5 minute read

Minder is meer?

Tekst en foto’s: Arnout Terlouw

Veel van mijn jeugdige visavonturen kan ik mij nog goed herinneren. Er waren minder huizenblokken, minder flats, minder wegen, maar meer weilanden, meer braakliggende stukken grond, meer maagdelijke wateren… én vooral meer vis. Overal waar je je dobbertje in het water liet zakken, al dan niet voorzien van een paar handjes Justus, met aan de haak een pluimpje witbrood, een paar maden of een mestpiertje uit de composthoop achterin de tuin, echt overal ving je vis.

Brasems, baarsjes, maar vooral voorns, al dan niet met felrode vinnen en gouden schubben. En paling, veel paling. Of dat nu in het smalle slootje was van nauwelijks drie meter breed achter de sportvelden van HBC waar ik destijds voetbalde, of in de Meije bij de Nieuwkoopse plassen waar mijn opa en oma aan het water woonden. In een met kroos bedekte poldersloot bij de boerderij van mijn andere opa en oma, waar we met emelten (grote insectenlarve: red), die we onder oude koeienvlaaien zochten, de ene na de andere vis vingen, of in de Graafstroom wanneer ik bij mijn oom en tante logeerde in Bleskensgraaf. In mijn herinnering stond het dobbertje nooit stil, was het ingooien en ophalen. