â‚Ź3,50
tijdschrift voor socialisme
oktober 2012 nummer
119
De kater van de SP
Venezuela special:geen revolutie per decreet / De natuur als koopwaar / Een jaar na Occupy / Tragedie in SyriĂŤ 1
C o l o f o n Grenzeloos wordt uitgegeven door Socialistische Alternatieve Politiek (SAP), de Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale. Grenzeloos verschijnt zes keer per jaar. Hoofdredactie: Alex de Jong. Redactie: Peter Drucker, Patrick van Klink, Lot van Baaren Spellingscontrole: Marijke Colle, Eng Que Beeldredactie: Fleur Heinze. Illustraties: Lieke Peeters. Distributie en logistiek: Niek de Kleijn,Gijs van Kooten. Layout: Fleur Heinze. Redactie en administratie: redactie@grenzeloos.org Giro: 5571638 Reacties op dit nummer, de lay-out en suggesties voor artikelen worden op prijs gesteld. Overname van artikelen met bronvermelding wordt van harte toegejuicht. Artikelen in Grenzeloos vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de redactie.
INHOUD hoofdartikel 5 De kater van de SP
binnenland 8 Vakbondscafé Amsterdam – een netwerk van activisten 10 Alternatieven voor Kunduz
buitenland 14 Interview: De Syrische tragedie 16 De erfenis van Occupy
achtergrond 12 Risico’s van neoliberalisme 18 De vermarkting van de natuur
Special Venezuela: 20 De zigzag van een revolutie 22 ‘Nu is de tijd gekomen!’ Strijd voor seksuele zelfbeschikking 24 Open horizonten 26 De revolutie gaat niet per decreet
Literatuur 30 Opstandig volk G renzeloos
31 Durf en democratie
tijdschrift voor socialisme
Wilt u een proefabonnement op
Grenzeloos
kijk dan op www. grenzeloos.org
Een jaarabonnement op Grenzeloos is 17,50 euro per jaar.
2
v a s t e
r u b r i e k e n
3 commentaar Helemaal geen ‘einde aan polarisatie’ en ‘herstel van het midden’ 4 kort nieuws 29 Film Aanstekelijke animatie 32 agenda/ actie/ tips
commentaar
H e l e m a a l h e r s t e l
g e e n ‘ e i n d e a a n p o l a r i s a t i e ’ e n v a n h e t m i d d e n ’
Verrassender dan de uitslag van de verkiezingen zijn een groot deel van de commentaren daarop. De verkiezingsuitslag laat een versterkte voortzetting zien van de ontwikkeling in de laatste week van de campagne. PvdA en VVD boekten nog meer winst, de nederlaag van CDA, GroenLinks en gelukkig ook PVV was nog groter dan verwacht, de stagnatie bij de SP nog pijnlijker. Maar van een 'einde aan de polarisatie’ of een ‘herstel van het midden’ zoals veel commentatoren menen is geen sprake. In tegendeel. De VVD is de winnaar, en boekte de grootste overwinning in haar geschiedenis. En ze boekte die overwinning met de meest rechtse campagne in haar bestaan. Een campagne die, ondanks de eeuwige grijns van Mark Rutte in toon en inhoud nauwelijks van die van Wilders te onderscheiden was. Met haar leuze: ‘Meeleven met slachtoffers, niet met daders’ doelde Rutte niet op de uitkeringsgerechtigden en de bankiers, maar probeerde hij de campagne van Wilders met zijn ‘aanpakken van Marokkaanse straatterroristen’ de wind uit de zeilen te nemen. En, we moeten het toegeven, in het binnenhalen van Wilders stemmen is Rutte succesvol geweest. Hetzelfde beeld zagen we aan de linkerkant. De PvdA onder leiding van Spekman en Samsom maten zich een links profiel aan om de SP kiezers te paaien. Samsom had de ideologische veren die Wim Kok indertijd had afgeschud weer opgeplakt. Gesteund door de weifelende opstelling van de SP wist Samsom een grote slag te slaan. Maar Emile Roemer heeft gelijk als hij zegt dat bij de kiezers die Samsom in de loop van de campagne bij de SP heeft weggehaald de sympathie voor de SP niet is verdwenen. Zij hebben op de PvdA gestemd om Rutte uit het torentje te houden, en dat is mislukt. De PvdA mag dan nog zo euforisch zijn, haar doelstelling is mislukt, en ze is vrijwel zeker veroordeeld tot regeringsdeelname onder Rutte. Volgens veel commentatoren is met deze uitslag de polarisatie in de politiek teruggedrongen. De Volkskrant kopte zelfs; ‘Het midden is terug’. Niets is minder waar. Niet alleen hebben de twee winnaars VVD en PvdA hun winst te danken aan het feit dat ze zich tegen elkaar afzetten maar ze hebben bij hun kiezers ook de verwachting gewekt dat ze een half PVV – respectievelijk een half SP beleid zullen gaan voeren. En dat gaat moeilijk samen. Het echte politieke midden is met de nederlaag van het CDA en de decimering van GroenLinks verder teruggelopen, ondanks de twee zetels winst van D66 en 50plus. Het is nu vrijwel onvermijdelijk dat VVD en PvdA samen in het kabinet komen, met wat kleiners uit het midden als smeermiddel er tussen in. Beide partijen zullen grote moeite hebben om aan de verwachtingen van hun kiezers te voldoen, maar de PvdA zal daar het meeste problemen mee hebben. Daarmee ligt de sleutel in hoge mate in handen van de SP. Als de socialisten zich niet laten paaien voor regeringsdeelname en geen verdere concessies doen liggen er mogelijkheden voor een effectieve linkse oppositie en een destabilisering van Rutte 2. We leven niet meer in de tijden van Paars. Toen konden PvdA en VVD met economische wind in de rug regeren en afrekenen met stukjes van de erfenis van het ooit oppermachtige CDA. Nu zullen ze samen tegen de wind in moeten fietsen waarbij hun kiezers verschillende kanten op willen. Dat geeft de SP de mogelijkheid om de kop te nemen in een linkse demarrage. Willem Bos
3
kort nieuws
C a s h e n
d a n k z i j
h o n g e r
De grootste moordenaars zien er soms uit als een nette man in een strak gesneden pak. De droogte in de Verenigde Staten heeft 45 procent van de maisoogst vernietigd en brengt 35 procent van de sojabonenoogst in gevaar. Deze gewassen worden vooral gekweekt voor de wereldwijd opererende voedingsmiddelenindustrie. Wereldwijd zijn de voedselprijzen in juli dan ook al met zes procent gestegen. Onder andere het Voedselagentschap van de Verenigde naties vrezen een intensivering van de reeds ernstige voedselcrisis, zoals in 2008 toen er op veel plaatsen voedselopstanden uitbraken. Dergelijke opstanden hoeven niet te verbazen als je beseft dat veel mensen in de Derde Wereld ook zonder de gestegen prijzen al het grootste deel van hun inkomen aan eten moeten besteden. Is iedereen bezorgd? Niet Chris Mahoney, die is juist verheugd. Chris Mahoney is directeur van de landbouwproducten van Glencore International PLC, een in Groot Brittanië gebaseerde grondstoffenspeculant welke onlangs de Canadese graanhandelaar Viterra gekocht. Vorig jaar maakte Glencore, afgezien van belastingen, 2,2 miljard dollar winst. De droogte in de VS biedt Glencore International goede kansen op meer winst. In The Guardian van 21 augustus is te lezen wat Mahoney denkt van stijgende voedingsprijzen: ‘in termen van vooruitzichten voor het resultaat van dit begrotingsjaar, is het milieu een goede. Hoge prijzen, veel beweging in de prijzen, een heleboel handel, krapte op de markt, en veel kansen om als tussenhandelaar op te treden.’ Kortom, terwijl miljoenen van de honger sterven, loopt Mahoney binnen met het speculeren op voedsel. (Patrick van klink)
O v e r
h e t
b e l e d i g e n
v a n
m o s l i m s
De ‘Revolutionaire Socialisten’ is een van de belangrijkste radicaal linkse groeperingen in Egypte. Zij gaven deze verklaring uit over de anti-moslim film Innocence of Muslims en de protesten naar aanleiding daarvan: De Revolutionare Socialisten herhalen dat zij alle aanvallen op religieuze locaties en symbolen, of deze nu islamitisch of christelijk zijn, afwijst. Dergelijke aanvallen versterken sektarische tendensen en polarisatie; ze zaaien verdeeldheid onder de meerderheid van arbeiders en boeren, armen en onderdrukten. Dergelijke aanvallen verzwakken de strijd van het gewone volk, hun eenheid en de ontwikkeling van hun zelfbewustzijn en zelf-organisatie in de strijd tegen de mafia van uitbuiters en speculanten die het inkomen en leven van miljoenen controleren. We benadrukken ook dat de werkelijke strijd van de Arabische revoluties er een is tegen het Amerikaanse imperlisme, niet een tegen andere culturen of de vrijheid van meningsuiting. Dit gevecht kan alleen gewonnen geworden door de voorzetting en groei van radicale bewegingen van de werkende bevolking en de onderdrukten van alle volken tegen hun uitbuiters en onderdrukker, in binnen en buitenland. Dit gevecht tegen het Amerikaanse imperialisme kan niet gereduceerd worden tot een ‘botsing van beschavingen’. Evenmin kan het geweld van kleine groepen tegen Amerikaanse ambasseda en bases in Libië, Egypte en Jemen massabewegingen van onderop voor onafhankelijkheid en nationale bevrijding vervangen. Terwijl de leiders van Moslim Broeders en de salafisten de woede tegen de Verenigde Staten opstoken zijn ze voorstander van het voortbestaan van diplomatieke, economische en militaire banden met de VS. Ze doen geen serieuze pogingen om de samenwerking met dit imperialistische regime te beëindigen of om het beschamende vredesverdrag met de de Zionistische entiteit (Israël), dat nationale onafhankelijkheid verkwanselt, op te zeggen. Zodra de autoriteiten hun betrokkenheid bij het bloedvergieten in de Sinaï hadden ontkend vernielden zij de tunnels naar de belegerde Gazastrook – een operatie die georganiseerd werd met de directe politieke steun van de Amerikaanse en Israëlische regeringen en die de banden tussen de regeringen versterkte. Dit incident is een poging om de Arabische revoluties te raken op het niveau van collectieve en democratische waarden. Het is een aanval op de solidariteit tussen volken over de hele wereld in de strijd voor de bevrijding van tirannie die in de Arabische revoluties vorm begon te krijgen en wereldwijd protestenbewegingen inspireerde. De woedende retoriek en acties die de Amerikaanse rol in de regio afschilderen als deel van een oorlog tussen moslims en christenen, of tussen oost en west, leiden de woede van het volk, inclusief de gewone mensen die beïnvloed zijn door retoriek van de islamisten tegen imperialisme, in een sektarische en chauvinistische richting. Dit is volledig verkeerd. Dit geeft de leiders van dezelfde islamitische stromingen die er geen probleem in zien om de VS en Israël ter wille te zijn de kans om vrij van de druk van straatprotesten hun diplomatieke spelletjes te spelen. De Revolutionaire Socialisten roepen de massa’s op om in beweging te komen en zich te organiseren om de verkozen autoriteiten onder druk te zetten om: -Amerikaanse militaire steun te weigeren en alle vormen van samenwerking met het Amerikaanse leger te beëindigen -om eens en voor altijd het Camp David-akkoord op te zeggen -op alle mogelijke manieren het Palestijnse verzet te steunen Vrijdag 14 september 2012
4
hoofdartikel
De kater van de SP Na 12 bleef de SP steken op 15 zetels, geen winst en geen verlies. Vergeleken met de peilingen half augustus, waarin de partij soms op 35 en zelfs 37 zetels stond, was het een teleurstelling. Hoe kwam dat? Alex
de
Jong
en
Willem
Bos
Het is te eenvoudig om de kater van de SP toe te schrijven aan een slechte verkiezingscampagne, het optreden van Emile Roemer of de uitstekende prestaties van directe concurrent Diederik Samsom. De SP worstelt met een veel dieper liggend probleem. De partij staat voor een fundamentele keuze: gaat ze door op de ingeslagen weg, dan zal ze steeds meer gaan lijken op een ‘gewone’ sociaaldemocratische partij. Of wordt ze weer de tegenpartij, de partij die consequent en vasthoudend de neoliberale politiek bestrijdt. In het eerste geval loopt ze het gevaar dat steeds meer van haar aanhang kiest voor het origineel: de Partij van de Arbeid. Die partij is weliswaar een stuk minder links maar heeft veel meer ervaring als bestuurderspartij. Voor mensen die op zoek zijn naar een potentiële linkse regeringspartij, in de hoop dat zo’n partij er voor zal kiezen hun belangen minder hard aan te vallen dan rechts, zal de PvdA de meest logische keuze blijven. Kiest de SP ervoor zich te positioneren als de partij die als enige wil breken met de neoliberale consensus, dan zal ze nog meer dan nu de uitdrukking moeten worden van onvrede onder de bevolking en van verzet tegen de neoliberale politiek. Die onvrede is er. Ook veel PvdA stemmers willen een linkser beleid dan van die partij te verwachten valt. Het moeilijkste is deze onvrede actief te maken, te mobiliseren in verzet – dit is iets wat nog maar in beperkte mate gebeurt. Dat is geen argument om naar het midden op te schuiven, het accepteren van de huidige situatie van grotendeels passieve afkeur en zwakke protesten is een garantie dat deze ook niet verandert. De tweede keuze, de concentratie op weerwerk tegen de neoliberale agenda en op het samen met vakbonden en andere bewegingen opbouwen van het sociale verzet, is een kwestie van lange adem. En leidt natuurlijk niet op korte termijn tot regeringsdeelname – maar de pogingen om een ‘betere’ PvdA te zijn, brengen dat ook niet wezenlijk dichterbij.
Regeringsdeelname Regeringsdeelname, dat was volgens de partijleiding van het begin af aan de inzet van de verkiezingscampagne. Nadat de partij in 2006 niet mee mocht doen zou nu het moment moeten komen. Om dat mogelijk te maken moest de partij naast een goede verkiezingsuitslag vooral duidelijk maken dat ze klaar was om mee te regeren. In verschillende
gemeenten en in de provinciale staten van Zuid-Holland en Brabant liet de SP zien dat ze verantwoordelijke bestuurders kan leveren, en nu werd het tijd dat we ook in Den Haag aan de knoppen komen te zitten, was de centrale boodschap. Het verkiezingsprogramma moest vooral realisme uitstralen en de partij moest haar radicale imago bijstellen. Die aanpak leek te werken. In de periode voor de start van de verkiezingscampagne groeide de SP gestaag in de opiniepeilingen. Rutte of Roemer, liberaal of sociaal uit de crisis, dat stond centraal in de SP campagne. Maar toen de verkiezingscampagne eenmaal op gang kwam sloeg die benadering keihard terug op de SP. Immers, stemmers werden voornamelijk opgeroepen om op de SP te stemmen omdat dit potentieel de grootste partij was. Toen dat vergezicht verdween, was er voor velen nog weinig reden om trouw aan de SP te blijven. De inzet van ‘wij of Rutte’ riep mensen niet op om voor een programma te stemmen maar op een toekomstig premier en tegen de VVD. De onverwacht sterke opkomst van de PvdA ging ten koste van de SP. Wie zich slechts liet leiden door de vraag wie Rutte uit het torentje kon houden, besloot dan ook op Samsom te stemmen. De harde aanvallen van de PvdA op de SP, inclusief leugenachtige voorstellingen van het eigen beleid in het verleden, hebben begrijpelijkerwijs veel kwaad bloed gezet onder SP-ers. Maar een partij van baantjesjagers en bestuurders als de PvdA gaat linkse samenwerking niet boven de eigen belangen stellen en lijdzaam toezien hoe haar positie als de grootste linkse partij wordt overgenomen.
Sleutelmomenten Er zijn in de campagne van de SP een aantal sleutelmomenten aan te wijzen zoals bijvoorbeeld het loslaten van ‘65 blijft 65’ en de reactie op de campagne van de werkgevers en De Telegraaf. Deze momenten waren niet veroorzaakt door het feit dat ook getalenteerde politici als Roemer en andere SP-leiders fouten maken in zenuwslopende campagnetijden. De SP raakte verstrikt in de tegenstelling tussen enerzijds haar anti-neoliberale opvattingen en anderzijds de wens om acceptabel te worden als toekomstige coalitiepartner, juist voor neoliberalen. Daarom werd ‘65 blijft 65'′ losgelaten, daarom moest Roemer snel gas terug nemen en daarom kon de SP niet terugslaan. Als enige partij heeft SP lang vastgehouden aan 65 als pensioengerechtigde leeftijd. ’65 blijft 65'′ was een duidelijke
5
Hoofdartikel standpunt waar de partij veel steun voor kreeg. Vooral in de vakbeweging zorgde dat standpunt en de campagne van de SP op dat punt voor een groeiende steun voor de socialisten. Maar dit heldere, terechte standpunt werd in het verkiezingsprogramma verlaten: een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd vanaf 2020 werd mogelijk gemaakt. Behalve het standpunt zelf maakte de manier waarop dit er was ingerommeld en de onhandige uitleg daarvan veel kiezers wantrouwig. Zoals te verwachten leidden noch de standpunten van de SP noch haar goede positie in de peilingen tot enthousiasme van de kant van de werkgevers, de rijken en de rest van rechts Nederland. Werkgeversvoorzitter en enthousiast VVD-er Bernard Wientjes bijvoorbeeld is geen voorstander van de door de SP bepleite sociale uitweg uit crisis. En hij is verstandig genoeg om alles te doen wat hij kan om zo’n ontwikkeling te dwarsbomen. Dat geldt ook voor zijn geestverwanten bij het zakenblad Quote en de krant voor massahysterie De Telegraaf. Zij gingen er dan ook met gestrekt been in. De SP reageerde hier niet op door uit te leggen dat dit nu eenmaal de tegenstanders van de sociale uitweg uit de crisis zijn; dat inderdaad de grote ondernemers, de bankiers en de aandeelhouders voor de crisis op moeten draaien en niet de arbeidsongeschikten, de werklozen en de jongeren. In plaats van deze aanval te beantwoorden met een tegenaanval reageerde de SP met klagerige opmerkingen over de ‘harde’ en ‘unfaire’ aanpak.
De SP staat voor een fundamentele keuze Deze rechtse campagne trommelde niet alleen grote delen van rechts Nederland op om zich te verenigen achter de VVD – iets waar de SP natuurlijk niet zo snel iets aan kon doen. Ze diende ook om mensen die overwogen SP te stemmen, bang te maken met spookbeelden over de economische rampspoed en sociale crisis die SP beleid zou veroorzaken. Die spookbeelden joegen mensen terug naar de zogenaamd ‘verantwoordelijke’ PvdA. Dat dergelijke spookbeelden nog zoveel krediet hebben, ook onder linkse mensen, is een teken van hoe zwak anti-neoliberale denkbeelden geworteld zijn. Het laat zien hoeveel werk er nog gedaan moet worden om mensen te overtuigen dat geconfronteerd met een diepe internationale crisis een radicale koerswijziging nodig is. Een SP die op 35 zetels stond was in wezen een partij die boven haar eigen potentieel uitgroeide. Het aantal mensen dat daadwerkelijk gelooft in een alternatief is gewoon nog niet zo groot, juist omdat de ervaringen met sociale strijd .en vooral successen daarin, zo beperkt zijn.
Regeringsdeelname en sociale bewegingen Er is meer aan de hand dan een slecht verlopen verkiezingscampagne en een verkeerde inschatting van de mogelijkheden. Daar achter zit de vraag waar het bij linkse, socialistische politiek om draait. De SP staat voor een sociale uitweg uit de crisis. Dat betekent een breuk met de neoliberale politiek. Maar hoe kan die breuk gemaakt worden? Hoe kan een werkelijk andere politiek worden ingezet? Door, naast het behalen van een zo groot mogelijk aantal Kamerzetels, in het programma steeds meer tegemoetkomingen te doen aan de partijen rechts van de SP, om een acceptabele partner te worden?
6
Wij denken dat die strategie niet werkt. De VVD is een partij die voor de belangen van de rijken opkomt, geen verzameling van goedbedoelende maar verwarde mensen die overtuigd kunnen worden om de belangen van de meerderheid voorop te stellen. Rechts in zijn algemeen heeft helemaal geen zin om aan een dergelijke strategie mee te werken en het eigen beleid om zeep te helpen. Het is onrealistisch te denken dat er een reële kans is dat de SP nu aan een regering deel kan nemen en daar een serieus deel van het programma kan realiseren. Ook als de SP de grootste partij op links was geworden was de kans op regeringsdeelname er nauwelijks geweest. Behalve misschien de Partij voor de Dieren zijn alle andere partijen voorstander van het neoliberale beleid, hoe groot hun verschillen verder ook mogen zijn. Bij gebrek aan sterke buiten-parlementaire bondgenoten die meehelpen die partijen onder druk te zetten, laat dit twee mogelijkheden open: of de SP doet mee aan een regering die in essentie het neoliberaal beleid uitvoert, of ze blijft in de oppositie. De ervaring van de Deense Socialistische Volkspartij, een partij vergelijkbaar met de SP, toont hoe desastreus de eerste keuze is. Zij hebben de afgelopen tijd deelgenomen aan een regering onder leiding van de sociaaldemocratische premier Thoring-Schmidt die, in tegenstelling tot haar verkiezingsbeloften, neoliberaal beleid voert. De Socialistische Volkspartij is als gevolg daarvan in de opiniepeilingen gedecimeerd. Door dit beleid te steunen maakte de partij zichzelf overbodig, er is immers al een sociaaldemocratische partij. Betekent dit dat de SP er niet naar moet streven in de regering te komen? Dat ze zou moeten zeggen: stem op ons, dan kunnen we oppositie blijven voeren? Nee, natuurlijk niet. Iedere serieuze politieke partij streeft naar macht om zelf het beleid te kunnen bepalen en haar programma door te voeren. Maar een verstandige politieke partij, en zeker een verstandige linkse politieke partij, maakt aan haar aanhang ook duidelijk dat dit niet altijd zomaar kan. Dat er aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan, dat regeringsdeelname afhankelijk is van maatschappelijke krachtsverhoudingen. Want het gaat in de politiek niet om de zeteltjes, maar om maatschappelijke krachtsverhoudingen. Het gaat er bij linkse politiek om of er voldoende sterke maatschappelijke bewegingen zijn om veranderingen af te dwingen. En het is duidelijk dat die er op dit moment in Nederland niet zijn. De centrale taak van een linkse partij is dan ook om bij te dragen tot het veranderen van die maatschappelijke krachtsverhoudingen en die maatschappelijke bewegingen te versterken. Actieve oppositie kan het beleid beïnvloeden en potentieel verzamelen voor de toekomst.
Regeringsdeelname staat niet gelijk aan macht Een verkiezingscampagne kan daar een belangrijke rol in spelen. Een goed voorbeeld daarvan zien we bijvoorbeeld bij de recente verkiezingscampagnes van de Griekse linkse partij Syriza. Zij stond er bij de laatste verkiezingen zo goed voor dat ze een kans maakte om de verkiezingen te winnen. En ze maakte in de campagne duidelijk dat zij wilde winnen en regeringsmacht wilde. Maar ze maakte tegelijkertijd duidelijk dat er een regering moest komen die werkelijk brak met de neoliberale politiek, in het geval van Griekenland met de dictaten van de trojka (de EU, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair fonds). Syriza verloor de verkiezingen met een minimaal verschil van de rechtse partij
‘Er komen alternatieven op tafel op het moment dat er van maatschappelijke druk sprake is.’ Leo de Kleijn, SP-fractievoorzitter in Rotterdam, was kandidaat tijdens de verkiezingen. Grenzeloos sprak met hem over zijn ideeën over hoe linkse politiek eruit zou kunnen zien in Nederland. Wat voor ervaringen heeft de SP met migratie, integratie en racisme in een stad als Rotterdam? En hoe zou democratisering van de economie een antwoord kunnen zijn op de voortdurende crisis? Ook al heeft deze crisis in Nederland vergeleken met Zuid-Europese landen nog niet hard toegeslagen, het is hoog tijd om over alternatieven na te denken – en daar aan te gaan werken. Daarvoor zijn verkiezingen niet genoeg, maatschappelijk verzet is noodzaak. Lees het interview via www.grenzeloos.org of op http://bit.ly/RhYEPl
Nieuwe Democratie. Dat was een nederlaag, een teleurstelling. Maar deze leidde niet tot paniek, maar tot een sterke wil om zich nog beter te verbinden met sociale bewegingen en met nog meer inzet te werken aan het versterken van de sociale strijd. In de meest recente peilingen staat Syriza op kop, wat in ieder geval duidelijk maakt dat haar achterban niet gedemoraliseerd is. Syriza heeft zich niet neergelegd bij de bestaande krachtsverhoudingen, nu niet en 4 jaar geleden niet. Door samen met de sociale bewegingen in te zetten op het veranderen van die verhoudingen is ze zo sterk geworden. Ondertussen maakten het sociaaldemocratische PASOK en Syriza’s meer gematigde afsplitsing, Democratisch Links, zichzelf overbodig door te streven naar een akkoord met rechts. De situatie Griekenland is natuurlijk heel anders dan in Nederland. Zo erg als in Griekenland zal het hier voorlopig niet worden, maar ook in Nederland zullen de gevolgen van de
crisis en het stompzinnige bezuinigingsbeleid voor brede lagen van de bevolking steeds duidelijker voelbaar worden. Hoe lang en moeizaam de formatie ook kan worden, er komt een regering over het midden. Dat wil zeggen een regering waar zowel de PVV als de SP buiten blijven. Het meest waarschijnlijke is dat de VVD en de PvdA daar deel van uit gaan maken. In dat geval zal de partij van Samsom een onversneden neoliberale koers blijven varen. Het is aan de SP om daar linkse oppositie tegen te voeren. Ondanks de kater van de huidige verkiezingscampagne staat de SP er heel goed voor. Als ze consequent en vasthoudend de neoliberale koers blijft bestrijden liggen er grote mogelijkheden. Niet voor regeringsdeelname op korte termijn, wel voor een sterke beweging tegen de neoliberale crisispolitiek. Die beweging zal een basis moeten leggen voor het afdwingen van een fundamenteel ander beleid. Als het zover is kan de SP ook in de regering daar haar bijdrage aan leveren. V
7
binnenland
Vakbondscafé Amsterdam: Het opbouwen van een netwerk van vakbondsactivisten en activisten uit andere sociale bewegingen, een plaats waar gediscussieerd wordt en initiatieven worden genomen voor acties. Dat is wat in Amsterdam gebeurt in het vakbondscafé. Grenzeloos sprak hier over met Rob Marijnissen, lid van het bestuur van de woonafdeling Amsterdam van FNV Bondgenoten, de programmaraad en een van de drijvende krachten achter het vakbondscafé.
Willem
Bos
Grenzeloos: ‘Vakbondscafé? Dat klinkt een beetje als grijze mannen, hangen aan de bar en praten over hoe het vroeger ging?’ Rob: ‘Nee, dat zie je helemaal verkeerd. Er is wel eens een man met grijs haar gesignaleerd, maar ook een heleboel andere kleuren en leeftijden en ook vrouwen, en over vroeger wordt er zelden gesproken. De bar is alleen in de pauze en na afloop in gebruik en we zijn juist erg op de toekomst gericht. We organiseren maandelijkse bijeenkomsten waar door (vakbonds-)activisten gediscussieerd wordt en initiatieven voor acties worden besproken. Het is een activiteit van FNV Bondgenoten die voor iedereen toegankelijk is. We streven er naar om mensen van andere sociale bewegingen er bij te betrekken. Het vakbondscafé bestaat nu ruim vijf jaar en in die tijd hebben we allerlei zaken besproken en zijn er allerlei initiatieven uit voortgekomen. Zo hebben we tijdens de schoonmakers staking van 2010 hierover een vakbondscafé georganiseerd. Daar is toen het initiatief genomen voor de oprichting van het ‘Comité Steun de Schoonmakers’ dat nu onder de naam ‘Steuncomité Sociale Strijd’ nog steeds
8
actief is in het ondersteunen van allerlei acties. We hebben ook bijeenkomsten georganiseerd over de bezuinigingen op de Wet Sociale Werkvoorziening, de Amsterdamse woningmarkt, het Openbaar vervoer, en allerlei ander zaken die voor vakbondsleden en andere gewone mensen van belang zijn. Bijvoorbeeld ook over beroepsonderwijs en werkplekken voor jongeren met leerlingen van een Regionaal Opleidingscentrum. We nodigen steeds betrokkenen bij het onderwerp uit om daar over te vertellen. En vaak zijn er ook deskundigen en politici die aan de discussies deelnemen.’
De zorg ‘De afgelopen tijd hebben we veel aandacht besteed aan de zorg,’ gaat Rob enthousiast verder. ‘Daar hebben we een aantal bijeenkomsten over georganiseerd. Niet alleen op onze vaste stek bij het HITB aan het Weteringcircuit, maar ook in een verzorgingstehuis van Cordaan in Amsterdam Zuid Oost, in de maaltijdvoorziening en ontmoetingscentrum voor ouderen de Tesla Toren in Watergraafsmeer en in de Burcht, het oude gebouw van de diamantbewerkers bond. Al die bijeenkomsten waren zeer goed bezocht. Er waren mensen die werkzaam zijn in de zorg, maar ook bewoners en mensen van verschillende ouderen organisaties. Er is gesproken over de gevolgen van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) die pretendeert mensen meer zelfstandigheid te geven, maar in feite neerkomt op een drastische verslechtering van de zorg. Het zijn echt schokkende verhalen die je dan hoort, zowel van de cliënten als van de mensen die in de zorg werken. Maar natuurlijk laten we het niet bij
het inventariseren van de ellende. We proberen ook steeds er een actie of activiteit uit voort te laten komen. Bij de acties voor de zorg werken we nauw samen met de mensen van de Abvakabo in de zorg. Gezamenlijk hebben we bijvoorbeeld opgeroepen voor een bijeenkomst over de zorg in de Boekmanzaal van het stadhuis. Op die bijeenkomst gingen ouderen, werkers in de zorg en anderen in discussie met vertegenwoordigers van politieke partijen. De bijeenkomst was georganiseerd door de ouderenorganisaties en ging over het gemeentelijke zorgbeleid. Er waren tachtig mensen aanwezig en de collegepartijen VVD en GroenLinks kregen het hard te verduren. Helaas was de PvdA afwezig.’
Mensen zijn niet alleen werknemers Vakbondswerk Ligt het wel op de weg van de vakbeweging om dit soort dingen te organiseren? ‘Ja zeker. Bij de vakbeweging denkt iedereen in eerste instantie aan het organiseren van mensen in bedrijven en instellingen, aan lonen, arbeidsvoorwaarden en dergelijke zaken. Dat is ook heel belangrijk en de kracht van de vakbeweging moet zeker op de werkplek en het organiseren van mensen op hun werkplek liggen. Maar mensen zijn niet alleen maar werknemers. Hoe hard je ook werkt, je bent toch maar minder dan een derde van je tijd op je werk en die resterende tweederde ben je in je thuisomgeving. Over je hele leven is dat zelfs nog veel meer. In de woonaf-
binnenland
een netwerk van activisten delingen van FNV Bondgenoten organiseren we mensen, onafhankelijk van waar ze werken, in hun woonplaats. En dan moet je natuurlijk aandacht besteden aan allerlei aspecten die daar van belang zijn. Dan heb je het over wonen, vervoer, voorzieningen en over het landelijk en gemeentelijk beleid op dat vlak. Daar willen we verbeteringen realiseren en verslechteringen tegenhouden. En dat doe je natuurlijk niet met FNV Bondgenoten alleen. Vandaar dat we samenwerken met andere vakbonden en allerlei andere sociale organisaties zoals de Bijstandsbond, bewonersorganisaties, ouderen organisaties, linkse politieke organisaties. Ja, gewoon met iedereen die op die punten iets wil doen.’
Succes ‘Het vakbondscafé in Amsterdam functioneert al jaren goed, terwijl in ander plaatsen dergelijke initiatieven vaak niet of heel moeizaam van de grond komen. Hoe verklaar je dat?’ ‘Ja, over de situatie in andere plaatsen kan ik niet veel zeggen, maar wat betreft Amsterdam denk ik dat er een aantal factoren zijn die het succes verklaren. In de eerste plaats is het belangrijk dat je er zo veel mogelijk mensen en organisaties bij betrekt. Bij iedere aflevering van het café, bij ieder onderwerp, denken wij bij de voorbereiding goed na over vragen als welke organisaties hebben met deze problematiek te maken hebben en hoe kunnen we die er bij betrekken? Die nodigen we dan uit, we laten ze iets vertellen en we proberen ze ook bij volgende activiteiten en acties te betrekken. Daarnaast is het belangrijk om naar mensen toe te gaan. Op de avonden in andere delen van de stad en zeker de bijeenkomsten in de verzorgingshuizen kwamen heel andere mensen dan die normaal naar een vakbondscafé komen. Het was op die bijeenkomsten ook opvallend dat er allerlei mensen van verschillende organisaties waren die zich op de een of andere manier met de zorg bezig houden zoals ouderenbonden, ouderenadviesraden, verschillende vakbonden en anderen. Daar discussieerden ze voor het eerst gezamenlijk over de situatie in de zorg. Je bent dus eigenlijk voortdurend bezig om mensen met elkaar in contact te brengen en informatie uit te wisselen. Tot slot is het denk ik erg
belangrijk om het niet bij discussiëren te laten, maar er acties aan te koppelen. Dat hoeven niet altijd hele grote en spectaculaire acties te zijn. Zo’n bijeenkomst met tachtig mensen over de zorg waar politieke partijen met de gevolgen van hun beleid worden geconfronteerd is ook heel belangrijk. Gelukkig hebben we in Amsterdam ook het Steuncomité Sociale Strijd dat allerlei acties ondersteunt. Dat comité bestaat voor een deel uit mensen die ook regelmatig op het vakbondscafé komen, maar voor een deel ook niet. Dat versterkt elkaar.’ Zou er vanuit de vakbeweging meer moeten gebeuren op dit vlak? ‘Dat denk ik wel. Kijk, de vakbeweging heeft natuurlijk de afgelopen tijd een diepe crisis doorgemaakt, met als dieptepunt de opstelling van de Centrale FNV rond de pensioenleeftijd. Maar er zijn ook positieve ontwikkelingen. In de eerste plaats natuurlijk bij de schoonmakers. Wat daar gebeurt is een stimulans en een bron van inspiratie voor iedere vakbondsactivist. Een dergelijke ontwikkeling zie je nu bij de werkers in de zorg. Het interessante is natuurlijk dat het hier gaat om vakbondsacties die heel sterk door de mensen zelf gedragen worden. Het is niet de vakbond die iets voor de mensen doet, maar het zijn de werknemers zelf die in het kader van de vakbond en gesteund door de bond actie voeren voor hun belangen en voor het behoud van voorzieningen. Want bij de zorg gaat het de mensen er vooral om dat ze goede zorg willen kunnen verlenen. Door die acties kan je iets be-
reiken, maar door die acties veranderen de mensen zelf ook. Ze worden strijdbaarder, zelfbewuster en laten zich niet alles meer aanleunen. Dat is natuurlijk wat er nodig is.
Met de bond alleen kom je er niet Behalve in de werksituatie van mensen zou dat ook in de woonomgeving moeten gebeuren, en volgens mij kunnen vakbonden daar een bijdrage aan leveren. Nu zijn de bonden in een stad als Amsterdam vrijwel onzichtbaar. Het kantoor van FNV bodgenoten staat op een winderige hoek bij station Sloterdijk. Het zou heel goed zijn als er in verschillende delen van de stad steunpunten, vakbondswinkels,of hoe je ook maar wilt noemen, kwamen. Plaatsen waar mensen de vakbond kunnen vinden, waar ze informatie kunnen krijgen en waar ook gezamenlijke acties kunnen worden opgezet. Want het gaat er natuurlijk niet om dat mensen hun probleem bij de bond leggen en dat de bond het dan oplost. Dat was vroeger vaak de aanpak, maar daar moeten we van af. Het gaat er om dat mensen zich organiseren en zelf in actie komen. De vakbond kan daar een belangrijke ondersteunende rol in spelen. Ik hoop dat we met het vakbondscafé een bijdrage leveren aan een ontwikkeling in die richting. In de richting van een actieve vakbond waar de leden zelf de hoofdrol in spelen.’ V
9
Binnenland
Alternatieven voor Kunduz
Bij zijn verkiezing tot voorzitter van de FNV zei Ton Heerts dat als het nodig was 'de klinkers op het Binnenhof zullen trillen' en hij enkel wil overleggen als het zinvol is. Het pad naar de nieuwe vakbeweging werd ingeslagen met acties tegen het Kunduz-akkoord dat een keuze was voor een Europa van de rijken, de grote bedrijven en banken. Dat zou voor Ton Heerts toch duidelijk genoeg moeten zijn. Patrick
van
Klink
Toch gingen de acties niet full speed van start. Er werd gepleit voor actie op 10 september, inclusief werkonderbrekingen, maar binnen de FNV rezen al snel meningsverschillen over de juridische basis van acties en of hardere acties niet te vroeg kwamen. Pogingen om een extra Bondraadsvergadering bij FNV Bondgenoten te krijgen om over die verschillen te praten strandden bij gebrek aan steun.
Dubbele strijd Bonden als FNV Jong, de Nederlandse Politiebond en de Onderwijsbond gaven weinig aandacht aan de acties. FNV Zelfstandigen distantieerde zich zelfs van de campagne. En een FNV voorzitter die in een interview met NRC van 25 augustus verklaart dat de acties niet van de FNV als geheel waren, maar van FNV Bondgenoten, en tegelijk verklaart tegen politieke acties te zijn is verkeerd bezig. Met zoiets is de nieuwe vakbeweging niet geholpen. Er was voor de zomer door de grootste bonden veel energie in de Kunduz-campagne gestoken. Er werd gehamerd op het belang van een stevige campagne tegen de aantasting van het ontslagrecht maar Ton Heerts had het er niet over. Actieve kaderleden en bestuurders hadden een dubbele strijd te voeren: een om leden en niet-leden bewust te maken van wat er op het spel staat en een tegen de scepsis van een deel van de FNV bestuurders en FNV bonden die zich alleen met de problemen in hun eigen sector bezighouden. De aarzelende start was niet alleen te wijten aan een verdeelde vakbond. Er was ook een gebrek aan zelfvertrouwen en ervaring bij een deel van de kaderleden. Zij dachten dat een juiste politieke keuze in het stemhokje ons wel zou redden en dat harde acties het publiek afschrikken. Daarnaast was er natuurlijk de scepsis van mensen die een aantal jaren geleden nog in actie kwamen tegen de plannen de AOW-leeftijd te verhogen. Toen constateerde de vakbondstop al na een enkele actiedag
10
dat het niets zou worden en blies hij vervolgacties af. Met een ellendig pensioenakkoord en een verdeelde vakbeweging als resultaat. Hoe kan dat veranderen? Je merkte het feit dat de bond zich weer duidelijk over een aantal zaken uitsprak, dit een nieuw elan bij mensen losmaakte. Hoe zetten we dat nieuwe elan om in actieve betrokkenheid bij de politiek en acties? Als dit lukt, is er meer mogelijk. We moeten rekenen op onze eigen kracht, creativiteit en activiteit. Daarom was het belangrijk dat voorlopers in de Rotterdamse bedrijven en het Openbaar Vervoer de kans kregen om in actie te komen op 10 september. Er zijn altijd mensen en politici die problemen hebben met acties. Maar om de meerderheid in de beweging te krijgen moet een groep initiatieven nemen en tegelijk goed achterom kijken of ze de grote groep meekrijgen. Een goed voorbeeld waren de acties tegen het aanbesteden van de thuiszorg in Rotterdam. Er was een strategie om andere sectoren te informeren en om steun te vragen door bij actiebijeenkomsten te zijn. CliĂŤnten werden bij de acties betrokken en er werd de koppeling met de verkiezingen en het Kunduz-akkoord gemaakt.
Verbinden en verdiepen Door de actiebereidheid en de inbreng van voorlopers in het OV en de Rotterdamse haven in Rotterdam werd er op 10 september toch actie gevoerd. Er zal meer nodig zijn dan acties in de bedrijven, instellingen en sectoren: daar kunnen we vaak alleen verdedigen wat we hebben, maar willen we verder komen dan het verdedigen van verworvenheden dan moeten er andere regels en wetten komen. Niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. En daar zullen politieke acties nodig voor zijn. Voor veel mensen is het een gegeven dat iets moet, of juist niet mag, van Europa of de financiĂŤle markten. Kijk naar de discussie over de drie procent begrotingsnorm. Roemer wilde de boete niet betalen als het Nederlandse tekort daar net boven zou komen. Het feit alleen al dat hij dit terechte statement maakte was aanleiding om twijfel te zaaien over zijn betrouwbaarheid en liet volgens minister De Jager de rente voor Nederlandse staatleningen al stijgen. Het had voor de SP een goed moment kunnen zijn geweest om de discussie te verschuiven door dit te standpunt verdedigen en er op te wijzen dat vanaf de invoering van de Euro vele landen nooit
binnenland
boetes hebben betaald. En door er op te wijzen dat boetes het probleem alleen maar erger maken en door te laten zien dat met een kleine belastingverhoging voor de rijken het probleem opgelost zou zijn. De discussie moet gaan over wie de crisis veroorzaakt en wie hem moet betalen. Waarom zijn we bang voor het beeld dat socialisten geld weggeven? Wij geven alleen maar terug wat de rijken in hun schoot geworpen hebben gekregen door belastingverlaging en bonussen.
Alternatieven Onze alternatieven moeten wijzen naar een solidaire, duurzame en democratische samenleving. Dat betekent dat machtsverhoudingen moeten veranderen en dat gebeurt niet door ‘sociale dialoog’ en door glimlachend folders uit te delen. De machthebbers worden zelf ook grof als hun macht bedreigd wordt. Polman van Unilever, zogenaamd het boegbeeld van ‘verantwoord ondernemen’, vergeleek de Franse president Hollande met het regime in Noord Korea omdat Hollande de jarenlange strijd tegen de sluiting van een fabriek van Unilever steunt. Polman wil daarover geen afspraken maken: de fabriek is immers van hem alleen. Steeds meer Unilevermerken worden als gevolg van uitbesteding door niet-Unilever werknemers gemaakt. Alles moet steeds goedkoper en flexibeler, met steeds minder sociale rechten. De Europese Unie helpt de bazen daarbij. De strijd om deze fabriek maakt duidelijk waar het om gaat: werk tegenover winst. Links moet niet bang zijn om er op te wijzen dat er een wereld van de rijken en van de banken is, en een van mensen die of geen werk hebben of wiens werk maar al te vaak tijdelijk en onzeker is. Alternatieven die uitleggen hoe werkgelegenheid en sociale verworvenheden behouden kunnen worden zijn onze eerste verdediging. Die alternatieven moeten ook politiek zijn. De vakbeweging moet de strijd tegen het privatiseren en dereguleren en de aanvallen op de sociale voorzieningen aangaan. De flexibele schil rond bedrijven moet kleiner. Een voorbeeld is een wetsvoorstel van Ulenbelt (SP) en Hamer (PvdA) om flexibilisering enigszins tegen te gaan. Het regelt simpele zaken als dat er altijd een geschreven contract moet zijn en verkort onder andere de periode dat iemand aangehouden mag worden met tijdelijke contracten naar maximaal 2 contracten of 2 jaar. Zoiets kan gebruikt worden om vakbondswerk te versterken. Linkse politiek versterkt zo de vakbond, en het vormen van een tegenmacht door de vak-
bond vergroot de kans voor linkse politiek. Maar de bonden kunnen zelf ook initiatieven nemen. Zo willen we een meer progressief belastingsysteem en zijn we tegen de villa-aftrek. Waarom wordt daar over niet een langdurige campagne opgezet door de vakbeweging en anderen? Dat kan de vakbonden weer een sociaal en actief gezicht geven. Zo’n campagne zou inzicht geven over hoe ‘onze’ economie in het voordeel van de rijken werkt. Een campagne tegen versoepeling van ontslagrecht heeft ook die potentie. Als de plannen om het ontslagrecht te versoepelen doorgaan, dreigt niet alleen voor iedereen een flexibele baan, de overlegcircuits van vakbonden en ondernemingsraden zouden wel eens buiten spel kunnen komen te staan omdat iedereen die kritisch is gewoon ontslagen kan worden. Zulke campagnes kunnen duidelijk maken wat de meerderheid wil, proberen die meerderheid zichtbaar te maken en te organiseren. Daarvoor is samenwerking van producenten en consumenten belangrijk zoals, met de acties in de zorg. We hebben meer van dit soort tastbare, sociale, alternatieven nodig.
Geen bonus maar banen De discussie over arbeidstijdverkorting, zo ver naar de achtergrond gedrongen, verdient weer aandacht. Er zijn nieuwe ontwikkelingen zoals de positie van flexkrachten en ZZP-ers. Met korter werken is niet automatisch de flexibele schil rond bedrijven weg of de muren geslecht die door uitbesteden zijn gebouwd. Veel mensen in laagbetaalde beroepen zijn afhankelijk van meerdere flexbaantjes of als ZZP-er afhankelijk van losse opdrachten. Inkomenszekerheid moet voorop staan. De discussie over korter werken moet gekoppeld worden aan de kwestie van organisatie en inhoud van werk. De bazen propageren nu iets dat ‘het nieuwe werken’ genoemd wordt. Dit komt in feite neer op altijd beschikbaar zijn voor je werk en baas: leven om te werken. Links moet een ander toekomstbeeld naar voren schuiven, waarin werk zich juist aanpast aan de mens. Met het toenemende gewicht van de klimaatcrisis zullen energiebesparing, onderhoud en isolatie van woningen in plaats van villabouw en verbeteren van het openbaar vervoer belangrijker moeten worden. Een maatschappij die niet gericht is op winstgroei heeft minder werk nodig, waardeert werk anders en heeft oog voor de scheve verdeling van welvaart in de wereld. V
11
achtergrond
Gevaren van neoliberalisme voor activisme Activisme voor de rechten van minder validen vertoont soms grote overeenkomst met dan van provocerende queer-actiegroepen. Zoals de laatste groep de belediging queer als geuzennaam zijn gaan gebruiken, gebruikt de eerste groep de term crips, van cripple (kreupel). Beide vormen van activisme streven naar een andere wereld, gedreven door onvrede over hoe onrecht, onderdrukking en hiërarchieën soms letterlijk ingebouwd zijn in onze samenleving. Robert
McRuer
Een sticker die opdook in Amerikaanse steden dreigde ‘make it accessible or we’ll piss anywhere’. Door zo’n provocatie wordt zichtbaar hoe sommige ruimtes die voor iedereen toegankelijk lijken, in werkelijkheid bepaalde groepen uitsluiten. Net zoals voor homo’s, lesbo’s, biseksuelen en transgenders (HLBT’s) biedt neoliberalisme aan gehandicapte mensen een beperkte vorm van acceptatie, zolang mensen maar de overheersende normen accepteren. Volgens de theoreticus Lisa Duggan is er een vorm van ‘homonormativeit’ ontstaan: het accepteren van blanke, middenklasse, op de familie gebaseerde normen in relaties waarin alleen de gender van de partner afwijkt van de dominante norm. Het concentreren op slechts één enkel verschil, dat van seksuele oriëntatie, lichamelijke beperking of iets anders, maakt het moeilijk bondgenoten te vinden en ondermijnt activisme rond kwesties die niet direct aan dit identiteitsbepalende verschil verbonden zijn zoals armoede of gezondheidszorg. Neoliberalisme, het dominante culturele en economische systeem van onze tijd, ziet de markt als de oplossing voor alles. Elk probleem kan zogenaamd door marktwerking opgelost worden en daarom levert neoliberalisme diensten en goederen die eerst publiek verzorgd werden over aan de markt. Alle beperkingen aan de marktwerking moeten worden op-
12
geruimd. Terwijl neoliberalisme vrijheid en groei belooft, groeien bestaande ongelijkheden. De neoliberale ideologie slaagt er echter in om zichzelf, inclusief de onvermijdelijke gevolgen van ongebreidelde marktwerking, te presenteren als modern en aantrekkelijk. Neoliberalisme is zogenaamd ‘progressief’ en bestaande regulering ‘conservatief’. Activisme kan hierdoor gerecupereerd worden voor neoliberaal beleid, zoals gebeurd is met delen van de HLBT- en gehandicaptenbewegingen. Neem het voorbeeld van het homohuwelijk: met de afbraak van de verzorgingsstaat in het neoliberalisme wordt het gezin weer belangrijker om bijvoorbeeld zorg voor jonge of oude familieleden te regelen. Sommige activisten voor het homohuwelijk propageren nu het idee dat homo’s graag dergelijke verantwoordelijkheden zouden dragen, als ze maar mogen trouwen. Een dergelijke visie heeft geen plaats voor andere relatievormen dan het huwelijk noch probeert ze een ander, meer collectief antwoord te geven op de vraag op welke schouders de zorgtaak moet liggen. Naarmate bewegingen zich om steun te verwerven aanpassen aan de heersende normen vernauwt hun politieke ambitie en verbreken ze de solidariteit met groepen die buiten die normen vallen.
Erkenning De HLBT-beweging van de afgelopen tien jaar is zonder twijfel vooral gericht geweest op het streven naar respect en erkenning, niet zozeer op sociale rechtvaardigheid in het algemeen. Vaak worden homo’s door het gewonnen respect niet geconfronteerd met makkelijk identificeerbare, homofobe instituten als ‘de familie’ of ‘de staat’ – we zijn een onmisbaar deel van de moderne samenleving geworden. De acceptatie van homo’s komt echter met de verwachting dat we ons als goede neoliberale consumenten zullen gedragen - en het stereotype beeld van een homo is iemand die nauwelijks als zodanig is te herkennen. Dit stereotype is niet iemand die herkenbaar is als niet-hetero noch is het iemand die, bijvoorbeeld vanwege een handicap, meer zorg nodig heeft dan de familie kan leveren. De beweging voor rechten van gehandicapten loopt een ver-
achtergrond gelijkbare risico om integratie in de maatschappij belangrijker te vinden dan het veranderen ervan. Net zoals in de HLBT-beweging wordt opstandigheid en non-conformisme afgezworen. Terwijl de HLBT-beweging in de VS zich richt op het recht om te trouwen, en om dienst te nemen in het leger, worden andere kwesties genegeerd. Veel HLBT’s en gehandicapten hebben te maken met vergelijkbare problemen die de mainstream beweging echter niet aankaart, zoals werkloosheid, dakloosheid of moeilijke toegang tot gezondheidszorg.
