie- en prijsschommelingen en dus ook risicovoller.

59 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Liquiditeit: een uitdaging De grote uitdaging voor de melkveehouderij is een sterke liquiditeitspositie te behouden. Bij melkveehouders die de afgelopen jaren hebben geïnvesteerd in groei, kan er een probleem ontstaan in de liquiditeit. De melkprijs hebben de melkveehouders niet in de hand, ondanks alle beloftes en het ketenoverleg. De kritieke melkopbrengst is de prijs die u zou moeten ontvangen voor de melk om alle kosten te kunnen dragen. Voor ieder bedrijf is dit verschillend. Wanneer je de kritische melkopbrengst van je bedrijf kent, geeft elke maandafrekening u een zicht op uw liquiditeitsontwikkeling. Om de prijsvolaliteit enigszins op te vangen wordt het noodzakelijk dat de melkveehouder in goede jaren financiële reserves opbouwt om de slechtere jaren te kunnen overbruggen.

Management: balanceren tussen groei en ontwikkeling Het management of zeg maar ondernemerschap wint steeds meer aan belang. Om goede managementbeslissingen te nemen (op lange termijn) of om op korte termijn in te grijpen in de bedrijfsvoering is een correct bijgehouden landbouwboekhouding meer dan een noodzakelijk hulpmiddel. Uit de boekhoudingen leren we dat er nog efficiëntiewinsten te boeken zijn. Er is nog ruimte voor ontwikkeling. Ontwikkeling heeft zonder zware (investerings)kosten een positieve invloed op de bruto-marge. Een goed gemonitorde veestapel detecteert adequaat gezondheidsproblemen. Aandoeningen en behandelingen geregistreerd per dier, helpen de veearts om de juiste behandeling op te starten. Het meten en weten van de tussenkalftijd geeft bijvoorbeeld een indicatie dat de mineralentoediening onder de loep dient genomen te worden. Krachtvoederefficiëntie kan op vele bedrijven verbeterd worden. Dit vraagt van de melkveehouder een nauwgezette registratie van de hoeveelheden krachtvoeder. Een verbruik lager dan 200 gram krachtvoeder per liter melk is bedrijfseconomisch gezien de norm. Ruwvoedermelk is de goedkoopste melk. Derhalve is ruwvoederproductie op kwantitatief en kwalitatief vlak van het hoogste belang. Groei vereist investeringen. Investeringen in gronden, stallen, vee enz... Let wel, in tegenstelling tot andere sectoren, dragen investeringen in de melkveehouderij niet significant bij tot een daling van de vaste kosten per eenheid. In tegendeel, de vaste kosten per eenheid blijven eerder gelijk wat inhoud dat de globale vaste kost stijgt. Opgelet, in een volatiele markt, is de oparationele hefboom van levensbelang. Alle indicatoren wijzen erop dat de gespecialiseerde melkveehouderij gevoeliger is geworden voor prijsschommelingen. Prijsschommelingen houden in dat er tijden zijn van hoogconjunctuur en laagconjunctuur. Hou er steeds rekening mee dat de tijden van laagconjunctuur langer kunnen duren dan de tijden van hoogconjunctuur en hou zeker voldoende financiële reserve.

Kostprijs opfok jongvee In de melkveehouderij is de opfok van jongvee ter vervanging van melkkoeien duur. Op vele bedrijven worden deze kosten sterk onderschat. Het lijkt dan ook logisch dat het vervangingspercentage een factor is die de inkomensvorming beïnvloedt. De kostprijs van een vaars tot aan de kalving bedraagt ca 1600 euro gemiddeld met een vork tussen de 1000 en 2000 euro naargelang de moderniteitsgraad (afschrijvingen gebouwen en machines) en management (leeftijd afkalven). Terwijl de eerste factor weinig beïn-vloedbaar is, kan een bijsturing in het management een groot verschil maken voor de tweede factor.

60 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Wanneer we de kostprijs van 1600 euro als standaard nemen, dan betekent een jongere afkalvingsleeftijd van 4 maanden een economisch voordeel van ca 200 euro. Of andersom, wanneer een oudere afkalvingsleeftijd van 6 maanden wordt gerealiseerd stijgt de kostprijs met 130 euro. Een vork van 330 euro per vaars. Uit bovenstaande blijkt dat de opfokkosten op de melkveebedrijven niet gering zijn en belangrijker, dat er mogelijkheden zijn, mits het toepassen van de juiste techniek, om de kostprijs te beperken. Om kostenefficiënt te werken, is het dus belangrijk om niet onnodig veel jongvee op te fokken. Het aantal stuks jongvee dat werkelijk nodig is op een bedrijf hangt af van de volgende factoren: • het vervangingspercentage van de koeien, • de ouderdom bij eerste kalving, • de tussenkalftijd • het sterftepercentage van de kalveren. Door gebruik te maken van nieuwe technieken oa gebruik van gesekst sperma op de pinken en toepassen van de DNA-typering van de geboren kalveren, kan het benodigde jongvee verder dalen. Op die manier is het jongvee dat men opfokt van een hoger genetisch niveau en wordt het aantal ’missers’ beperkt. Uitbesteden van jongvee-opfok Na de afschaffing van de melkquota zijn er een aantal bedrijven die fors gegroeid zijn in aantal melkkoeien. Ze beschikken niet over de nodige stalruimte, grond om voldoende ruwvoeder te winnen of nutrientenemissierechten om een groeiende jongveestapel op te fokken. Dit type bedrijven overweegt om de opfok van het jongvee uit te besteden. Anderzijds zijn er een aantal bedrijven die recent gestopt zijn met de melkproductie. Ze zijn evenwel nog niet pensioengerechtigd en hun stallen zijn al of niet afgeschreven maar nog in goede staat. Op die manier ontstaat er voor beide partijen een duidelijke win-winsituatie. Goede afspraken maken goede vrienden Het is zeker aangewezen om aan de tafel te gaan zitten om afspraken te maken. Er zijn namelijk ook heel wat verschillende manieren om de opfok uit te besteden. In de meest minimale vorm huurt de melkveehouder de stallen van de opfokker. Die laatste stelt dus enkel zijn infrastructuur ter beschikking. In de uiterste samenwerkingsvorm wordt de opfok volledig uitbesteed. De melkveehouder levert het jonge vaarskalf af en tegen de afkalfleeftijd wordt de volle vaars teruggehaald. Tussen deze twee uitersten liggen natuurlijk heel wat andere samenwerkingsvormen. Vooraleer een samenwerking aan te gaan, is het belangrijk om op de hoogte te zijn van elkaars manier van werken en de verwachtingen te kennen die beide partijen hebben van de samenwerking. Breng daarom een wederzijds bedrijfsbezoek en stel een verwachtingsnota op. De verwachtingsnota wordt dan vertaald naar een formele samenwerkingovereenkomst. De samenwerkingovereenkomst bevat over het algemeen drie delen. Het eerste deel bestaat uit algemeen aspecten: • termijn van samenwerking; • aantal op te fokken dieren op jaarbasis; • opzegtermijn en opschortende voorwaarden; • de vergoeding en betaaltijdstip-pen; • exclusiviteit ja of neen: mag de opfokker ook jongvee van andere bedrijven opfokken? Mag de melkveehouder bij meerdere opfokkers jongvee huisvesten? • wie betaalt wat in geval van bv. sterfte of ziekte van dieren; • keuze en aanstelling van gemeenschappelijke veearts om ziekte of oorzaak van sterfte vast te stellen; • wie organiseert het transport van de dieren (frequentie, manier van vervoer ...); • administratie: wie doet mestbank- en wateraangifte, E-loket, Sanitel.

61 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Het tweede deel behandelt de technische aspecten: • leeftijd en conditie van de kalveren op het moment van de verhuis; • wie voedert het jongvee en wie bepaalt het rantsoen; • na te streven gewicht en leeftijd bij afkalven; • wat zijn de afspraken omtrent het al of niet beweiden van de vaarzen. Het derde deel behandelt de procedure wanneer het misloopt : • schadevergoedingen • bemiddeling • procedure • aanstelling bevoegde rechtbank Met het uitbesteden van jongvee-opfok is veel kapitaal gemoeid. Zet dus alles op papier. Sterker nog, laat de overeenkomst opstellen/nalezen door een jurist en registreren. Tot slot, communiceer open en helder over beider verwachtingen en maak duidelijke afspraken met elkaar. Weet evenwel dat nooit alles op voorhand kan worden afgesproken. Een openheid om eventuele problemen te bespreken en op te lossen is zeker zo belangrijk.

62 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Energieverbruik in de landbouw In 2014 gebruikte de landbouwsector 22,2 PJ energie. Dit komt neer op 1,5% van het bruto binnenlands energiegebruik in Vlaanderen. In vergelijking met andere sectoren zoals industrie (44,3%), energie (19,9%) en transport (13,9%) is dit aandeel beperkt. Verwarming en elektriciteit voor gewasbelichting in de glastuinbouw verklaart het grootste deel van het energiegebruik (45% in 2014). Veeteelt (intensieve veeteelt + graasdierhouderij) neemt ruim 30% van het energiegebruik in beslag, o.a. voor de stalverwarming, tractoren en gebruik melkmachines- en robots. Akker- en tuinbouw (excl. glastuinbouw) verklaart iets minder dan een kwart van het energiegebruik. Off-road activiteiten in de bosbouw en groenvoorziening hebben een beperkt aandeel (<5%) in het energiegebruik. Vanaf 2007 vertoont het energiegebruik een schommelend verloop, met een licht dalende trend over de tijdsreeks (1990-2014).

