Kerk en buitenwereld

Page 1

Kerk en buitenwereld



KERK EN BUITENWERELD Opstellen over de kerk in de samenleving voor Marius van Leeuwen onder redactie van Koen Holtzapffel, Johannes Magliano-Tromp en Marijke Tolsma

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer


Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van de Vera Gottschalk-Frank Stichting

www.uitgeverijmeinema.nl Ontwerp omslag: Studio Anton Sinke, Nieuwerkerk aan den IJssel Illustratie omslag: Paul Klee, Städtebau mit grünem Kirchturm, 1919, 191. Urban development with green steeple. Watercolour, gouache and pen on paper on cardboard, 30,3 x 13 cm. Zentrum Paul Klee, Bern Foto Marius van Leeuwen: IKON/Het Vermoeden ISBN 978 90 211 4332 3 NUR 704; 700 © 2012 Uitgeverij Meinema, Zoetermeer Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


INHOUD Inleiding Johannes Magliano-Tromp ........................................................................

7

Nederland en zijn islam. Een kijkje in de spiegel Maurits Berger.............................................................................................. 15 De scheiding van kerk en staat. Een herijking Wibren van der Burg................................................................................... 32 De arbeider is zijn loon waar. Over de remonstrantse predikant als werknemer Tjaard Barnard ............................................................................................. 43 Inspiratie uit vergeten tradities Heleen Murre-van den Berg ...................................................................... 51 Kerken, armoede en ontwikkelingssamenwerking. Tussen hoop en realiteit Mijnke Bosman-Huizinga .......................................................................... 61 Naar een vitalisering van het sociaal remonstrantisme Herman Noordegraaf ................................................................................. 73 Ondertussen op televisie. Het ongemak van de kerk met een nieuw medium Tom Mikkers................................................................................................ 84 De kerkennacht als oecumenisch festival van verbinding Henk de Roest ............................................................................................. 92 Ricœur, de barmhartige Samaritaan en de vraag naar de naaste in tijden van internet Koen Holtzapffel......................................................................................... 104


6

INHOUD

Wat zingen de remonstranten? Het Nederlandse kerklied tussen gisteren en morgen Eric Cossee................................................................................................... 114 De kerk: herinneren en verwachten Gerrit de Kruijf............................................................................................ 125 De problemen van het the誰sme Rick Benjamins ............................................................................................ 134 De vrije wil en de kwebbeldoos Meerten ter Borg ......................................................................................... 144 De vrije wil Johan Goud .................................................................................................. 154 De geloofsbelijdenis van 2006 als een erfenis van het remonstrantse modernisme Martijn Junte ................................................................................................ 166 Verbeelding van een wereld met wetenschap Willem B. Drees........................................................................................... 179 Poging in de waarheid te leven. Over intellectualiteit en spiritualiteit Foeke Knoppers .......................................................................................... 189


INLEIDING Johannes Magliano-Tromp In de Europese geschiedenis en cultuur is de christelijke kerk eeuwenlang een bepalende factor geweest. Ze was de evenknie van vorsten in macht, rijkdom en patronaat, ook nadat de staat haar in de revolutionaire negentiende eeuw eindelijk in bedwang had gekregen, en oefende nog lange tijd grote invloed uit in alle sectoren van het maatschappelijke leven. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw is het christendom die dominante positie in een snel tempo aan het kwijtraken, met name in Europa. In Nederland is dat tempo zelfs duizelingwekkend geweest, en mag het proces waarin de kerk gemarginaliseerd wordt, als voltooid gelden. Politieke macht heeft de kerk al heel lang niet meer (het bisschoppelijk mandement van 1954 was waarschijnlijk de laatste poging tot directe beïnvloeding van het landsbestuur) en de belangrijkste christelijke politieke partijen hebben alle kleur verloren; veel kerkelijke instanties zijn armlastig geworden, en het financiële vermogen dat hier en daar nog in de boeken staat, wordt angstvallig bewaard voor nog slechtere tijden; voor mecenaat van enige betekenis is domweg geen geld meer. Ook op het gebied van onderwijs, armenzorg en internationale betrekkingen (via de zending) zijn de taken die de kerken voor zichzelf zagen weggelegd stelselmatig door de neutrale overheid overgenomen. In dezelfde periode lijkt ook de betekenis van de kerken voor hun eigen achterban te zijn afgekalfd, wat het duidelijkst af te meten is aan de gedurig dalende ledentallen. Er is tussen beide ontwikkelingen ongetwijfeld een verband, al is het vermoedelijk te eenvoudig om het afnemen van het maatschappelijk belang van de kerken te wijten aan het verouderen van het christelijke wereldbeeld – een omgekeerde oorzaak-gevolg relatie is even goed denkbaar. In vergelijking met de situatie waarin de kerk als vanzelfsprekend in het centrum van de macht en dus de belangstelling stond, is de huidige positie van de kerk, althans in Nederland en omstreken, aanzienlijk bescheidener geworden: die van een van vele concurrenten op de zingevingsmarkt. Was zij tot betrekkelijk recent actief betrokken bij de vormgeving van de wereld, nu is ze toch vooral ‘de wereld ongelijkvormig’, zij het op een andere manier dan Paulus die uitdrukking waarschijnlijk be-


8

JOHANNES MAGLIANO-TROMP

doelde (Romeinen 12:2). In de ogen van meewarige buitenstaanders is ze een oud, afgeleefd en achterhaald instituut, en het heeft er alle schijn van dat die buitenstaanders in onze samenleving hoe langer hoe meer de insiders van de ‘echte’ wereld zijn. Voor de kerken is die ‘echte’ wereld een buitenwereld geworden. De bedoeling van deze bundel is een schets te geven van de huidige positie van de kerk ten opzichte van die buitenwereld. Het is daarbij niet zozeer de vraag hoe het allemaal zover heeft kunnen komen – voor antwoorden op die vraag is het nu nog veel te vroeg – al zal toekomstig wetenschappelijk onderzoek zeker kunnen profiteren van een aantal inzichten die in deze bundel geboden worden. Belangrijker is hier de vraag hoe de kerken op deze, voor hen nieuwe situatie reageren, waarbij ik wil benadrukken dat deze situatie heus nieuw is. Zoals al aangeduid, is het tempo van de verandering pijlsnel geweest: pakweg vijftig jaar is een fractie van een meer dan duizendjarige geschiedenis. Mensen zijn zich in hun dagelijkse leven nauwelijks bewust van de veranderingen die hun omgeving en zijzelf ondergaan. Wie dertig jaar lang met een leeftijdgenoot optrekt, neemt de geleidelijke ontwikkeling van diens gelaatstrekken niet waar. Wie daarentegen een studiegenoot na dertig jaar voor het eerst weerziet, kan denken: ‘Wat heeft die een ouwe kop gekregen,’ en dan duurt het even, als het al gebeurt, voordat die observatie zich vertaalt in reflectie over het eigen rijpingsproces. Als in een mensenleven dertig jaar al een korte periode is, wat is dan vijftig jaar in de kerkgeschiedenis? Zeker, de kerken in Nederland weten al geruime tijd dat hun omvang en invloed teruglopen, maar zijn lange tijd toch vooral bezig geweest met de vraag hoe zij dat tij konden keren. Het besef dat die vraag verkeerd gesteld was, is pas veel recenter doorgebroken (en dan vast nog niet overal). Ook binnen een Nederlands kerkgenootschap als de Remonstrantse Broederschap is men pas een paar jaar geleden begonnen de eigen identiteit als het ware opnieuw uit te vinden. In het wennen aan een positie in de marge heeft die een voorsprong op andere, veel grotere kerkgenootschappen, maar zij heeft zich toch altijd als een zelfbewuste telg van de protestantse familie gezien, de verre nicht of het kleine zusje, dat weliswaar nooit gelijk kreeg, maar het wel altijd had. Nog altijd zijn er remonstranten te vinden die zich verbaasd afvragen waarom hun kerk niet veel groter van omvang is, terwijl zij toch alles te bieden heeft wat de moderne religieuze mens zoekt! Dat de feiten die laatste veronderstelling logenstraffen, is ook hier maar een moeilijk te verteren boodschap.


INLEIDING

9

De vraag is dus hoe die nieuwe buitenwereld er met de ogen van vandaag uit ziet, en hoe de kerken daarop reageren. Over deze vraag hebben zich op uitnodiging van de redactie van deze bundel collega’s, vrienden en leerlingen van Marius van Leeuwen gebogen, allen vanuit hun eigen specialisatie. De aanleiding daarvoor is de vijfenzestigste verjaardag van Marius en zijn emeritaat als hoogleraar van het Seminarium der Remonstranten. Het is uitdrukkelijk de bedoeling geweest de lijst van auteurs niet te beperken tot remonstrantse theologen, maar collega’s van het Leidse Instituut voor Godsdienstwetenschappen en van de Protestantse Theologische Universiteit in te sluiten. Bij beide instellingen en hun voorgangers is Marius zijn leven lang nauw betrokken geweest, en met de betreffende collega’s heeft hij als hoogleraar lang en vruchtbaar samengewerkt. De onderwerpskeuze voor deze bundel is eveneens ingegeven door de persoon van Marius van Leeuwen: als iemand de kerkelijke buitenwereld van binnen kent, dan is hij het wel. In deze bundel worden kerk en buitenwereld vanuit diverse perspectieven besproken, waarbij de volgorde van de bijdragen bepaald wordt door een beweging van buiten naar binnen. De buitenste kring wordt getrokken door de stand op te nemen van de plaats van de Nederlandse kerk in haar politieke, juridische en maatschappelijke context – zowel wat betreft de invloed van de buitenwereld op de kerk als andersom. De wereldkerk vormt eveneens een kring rondom de Nederlandse kerken, die hun positie ten opzichte van het grote geheel waarvan ze deel uit maken eveneens opnieuw moeten bepalen. De wijze van communiceren van kerken met hun buitenwereld is een volgende punt van aandacht, zowel formeel als inhoudelijk. Bij dit alles blijven centrale vragen: hoe denkt de kerk over zichzelf en over de inhoud van haar boodschap. In dat verband worden vragen op het terrein van de dogmatiek, filosofie en spiritualiteit besproken. Eerst dan die buitenwereld zelf. De ontdekking daarvan is niet alleen nieuw voor de kerken, maar voor de Nederlandse samenleving als geheel – althans toch voor die delen van de samenleving die zich als de authentieke representanten van het Nederlanderschap beschouwen. Maurits Berger (hoogleraar Islam aan het Instituut voor Godsdienstwetenschappen) laat zien hoe de problemen zoals de Nederlandse samenleving die met de integratie van een grote islamitische overheid ervaart, vooral iets zeggen over die samenleving zelf: over haar eigenaardigheden, haar historisch gegroeide buitenissigheden, over zovele zaken die voorheen vanzelfsprekend leken, maar vrij plotseling ter discussie komen te staan – niet door die islamitische minderheid, maar met die islamitische minder-


10

JOHANNES MAGLIANO-TROMP

heid als katalysator. In zijn omgang met de ‘nieuwe’ moslims, ziet Nederland welbeschouwd zijn eigen gezicht. Een verwante thematiek wordt aangesneden door Wibren van der Burg (hoogleraar Rechtsfilosofie en Rechtstheorie in Rotterdam). De verhouding tussen de Nederlandse staat, levensbeschouwelijk onderwijs en de bekostiging daarvan is sinds de negentiende eeuw nooit een vanzelfsprekende geweest, maar aan de grondregels ervan waren we sinds de Schoolwet van 1920 en de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 al wel behoorlijk gewend geraakt. Wat de predikantsopleidingen betreft, is het geen overdrijving te stellen dat ook hier de komst van de islam belangrijk heeft bijgedragen aan de overtuiging dat op dit gebied de kussens weer eens opgeschud moesten worden. Van der Burg bespreekt de Nederlandse variant van de scheiding van kerk en staat, haar redenen, rechtvaardiging, en de noodzaak tot aanhoudende heroverweging daarvan. Een keiharde confrontatie van de kerk met de buitenwereld wordt geleverd door vraagstukken van arbeidsrechtelijke aard. Predikanten die voor een grijpstuiver en een half varken hun werk verrichten zijn niet meer te vinden. Tjaard Barnard (remonstrants predikant te Rotterdam) schetst de werkelijkheid die het kerken hoe langer hoe meer verbiedt hun dienaars te zien als onbaatzuchtige geroepenen. Schipperend tussen wereldse middelen en heilsbediening zoeken de kerken, in dit geval de Remonstrantse Broederschap als onderdeel van een voorhoede voor de PKN, naar een verzoening van binnen- en buitenwereld, die recht doet aan zowel de noden van de geloofsgemeenschap als aan die van haar individuele professionals. De kerk is ondertussen meer dan Nederland – dat feit lijkt een open deur, maar verdient meer dan de voorbijgaande aandacht die er in het gewone discours aan verleend wordt. Heleen Murre-van den Berg (hoogleraar Christendom aan het Instituut voor Godsdienstwetenschappen) belicht de kerken van het Midden-Oosten, die op een aanzienlijk oudere geschiedenis kunnen bogen dan de meeste in Europa, maar niettemin vaak wat paternalistisch door de westerse geschiedschrijvers behandeld worden. Langzamerhand worden zij herontdekt, niet alleen als historisch feit, maar ook als inspiratiebron. Terecht wijst Murre op het gevaar dat westerlingen de dialoog met deze noodlijdende geloofgemeenschappen verwarren met hun hang naar shoppen bij exotische religies. Tot de kerkelijke bezinning op de eigen rol ten opzichte van de buitenwereld behoort ook bezinning op wat zij als bijdrage aan de buitenwereld te bieden heeft. Een in remonstrantse kerkdiensten veel gebruikte formulering bij de wegzending van de gemeente, voorafgaand aan de


INLEIDING

11

zegen, spreekt onder meer van het aanvaarden van de taak die de geloofsgemeenschap heeft voor ‘de wereld en haar noden’. Mijnke Bosman-Huizinga (gewezen algemeen secretaris van de Remonstrantse Broederschap) schetst de recente geschiedenis van de kerkelijke betrokkenheid bij armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwerking, en laat zien dat er geen enkele reden voor de kerken is om zich op dit terrein uit de maatschappelijke discussie en actie terug te trekken. Herman Noordegraaf (hoogleraar Diaconaat aan de PThU), uitnemend kenner van het christen-socialisme in Nederland, laat zien op welke wijze speciaal de remonstranten – politiek gezien niet altijd geassocieerd met de ‘linkse kerk’ – hebben gewerkt aan de religieus-ideologische onderbouwing van hun actieve bemoeienis met maatschappelijke vraagstukken. Hij voert een warm pleidooi voor het herleven van het moreel beraad, waarin zij, als misschien wel de buitenste schil van de kerkelijke binnenwereld, nog altijd een rol van betekenis kunnen spelen. Een belangrijke vraag bij dit alles is hoe de kerk de buitenwereld nog kan bereiken, de vraag naar effectieve communicatiemedia. De snelheid van de ontwikkelingen op dat terrein ligt voor de kerk – een instelling die het, wat haar activisme betreft, nu eenmaal niet van de jeugd moet hebben – duidelijk te hoog. Tom Mikkers (algemeen secretaris van de Remonstrantse Broederschap) laat zien dat de kerken de televisieboot in ieder geval danig hebben gemist. Indien ergens, is het hier dat de kerken hun stijve en oubollige gezicht hebben getoond, om vervolgens genadeloos van het scherm te worden verjaagd. Een van de gevolgen daarvan is geweest dat de Evangelische Omroep, wat men daar verder ook van denkt, ten onrechte bepalend is geworden voor wat de buitenwereld zich voorstelt bij ‘christelijk’. De achterstand op televisie is niet meer in te halen, al was het alleen maar omdat, wat een paar jaar geleden zich ook nog niemand kon voorstellen, de televisie zelf alweer een achterhaald medium wordt. Het is mede daarom dat de vraag gerechtvaardigd is of een kerk die zich inspant om met de voortsnellende ontwikkelingen mee te komen, wel op het goede paard mikt, en niet alleen omdat zij dat tempo op haar bedaagde benen toch niet meer kan bijhouden. Henk de Roest (hoogleraar Praktische theologie aan de PThU) beschrijft het veelbelovende initiatief van de Kerkennacht, dat vele duizenden mensen aantrekt. In hun evaluaties van dat initiatief prijzen die mensen de ervaring van verbinding en geborgenheid. Als het gaat om het vinden van kanalen voor communicatie, zou je hieruit kunnen leren, doen kerken er misschien beter aan dicht bij


12

JOHANNES MAGLIANO-TROMP

zichzelf te blijven en hun authenticiteit te bewaren, in plaats van hijgerig achter de laatste jongeren-hype aan te hollen. Meer theologisch-beschouwelijk begeeft zich Koen Holtzapffel (remonstrants predikant te Rotterdam) in het debat over nieuwe media, wanneer hij ingaat op breed levende zorgen over de verondersteld kwalijke invloed van de nieuwe sociale media op de kwaliteit van onderlinge relaties. Die nieuwe media zijn misschien niet het antwoord bij uitstek op de communicatienood van de kerken, zoals we van De Roest kunnen leren, maar zij zijn evenmin de doodsteek voor menselijke relaties in het algemeen. Ook afstandelijke en functionele relaties hebben hun eigen authenticiteit, en zijn daarom niet minder legitiem dan de intieme en onvoorwaardelijke relaties die velen abusievelijk voor de ideale betrekkingen houden. Het mecenaat, het patronage van muziek en beeldende kunst, behoort traditioneel niet tot het centrum van het protestantisme. Eric Cossee (emeritus-hoogleraar in de Geschiedenis en beginselen van het Unitarisme aan de Rijksuniversiteit te Groningen) bespreekt de remonstrantse bijdrage aan het kerklied en de ontwikkeling daarvan in de protestantse oecumene. Als het waar is dat de kerken in hun streven naar vormen van communicatie met de buitenwereld moeite hebben de juiste kanalen te vinden, moet meteen ook erkend worden dat inhoudelijke communicatie alleen kan slagen als je ook iets mee te delen hebt. Het is allemaal leuk en wel als je vindt dat de buitenwereld je serieus zou moeten nemen, maar dan moet je ook aan de buitenwereld duidelijk kunnen maken wat je positieve bijdrage is. Daarmee komen we langzamerhand van de buitenwereld in de kerkelijke binnenwereld, de identiteit van de kerken van vandaag. In de eerste plaats geldt dat je moet vasthouden aan dat waar het je als kerk in essentie om te doen is. ‘Het gaat niet om de kerk’, stelt Gerrit de Kruijf (hoogleraar Christelijke ethiek aan de PThU), maar om de boodschap waarvan zij het als haar opdracht ziet die te brengen. Die boodschap is wezenlijk eschatologisch: er is een oordeel en er is een bestemming, een vervulling, als men wil, die niet in de kaders van deze wereld, of dat nu de binnen- of de buitenwereld is, kan worden gevangen. Rick Benjamins (universitair docent Dogmatiek aan de PThU) bespreekt het recente debat tussen meer traditionele en min of meer postmoderne theologen, die allen voor de uitdaging staan te spreken over God als een al dan niet reĂŤel en buiten ons bestaand wezen. Gelovigen spreken over God omdat zij zijn realiteit ervaren. In ieder geval is die