Recuperatie Neoliberalisme is een politiek en economisch systeem met internationale gevolgen. Internationale instituten als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds spelen een voortrekkersrol in het verspreiden van neoliberaal beleid. Als deel van het verzet tegen deze vorm van globalisering is het Wereld Sociaal Forum opgekomen, oorspronkelijk als tegenhanger van het Wereld Economisch Forum in Davos maar daarna meer en meer als zelfstandige factor. Queer en gehandicaptenactivisme waren allebei belangrijke thema’s in het WSF van 2007 in Kenia. In de VS worden rebelse queers afgekeurd vanwege hun afwijzing van de ‘redelijke’ eis om te mogen trouwen en vermijdt de mainstream HLBT-beweging bondgenootschappen met groepen die minder salonfähig zijn of de aandacht zouden kunnen afleiden van de roep om invoering van het homohuwelijk. Op het WSF in Nigeria waren de meest zichtbare HLBT-activisten juist degenen die in de beweging in de VS gemarginaliseerd worden: vrouwen en transgenders. En trouwen was zo’n het beetje het laatste waar ze zich mee bezig hielden. AIDS-preventie, seksualiteit, het doorbreken van gender rolpatronen en het vormen van internationale coalities werden allemaal verbonden met de strijd voor sociale rechtvaardigheid en tegen de impact van het neokoloniale beleid van machtige multinationals. De weinige aandacht die er was voor het homohuwelijk werd juist gebruikt om de activisten aan te vallen: in paniek berichten kranten dat Keniaanse HLBT’s wilden trouwen en HLBT-activisten werd verweten ‘on-Afrikaans’ te zijn. Het idee dat het homohuwelijk een belangrijke eis is voor Keniaanse HLBT’s past bij de verwachtingen van westerse activisten en schrijvers maar het staat in werkelijkheid laag op hun prioriteitenlijst. Veel belangrijker zijn eisen voor de meest elementaire rech-
ten en zorgen om hun veiligheid. Tijdens het queer feest mochten bijvoorbeeld geen foto’s gemaakt worden. Maar wat de bijeenkomsten van queers in het WSF zo belangrijk maakte was juist dat hier niet de westerse, neoliberale prioriteiten overheersten. Gehandicapten werden minder hard aangevallen door de staat of de media, ook al was de locatie, en Nairobi in het algemeen, een nachtmerrie wat toegankelijkheid betreft. Terwijl de staat een bedreiging was voor de HLBT-activisten, vestigden veel van de organisaties die opkomen voor de rechten van gehandicapten juist hun hoop op deze staat. Gezien de kolossale mislukking van de Americans with Disabilities Act (meer dan driekwart van de zaken die op basis van deze wetgeving worden aangespannen, worden gewonnen door werkgevers) was dit opvallend. Maar het was niet de focus op wetswijzigingen die me verontruste, maar wel dat een deel van de activisten gebruik leek te maken van hetzelfde raamwerk als de Wereldbank; ‘gehandicapte mensen worden uitgesloten van ontwikkeling’, ‘handicaps zijn een van de belangrijkste oorzaken van armoede in de ontwikkelende landen’. Er zit een kern van waarheid in dergelijke verklaringen maar de vraag is in welk beleid ze ingepast worden. De Wereldbank heeft een zogenaamde ‘veelzijdig’ model voor het verminderen van ‘armoede’ en het bevorderen van ‘ontwikkeling’. Dit model spreekt nooit over kapitalisme maar slechts over een reeks andere factoren die tot armoede zouden leiden. Het is verbazingwekkend hoe vaak de notie dat het hebben van een handicap verband houdt met armoede verwordt tot een idee dat ‘een handicap tot armoede leidt’. Dit idee vrijwaart kapitalisme van kritiek en op deze manier dreigen neoliberale noties ook ruimtes als het WSF binnen te sluipen. Zowel queers als gehandicapten zijn geen homogene groepen. Er zijn verschillende manieren om beide te zijn en te leven. We verlangen naar een andere wereld, een andere wereld die mogelijk en leefbaar is. Om zo’n wereld werkelijkheid te maken, moeten we blijven nadenken over nieuwe manieren van leven, nieuwe alternatieven en nieuwe bondgenootschappen. V Dit is een bewerkte versie van een artikel dat eerder verscheen op The Scholar & Feminist Online: http://sfonline. barnard.edu.
13
buitenland
De Syrische tragedie Terwijl de strijd in Syrie voortduurt, groeit de verwarring over de ontwikkelingen ter plekke. Wie is de Syrische oppositie? Wat te denken van oproepen tot buitenlandse interventie? Midden-Oosten specialist Gilbert Achcar over de zigzag van de Syrische revolutie. Gilbert
Achcar
Een deel van links is bang voor een islamisering van de revolutie en keert zich daarom tegen de beweging – of wil deze in ieder geval niet steunen. Wat is jouw positie, als marxist, ten opzichte van de Syrische revolutie? ‘Het is normaal dat iedereen die gelooft in democratie – en democratie veronderstelt de scheiding van kerk en staat – bevreesd is voor religieuze fundamentalisten die als basis voor wetgeving niet de wil van het volk maar religieuze teksten willen hanteren. Wij zijn allemaal bevreesd dat de Arabische opstand, waar wij zoveel hoop op gevestigd hebben, omslaat in achteruitgang. Er bestaat een historische precedent voor een dergelijke omslag; de Iraanse revolutie begon als een democratische revolutie maar leidde tot een fundamentalistische staat. Daar komt nog bij dat de religieuze krachten op het moment de meeste kans hebben om de macht over te nemen – seculiere nationalisten en links zijn te zwak. Maar dit alles gezegd hebbende blijf ik optimistisch. Er bestaat een groot verschil tussen het aan de macht komen van Khomeini in Iran en de rol van de fundamentalisten in de Arabische opstand. Khomeini was werkelijk de leider van de Iraanse revo-
14
lutie maar de huidige religieuze groeperingen hebben zich pas later bij de opstandelingen aangesloten. En zoals we kunnen zien in Tunesië en Egypte gaat het moment dat zij aan de macht komen ook gepaard met de ontwikkeling van scherpe kritiek op hen door de bevolking, vooral van jongeren. Bovendien zijn de revoluties nog niet voorbij, het gaat om een langdurig revolutionair proces dat nog verschillende jaren kan duren en dat voortgestuwd wordt door sociaaleconomische tegenstellingen. De religieuze bewegingen hebben geen programma om deze tegenstellingen op te lossen, zij zijn voorstander van een neoliberaal beleid dat vergelijkbaar is met dat van de bestaande of omvergeworpen regimes.’ Is het mogelijk om een klassen-interpretatie te geven van de Syrische revolutie? ‘Als het erom gaat de beweging een ‘puur’ klassenkarakter toe te kennen, van arbeiders tegen bourgeoisie, dan is het antwoord nee. De strijd in Syrië is een tegen een tirannieke dynastie: de beweging verenigt arbeiders, boeren, de kleine burgerij en zelfs delen van de bourgeoisie. In de huidige fase is de Syrische revolutie vooral een democratische revolutie, getekend door sociaaleconomische tegenstellingen. Deze tegenstellingen kunnen op de lange termijn alleen opgelost worden door het veranderen van de klassenstructuur van de samenleving en het invoeren van ontwikkelingsbeleid waarin een democratische staat een centrale rol speelt en de belangen van het volk voorop staan. Op den duur, als het volk de tirannie omvergeworpen heeft, zullen de klassentegenstellingen in het revolutionaire proces onvermijdelijk naar voren treden. Maar op dit moment is het volk nog verenigd in de strijd tegen de dictatuur. Iedereen die zichzelf als links beschouwt kan niet anders dan het Syrische volk steunen in de strijd tegen de tirannie.’ Vanaf het begin heb jij de militarisering van de revolutie voorspeld. Waarom? ‘Kijk naar Egypte en Tunesië waar geweldloze revoluties succesvol waren. De oproep van 25 januari 2011 in Egypte was de uitkomst van grote stakingen en politieke protesten van bewegingen als Kifaya waaraan grote delen van de georganiseerde religieuze oppositie
deelnamen. De betogingen van 25 januari waren de vonk in het kruitvat, maar de eerdere bewegingen hadden het kruit verzameld. In Syrië daarentegen verhinderde de extreme repressie dat de beweging zich uitbreidde naar de belangrijkste steden, steden die niet zoals in Egypte en Tunesië al eerdere protesten en stakingen gezien hadden. De vertraging van het uitbreiden van de beweging naar deze steden was niet het gevolg van steun van de bevolking aan het regime. Het regime heeft in steden als Aleppo en Damascus geen belangrijke sociale basis die groei van de protestbeweging tegenwerkt, het is de grootschalige inzet van politie en leger en het ontbreken van ervaringen met eerdere golven van strijd die de uitbreiding van de beweging vertragen. Dat brengt mij op de kwestie van militarisering: ik ben geen voorstander van gewapend geweld, ik zou liever een vreedzame revolutie zien. De militarisering betekent grootschalige vernielingen en is een bedreiging voor democratische verhoudingen in de opstand – militaire organisaties zijn zelden democratisch. En toch stelde ik dat militarisering onvermijdelijk was. Vanaf het formeren van groepen onder de naam Free Syrian Army hebben leden van de Syrische Nationale Raad gevraagd om buitenlandse interventie die, volgens hen, de militarisering van de strijd zou kunnen beperken. Dat is een riskante aanpak waar ik tegen ben. Andere oppositieleiders, vooral leden van het Nationale Coördinatie Comité, roepen de beweging op om vreedzaam te blijven en veroordelen het gebruik van wapens. Volgens mij laten beide posities een strategische zwakte zien. Het Syrische
regime is fundamenteel anders dan dat in Tunesië of Egypte. In Syrië bestaat er, zoals eerder in Libië, een organische band tussen het leger en de regerende familie. Moebarak in Egypte en Ben Ali in Tunesië kwamen voort uit het leger maar waren niet degene die vorm hadden gegeven aan dit instituut. De reorganisatie van de staat en het leger zoals Kadaffi en Hafez el-Assad die doorvoerden in hun landen maakte een vreedzame einde aan hun regimes onmogelijk. Hafez el-Assad reorganiseerde het leger op confessionele basis door het voortrekken van leden van zijn eigen stroming, de alewieten. Het gaat er niet om een bepaalde religieuze gemeenschap te veroordelen, maar we veroordelen het sektarisme van het regime. Wat nodig is, is een reorganisatie van de staat op een seculiere basis. In landen als Libië en Syrië kan men er niet op rekenen dat het leger de tiran in de steek laat. Net zoals bij nationale bevrijdingsbewegingen kunnen niet alle revoluties vreedzaam zijn. De strategie wordt niet bepaalde door wat men graag zou willen, maar door het karakter van de staat. De oproep tot buitenlandse interventie is echter een grote fout en kent vele risico’s. Enkele van die risico’s doen ook de westerse staten twijfelen om in te grijpen. De westerse regeringen zijn erg bezorgd over de groei van Al-Qaida in Syrië. En als zij nu een directe interventie overwegen, dan is dit niet uit liefde voor het Syrische volk maar uit vrees voor Al-Qaida en soortgelijke groepen. De westerse regeringen willen het proces van verandering kunnen sturen. De zogenaamde ‘Jemen oplossing’ is een andere doodlopende weg voor Syrië. Obama en anderen hebben zich
uitgesproken voor deze optie die er op neerkomt dat Assad afstand doet van de macht, net zoals de Saudi’s hun beschermeling Ali Abdallah Saleh in Jemen dwongen af te treden. Maar in Syrië zijn centrale delen van het staatsapparaat direct verweven met de Assad dynastie en georganiseerd langs religieuze lijnen. Het is ondenkbaar dat zij afstand zullen doen van de macht zonder daartoe gedwongen te zijn door een nederlaag. Deze strategische vergissingen zijn het gevolg van een blindheid voor de verschillen tussen de staten van Syrië en die van Tunesië, Jemen en Egypte. Deze zwakheid verhinderde ook dat de Syrische oppositie vanaf het begin de gewapende strijd op een verstandige wijze organiseerde. Democratie is niet mogelijk in Syrië zonder de machtsbasis van het regime te breken, dat betekent het ontmantelen van de strijdkrachten en het reorganiseren daarvan op grond van democratische en seculiere principes.’ Er is de vrees dat Syrië in een burgeroorlog zal raken. ‘Er woedt al enige maanden een burgeroorlog in Syrië. Maar burgeroorlog betekent niet noodzakelijk een religieuze oorlog. Een burgeroorlog is een strijd tussen delen van dezelfde samenleving, zoals in Spanje in jaren dertig, Frankrijk na de revolutie in 1789 of Rusland na 1917. Ik herhaal dat zonder een militaire confrontatie het regime van Assad niet zal verdwijnen. Dit regime probeert steeds de strijd een religieus karakter te geven en het wordt daarin geholpen door reactionaire religieuze groeperingen in de oppositiebeweging. In het begin van de opstand gaf
het regime de schuld aan Al Qiada of aan salafistische groeperingen. Deze propaganda geeft twee signalen af; een aan de minderheden en een andere aan de meerderheid van Soeni’s die fundamentalisme afwijzen. En er is een derde boodschap gericht aan het westen. In werkelijkheid worden de religieuze groeperingen sterker naarmate het conflict voortduurt en de oppositie moet zich duidelijk uitspreken tegen sektarische stromingen. De oproep dat de beweging vreedzaam moet blijven als waarborg tegen de invloed van religieuze groeperingen, zoals delen van links in Syrië stellen, gaat gepaard met een oproep om met het regime te onderhandelen. Het is duidelijk dat dit een leeg gebaar is. Syrisch links had vanaf het begin een radicale positie in moeten nemen en moeten oproepen tot de val van het regime en geen illusies moeten hebben in een dialoog. Ondanks mijn sympathie en diepe respect voor deze Syrische activisten denk ik dat hun positie hen tot roependen in de woestijn maakt.’ Wordt met de militarisering van de beweging deze ook niet steeds minder een brede volksbeweging? ‘Het grote strategische probleem voor de Syrische revolutie is de combinatie van een geweldloze massabeweging en de gewapende strijd. Geconfronteerd met een regime als dat van Syrië kunnen geweldloze demonstraties niet eeuwig voortduren. Blijven oproepen tot zuiver geweldloze protesten betekent de activisten vragen om zich als schapen af te laten afslachten. Dat is een klassiek dilemma in de strijd tegen moorddadige regimes. Het is noodzakelijk om een gewapende tak van de revolutie te creëren die de ongewapende beweging kan beschermen en een guerrilla kan voeren tegen het overheidsleger en de milities van het regime. Als de beweging afglijdt in religieuze richting zou dit een verlenging van het conflict betekenen en een versterking van de basis van het regime, in plaats van het afbrokkelen ervan. De oplossing is een verzetsbeweging op democratische grondslag, die sektarische tegenstellingen afwijst. We zien daar al de eerste tekenen van. Een dergelijke beweging is van levensbelang voor de Syrische revolutie.’ V Gilbert Achcar doceert aan de School of Oriental and Africa Studies van universiteit van London. Dit interview verscheen oorspronkelijk in de Arabische krant AlQuds Al-Arabi. Dit is een bewerkte en ingekorte versie van de Franse vertaling op de website alencontre.org.
15
buitenland
De erfenis van Occupy Occupy Wall Street (OWS) veranderde het politieke landschap in de Verenigde Staten. Talloze mensen gingen de straat op en verbleven in tentenkampen verspreid over tientallen steden. De beweging vestigde de aandacht op de voortdurend groeiende kloof tussen arm en rijk en zelfs president Obama zag zich even gedwongen het minder over bezuinigingen te hebben. Wat blijft er van de beweging, een jaar na het begin in september 2011 in New York? Dan
La
Botz, Robert Joel Jordan
Brenner,
Occupy was de eerste grootschalige reactie van werkende mensen in de VS op de economische crisis van 2008. Ze speelde in de VS een rol die elders gespeeld zou kunnen worden door een vakbeweging of een linkse partij en was de grootste sociale beweging sinds de jaren zeventig. De voorlopers van Occupy zijn duidelijk herkenbaar in de andersglobaliseringbeweging van begin deze eeuw. Alhoewel niet anti-kapitalistisch bracht deze beweging een wijd scala aan activisten bijeen. Maar de andersglobaliseringsbeweging was in de VS nooit een massabeweging zoals Occupy. De protesten in Wisconsin tegen de anti-vakbondswetten van gouverneur Walker leverden het model voor de actievorm
16
van Occupy: massa-protest en de bezetting van openbare ruimtes. En er was de internationale context, de Arabische Lente en strijdbare bewegingen in Zuid-Europa. Occupy was zo dynamisch omdat het een stem gaf aan de sinds 2008 groeiende onvrede. De bewegingen van de jaren zestig, zoals die voor burgerrechten en tegen de oorlog in Vietnam, kwamen tijdens een periode van economische bloei. De economische voorspoed destijds stelde de machthebbers in staat om concessies te doen. OWS kreeg vorm onder radicaal andere omstandigheden, tijdens de diepste economische crisis sinds de jaren dertig. Gemiddeld zijn de reële lonen al bijna vier decennia niet meer gestegen, de economische ongelijkheid is vergelijkbaar met die van een eeuw geleden. Geen van de grote politieke partijen komt nog op voor sociale hervormingen, in plaats daarvan zijn ze het in hoofdlijnen met elkaar eens dat gewone mensen voor de crisis op moeten draaien. De vakbeweging en de zwarte burgerrechtenbeweging zijn met handen en voeten gebonden aan de Democraten, de heersende neoliberale ideologie blijft dreunen dat er ‘geen alternatief’ is voor bezuinigingen. Tijdens de economische crisis bleek de politieke elite bereid te zijn de financiële sector met miljarden dollars uit de brand te helpen terwijl gewone mensen in de steek werden gelaten. Het resultaat was woede, woede over graaiende bankiers en politici die duidelijk aan de kant van de graaiers stonden. Teleurstelling in economie en politiek vormde de basis van Occupy. Occupy was een landelijke beweging in een land met grote economische, sociale en politieke verschillen. Toch zijn er een aantal gemeenschappelijke kenmerken te benoemen. Verspreid over het land verenigde Occupy ervaren activisten met nieuwkomers. De sfeer was optimistisch, utopisch in de beste zin van het woord. Veel deelnemers aan de beweging wilden meer dan een einde aan de crisis, ze wilden een betere wereld.
De afwijzing van politiek Occupy definieerde zich voor een groot deel door waar het tegen was, tegen de traditionele politiek die zo duidelijk gefaald had. Bewegingen als vakbonden of politieke partijen kenden allemaal leiders en vertegenwoordigers die aan de controle van hun achterban ontsnapten – Occupy zou geen leiders hebben. Gemeenschappelijke vergaderingen zouden de besluitvorming transparant maken en bureaucratie voorkomen. Voor een groot deel om te voorkomen dat Democraten, vakbonden of delen van gevestigd links met de beweging aan de haal zouden gaan weigerde Occupy specifieke eisen naar voren te schuiven. Al deze kenmerken van de werkwijze van Occupy kunnen bekritiseerd worden, maar ze kwamen voor uit een gezonde afkeer van de ondemocratische, bureaucratische werkwijze van gevestigde organisaties. Occupy was een idealistische maar naïeve poging om de politiek en de samenleving opnieuw uit te vinden. De gemeenschappelijke vergaderingen functioneerden in de praktijk moeizaam maar waren een levend model van directe democratie. De op vrijwillige basis georganiseerde keukens, bibliotheken, eerste hulp en veiligheidsteams waren tastbare voorbeelden van een andere manier om te organiseren. De bezette pleinen fungeerden als een uitvalsbasis voor acties in de stad en trokken zowel jonge werklozen als oudere arbeiders aan. Studenten met hoge schulden, vakbondsacti-
visten, linkse radicalen: ze waren er allemaal te vinden. De combinatie van radicale democratie en sociale onvrede gaf de beweging zo’n groot potentieel en creëerde een werkelijke uitdaging aan de gevestigde macht. Tussen het einde van september 2011 en juli 2012 ging deze over tot de tegenaanval: tentenkampen werden afgebroken, activisten bekeurd, opgepakt of op gewelddadige wijze verdreven. In deze periode zijn in 117 steden 7361 activisten opgepakt.