Invloed koude winters Het weer beïnvloedt de energie nodig voor verwarming en ventilatie van serres en stallen. Het aantal graaddagen kan gebruikt worden als een maat voor de verwarmingsbehoefte (zie ook indicator Energiegebruik per sector). Zo dragen de koude winters van 2010 en 2013 bij tot een hoger energiegebruik in deze jaren, en kunnen de zachte winters van 2014 het lager energiegebruik t.o.v. 2013 (-15,4%) deels verklaren. Naast de buitentemperatuur dragen ook andere (combinaties van) factoren bij tot het energiegebruik (o.a. grootte van de veestapel, mestverwerking, energie-intensiteit, mate van automatisatie, ‌). Ook de netto energiebesparing door verhoogde inzet van warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) in de landbouw speelt een rol.

63 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Fossiele brandstoffen domineren, met verschuiving van petroleum naar aardgas Sinds 2007 is een duidelijke omschakeling zichtbaar in het energiegebruik: petroleumproducten zoals benzine, zware stookolie en LPG worden gradueel vervangen door aardgas; aandeel aardgas van 61 % in 2014). Aardgas wordt vooral gebruikt in de glastuinbouw voor serreverwarming. Terwijl het aandeel van zware stookolie in 2007 nog meer dan een vijfde van de energiemix bedroeg verdween het in 2014 bijna volledig van het toneel (<1 %). Ook het percentage kolen is geslonken van 5 % in 2007 naar 1,7 % in 2014. Diesel- of gasolie daalt met 11 % t.o.v. 2007, maar verklaart in 2014 nog steeds ruim een kwart van het energiegebruik (o.a. als brandstof voor trekkers).

Energieverbruik op bedrijfsniveau Energie is een grote kostenpost geworden in de landbouw. Maar hoe weet je nu of je energie-efficiĂŤnt bezig bent? Het vergelijken van je eigen verbruik met het gemiddelde van je sector geeft al een goede indicatie of er nog veel te besparen valt. Deel daarvoor je eigen verbruik door de productie of het aantal dieren dat je hebt. Verwarm je met stookolie of aardgas? 1 liter stookolie geeft je ca. 10 kWh en 1 mÂł aardgas (G20) komt overeen met 9,45 kWh warmte. Zit je ruim boven deze kengetallen? Dan valt er nog heel wat energie te besparen. Sector

Onderdeel

Melkveehouderij

Robot melken Klassiek melken

Vleesveehouderij Varkenshouderij

Zeugenhouderij Vleesvarkens

64 Vlaams Agrarisch Centrum

Kengetal elektriciteit 79 44 8 164 21

Kengetal warmte 585 46

kWh/1000 liter melk kWh/1000 liter melk kWh/rund kWh/zeug kWh/vleesvarkensplaats


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Energie besparen De meest groene energie is de energie die u niet verbruikt! Alles begint bij het verminderen van de energievraag. Doorgedreven maatregelen van energiebesparing vormen de eerste stap naar een energiezuinige bedrijfsvoering.

MELKVEEHOUDERIJ In de melkveehouderij is de melkproductie de grootste energieverbruiker. Elektriciteitsverbruik melkveehouderij: • • • • Elektriciteitsverbruik melkproductie:

Melkproductie: 84% Verlichting: 10% Motoren, pompen: 3% Andere (bureautica,...): 3%

• Melkwinning: 43% • Melkkoeling: 31% • Reiniging: 26%

Melkwinningsinstallatie Besparende tips • Onderhoud de melkmachine goed: vul of ververs op tijd olie bij, reinig de filters regelmatig. • Controleer de werking van de melkmachine geregeld: vnl. rubberen onderdelen, mogelijke lekkage in koppelingen, vacuümmeter, ... • Toerentalregeling (of frequentieregeling) op de melkpomp bespaart tot 1/3 op het elektrisch verbruik, omdat het toerental van de pomp en dus ook het pompverbruik aangepast wordt aan de hoeveelheid melk die op ieder moment wordt afgezogen. • Aantal draaiuren van de vacuümpomp terugbrengen door het uitzetten van de vacuümpomp tijdens drainagefase van de reiniging.

Melkkoeling Besparende tips • Houd de temperatuur van het lokaal waar de condensor van het koelsysteem staat zo fris mogelijk. Tracht daarom de koelgroep noord of noordoost te oriënteren. • Pas het volume van uw melkkoeltank aan aan uw melkproductie, want hoe beter de inhoud van de melkkoeltank wordt benut, hoe minder energie het melkkoelsysteem relatief zal verbruiken.

Melkvoorkoeler Globaal kan bij een verhouding van 2 liter water op 1 liter melk de melk worden voorgekoeld tot 20°C. Het voorverwarmde water (>10°C) kan als lauw drinkwater voor de runderen dienen. Hierdoor verlaagt het elektriciteitsverbruik voor het koelen van de melk.

Warmterecuperatie aan de koelgroep Warmte die vrijkomt bij het afkoelen van de melk kan gebruikt worden om reinigingswater op te warmen (tot max 55°C om schade aan de koelmachine te voorkomen). Hier fungeert de koelmachine in feite als een warmtepomp. Per liter melk kan 0,3 tot 0,8 l warm water met een temperatuur van 55°C worden geproduceerd. Bijverwarming van het reinigingswater blijft noodzakelijk door het water uit de recuperatieboiler in een andere boiler of doorstromer verder te verwarmen. Sowieso kan dit een besparing van 50% voor de benodigde energie voor het opwarmen van water opleveren.

65 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Verwarming reinigingswater Besparende tips • Stel de inhoud van uw boiler correct af op het grootste dagelijks verbruik in de week. • Een goede isolatie zorgt voor een minimaal verlies aan warmte. • Indien u werkt met een elektrische boiler, laat deze dan vooral werken in de daluren van de elektriciteitsdistributie. Dit kan door de boiler met een timer te sturen. • Houd de afstand tussen de plaats waar het warm water wordt bereid en het aftappunt kleiner dan 8 meter. • Zorg ervoor dat warmwaterleidingen geïsoleerd zijn om warmteverlies te voorkomen. • Warm water (55°C) kan bereid worden door warmte te recupereren bij de melkkoeling. Deze recuperator kan gekoppeld worden op een boiler die het reeds voorverwarmde water op de gewenste temperatuur brengt. • Warm water kan bereid worden met een zonneboiler (vacuümcollector).

VARKENSHOUDERIJ Het grootste aandeel in energieverbruik in de varkenshouderij is te situeren in de mechanische ventilatie. Het meest zuinige systeem is dat met de minste luchtweerstand. De luchtweerstand is het grootst bij centrale afzuiging, zeker in combinatie met luchtbehandeling. Voor decentrale afzuiging is plafondventilatie het meest energievergend. Voor de overige systemen zijn de verschillen heel gering.

Ventilator De zuinigheid van een ventilator is af te lezen uit zijn ventilatorkarakteristiek. Ventilatoren met het laagste specifiek vermogen (W/(1000m³/u)) zijn het zuinigst (of hebben de grootste energie-efficiëntie). Kies de juiste ventilator voor de gewenste toepassing, bv. hogedrukventilatoren indien nodig. Frequentiegestuurde ventilatoren zijn ook erg zuinig en besparen tussen 20 en 50% (of 56% op jaarbasis) t.o.v. triacgestuurde ventilatoren. Met frequentieregelaars kan het toerental van de ventilatoren traploos worden aangepast. Een verlaging van het toerental met 10% betekent een afname van de luchthoeveelheid met 10%, terwijl het opgenomen vermogen met ruim 25% daalt.

Instelling klimaatcomputer Hou bij het instellen van de klimaatcomputer voortdurend rekening met de stalbezetting (aantal) en de leeftijd van de dieren. Deze evolueren doorheen de mestronde, pas de waarden aan. Vermijd overventilatie: het elektrisch verbruik neemt immers toe met het ventilatiedebiet, en 10% overventilatie betekent al gauw 5% extra verbruik. Verhoog de vraagtemperatuur ’s zomers met 1°C.

Voorbehandeling lucht Systemen met indirecte luchtinlaat conditioneren de inkomende lucht en verlagen doorgaans het energieverbruik. Dit is het meest uitgesproken bij grondkanaalventilatie. Warmtewisselaars geplaatst aan de luchtinlaat doen nog beter maar vragen een grote investering.

Houd ventilatorbladen en lamellen schoon Smerige ventilatorbladen en lamellen geven minder lucht, maar gebruiken evenveel energie. Maak daarom deze jaarlijks schoon met een industriële vetoplosser.

66 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

AKKERBOUW, TUINBOUW EN RUWVOEDER Dieselbrandstof is voor akkerbouwbedrijven de belangrijkste bron van energie; het zorgt voor 77% van het totale energiegebruik. Elektriciteit, vooral voor bewaring en apparatuur, vormt met 18% een ander belangrijk deel van het energiegebruik. Als akkerbouwer kun u energiebesparingsmaatregelen nemen op het gebied van teelt op het veld (trekkers/ werktuigen en grondbewerking/teeltsystemen) en zaken op het erf (bedrijfsgebouw, koel- en ventilatie installaties, klimaatregeling/klimaatcomputer, meten en bewaken).

Zorg voor de juiste bandenspanning • Moderne banden kunnen met een bandenspanning van 0,8 bar op het land prima gebruikt worden. Deze bandenspanning geeft een betere grip, waardoor de werkelijke snelheid met 20% stijgt. Werkzaamheden kunnen zo sneller worden uitgevoerd. Dit maakt een brandstofbesparing van 10% mogelijk. Als de band op de velg begint te trekken, is de grens van het laten dalen van de bandendruk bereikt. Betaalbare en snelle systemen voor spanningsvariatie bij wisseling van verharde weg naar akker zijn nog schaars. • Slip bij trekwerkzaamheden leidt tot bodemschade en hoger dieselverbruik. Bij aangepaste bandendruk kan de slip worden gehalveerd. • Insporing door afrollen op een vochtige bodem halveert door een bandendruk van 0,8 bar ten opzichte van een bandendruk van 1,6 bar. • De veelgebruikte 1,6 bar leidt tot schade aan de grond en zorgt voor hogere bandenslijtage op de weg (specifiek het midden van de band). • Het controleren en instellen van de bandenspanning zou onderdeel moeten uitmaken van de dagelijkse werkzaamheden, zoals tanken en oliecontrole. • Bandenspanningsregeling betaalt zich vaak in een periode van twee jaar terug. Uw trekker heeft minder bandenslijtage en gebruikt minder brandstof. Op de kavel rijdt u comfortabeler en sneller, met minder slip.

Gebruik een zo groot mogelijke bandenmaat De banden zorgen voor overbrenging van de trekkracht op de ondergrond. Gemiddeld wordt 15 tot 30% van de brandstof gebruikt voor de krachtomzetting naar de bodem. Een grotere en bredere bandenmaat verbetert de krachtomzetting en bespaart daarmee brandstof.

Zorg voor voldoende gewicht op de vooras bij trekwerkzaamheden met een trekker met vierwielaandrijving Door te weinig gewicht op de vooras draagt de vierwielaandrijving niet maximaal bij aan de trekkracht. Bij een trekker met grote, moderne radiaalbanden aan de vooras moet minimaal 25 tot 30% van het totaalgewicht op de vooras rusten (bij veel oudere trekkers is dat slechts 15%). Door deze betere benutting is een besparing van 1 tot 5 liter per ha mogelijk. Het onnodig met frontgewichten rijden leidt echter weer tot een toename van het brandstofgebruik. Volgens testen blijkt dat bij het ploegen met een nieuwe trekker en ploeg, het gebruik van frontgewichten tot een besparing van 2,7 liter (8,2 kg CO2) per ha leidt. Bij gemiddeld 1,5 ha ploegen per uur komt dat neer op een besparing van 9%. Het gewicht op de vooras moest hiervoor worden opgevoerd tot 25% van het totaal. De wielslip nam tijdens het ploegen af tot minder dan 10%.

Gebruik een juiste trekker/werktuigcombinatie Te veel vermogen (pk’s) meenemen kost altijd brandstof. Probeer dus bij een werktuig een trekker te zoeken die niet meer dan ongeveer 15% meer vermogen heeft dan wat maximaal wordt gevraagd. Dat geeft de beste mogelijkheden om in het optimale toerengebied te werken. Gebruik bijvoorbeeld bij een kleine, 2,5 meter brede cultivator een 66 kW trekker. Deze trekker wordt optimaal belast en verbruikt 2 liter per uur minder dan een 100 kW trekker die voor 75% wordt belast. Dit leidt tot 6 kg minder CO2-uitstoot per uur.

67 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Schakel de trekker uit tijdens de pauzes Tijdens het wachten of tijdens pauzes blijven trekkers vaak staan draaien. Uit onderzoek blijkt dat trekkers gemiddeld 25% van de tijd stationair staan te draaien, terwijl 15% haalbaar is. Als we aannemen dat een trekker per jaar 750 uur maakt en een stationair gebruik van 10 liter per uur heeft, kan dit per jaar een besparing opleveren van 500 euro (75u/750l).

Zorg voor een goede afstelling van grondbewerkingsmachines Verkeerde aanspanning veroorzaakt een hoog brandstofverbruik, vooral bij werktuigen die in de bodem werken zoals ploegen en cultivatoren. Door het wringen van het werktuig en de trekker gaat veel trekkracht verloren. Vooral de instelling van de topstang en hefarmen zijn van belang. Hiermee wordt het werktuig vlak gesteld, zodat alle elementen even diep werken. Ook de werkdiepte heeft grote invloed op het verbruik. Door de machines goed af te stellen kunt u 5 tot 25 euro per ha besparen.

Voer grondbewerking minder intensief uit Door bij het ploegen en cultiveren met een werkdiepte van 15 cm in plaats van 25 cm te werken kunt u flink op brandstof besparen. Overweeg om (gedeeltelijk) over te schakelen op niet-kerende of minimale grondbewerking. Elk jaar ploegen is vaak niet noodzakelijk.

FRUITTEELT Registreer het energieverbruik In de fruitteelt is de bewaarinstallatie de grootste verbruiker van energie. Het koelgedrag van deze installaties in de gaten houden kan dan ook veel voordeel opleveren. Dit begint bij het registreren van gegevens over het energiegebruik van de installatie: meten is weten. Voor bedrijven die jaarlijks minder dan 100000 kWh gebruiken is het voldoende de kWh-standen op cruciale momenten handmatig te noteren, bijvoorbeeld bij wijzigen van het celgebruik of wisselende weersomstandigheden. Zo blijkt snel onder welke omstandigheden een cel het meeste energie gebruikt. Grotere bedrijven, of bedrijven die veel randapparatuur gebruiken, kunnen overwegen om een tussenmeter te installeren. Houd er tijdens het registreren rekening mee dat het energiegebruik van een cel tijdens de inkoelfase ongeveer twee keer hoger is. Een fruitbewaarcel gebruikt 0,45 tot 0,55 kWh per ton per dag. Zit een cel ver onder deze waarden, dan is het systeem waarschijnlijk nog prima in orde, ook als het om een oude installatie gaat. Als een cel relatief veel energie gebruikt kunt u energiebesparende maatregelen nemen. Zo kunt u tot wel 35% besparen.

Maak slim gebruik van de klimaatcomputer Met een klimaatcomputer kan het klimaat in de bewaarcellen nauwkeurig worden ingesteld. De gebruiker kan zo de productkwaliteit beheren en tegelijkertijd het energieverbruik optimaliseren. Goede kennis van de werking en instellingen van de klimaatcomputer is belangrijk. In de praktijk zijn er veel verschillende computersystemen die variëren in leeftijd, merk en type. Elk systeem heeft zijn eigen optimale instellingen. Bij sommige systemen zijn de bewaargegevens zoals aantal draaiuren, energieverbruik en celtemperatuur makkelijk uit te lezen. Bij andere systemen zijn deze helemaal niet opvraagbaar. Goed uitleesbare computers hebben als meerwaarde dat het ‘bewaargedrag’ kan worden verbeterd. Afhankelijk van de bedrijfssituatie is de potentiële energiebesparing door optimale instellingen van de klimaatcomputer groot. Informeer bij uw klimaatcomputerleverancier naar een gebruikerscursus of de beste instellingen voor uw product en bewaarcondities.

Laat ventilatoren tijdig uitschakelen U bespaart de meeste energie door de ventilatoren op het moment dat het gewenste klimaat is bereikt uit te schakelen. De ventilator hoeft dan niet onnodig te draaien en de warmte die geproduceerd wordt door de ventilatoren hoeft niet te worden weggekoeld. Minder circuleren kan zowel tijdens het inkoelen als tijdens de verdere bewaring. Tijdens het inkoelen leidt het regelmatig stoppen van de circulatie op momenten dat de koeler niet is ingeschakeld zelfs tot een betere luchtverdeling. In de verdere bewaring kunt u de luchtcirculatietijd in de meeste

68 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

gevallen halveren door een puls-pauze schakeling of een frequentieregeling. Aanpassingen in de ventilatorinstellingen kunnen leiden tot 27% besparing op het energieverbruik.

Gebruik elektronische expansieventielen Om uw koelinstallatie bij zuinige condities optimaal te laten functioneren kunt u de persdruk verlagen en de zuigdruk verhogen. Thermostatische expansieventielen zijn vaak onnauwkeurig bij kleine drukverhoudingen. Door elektronische meting van de oververhitting en inspuiting via een elektronisch expansieventiel is de drukverhouding veel nauwkeuriger te bepalen. De condensordruk kan dan beter worden verlaagd. De efficiëntie van de condensor neemt op deze manier tot wel 40% toe. Andere voordelen van een elektronisch expansieventiel zijn: een maximale verdampervulling, een beter bewaarklimaat en een optimale oververhittingsregeling.

Plaats energiezuinige ventilatormotoren Moderne ventilatoren hebben meestal een lager energieverbruik per m³ lucht dan oude types of systemen met een overcapaciteit. Er bestaan tegenwoordig ook gelijkstroomventilatoren die een flinke stap zuiniger zijn. Waar een driefasedraaistroommotor van een ventilator een rendement van 70 tot 80% heeft, bereikt een gelijkstroommotor met geïntegreerde elektronica rendementen van 84 tot 90%. Vroegtijdige vervanging van de ventilatoren kan dus flink bijdragen aan een lager energieverbruik. Vervanging van de ventilatoren levert, afhankelijk van de ouderdom, ongeveer 5 tot 20% energiebesparing op.

Gebruik van frequentieregelaars Een frequentieregelaar is een elektronisch apparaat dat het toerental van een ventilator kan regelen door een andere frequentie dan de standaard 50 Hz van het lichtnet te bieden. Bij het terugtoeren met een frequentieregelaar neemt het stroomverbruik sneller af dan de luchtopbrengst, namelijk met de 3de macht. 50% terugtoeren levert 50% minder lucht op maar het stroomverbruik neemt af met ruim 80% (50% x 50% x 50%). Een frequentieregelaar is vooral interessant als de maximale capaciteit van de ventilatoren veel groter is dan de benodigde capaciteit.

Energieprijzen vergelijken! Wist u dat ruim 60% van alle bedrijven en particulieren in België nog steeds te veel betaalt voor energie? En dit ondanks de liberalisering van de energiemarkt. De doorsnee gebruiker heeft gewoonweg geen zicht op alle verschillende leveranciers, formules, kortingen en acties, die ook nog eens van dag tot dag veranderen. Bovendien zijn energieprijzen complex en ogenschijnlijk niet transparant. Veel bedrijven en particulieren zien door de bomen het bos niet meer. Kiest de leverancier die het beste bij uw bedrijf past. De electriciteitsprijzen aan (groot)-verbruiker zijn afhankelijk van het verbruik, de pieken en de piekmomenten. Samen met het Onafhankelijk Adviesplatform zoeken we uw beste energieleveracier voor u uit. Energieprijzen vergelijken loont. Dankzij de samenwerking komen VAC-leden in aanmerking voor speciale acties en tarieven op maat van uw bedrijf. Omdat we niet gebonden zijn aan een energieleverancier gaan we steeds voor de beste energieprijs op de markt. Daar kan ook u van profiteren. Deze service wordt aan VAC-leden gratis aangeboden. In 2017 werd een groep van VAC-klanten doorgelicht tot tevredenheid van de klanten. In 2018 volgt de andere groep.

69 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Waterverbruik in de landbouw Landbouw verbruikt vooral grondwater Het totale waterverbruik in de Vlaamse landbouw wordt door VMM geschat op 68,5 miljoen m³ in 2014. Het grondwaterverbruik wordt geraamd op 55 miljoen m³, of 80% van het totaal waterverbruik. Naast grondwater, zijn ook leidingwater en regenwater belangrijk in verbruik, respectievelijk 9 en 7% in 2014. Oppervlaktewater wordt beperkt verbruikt in de landbouw, slechts 2%. Het verbruik van leidingwater daalde sinds 2000 met 15%. Er zijn geen jaarspecifieke cijfers voor grondwater en regenwaterverbruik, omdat er geen totale meting gebeurt. Mede daardoor is er geen belangrijke evolutie waarneembaar voor het totaal waterverbruik in de periode 2000-2014. Op land- en tuinbouwbedrijven worden grote inspanningen geleverd om spaarzaam om te springen met water en zo de waterbehoefte en het wateraanbod op elkaar af te stemmen. Dit betekent: • Inzetten van waterbesparende maatregelen; • Zo zuinig mogelijk omgaan met kwaliteitsvol water. (Diep) Grondwater is in de eerste plaats bestemd voor hoogwaardige toepassingen; • Alternatieven voor grondwater gebruiken, zoals hemelwater en oppervlaktewater. Het juiste water op de juiste plaats gebruiken, betekent in veel gevallen een serieuze besparing van duur leidingwater. Met een duurzaam watergebruik worden de kosten gedrukt en het milieu gespaard.

70 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Meten is weten Ons VACwerkprogramma heeft een geĂŻntegreerd energie/waterbalans module. Op eenvoudige wijze kunt u uw energie/waterverbruik registreren. In het bedrijfsresultaat kunt u dan uw energie-waterverbruik aflezen en dit per eenheid (GVE, ha, 100 liter melk). Deze cijfergegevens stellen u in staat om uw verbruik te vergelijken met de normbedragen.