INLEIDING

13

ervaring een realiteit, en dat op zich is voldoende rechtvaardiging om een uitweg te zoeken uit de impasse van ongeloofwaardigheid waarin het theïstische spreken over God is beland. Trouw blijven aan de eigen boodschap is ook wat Meerten ter Borg (emeritus-hoogleraar Niet-institutionele religie aan het Instituut voor Godsdienstwetenschappen) de remonstranten aanbeveelt. Hij fileert de opvattingen van de bestrijders van de notie van de vrije wil. Zij gaan uit van een mechanistische beschouwing van de menselijke geest en reduceren het menselijke handelen tot een afgeleide van cerebrale electronica. Dat doet echter geen recht aan de historische en sociale netwerken waarvan de mens per definitie deel van uitmaakt, en die aan het menselijke oordeelsvermogen een extra zingevende dimensie geeft, die ver boven het automatische gedrag van invididuen uitstijgt. Johan Goud (remonstrants predikant en hoogleraar Religie en zingeving in literatuur in Utrecht) benadert dezelfde kwestie van de vrije wil vanuit literair-filosofisch perspectief. Ook Goud bekritiseert de behandeling van de vrije wil als ‘ding’, en vraagt aandacht voor het eigenstandige belang van de menselijke interpretatie van het contingente, zoals vormgegeven in verhalen en poëzie – bij uitstek vruchten van de geest waarvoor het model van l’homme machine geen verklaring bieden kan. De notie ‘vrijheid’ is cruciaal voor remonstranten, en de zojuist genoemde bijdragen herinneren hen aan hun verbondenheid met die waarde, die zij niet voor niets in hun beginselverklaring hebben opgenomen. Als kerken voor een geslaagde communicatie met de buitenwereld trouw moeten blijven aan wat hun eigen is, behoren vrijheid en de vrije wil tot het centrum van het remonstrantisme. Vrijheid, dat staat in dezelfde beginselverklaring, die geworteld is in het evangelie. Martijn Junte (remonstrants predikant te Eindhoven) peilt de ‘ketterse’ diepten waarin remonstranten bereid zijn zich te begeven om aan hun eigenheid vorm te geven. Zij hebben in hun belijdenis van 2006 zowel het reformatorisch als het modernistisch rationalisme losgelaten, om een plaats in te ruimen voor een meer evocatief spreken over God. Het feit dat zij temidden van de verlokkingen van het postmoderne zingevingscircus vasthouden aan de christelijke overlevering, in welke vorm dan ook, stemt tot nadenken, zowel voor binnen- als buitenwereld. Wat maakt dat mensen – hedendaagse westerlingen, gepokt en gemazeld in de technologische verworvenheden van deze tijd – schijnbaar verouderde wereldbeelden niet willen opgeven, maar vasthouden aan de wijsheid van tijden die voorbij zijn? Willem B. Drees (hoogleraar Gods-


14

JOHANNES MAGLIANO-TROMP

dienstwijsbegeerte aan het Instituut voor Godsdienstwetenschappen) denkt na over de verschillende waarheidsclaims van geloof en wetenschap. Weten gaat voor geloven, in die zin dat ontologische verklaringsmodellen die de overlevering biedt, onherroepelijk moeten wijken voor de veel zekerder kennis van natuurwetenschappelijk onderzoek. Maar ook de zekerste natuurwetenschappelijke uitkomsten geven geen antwoord op de verwondering die de contemplatie van de ‘schepping’ oproept. Dat maakt de natuurwetenschap geenszins overbodig, maar laat volop ruimte voor doorvragen, niet gedicteerd, maar wel geïnspireerd door de traditie. Dat brengt ons op wat misschien wel de kern van het remonstrantisme is: het intellectuele gehalte van zijn spiritualiteit. Foeke Knoppers (remonstrants predikant te Hengelo in Twente) pleit voor de reflectie (als onderscheiden van een meer spontane en vluchtige verwerking) als geëigende reactie op de ervaring van onze dagelijkse werkelijkheid. Zijn bijdrage raakt het hart van de kerk die verbijsterd en verward zoekt naar haar eigen betekenis en rol in de buitenwereld. Het mag zo zijn dat de kerk een buitenwereld heeft gekregen en dat die buitenwereld haar niet onberoerd laat of mag laten. Maar dat mag er niet toe leiden dat zij haar binnenwereld, met verlies van eigenheid en eigen waardigheid, opgeeft. In de wandeling geldt intellectualiteit als de verklaarde tegenstander van spiritualiteit en geloof. Het geheel van deze bundel mag het tegenovergestelde aantonen, en als hij daarin ook maar enigszins slaagt, is hij een waardig tribuut aan de persoon en bijdrage van de jubilaris waaraan hij wordt opgedragen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.