Occupy en de bonden Een aantal vakbondsactivisten was natuurlijk vanaf het begin betrokken bij Occupy en grote bonden als de AFL-CIO hadden sympathie voor de beweging. Toen begin oktober 2011 Occupy Wall Street ontruimd dreigde te worden, mobiliseerden bonden duizenden van hun leden voor een grote, strijdbare solidariteitsbetoging. Het was een glimp van het potentieel van een bondgenootschap tussen vakbeweging en Occupy. Bonden mobiliseerden niet alleen hun leden, ze doneerden geld en voedsel of ze boden ruimte aan Occupy zoals in het geval van de United Federation of Teachers. En op 17 november mobiliseerden de bonden opnieuw tienduizenden mensen, in New York en daarbuiten, in solidariteit met Occupy. Veel Occupy-activisten waren enthousiast over de steun van de bonden, maar voelden zich ook bedreigd. Ze waren bang dat de bonden hun eigen agenda door zouden drukken. Er bestond de vrees dat de bonden de beweging in wilden schakelen voor de herverkiezing van Obama. Het potentieel van de bonden om duizenden mensen te mobiliseren verbaasde Occupiers die bang waren dat hun beweging simpelweg overstroomd zou worden. Veel van hen hadden weinig ervaring met de vakbeweging en wisten weinig over de verhoudingen binnen de bonden. Er bestond weinig begrip voor hoe complex de vakbeweging is, voor de verschillen tussen bonden of voor de belangentegenstellingen tussen vakbondsleiders en leden. Op verschillende plekken ontstond een vruchtbare samenwerking tussen Occupy en de bonden maar dit werd nooit een stabiel bondgenootschap. Ook de meest activistische bonden in de VS worden gedomineerd door bevoorrechte bestuurders, bureaucraten met hun eigen belangen. Deze mensen willen vooral hun eigen positie beschermen en stellen de belangen van leden niet automatisch voorop. Deze bestuurders willen goede relaties met de bazen en de regering en proberen regelmatig protest dat dergelijke betrekkingen zou kunnen beschadigen de kop in te drukken. Ook nu weer probeerden vakbondsbestuurders al te felle protesten te voorkomen en werden vakbondsactivisten geïnstrueerd afstand te nemen van Occupy. Zwakheden Voor ons is het belangrijk om ook de zwakke punten in het oog te houden. Er was een gebrek aan een democratische structuur voor activisten om ideeën te bespreken, strategieën uit te stippelen en leiders aan te wijzen. Een op consensus gerichte aanpak kan waardevol zijn in sommige organisaties of tijdens een bepaald moment in de beweging – maar het permanent toepassen van dit principe leidde tot wat feministe Jo Freeman betitelde als de ‘tyranny of structurelessness’. Het was onmogelijk om de beweging een richting te geven. Occupy bracht een groot aantal mensen naar voren die een leidersrol speelden, sommigen goed, sommigen slecht. Maar het gebrek aan een democratische structuur maakte het onmogelijk deze leiders aansprakelijk te houden. Bij gebrek aan een dergelijke structuur viel de leidende positie in elke stad in handen van afzonderlijke actie-groepen die hun eigen agenda’s volgden. Die activiteiten getuigden vaak van tomeloze energie, creativiteit, klassenbewustzijn en strijd-
baarheid. Maar een heleboel van die energie ging verloren in de wildgroei van lezingen, culturele evenementen, protesten en directe acties. Occupy was niet in staat een strategie te formuleren of een perspectief te bieden. De slogan van de ‘99 procent’, de kritiek op sociale ongelijkheid en op de invloed van big business op de politiek spraken tot de verbeelding van veel mensen. De kracht van Occupy was dat het sociale kwesties die ons allemaal aangaan – werkgelegenheid, huisvesting, gezondheidszorg et cetera – oppikte maar de beweging formuleerde geen aansprekende ideeën over hoe deze vraagstukken opgelost zouden kunnen worden. Een ander zwak punt was dat Occupy overwegend blank was. Over het algemeen gesproken slaagde de beweging er niet in contact te maken met zwarte of latino gemeenschappen. In verschillende steden werd geprobeerd deze zwakheid te overkomen en sloten zwarte en latino activisten zich aan bij de beweging maar het succes van deze initiatieven was beperkt. En in veel steden hadden vrouwen en holebi’s te kampen met uitsluiting door de onofficiële leiders en seksuele intimidatie. Maar al te vaak werden hun problemen en kritiek afgedaan als het zaaien van verdeeldheid. De voornaamste reden voor de teloorgang van Occupy was echter wel het politieoptreden, met ontruimingen, pepperspray, traangas en rubber kogels, arrestaties en geweld. Het was in de eerste plaats deze onderdrukking die het Occupy onmogelijk maakte zijn volledige potentieel waar te maken. Want laten we eerlijk zijn; de beweging verkeert in een slechte staat. Het aantal activisten neemt af, de energie is tanende. Dat werpt de vraag op: wat blijft er, naast de impact van de beweging op het publieke debat en de ervaringen van zoveel mensen, van Occupy zelf? Ten eerste moeten we de sterke kanten van deze uitzonderlijke sociale beweging erkennen zoals we hierboven geprobeerd hebben. Ten tweede moeten we proberen betrokken te blijven bij de vele nieuwe activisten die een voortrekkersrol speelden en erkenden dat het kapitalisme zelf het probleem is. We kunnen meer massabewegingen verwachten en we hebben meer socialistische activisten nodig om daar het voortouw in te nemen. V Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder verscheen in het blad van de Amerikaanse socialistische organisatie Solidarity.
17
achtergrond
De vermarkting van de natuur
De natuur tot koopwaar maken om haar te beschermen, die gedachte staat centraal in besprekingen zoals de Rio +20 top. Maar deze ‘duurzame markt’ is niet alleen niet duurzaam, het opent ook de mogelijkheid voor ‘greengrabbing’: het uitsluiten van lokale bevolkingen van grondstoffen.
Melissa
Leach
Wat is ‘green grabbing’? Het woord is van toepassing op alle manieren waarop ecosystemen te koop worden gezet. Bijvoorbeeld het Adopt an Acre programma van de African Wildlife Foundation: voor elke donatie van 50 dollar ontvang je een certificaat voor een hectare aan beschermde savanne. Of het kan ecotoerisme zijn, zoals in het geval van milieuorganisaties in Guatemala die samen met het leger en toerismebedrijven een ‘Maya vakantiepark’ openden. Het centrale principe in dit soort plannen is de gedachte dat om de natuur te beschermen, we deze moeten verkopen. Voorstanders hiervan beweren dat schade toegebracht aan bossen, het wildleven en biodiversiteit en vervuiling elders gecompenseerd kunnen worden. In de aanloop naar de Rio+20 top lag de nadruk op het vermarkten van de natuur. Met de juiste duurzame investeringen zou het redden van het milieu en economische groei gelijk op kunnen gaan. In praktijk loopt dit echter al te vaak uit op green grabbing; het inpikken van grondstoffen en land, ten nadele van eerdere gebruikers. Het maakt deel uit van het grotere patroon van landgrabbing, van landjepik waar-
18
in met een ‘groen’ excuus land word ingepikt om bijvoorbeeld biobrandstoffen te produceren. Kan je voorbeelden geven? Het themanummer van het Journal of Peasant Studies over greengrabbing dat ik heb helpen samen stellen geeft een heleboel voorbeelden. Wat opvalt zijn de gevallen rond de Reducing Emissions Deforestation programma’s, REDD en REDD+. Daarbij draait het om het beschermen van bestaande bossen en het planten van nieuw bos ter compensatie van de uitstoot van CO2. In de praktijk kan dit er op neer komen dat mensen de toegang tot het bos ontzegd wordt, met alle negatieve gevolgen van dien. De onderzoeker Kyla Tienhaara geeft een voorbeeld uit Liberia. Een in Groot-Brittannië gevestigd bedrijf verwierf de controle over 400.000 hectare aan ongerept bos. Maar in dit gebied woonden mensen die het land gebruikten voor bijvoorbeeld landbouw. Het akkoord bood helemaal geen voordeel aan die lokale gemeenschappen. Uiteindelijk ging de overname niet door omdat activisten aantoonden dat de bevolking er niet bij gebaat was maar in veel gevallen loopt het anders af.
Diana Ojeada laat zien hoe de bescherming van het Tayrona National Park, aan de Caribische kust van Colombia, gepaard gaat met de criminalisering en uitsluiting van mensen die al tientallen jaren in dit gebied wonen en werken. Het parkbestuur werkte samen met paramilitairen die met geweld het park ‘opruimden’ en ze heeft delen van het park verpacht aan een toerismebedrijf. Deze gevallen laten hoe zien diep de kloof is tussen de effecten van de nieuw gecreëerde, ‘groene’ markt en de lokale omgeving, landgebruik, bestuur en landbouw. Zelfs het milieu gedraagt zich soms anders dan de ‘groene markt’ wil, bijvoorbeeld met het opkomen van nieuwe soorten onkruid en ziektes als gevolg van de aanleg van grote plantages waar alleen palmolie verbouwd wordt. Wat is de motivatie achter green grabbing? In zekere zin is het geen nieuw fenomeen maar een voortzetting van een lange traditie van koloniale en neokoloniale overnames in naam van het milieu. In milieubeschermingsplannen van de jaren zeventig en tachtig werd de lokale boerenbevolking vaak slechts
beschouwd als een bedreiging voor het milieu en hun recht op gebruik van het land werd ontkend. Maar we zien nu nieuwe ontwikkelingen. Ten eerste zijn er veel meer spelers betrokken bij deze nieuwe ‘groene markten’, zoals pensioenfondsen, durfkapitalisten, legers, NGO’s en bezorgde consumenten. Duurzaamheid speelt een hoofdrol in het maatschappelijk debat en is het big business geworden. Wetenschap, technologie en politiek proberen de milieuschade uit te drukken in meetbare eenheden en hebben CO2 tot koopwaar gemaakt en biobrandstoffen als duurzaam afgeschilderd. Een gevoel van crisis, zowel van de economie als van het milieu, leidt tot een denkwijze die zo efficiënt mogelijk gebruik wil maken van de natuur. Dit betekent vaak de privatisering van openbaar bezit, zoals bossen of gemeenschappelijke landbouwgrond. Dat gebeurt met de steun van regeringen die nieuwe investeringen willen aantrekken, ook al gaat dit ten koste van de zekerheid en het levensonderhoud van de armen. De financialisering van de economie betekent dat aspecten van het leven die er eerst buiten lagen, nu betrokken worden bij speculatie en de financiële sector. Er is een markt gegroeid voor ‘duurzame’ producten, een markt gekenmerkt door speculatie en onderonsjes tussen grote bedrijven. Hierdoor is een bos niet langer waardevol omdat het mooi is of een lokale gemeenschap ervan afhankelijk is voor hun levensonderhoud, wat nu telt is het potentieel ervan om CO2 vast te houden, zonneenergie te absorberen. Nu wordt er gekeken hoeveel biobrandstoffen er geproduceerd kunnen worden met de grond en het water, hoeveel CO2 emissierechten de bomen waard zijn en hoeveel de biodiversiteit waard is in het aantrekken van subsidies of ecotoerisme. Een paar jaar geleden kwamen veel progressieve intellectuelen op voor het toekennen van economische waarde aan de natuur. Wat is er misgegaan? In de jaren tachtig stond voor de meest vooruitstrevende ecologische economen het toekennen van waarde aan vaak genegeerde grondstoffen centraal. Er zijn een paar dingen misgegaan. Net zoals alle andere markten, is de ‘groene markt’ gebaseerd op sociale en politieke verhoudingen, met winnaars en verliezers. Beloftes van lokale verbeteringen blijken vaak loos te zijn. Verder zijn niet langer alleen de grondstoffen
onderdeel van deze marktmechanismen, ook processen als het absorberen van CO2 is vermarkt. Dat zou niet mogen gebeuren. Het klinkt misschien logisch om een waarde toe te kennen aan het ecosysteem als we het willen beschermen maar bedrijven die gestript en verkocht worden hebben ook een waarde. Zodra het potentieel van de natuur tot koopwaar is gemaakt, kan het ook gestript worden. Ten derde wordt het potentieel van het ecosysteem in een bepaalde regio als compensatie van milieuschade elders gezien. De uitstoot van broeikasgassen zou bijvoorbeeld gecompenseerd kunnen worden door een plantage. Hierdoor krijgen gebieden een waarde toegekend en kan er gesproken worden over ‘niet-optimaal’ gebruik van een ecosysteem, waardoor het in waarde zakt. De aandacht voor de consumptie- en productieprocessen die in de eerste plaats tot milieuschade leiden wordt afgeleid. De valse belofte van compensatie elders maakt het makkelijk om de noodzaak van het wijzigen van het productieproces te negeren. Waarom is deze ideologie zo succesvol en overgenomen door regeringen, bedrijfsleven, milieuorganisaties en de Verenigde Naties? De ‘groene economie’ is een gemeenschappelijke noemer die het mogelijk maakt om privébedrijven, op zoek naar winsten, milieuorganisaties, lokale elites en internationale instituten voor te stellen als partners die hetzelfde willen. Maar als je iets verder kijkt, zie je grote meningsverschillen over hoe zo’n ‘groene economie’ er uit zou moeten zien. Bijvoorbeeld of deze zou moeten groeien en of zo’n economie ook sociaal rechtvaardig moet zijn. Ik denk dat de privésector poogt om munt te slaan uit de nieuwe populariteit van groene ideeën. Sommige milieuactivisten en NGO’s denken dat de ‘groene economie’ een manier is om kapitalisme in het belang van zowel de armen als van het milieu te laten werken. Uit een soort pragmatisme denken veel NGO’s dat dit de enige manier is om grote bedrijven aandacht aan het milieu te laten besteden. We zien nu de eerste negatieve gevolgen daarvan. Heeft het idee van een ‘groene economie’ potentieel? Ik denk dat er in principe in de markt ruimte is voor hervormingen, voor meer transparantie en de belangen van de lokale bevolking. Rechtvaardigheid, eerlijkheid en lokale betrokkenheid en controle zijn principes die, indien ze juist worden toegepast, een groene
markt in het belang van de armen kunnen laten werken. We kunnen niet alle ‘groene markten’ zomaar wegwuiven, er is ruimte voor iets als de Fair Trade beweging, het herstructureren van de markt in het belang van de lokale bevolking.
Steeds meer aspecten van het leven worden koopwaar Maar we moeten ook de beperkingen van de markt inzien als het om duurzaamheid gaat. Het gebruik van ‘groene markten’ om business as usual voort te zetten en om te compenseren voor milieuschade is niet duurzaam. Klimaatverandering moet aangepakt worden door de bouw van een meer efficiënt energiesysteem en mensen te helpen om meer effectief binnen ecologische grenzen te leven. Dat betekent lagere groeicijfers, vooral in het rijke Noorden van de wereld, en het omleiden van investeringen naar levensonderhoud, werkgelegenheid en een gezonde relatie met het ecosysteem waar we deel van uit maken. We hebben een nieuwe aanpak nodig, een die van onderop begint. Een hoofdstuk in het blad bespreekt West-Afrika en het gebruik van de bodem door inheemse gemeenschappen. Deze verbranden houtskool waardoor een anders weinig vruchtbare bodem veel productiever wordt. Met extra middelen kunnen dit soort ervaringen uitgebreid worden. Internationale instituten bekijken de ‘groene markt’ op grote schaal, en zien de handel in emissierechten als een wondermiddel, waardoor aandacht voor het lokale niveau onmogelijk wordt. Er bestaat een groot verschil tussen het voortbouwen op basis van lokale verhoudingen en deel uit blijven maken van het plaatselijke ecosysteem en deze processen vermarkten. Er bestaat geen magische oplossing, we moeten op zoek naar een veelvoud aan kleine acties die rekening houden met de lokale context. V Melissa Leach is verbonden aan het Instituut voor Ontwikkelingsstudies aan de Universiteit van Sussex. Ze is een van de samenstellers van het themanummer ‘Green grabbing: a new appropriation of nature?’ van het ‘Journal of Peasant Studies’. Dit is een bewerkte versie van een interview dat eerder verscheen op de website van het Transnational Institute (TNI), www.tni.org.