Gemiddelden Milieu - Energie - Prestatiestaat - 2016 Energie Totalen Aardgas Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten Kolen

42,50 30.292,50 152,10 9.681,40 85,70

m3 KWh liter liter Kg per ha

Teelten Aardgas Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten Kolen

0 8.999,30 9,30 6.518,60 0

m3 KWh liter liter Kg

0 5.507,90 9,30 2.352,50 0

m3 KWh liter liter Kg

42,50 15.785,40 133,50 810,30 85,70

m3 KWh liter liter Kg

0 517,00 0,20 1.122,40 0

m3 KWh liter liter Kg

Algemeen Aardgas Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten Kolen Dieren totaal Aardgas Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten Kolen

Per zeug

Fokvarkens Petroleumproducten

281,30 liter

Per dier

Geiten Aardgas Elektriciteit Petroleumproducten

6,70 liter

42,50 m3 354,10 KWh 8,20 liter

0,10 m3 1,70 KWh 0,10 liter

Per gepr. big 0,2

liter

Per 100 liter 0 0,7 0

m3 KWh liter

71 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Per 1000 plaatsen

Leghennen Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten

479,60 KWh 6,00 liter 13,30 liter

Per GVE

Melkvee Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten

72,00 KWh 0,80 liter 2,10 liter

10.143,60 KWh 1,30 liter 77,30 liter

103,00 KWh 0 liter 0,90 liter

Moederdieren Elektriciteit Petroleumproducten

154,50 KWh 15,80 liter

Para-agrarisch Elektriciteit Petroleumproducten

80,00 KWh 14,60 liter

Rundvee Elektriciteit

1.001,70 KWh

Varkens Elektriciteit Petroleumproducten

833,50 KWh 60,50 liter Per plaats

Vleeskalveren Elektriciteit Petroleumproducten Kolen

1.150,10 KWh 191,40 liter 85,70 Kg

Per 1000 plaatsen

Vleeskippen Elektriciteit Ander gas Petroleumproducten

220,30 KWh 126,20 liter 37,70 liter

910,40 KWh 6,60 liter

72 Vlaams Agrarisch Centrum

18,60 KWh 0,10 liter Per gepr. dier

Vleesvarkens Elektriciteit Petroleumproducten

9,30 KWh 2,10 liter 2,10 liter Per GVE

Vleesrunderen Elektriciteit Petroleumproducten

1,40 KWh 0,30 liter 0,10 Kg

457,70 KWh 35,20 liter

0,20 KWh 0 liter

Per 100 liter 2,4 0 0

KWh liter liter


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

Water Teelten Korte keten Algemeen Dieren

54,00 0,00 223,00 350,60

m3 m3 m3 m3

Per Ha 4,20 m3

Geiten

5,80 m3

Per dier 0,00 m3

Per 100 liter 0,00 m3

Leghennen

8,20 m3

Per 1000 plaatsen 1,40 m3

190,50 m3

Per GVE 1,90 m3

Vleeskalveren

37,00 m3

Per plaats 0,10 m3

Vleeskippen

12,80 m3

Per 1000 plaatsen 0,50 m3

Melkvee

Per 100 liter 0,00 m3

Vleesrunderen

5,40 m3

Per GVE 0,20 m3

Vleesvarkens

8,70 m3

Per gepr. dier 0,00 m3

73 Vlaams Agrarisch Centrum


Rentabiliteits- en kostprijsanalyse 2012-2016

VLAAMS AGRARISCH CENTRUM Ambachtsweg 20 - 9820 Merelbeke tel. (09)252 59 19 - fax (09)252 40 66 www.vac.eu - vac@vac.eu

STEEDS TOT UW DIENST En wat kunnen we voor u doen? Het is onze missie om een onafhankelijke en deskundige dienstverlening, voorlichting en belangenverdediging uit te bouwen voor de autonome familiale landbouwbedrijven. De persoonlijke aandacht naar de landbouwer en tuinder speelt een centrale rol in onze werking. Onze enthousiaste, vakkundige en uitstekend opgeleide medewerkers ijveren voor een duurzame en optimale samenwerking met de boer in wederzijds vertrouwen. We nemen de administratieve last weg… … zo houdt ‘de boer’ de handen vrij om te doen waar hij goed in is: ‘boeren’.

Vlaams Agrarisch Centrum 74

Ambachtsweg 20 | 9820 Merelbeke

Vlaams Agrarisch Centrum | vac@vac.eu www.vac.eu


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.