19
Special Venezuela
Venezuela: de zigzag van een revolutie
20
Op zeven oktober zal Venezuela opnieuw naar de stembus gaan voor presidentiële verkiezingen. De zittende president Hugo Chávez is zeker van de overwinning, dat ‘100 kamelen door het oog van een naald gaan’ is volgens hem waarschijnlijker dan dat hij verliest. Zeker is dat hij op grote steun kan rekenen, maar de door hem geleide sociale omwenteling, het ‘Bolivariaanse proces’ staat ook voor grote uitdagingen. Daniel
Princen
De verkiezingen zullen een duel zijn tussen Chávez en zijn supporters in de Grando Polo Patriotico en de belangrijkst tegenkandidaat, Henrique Capriles, leider van het rechtse blok Mesa de Unidad Democratica (Forum van Democratische Eenheid, MUD). De campagnes van beide kandidaten begonnen in juli en bereikten de afgelopen weken een hoogtepunt. Volgens peilingen is Chávez’ optimisme terecht: hij zou op meer dan 50 procent van de stemmen kunnen rekenen terwijl Capriles rond de 30 procent zweeft. Dit is een grotere marge dan waarmee Chávez in 2006 de presidentiële verkiezingen won. De oppositie is intern verdeeld en wordt voornamelijk bijeengehouden door hun afkeer van Chávez. Chávez gebruikte de verkiezingscampagne om zijn ideeën uiteen te zetten en steun te vragen voor zijn 40 punten programma, het ‘Voorstel van de vaderlandse kandidaat commandant Hugo Chávez voor Bolivariaans socialistisch bestuur’. De rechtse campagne steekt mager af bij het activisme en radicalisme van de Chavistas. Aanvallen op de persoon van Chávez spelen een belangrijke rol in Capriles’ campagne. Ook schrikt hij niet terug voor fraude. Een voorbeeld was zijn presentatie van een regeringsdocument dat Venezolaanse soldaten zou verbieden op televisie naar zijn speeches te kijken. Het document bleek al snel een vervalsing te zijn. De campagne van Capriles doet ook tegenstrijdige uitlatingen over de Nationale Kiescommissie die de verkiezingen moet controleren en met verzekeren dat deze eerlijk verlopen. Sommige van zijn medewerkers bestempelen de kiescommissie als niets anders dan een verlengstuk van de regering van Chávez, andere stellen dat de commissie wel degelijk onafhankelijk is.
De rechtse campagne steekt mager af bij het activisme en radicalisme van de Chavistas Tijdens de verkiezingen zullen er in totaal 154 internationale waarnemers in het land zijn. De grote meerderheid van hen komt uit Latijns Amerika, anderen komen uit Noord-Amerika, Europa, Azië en Afrika. De minister van buitenlandse zaken van Brazilië rekent op ‘eerlijke en transparante’ verkiezingen en vergelijkbare commentaar kwam van de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter die herhaalde dat Chávez de eerdere verkiezingen fair and square gewonnen had.
Rechts neemt punten over Onder druk van Chávez’ populariteit heeft Capriles enkele programmapunten van zijn beleid overgenomen, zoals gratis
onderwijs en gezondheidszorg. Capriles zegt deze en andere sociale voorzieningen te willen behouden - maar toen hij nog gouverneur was van de deelstaat Miranda toonde zijn beleid een ander beeld. Hij probeerde medische centra te sluiten en de Cubaanse dokters die er gratis gezondheidszorg aan de armen leverden uit te zetten. Capriles heeft ook verklaard de nationalisering van het gigantische oliebedrijf PDVSA terug te willen terugdraaien. De uitbreiding van de gezondheidszorg wordt betaald met geld dat door dit bedrijf in de staatskas vloeit.
De populariteit van Chávez is voor een groot deel te danken aan zijn sociale beleid Volgens de journaliste Tamara Pearson is het te verwachten dat Chávez een grote overwinning zal behalen. Volgens haar is het rechtse kamp verdeelt: ‘een deel van de MUDsupporters hebben wat betreft de presidentiële verkiezingen al opgegeven en richten zich op de regionale verkiezingen in december, sommigen willen de democratische regels volgen, anderen hopen onrust te kunnen veroorzaken.’ De populariteit van Chávez is voor een groot deel te danken aan zijn sociale beleid. In de jaren tachtig werd neoliberaal beleid ingevoerd in Venezuela, wat leidde tot een grote volksopstand, de Caracazo. Deze werd met grof geweld neergeslagen: volgens officiële cijfers vielen er 276 doden, een dodental rond de 3000 is echter meer waarschijnlijk. Sinds zijn aantreden in 1999 heeft Chávez een reeks sociale verbeteringen doorgevoerd en sinds 2005 spreekt hij van een ‘socialistische revolutie’. Zijn beleid en radicale oriëntatie heeft hem veel steun gebracht onder de bevolking maar hij heeft onder de Venezolaanse elite daarmee natuurlijk ook veel vijanden gemaakt. In 2002 probeerde rechts hem door een staatsgreep te verdrijven en toen dit niet lukte gooiden ondernemers in 2002-2003 hun bedrijven op slot in een poging om de economie te saboteren en Chávez’ positie onmogelijk te maken.Ten slotte deed rechts in 2004 een mislukte poging om Chávez door middel van een referendum af te zetten, gebruik makend van een wet die onder Chávez was ingevoerd. V Voor links in Venezula is het duidelijk dat het door Chávez ingezette proces verder moet, maar hoe? In deze Grenzeloos publiceren we drie interviews met linkse activisten uit Venezuela, min of meer kritisch over de regering, over de ontwikkelingen in het land, de vooruitzichten voor diepere sociale veranderingen en hun verwachtingen voor de toekomst.
21
Special Venezuela
‘Nu is de tijd gekomen!’ Seksuele zelfbeschikking in Venezuela Een van de minder zichtbare ontwikkelingen de laatste jaren in Venezuela is de strijd van homo’s, lesbo’s, biseksuelen en transgenders (HLBT’s). Discriminatie op basis van seksuele voorkeur werd verboden in de arbeidswet van 1999 maar de machtige katholieke kerk blokkeert nog steeds voorstellen voor anti-discriminatie wetten of de invoering van het homohuwelijk. Drie jaar geleden werd het eerste collectief van revolutionaire HLBT-activisten gevormd. Een interview met een van hen, María Gabriela Blanco, lid van Alianza sexo-género diversa revolucionaria (‘Revolutionaire Alliantie van seksuele- en genderdiversiteit’)
22
Venezolaanse queers boeken vooruitgang
Susan
Spronk
and
Jeffery
‘Een van de eerste acties die specifiek draaide om kwesties van genderidentiteit en seksuele voorkeur was tijdens het debat over de wet op gendergelijkheid in het parlement. Parlementariërs riepen lesbo’s, homo’s en transseksuelen op om deel te nemen aan het debat en een van hen wilde discriminatie op basis van seksuele voorkeur en gende-
R.
Webber.
ridentiteit strafbaar stellen. Maar veel leden van het parlement, waaronder verklaarde supporters van Chávez, weigeren nog steeds om het over deze kwesties te hebben. Het debat over deze wet was lang en vruchteloos. We waren het zat dat na zeven, acht jaar van revolutie nog steeds niemand het over seksuele diversiteit had. We besloten ons te organise-
buitenland ren in een collectief en actief te worden in arme wijken waar radicaal links veel steun krijgt. We proberen vooral de strijd van transseksuelen te steunen, zij behoren tot de meest onderdrukte groepen in onze samenleving. Wij willen verder gaan het verdedigen van ‘diversiteit’, we beschouwen onszelf als revolutionairen en onze identiteit is niet beperkt tot onze genders en seksuele oriëntatie. We zijn ook vrouwen, van Afrikaanse afkomst, inheems, arm, pro-Chávez en zien onze strijd als deel van de beweging tegen het kapitalisme. Dit onderscheid ons van rechtse organisaties die zich uitsluitend richten op kwesties van identiteit en oriëntatie. Onze prioriteit zijn de meest onderdrukte groepen, of deze nu homo- of heteroseksueel zijn.
Ook binnen de beweging bestaat discriminatie Sommige Chavistas vallen ons aan omdat we kritiek hebben op de regering maar wat wij doen is de aandacht vestigen op de discriminatie binnen onze bewegingen en in de staatsorganen. Om dit te veranderen is er meer nodig dan een wetswijziging. We hebben enkele successen geboekt in legaal opzicht, zo is het huisbazen nu verboden om te discrimineren op basis van gender of seksuele identiteit. Er is onder de regering Chávez daadwerkelijk vooruitgang geboekt, rechts kan niet beweren dat queers in Venezuela nog steeds even slechts af zijn als altijd. We hebben wekelijkse vergaderingen waar iedereen welkom is – lesbisch, transseksueel, wat dan ook, hetero’s inclusief. We hebben onze eigen publicatie en schrijven onder meer een column in Todosadentro, een tijdschrift van het ministerie van cultuur. We schrijven over seksuele zelfbeschikking, over het recht over onze eigen lichamen te beschikken. Daarnaast helpen we bij het produceren van een radioprogramma en zijn we te gast geweest bij feministische televisieprogramma’s als El Entrompe de Falopio. Sinds 2005 spreek Chávez over socialisme. Wat betekent socialisme voor jullie collectief? Dat is een moeilijke vraag – niet vanwege het proces in Venezuela zelf maar omdat Latijns Amerika nog steeds erg seksistisch en macho is. Ik wil niet te pessimistisch zijn maar Venezuela is nog steeds erg patriarchaal. Tijdens de verkiezingscampagne werd bijvoorbeeld een mannelijke kandidaat van de oppositie aangevallen als ‘vrouwelijk’. De president beschouwt zichzelf als een so-
cialist en een feminist en dit soort gedrag is tegenstrijdig met het proces van sociale verandering dat ook socialistisch en feministisch genoemd wordt. We moeten onze kameraden, op de werkvloer en in de wijken, op de tegenstrijdigheden in hun gedrag wijzen. Ons beginpunt is dat de basis van homofobie een soort seksisme is dat al het vrouwelijke in een man als een zwakheid ziet. Toen Chávez in 2010 homoseksuelen opriep zich bij het proces van sociale omwenteling (‘el proceso’) aan te sluiten, probeerde rechts dit belachelijk te maken. Maar dit soort discriminatie is niet beperkt tot rechts. Een linkse seksist verschilt niet van een rechtse seksist, ook al zou er binnen links geen machismo moeten zijn. Toen we voor het eerst met ons eigen spandoek en een regenboogvlag deelnamen aan een politieke betoging waren we erg nerveus. We wilden dat we zichtbaar zouden zijn en omdat we samenwerken met activisten uit allerlei andere beweging konden we op hun steun rekenen. Nu worden er honderd meter lange regenboogvlaggen meegedragen in betogingen en kun je de regenboogvlag zien hangen in arme wijken van Caracas. Wij steunen Chávez omdat hij erkent dat queers onderdrukt worden en dat de enige oplossing is om het kapitalisme te overwinnen. De huidige, op consumptie gerichte, samenleving heeft ook onder queers voor veel verdeeldheid gezorgd, we discrimineren elkaar. De homokroegen in Caracas weigeren bijvoorbeeld transseksuelen, tenzij ze erg rijk zijn. Maar voor mij was vroeger het ‘homogetto’ de enige plek waar ik naar toe kon gaan, ik moest me verbergen. Op de universiteit of bij familie moest ik doen alsof ik iemand anders was. Nu ik politiek actief ben, ben ik tegenover een deel van mijn familie uit de kast gekomen. Toen ik met mijn partner in een winkelcentrum was werden we een keer door de politie naar buiten geëscorteerd omdat het ‘een plek voor families’ was. Dat soort dingen gebeurt niet als je geld hebt. En wat doet de staat om er voor te zorgen dat iedereen gebruik kan maken van publieke ruimtes? In de PDVSA Estancia, een vrije-tijdscentrum van de staatsoliemaatschappij, is het homoseksuele stellen verboden elkaars hand vast te houden omdat het een ‘familiepark’ is en er ‘kinderen bij zijn’. Deze problemen zijn niet de schuld van de revolutie maar een erfenis van de bourgeois staat – we zijn nu ten minste georganiseerd en kunnen begrijpen wat er gaande is. We streven ernaar dat dit zogenaamde ‘socialistische’ systeem diversiteit erkent. Er
zijn nog steeds structuren van de staat, een staat die niet socialistisch is, die ons onderdrukken. We weten wie ons steunen en wie onze tegenstanders zijn. Er is nog genoeg reden om kritisch te zijn en we moeten het debat met andere mensen in de beweging aangaan om dat te veranderen. Wat is het belang van de verkiezingen van 7 oktober? Veel mensen zijn van mening dat de inzet hoog is, dat we ons eindelijk daadwerkelijk onafhankelijk zullen verklaren. Als we deze verkiezingen winnen, zal het proces van verandering zich verdiepen. Er zijn nog steeds veel kapitalistische elementen in onze samenleving maar we hebben het nu tenminste over andere vormen van eigendom, over nieuwe ideeën. De beweging heeft nog steeds geen controle over de economie, ook al hebben we omdat we de regering hebben wel politieke controle. Chávez zelf heeft dit vele malen gezegd, het is geen geheim. Om vooruitgang te boeken met een nieuw model van productie en organisatie moet Chávez aan blijven, zonder hem gaat het debat hierover niet verder. De president is een bron van inspiratie voor de bewegingen, hij draagt het proces maar wij zijn er verantwoordelijk voor. De beweging van Venezolaanse queers is nog niet zo ontwikkeld als bijvoorbeeld die van arme boeren of huurders. Iedereen die ik ken is geraakt door het proces, hier hebben we gratis onderwijs en gratis gezondheidszorg, ook al is het niet het beste. Chávez is de meest democratische president die Venezuela ooit gehad heeft. V Susan Spronk doceert internationale ontwikkeling aan de universiteit van Ottoawa. Jeffrey R. Webber doceert politicologie en internationale betrekkingen aan de universiteit van London. Dit is een ingekorte versie van een interview dat eerder verscheen op http://www.socialistproject.ca.
María Gabriela Blanco
23
Special Venezuela
Open horizonten Roland Denis is één van de bekendste linkse intellectuelen van Venezuela. In de jaren tachtig was hij actief in de radicaal linkse beweging Desobediencia Popular. Van 2000 tot 2003 was hij staatssecretaris voor planning in de regering van Chávez maar uit onvrede over het gebrek aan inbreng van onderop stapte hij op. Hij is schrijver van verschillende boeken, het meest recent Tres Repúblicas, een analyse van de Venezolaanse politiek voor en tijdens Chávez. Jeffery
R.
Webber,
Susan
Spronk
‘Mijn politieke engagement begon in de jaren zeventig. Ik was toevallig in Nicaragua tijdens de Sandinistische revolutie van 1979. Toen ik begin jaren tachtig terugkeerde naar Venezuela werd ik politiek actief. Er was toen veel politiek geweld tegen links, veel kameraden sneuvelden in de strijd. De jaren tachtig waren een tijd van nederlagen en crisis voor links, de Sovjet-Unie en het ‘werkelijk bestaand socialisme’ implodeerden. In Latijns Amerika kwamen nieuwe vormen van strijd op, het idee van ‘volksmacht’ werd door verschillende sociale bewegingen overgenomen, een nieuw links kreeg vorm. In deze context brak op 27 februari 1989 een volksopstand uit in Venezuela’s hoofdstad Caracas die bekend werd onder de naam Caracazo. De Caracazo was een reactie op een totale ramp. Prijsverhogingen en bezuinigingsmaatregelen maakten een einde aan het oude kapitalistische model en zogenaamd linkse partijen begonnen een neoliberaal beleid te voeren. De volksbeweging in reactie daarop was bijna spontaan. De Caracazo was een crisis van de staat. Daarna kwamen de opstanden in 1992. Halverwege de jaren negentig werd machtsvraag weer gesteld met de opkomst van de Bolivariaanse beweging. Deze beweging probeerde de crisis van de staat na de Caracazo uit te buiten. De sociale vraagstukken die tot deze opstand hadden geleid bestonden nog steeds. We stonden voor de keuze: opstand of deelname aan verkiezingen. Chávez koos voor het electorale pad en sloot een verbond met het leger. Veel mensen die deze keuze weinig aanstond moesten deze later wel accepteren. De beweging won het presidentschap – maar niet de volledige macht. Chávez dreef het proces van het opstellen van een nieuwe grondwet door, de eerste hervormingen waren bescheiden maar belangrijk. De beweging kwam in conflict met het oude staatsapparaat maar wist door te zetten. Dit was een ingewikkelde tijd voor mij. Ikzelf was staatssecretaris voor planning. Het was moeilijk om te werken in zo’n conservatieve structuur als de regering. Ik koos ervoor alleen tijdens de meest kritieke momenten, vooral tijdens 2002-2003, toen we ons op de rand van een burgeroorlog bevonden, in de regering te werken. Onze middelen waren
24
Ronald Denis
beperkt. Tijdens de kapitaalstaking van 2002-2003 bijvoorbeeld had de regering niet eens geld meer. Het waren de sociale bewegingen die het proces voortstuwden. We wisten de oligarchen en extreem-rechts te verslaan maar deze periode had ook negatieve gevolgen. Tot op de dag van vandaag ontsnappen de hoogste machtsniveaus aan controle van onderop, de machtsverhoudingen stellen ons niet in staat het proces te verdiepen. We hebben aan de ene kant een bureaucratische kaste, een kaste die zijn wil doorzet door middel van politieke manipulaties en aan de andere kant hebben we de sociale bewegingen. In zekere zin zijn er twee revoluties in Venezuela – of nauwkeuriger: er is een revolutie en er is een proces geleid door geprivilegieerde machthebbers. Het probleem is niet een gebrek aan organisatie, de vraag is hoe we ons kunnen organiseren om te strijden tegen een machtsovername door corrupte, bureaucratische leiders.’ Hoe zou jij de verschillende fases sinds de verkiezing van Chávez in 1998 willen beschrijven? ‘De Grondwetgevende Vergadering was de eerste stap, toen werden politieke discussies over kwesties als landbezit en onderwijs gevoerd. Tegen het einde van 2001 had Chávez enkele belangrijke besluiten genomen maar was er nog niks genationaliseerd. Hervormingen die betrekking hadden op grondstoffen als land en fossiele brandstoffen waren belangrijk en Chávez begon het bestuur van de PVDSA, de staatsoliemaatschappij waar de werkelijke staatsmacht zich bevind, aan te vallen. Venezuela is afhankelijk van olie, de PVSDA is het werkelijke hart van de macht. Dit proces van radicale democratisering werd verlamd door de staatsgreep van april 2002 toen ze het karakter kreeg van een defensieve strijd voor behoud van de verworvenheden en het tegenhouden van het fascisme dat twee dagen lang de macht had in Venezuela. De coup was een misdaad maar we wisten deze te stoppen. Tijdens het referendum van 2004, over de vraag of Chávez moest aftreden, moest de arbeidersbeweging Chávez zowat dwingen deel te nemen: hij was bang dat hij zou verliezen. Maar Chávez organiseerde een indrukwekkende campagne en haalde een
buitenland beslissende overwinning. De rechtse oppositie werd uitgeschakeld, tot op de dag van vandaag ontbreekt het hen aan visie of goede kandidaten. Ze hebben slechts de media die ze nog steeds grotendeels controleren. In de periode 2004 – 2008 werd de Partido Socialista Unido de Venezuela, Verenigde Socialistische Partij van Venezuela (PSUV) gevormd. Dit was een fase waarin de positie van de bureaucratie versterkt werd. Het organiseren van de partij was het einde van de organische groei van de sociale bewegingen. Kijk bijvoorbeeld naar de boeren- en arbeidersbewegingen, deze werden lid van de PSUV en zijn nu ontredderd, richtingloos. De Bolivariaanse beweging was een groeiende alliantie van sociale krachten, het was geen partij-politieke beweging maar ze was verenigd en groeide. Het oprichten van een politieke partij was absurd, waarom zouden we meer eenheid nodig hebben? De Bolivariaanse Kringen organiseerden twee, twee en een half miljoen mensen. Maar de leiders creëerden een partij om de mensen te controleren. En Chávez, een man uit het leger en, laten we eerlijk zijn, onder de invloed van Cuba, creëerde een partij die voortdurend in conflict raakt met de sociale bewegingen. De PSUV inspireert niet, leidt de strijd niet, het is een partij die de massa’s in toom houdt. Tegen 2010 begon de PSUV in elkaar te zakken, zelfs in electoraal opzicht. De laatste twee verkiezingen werden gewonnen door rechts. De PSUV is in paniek maar hun enige antwoord is het aanjagen van de persoonlijkheidscultus rond Chávez, hij is hun enige wapen. Antonio García Duarte, een leider van de anarchisten tijdens de Spaanse burgeroorlog, zei eens; ‘wij organiseren geen gehoorzaamheid, wij organiseren enthousiasme.’ De bureaucratie en de groeiende corruptie maken dit enthousiasme onmogelijk. De regering heeft verworvenheden gebracht zoals onderwijs en gezondheidszorg maar daardoor is de verwachting dat de regering de problemen van mensen kan oplossen ook gegroeid.’
jadores is uit elkaar gevallen, de nieuwe federatie Confederation Socialista de Trabajadores bestaat eigenlijk alleen in naam. Er zijn echter interessante bewegingen van arbeiders, bedrijfsbezettingen bijvoorbeeld. Arbeiders in zowel de privé- als openbare sector zijn in beweging. Nogmaals: de sociale bewegingen zijn niet dood maar ze lopen voortdurend tegen dezelfde grenzen aan: die van de staat. Als ze in conflict komen met de staat, worden de bewegingen ervan beschuldigd contrarevolutionair te zijn en komen ze niet verder. De radicale kant van het sociale proces in Venezuela komt voortdurend in conflict met de staat en hiërarchische, autoritaire organisaties als de PSUV. Er zijn ook heel mooie, lokale ervaringen, zoals pogingen op het platteland om productie op gemeenschappelijke basis te organiseren.’
Wat is de rol van de Gran Polo Patriótico (Grote Patriotische Pool, GPP) hierin? ‘Chávez riep de GPP in het leven omdat hij zich realiseerde dat hij dit enthousiasme opnieuw moest activeren en dat dit onmogelijk is als alleen politici deel nemen aan de campagne. Sterker nog, Chávez zag de noodzaak dat sociale bewegingen mee beslissen over het verkiezingsprogramma en de prioriteiten voor de volgende regeringstermijn. De GPP is echter niet zelfstandig en de sociale bewegingen leggen zich daarbij neer omdat ze al verweven zijn met de staat.’ Wat zijn de meest dynamische sociale bewegingen? ‘Ik ben net teruggekomen uit Apure, een afgelegen staat in het zuidwesten met een lange, sterke radicale traditie. Het is interessant om te zien hoe de boeren daar zich georganiseerd hebben in de PSUV om zich te verzetten tegen de leiding van de PSUV, ze accepteren niet dat ze alleen een passieve rol zouden spelen. Ze organiseerden een bijeenkomst met 1500 mensen, ook al moesten veel van hen zeven of acht uur reizen om er bij te zijn. Dat is hun mentaliteit, ze weigeren zich te laten commanderen. De sociale bewegingen zelf krimpen niet, maar veel bewegingen zijn in verwarring. Chávez is een belangrijk symbool, maar als de bureaucratie van zijn regering in conflict komt met sociale bewegingen leidt dat tot verwarring. De regering van Chávez heeft landbezetters verraden, sommige van hun leiders werden gevangen gezet. De beweging van landbezetters in de steden had aanvankelijk vergelijkbare problemen. Dit is allemaal deel van het proces, niemand heeft gezegd dat het een paradijs zou zijn. Vooral op de arbeidersbeweging heeft de bureaucratie veel invloed gehad. De vakcentrale Union Nacional de los Traba-
Wat is het belang van de verkiezingen van zeven oktober? ‘Als Chávez zou verliezen, zou dat een enorme klap zijn. Kun je je voorstellen dat we opeens weer het verzet moeten organiseren tegen privatisering van het onderwijs en gezondheidszorg, tegen politieke repressie et cetera? Al die oude ellende waar we al 20 jaar lang tegen vechten en die we zogenaamd te boven zijn gekomen, zou terugkeren. De rechtse kandidaat is geen partij voor Chávez. Chávez zal het presidentschap weer winnen maar minder overtuigend dan in eerdere verkiezingen. De afname van zijn populariteit is het resultaat van de bureacratisering.’ V Dit is een bewerkte versie van een interview dat eerder verscheen op socialistproject.ca
25
Special Venezuela
De revolutie gaat niet per decreet Jeffery
R.
Webber,
Susan
Spronk
Gonzalo Gómez is een activist in de Venezolaanse trotskistische organisatie Marea Socialista (‘Socialistische Stroming’). Wij vroegen hem naar zijn mening over het ‘Bolivariaanse proces’ en de ontwikkeling van de bureaucratie en de Partido Socialista Unido de Venezuela (PSUV).
‘Het verzet tegen de staatsgreep van april 2002 markeerde een nieuwe fase in de sociale strijd. De regering van Chávez riep de mensen niet op om de straat op te gaan tegen de couppoging maar probeerde binnen het staatsapparaat en de strijdmacht de overhand te krijgen. Dit was misschien om een bloedbad te voorkomen maar wij waren van mening dat als de bevolking niet gemobiliseerd zou worden, de coup kon slagen. En dat zou in ieder geval tot nog meer bloedvergieten hebben geleid. In botsingen met de militaire politie tijdens demonstraties zijn inderdaad mensen omgekomen maar volgens ons waren het deze protesten die het rechts onmogelijk maakten de macht te grijpen. Rechts had de rijke Venezolanen al opgeroepen om de straat op te gaan tegen Chávez in een poging de coup legitimiteit te geven. Het verzet van delen van het leger die trouw bleven aan Chávez en de pro-Chávez betogingen doorkruisten hun plannen. Toen Chávez op 13 april terugkeerde als president was dat niet zonder voorwaarden, mogelijk hebben delen van de strijdmachten concessies geëist voor ze hem vrij lieten. Ik was rond die tijd actief in de Asamblea Popular Revolucionaria, een van de organisaties die verzet tegen de coup organiseerden. In mei 2002 hebben we met deze organisatie de website Aporrea.org gelanceerd om ruimte te geven aan discussies die in de media niet aan bod kwamen. We publiceren radicale kritiek op rechts maar ook debatten binnen de linkse beweging. We zijn van mening dat de meningsverschillen die er bestaan tussen Venezolaanse revolutionairen openlijk besproken moeten worden, niet achter gesloten deuren. Rechts zou een grote overwinning boeken als het debat binnen de radicale beweging stil valt. De gebeurtenissen rond de couppoging van 2002 zijn niet zo overzichtelijk als ze wel eens worden voorgesteld. Sommige mensen die zich verzet hadden tegen de coup werden na de terugkeer van Chávez gearresteerd. En dit terwijl leiders van de couppoging, leden van het conservatieve bestuur van de staatsoliemaatschappij PVDSA die door Chávez ontslagen waren, op hun oude positie terug keerden. Was dat een poging om de spanningen in het land af te laten nemen? Of waren er krachten binnen het staatsapparaat die nog steeds de belangen van de coupplegers verdedigden? De coup verzwakte het revolutionaire proces en pas met de nederlaag van de kapitaalstaking van 2002-2003 kreeg dit proces nieuwe energie. In 2007 werd de PSUV opgericht en mijn organisatie, Marea
26
film
Betoging van Chavistas
Socialista, sloot zich erbij aan. In het begin was ik erg actief in de PSUV maar nu niet meer. Veel mensen hebben de partij niet officieel verlaten maar kiezen er voor elders actief te zijn. De PSUV is gewoon niet de meest veel belovende plek voor activisme en debat, het is de partij van ambtenaren geworden. Wij willen dat de leiding van de Venezolaanse revolutie in handen ligt van de sociale bewegingen. De PSUV heeft veel van zijn levendigheid en interne dynamiek verloren en dit is een serieuze bedreiging voor het proces. De recente ziekte van Chávez, hij is behandeld voor kanker, heeft allerlei vragen opgeworpen. Hij speelt een centrale rol en is niet makkelijk te vervangen. De sociale bewegingen, de arbeidersklasse en haar organisaties zijn niet sterk genoeg om een rol te spelen in het regeringsbeleid. Wat wij nodig hebben, ook zolang Chávez er nog is, is een vorm van bestuur waarin de bewegingen een directe rol hebben in het vormgeven en implementeren van het beleid. Nu is er een onofficiële vorm van overleg waarin regeringsfunctionarissen overleggen met activisten, maar het zijn de functionarissen die uiteindelijk de beslissingen nemen. De regering heeft oor voor onze eisen en speelt regelmatig een progressieve rol maar tegelijkertijd is de bureaucratie vaak een rem op nieuwe ontwikkelingen. De bureaucraten bewijzen lippendienst aan de revolutie maar ze vergaren kapitaal, sluiten dealtjes met de bourgeoisie en wijzen wezenlijke verandering af. Dat leidt natuurlijk tot onvrede. Het is moeilijk om te zeggen op welke schaal het gebeurt maar bureaucraten steken een deel van het overheidsbudget, bijvoorbeeld uit de olie-inkomsten, in hun eigen zakken. Dit is een duidelijk teken dat we nog niet gebroken hebben met het kapitalisme – we hebben banken genationaliseerd, en dat is goed, maar er zijn nog steeds privé-banken. Het revolutionaire proces moet zich verdiepen, meer democratisch worden.’ Wat is er volgens jou misgegaan met de PSUV? ‘Marea Socialista is nog steeds deel van de partij maar we dragen ook via onze eigen structuren onze standpunten uit. We zijn actief binnen en buiten de partij en niemand probeert ons dit te verbieden. Maar in de PSUV hebben we geen ruimte om discussie te voeren of voorstellen te doen die het beleid van de partij daadwerkelijk kunnen beïnvloeden. Het is een erg hi-
ërarchische partij met Chávez als de onbetwiste leider. Hierdoor zijn de partij en haar interne verhoudingen geen goede weerspiegeling van de deelnemers in het revolutionaire proces. Naar mijn mening voert de partij haar eigen programma, dat het resultaat van was van een open debat tijdens de oprichting, niet uit. We hebben stappen vooruit gemaakt maar hebben ook vergissingen begaan. De regionale samenwerkingsverbanden met andere Latijns-Amerikaanse landen hebben positieve kanten maar berusten op samenwerking tussen de heersende klassen in de respectievelijke landen, het is geen eenheid van de onderdrukten. En na een revolutionair proces van 13 jaar zijn we nog steeds afhankelijk van olie-inkomsten. We zijn er niet in geslaagd de agrarische productie, op basis van gemeenschappelijk bezit, te vergroten. Onze strijd is niet alleen gericht tegen Venezolaans rechts en het imperialisme, maar ook tegen de bestaande staat en de bureaucratie. Daarom moeten we verder gaan dan alleen steun aan de progressieve hervormingen van Chávez. Zonder strijd van onderop zal de bureaucratie haar eigen belangen boven die van het volk plaatsen. Naast sterke landelijke bewegingen, zoals die van arbeiders en boeren, zien we gelukkig nieuwe organisaties opkomen, bijvoorbeeld feministische groepen. Dat soort organisaties kan het regeringsbeleid nieuw leven inblazen met hun eigen initiatieven en er moet rekening gehouden worden met hun kritiek op het proces. De bewegingen moeten de kracht verwerven om samen te werken met Chávez maar om ook zonder hem te kunnen handelen.’ Kun je iets vertellen over ‘Ciudad Guayana’? Tijdens ons bezoek twee jaar geleden was dit één van de belangrijkste krachtmetingen. ‘Dit is het industriegebied waar Siderúrgica de Orinoco (Sidor) gevestigd is, het belangrijkste metaalbedrijf van het land. Arbeiders van dit bedrijf wisten door een staking af te dwingen dat het bedrijf genationaliseerd werd en organiseerden initiatieven om arbeiderszelfbeheer te organiseren. Het idee van arbeiderszelfbeheer was echter een grote bedreiging voor de belangen van de bureaucratie, zowel van de staat als van de vakbeweging, en zij hebben dit soort initiatieven tegen gewerkt. De arbeiders waren niet sterk genoeg om voortzetting
27
Special Venezuela van deze plannen af te dwingen. Arbeiderszelfbeheer betekent iets anders dan het aanwijzen van een nieuw management met inspraak van de werknemers. Als het management besluiten neemt zonder de georganiseerde deelname van de werknemers is er geen sprake van arbeiderszelfbeheer. Maar het management negeerde gewoon kandidaten die hun niet aanstonden en lieten nieuwe verkiezingen houden tot de arbeiders een afgevaardigde kozen die naar de zin van het management was. Ondertussen maakt het management de vakbeweging uit voor maffioos en corrupt, en neemt de betrokkenheid van de arbeiders bij de pogingen tot zelfbeheer af. Arbeiderszelfbeheer kan niet per decreet door de regering namens de arbeiders afgekondigd worden. De arbeidersklasse heeft organisaties en politieke ervaring nodig, moet zelf leiders naar voren schuiven en er zelf voor vechten. Daarvoor is een confrontatie met rechts en de bureaucratie nodig. Revolutie betekent confrontatie, mobilisatie, conflicten, strijd, het bezetten van ruimtes. Tijdens de kapitaalstaking van 2002-2003, toen de Venezolaanse bourgeoisie de economie probeerde lam te leggen, namen arbeiders de organisatie van de oliewinning over van het management van het oliebedrijf PDVSA dat deel nam aan de sabotage. Maar toen de aanval afgeslagen was, nam het PDVSA management weer de leiding. Het nationaliseren van een bedrijf betekent dat het bestuur overgenomen wordt door
de staat en zolang de structuur van de staat hetzelfde blijft, betekent dit bureaucratie en het ondergraven van arbeiderszelfbeheer. Als we conflicten vermijden en naar kalmte streven zal het huidige systeem stabiliseren – en dat is nog steeds grotendeels het oude kapitalistische systeem. Alleen de beweging kan arbeiderszelfbeheer verwezenlijken.’ We kunnen een dergelijk complex karakter van de Chávez regering ook zien in hoe deze reageert op de Arabische Lente. ‘Dit heeft natuurlijk tot veel debat geleid. Ik heb zelf meegemaakt hoe mensen die betrokken zijn bij internationale solidariteit de betrekkingen tussen bijvoorbeeld Chávez en Iran in twijfel trekken. Chávez is voorstander van een ‘multi-polaire’ wereld, een wereld met verschillende machtscentra die elkaar in evenwicht houden. Wat mij betreft, zou ik zeggen dat in zoverre dat als sommige landen botsen met imperialisme en het moeilijk maken voor imperialistische landen om vrij te opereren, dit goed is. Maar wat als landen geregeerd worden door autoritaire, antidemocratische regimes die geconfronteerd worden met binnenlandse opstanden? Hoe kunnen we dan iets anders doen dan ons solidair te verklaren met de opstandelingen? Betekenen commerciële betrekkingen met Iran dat we ook de politiek van dat land steunen? Als Iran botst met imperialistische belangen, betekent dit dan dat Iran geregeerd wordt
film
Aanstekelijke animatie Rob
De zomer van 2012. Een zomer van niks. Koud en nat. Onweer, wind en regen. Dus: op naar de bioscoop! Daar is het in ieder geval warm en droog. Met of zonder kids. Geen wonder dat het storm liep bij films ‘voor het hele gezin’. En aan films voor jong en oud was er geen gebrek! Animatie in 3D van een fantastische vertelling blijkt een ongekende succesformule. Ice Age 4 en Madagascar 3 waren de twee toppers. Zij sprongen er uit. Het waren dé zomerhits van 2012.
28
Lubbersen
Wervelend Ice Age 4: Continental Drift scoorde in het eerste weekend van vertoning in druilerig Nederland een record met een opbrengst van 1,2 miljoen euro. De daarop volgende week kwam daar nog eens een miljoen bij. Het is echter onterecht om dit succes alleen aan het slechte weer toe te schrijven. Ice Age 4 is een hele aardige film. Hij speelt in de prehistorie en gaat over een mammoet-gezin (pappa, mamma, dochter) en hun vrienden (onder andere een sabeltandtijger). Zij zijn getuigen van het uiteenvallen van het oercontinent Pangea in de werelddelen die wij kennen. Dat gebeurde 210 miljoen jaar geleden en toen was er echt nog nergens een mammoet te bekennen, die maakten pas 205 miljoen jaar later hun opwachting in de evolutie, maar vooruit. Bij het uiteendrijven van de continenten valt de mammoet-familie tijdelijk uit elkaar en pappamammoet krijgt het stevig aan de stok met een stel piraten onder leiding van een kwaaie aap. In wervelende 3D/beelden wordt dan de strijd tussen goed en kwaad, tussen vriendschap en verraad, uitgevochten. Humor zit er ook in. En passant worden enkele eeuwenoude mysteries opgelost. Zo leren we dat het water dat olifanten opsnuiven door hun slurf soms inderdaad naar snotjes smaakt. En dat Atlantis is verdwenen omdat een eikel daar de stop uit heeft getrokken. Spetterend Madagascar 3: Europe´s Most Wanted treedt ongetwijfeld in de voetsporen van zijn voorgangers. Zo bracht deel 1 wereldwijd
film door een regering die wij moeten steunen? Dat soort discussies speelt nu in Venezuela. Volgens mij is het een noodzaak voor ons om commerciële betrekkingen te hebben met Iran en is er ruimte voor specifieke politieke overeenkomsten, in zoverre dat het regime de nationale soevereiniteit verdedigt. Maar hier zijn grenzen aan. Volgens mij zien we een proces van democratische opstanden in de Arabische regio en zijn deze reacties op autoritaire, conservatieve regimes. We moeten deze opstanden steunen. Natuurlijk hebben imperialistische mogendheden hun eigen belangen, proberen ze te interveniëren en de opstanden te controleren. Het is geen eenvoudige plaatje, maar ik sta aan de kant van de rebellen en ben tegen de autoritaire regimes en imperialisme.’ Het lijkt erop dat Chávez en het Bolivariaanse proces veel imagoschade hebben opgelopen door hun standpunten over de Arabische Lente. ‘Zonder twijfel is Europees links minder enthousiast geworden over het Bolivariaanse proces. Ze steunen het nog wel, maar met minder enthousiasme en vertrouwen. Dat de regering Chávez banden heeft met regeringen die zo anders zijn is verwarrend.’ V Dit is een ingekorte versie van een interview dat eerder verscheen op www.internationalviewpoint.org
een half miljard euro op. Ook Madagascar 3 heeft zijn verdiensten en zijn publiek niet alleen te danken aan nare weersomstandigheden. Het is een voor oog en oor, hart en hoofd prachtig product geworden. De hoofdrolspelers leeuw, zebra, giraffe, nijlpaard en hun vrienden willen weg uit Afrika. Ze willen terug naar hun eigen vertrouwde dierentuin in New York. Ze belanden eerst in Europa. Daar worden ze opgejaagd door een soort dierenpolitie onder bevel van een zeer serpentige dame, Chantal Dubois. Met behulp van een tijger, een luipaard en de zeeleeuw van een rondreizend Circus weten onze helden te ontsnappen en komen zij uiteindelijk thuis. Natuurlijk pas na veel actie en drama in spetterende kleuren. Meer nog dan bij Ice Age 4 heb je door de 3D-effecten af en toe de neiging om weg te duiken. Ook in deze film zit de nodige humor. Het Circus Zonder Dieren van Marianne Thieme (Partij voor de Dieren) krijgt een volwaardige evenknie in het Circus Zonder Mensen!
dat de pinguïns in Madagascar 3 iets minder prominent aanwezig zijn. In de vorige afleveringen ontpopten zij zich als ideale, kleine communistjes: doelgericht, vindingrijk, vastberaden, gedisciplineerd, moedig en perfect samenwerkend in de strijd tegen onrecht. Hun teamwork is in deze aflevering weer van levensbelang. Maar toch wat minder nadrukkelijk. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat deze pinguïns tegenwoordig hun eigen tv-serie hebben. Te bezien en te bewonderen op Nickelodeon. V
De Telegraaf Een vergelijking tussen Ice Age 4 en Madagascar 3 is goed te maken. Ice Age 4 is verhoudingsgewijs wat rustiger en eenvoudiger. Misschien iets meer geschikt voor de wat jongere kinderen. Centraal in Ice Age staat het mammoetgezin. Madagascar is veel drukker en hilarisch. Niks gelukkig gezinnetje, maar losse verhoudingen tussen een leeuw en een luipaard en tussen een aap en een berin (‘ik hou van behaarde vrouwen’). De stemmen van de dieren in Madagascar zijn superieur. Daar zorgen onder andere Chris Rock, Ben Stiller, David Schwimmer en Jessica Chastain voor. Er is ook een verschil in de manier waarop in beide films ´de crisis´ waar ze mee te maken krijgen, wordt aangepakt. In Ice Age is dat vooral met Moed en Kracht. In Madagascar komen vooral Solidariteit en Samenwerking naar voren. Al met al is het niet zo verwonderlijk dat juist het rechtse dagblad De Telegraaf en het conservatief-christelijke Nederlands Dagblad het derde deel van Madagascar vrij negatief hebben gerecenseerd. Een heel klein beetje jammer is
29
literatuur
Opstandig volk Hans Boot, jarenlang redacteur van Solidariteit, blad voor een strijdbare vakbeweging, promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Opstandig Volk; Neergang en terugkeer van de losse havenarbeid.
Patrick
van
Klink
en
Voor het schrijven hiervan werd hij geïnspireerd door zijn betrokkenheid bij de strijd van de laatste groep poolarbeiders tegen de oprukkende flexibilisering in de Amsterdamse haven. Het was een strijd niet alleen tegen werkgevers, maar ook binnen de vakbond en zelfs uiteindelijk tegen een aantal bondsbestuurders in de rol van werkgevers in een van de opvolgers van de Amsterdamse pool. Het boek is een zoektocht naar een antwoord op de vraag waarom het allemaal zo ver moest komen. Het proefschrift is een uitgebreide studie, waarin de ervaring en kennis van die groep strijdbare mensen een duidelijke plaats vinden. Er wordt een overzicht gegeven van de evolutie van de losse arbeid die de havens 150 jaar geleden kenmerkten, naar het reguleren van die arbeid, vooral na de tweede wereldoorlog, en het opnieuw introduceren van beschikbaarheid zonder zekerheid vanaf het midden van de jaren zeventig. Er wordt duidelijk de samenhang beschreven van de economische ontwikkelingen en de invloed op en vanuit de organisatie van de arbeiders. Het boek laat zien wat in de wereld van de arbeid, in bond en bedrijf de afgelopen 100 jaar veranderd is.
De losse arbeid getemd Het verhaal vertrekt bij de eisen van havenarbeiders eind negentiende eeuw: meer zekerheid en betere arbeidsomstandigheden. De eerste vakverenigingen kwamen op. De meningsverschil-
30
Rob
Lubbersen
len tussen het NAS en de NVV worden geschetst. Toen al speelden spanningen die nu ook zichtbaar zijn in de vakbeweging. Het rebelse dat nodig is om te inspireren, om acties van de grond te krijgen versus de discipline en organisatie die nodig zijn om acties te winnen en resultaten te verdedigen. Direct na de tweede wereldoorlog ontstaan de havenpools in Amsterdam en Rotterdam om tegemoet te komen aan de wensen van werkgevers voor arbeidsrust, beschikbaarheid en het reguleren van de eigen concurrentie. Die wensen gaan samen met de sociaaldemocratische wens tot het temmen van de losse levensstijl van het strijdbare volk dat in de havens werkzaam was. Net als na de eerste wereldoorlog werken de werkgevers samen met de sociaaldemocratie uit angst voor rebelse communisten. En tot slot een overzicht van het in het midden van de jaren zeventig omzetten van die gereguleerde, arbeidersvriendelijke flexibiliteit van de Amsterdamse havenpool naar uitzendwerk met zijn eeuwige beschikbaarheid zonder zekerheid. Gekoppeld aan de discussie en strijd binnen de vakbeweging. Moet de vakbeweging de tegenstelling tussen de sociale partners regelen? Moet ze altijd een compromis sluiten om erger te voorkomen? Of moet de vakbeweging onverkort opkomen voor de belangen van de arbeiders, met het risico dat de actie niet gewonnen wordt? Vragen die nu anders liggen dan 100 jaar geleden toen er nog weinig te verliezen was, maar met het doorzetten van de trend om alle risico’s van flexibliteit bij de werknemer te leggen komt die tijd weer angstig dichtbij. Twee verschillende benaderingen die samengingen als het nodig was om strijd te voeren,
maar die ook botsen in verschillende manier van vakbondswerk doen: opkomen vóór de leden of opkomen mét de leden van de bond.
Vakbond nu Daar worden in het boek mooie voorbeelden van gegeven die bekend voor zullen komen aan degenen die betrokken zijn bij de discussies in de Nederlandse vakbeweging. Er zijn parallellen te trekken tussen de roerige bondsvergaderingen in de havens toen en de roerige rebelsheid van de schoonmakers nu. Maar het boek stemt ook tot nadenken over de vraag of er weer gekozen moet worden voor onderhandelen over een nieuw compromis rond de versoepeling van het ontslagrecht of dat strijd gevoerd moet worden voor behoud van bestaande rechten en deze doorgezet moet worden naar een offensieve strategie. Bij de Amsterdamse havenpool heeft de onderhandelingsstrategie geleid tot het teloorgaan van rechten en zekerheden. Was de keuze voor deze strategie onvermijdelijk? Hans schetst de veranderende sociale en economische krachtverhoudingen die tot het ondermijnen van de strijdbaarheid leiden, maar stelt in het slot van zijn boek dat dit niet onvermijdelijk was; de verbindende schakel ligt in de ideologische gevoeligheid van individuen en groepen voor aanvaarding of verwerping van de processen die tot deze krachtsverhoudingen leiden. Hierin ligt de sleutel van de verklaring voor de afloop, maar ook de hoop voor verandering in de toekomst. Het boek is een uitputtend onderzoek, soms taai, maar met leuke weetjes, bij vlagen ronduit spannend. Een aanrader voor ieder met een warm hart voor de vakbeweging. V Hans Boot, Opstandig volk. Neergang en terugkeer van losse havenarbeid. € 26,75. Te bestellen via:
redactie@solidariteit.nl
literatuur
Durf en democratie Socioloog Willem Schinkel werpt in zijn nieuwe boek De nieuwe democratie, Naar andere vormen van politiek een oneerbiedige blik op het verschijnsel ‘democratie’ in Nederland en de Westerse wereld. De zoveelste rellerige analyse, waarin ‘taboes ter discussie worden gesteld’? Nee dus, Schinkel maakt een intelligente analyse van het Nederlands en Europees politiek bestel. Er staat veel in het boek dat discutabel is maar altijd worden er wezenlijke vragen gesteld. Romeo
Meertens
Eén van de eerste dingen die Schinkel vaststelt is dat er geen gebrek aan pessimistische analyses is. Schinkel zegt zelf ook zo’n pessimistische analyse te geven, maar ziet zijn boek ook als een poging dit pessimisme te ontkrachten. Het is die laatste doelstelling die het grootse deel van De nieuwe democratie een dynamiek en een passie geeft, die er voor zorgen dat je het boek blijft lezen. Schinkel ziet heel goed dat één van de grootste problemen in Nederland – zowel bij links als rechts- ‘sociale hypochondrie’ is, een houding van mensen die meer gefascineerd zijn door problemen dan door oplossingen. Schinkel wijst er op dat dit geen toeval is: Europa en Nederland zijn musea geworden, samenlevingen die vastzitten in conservatief-regressieve neigingen. Een plaats die alleen een verleden heeft om op te bogen, die zijn ‘cultuur’ verdedigt en beveiligt met muren, poortjes en suppoosten. Schinkel wil een bijdrage leveren aan de ontmusealisering van Nederland door op zoek te gaan naar utopisch verander-potentieel. Een dergelijke houding kan natuurlijk ontaarden in een oppervlakkige oproep om in actie te komen, om ‘de problemen’ maar eens op te lossen. Schinkel doet dat niet. Het eerste deel van zijn boek is vooral een beschrijving hoe in Nederland een proces van depolitisering plaatsvindt, waarbij elk alternatief voor het neoliberalisme uit naam van ‘de vrijheid en de democratie' bij voorbaat afgeserveerd wordt. Schinkel stelt zich de vraag wat dat eigenlijk voor een democratie is, waarin het maken van keuzes voor iets anders dan de bestaande orde, door politici van links tot rechts vermeden wordt. Een belangrijk onderdeel van de neoliberale consensus is dat politici en niet-politici het er bijna allemaal over eens
zijn dat er bezuinigd moet worden. Groepen die zich verzetten tegen een bepaalde maatregel stellen bijna nooit de logica van bezuinigingen an sich ter discussie. Ik denk dat die discussie belangrijk is. Ook een blad als Grenzeloos lijkt er vaak vanuit te gaan dat door verzet tegen bezuinigingen als vanzelfsprekend een nieuwe linkse beweging gaat ontstaan. Maar is het dringende karakter van dergelijk verzet ook niet een excuus om niet meer over een toekomst voorbij het neoliberalisme na te denken? Over wat we dan wél willen? Wilders functioneert in dit bestel onder andere als een afleidingsmanoeuvre. Politici distantiëren zich graag van de manier waarop Wilders iets brengt, maar zitten vast in dezelfde racistische ideeën als de PVV. De manier waarop Schinkel beschrijft hoe het bestaan van racisme in Nederland door iedereen ontkend wordt, is één van de sterkste delen van het boek. Problematisch aan Schinkels analyse is zijn stelling dat ‘de’ maatschappij niet bestaat,dat er alleen maar deelsystemen bestaan. Daarin is Schinkel niet erg consequent, hij wijst er bijvoorbeeld op dat ons handelen in Nederland altijd gevolgen heeft voor mensen ergens anders,bijvoorbeeld voor arbeiders in Bangladesh die voor de Europese markt werken. Dat bewijst dus juist dat bijna alle vormen van menselijk leven in de eenentwintigste eeuw met elkaar verbonden zijn, door de kapitalistische wereldmarkt. Binnen die wereldmarkt bestaan relatief autonome subsystemen – zoals nationale economieën - waarbinnen bepaalde groepen mensen worden uitgebuit. Hoe die uitbuiting er uit ziet, hoe geldstromen lopen, wie er profiteert van de politieke consensus, daarvan maakt Schinkel helaas geen analyse. Omdat Schinkel weinig oog heeft voor de concrete belangentegenstellingen binnen de Nederlandse maatschappij en wereldwijd kan hij op het einde van zijn boek ook met de wat merkwaardige suggestie komen dat er een progressieve inhoud aan Nederlands nationalisme gegeven moet worden. Tegelijkertijd heeft toch ook dit idee zijn charme. Academici stellen al jaren dat ‘de’ natie niet bestaat. In de praktijk betekent dit vaak echter dat mensen tussen zichzelf en de wereldmarkt geen enkel collectief meer zien waarin ze een rol kunnen spelen. Dat is mogelijk ook een reden dat mensen in Nederland zo klagerig zijn: over het verval van de natie kan geklaagd worden – maar een nieuw project dat wel geluk kan brengen, kan niet geformuleerd worden. Oude vormen van collectieve solidariteit zijn ondermijnd zonder dat daar iets voor in de plaats is gekomen. Wat rest zijn individuen, overgeleverd aan de markt. Schinkel’s keuze voor een links nationalisme is een keuze om te durven dromen over geluk. Dat zou links vaker moeten doen. V Willem Schinkel. De nieuwe democratie. Naar andere vormen van politiek. 224 pagina’s. € 19,50
31
AGENDA / AKTIE / TIPS
1 2 o k t o b e r : P r e s e n t a t i e b i o g r a f i e F r a n k v a n d e r
G o e s
Frank van der Goes (1859-1939) was een van de medeoprichters, samen met Pieter Jelles Troelstra, van de SDAP, de Sociaal Democratische Arbeiders Partij van Nederland. Hij was medevertaler van Het Kapitaal van Marx en na zijn breuk met de SDAP in 1932, revolutionair activist en een tijdlang medestander van Henk Sneevliet. Ron Blom schreef over hem een biografie. De auteur geeft een presentatie van zijn boek op vrijdag 12 oktober in het IIRE. Tijd: 17 tot 19.00, met daarna tot 20.00 een hapje en een drankje. Locatie: Lombokstraat 40, Amsterdam www.iire.org
A l t e r S u m m i t t e g e n h e t E u r o p a
v a n
d e
w i n s t
Alter Summit, wat je kunt vertalen als ‘alternatieve topbijeenkomst’, is een uitvloeisel van de Joint Social Conference (JSC). De JSC werd opgericht door een aantal vakbonden (onder andere ACV-CSC en ABVV-FGTB in België, CGT en FSU in Frankrijk, CGIL in Italië, VER. DI in Duitsland, MSZ-OSZ in Hongarije en het Europees Vakverbond EVV) en sociale bewegingen (ATTAC, CADTM, Friends of the Earth en andere) met als bedoeling de organisatie van regelmatige conferenties, in de lente wanneer ook de Europese Unie haar jaarlijkse ‘sociale’ Europese Top organiseert. Door deze conferenties willen de deelnemende organisaties geleidelijk aan komen tot gemeenschappelijke analyses, eisen en actiemodellen. Dit proces leidde dan weer tot het initiatief van de Alter Summit, met als ambitie de organisatie van een Europese bijeenkomst ergens in de lente 2013 in Athene. Ander Europa ondersteunt dit belangrijk initiatief ten volle, en wil via de website www.andereuropa. org bijdragen tot het succes ervan. Kijk op deze pagina voor nieuws over vergaderingen, discussies en initiatieven in het kader van Alter Summit. www.andereuropa.org
32
w w w . g r e n z e l o o s . o r g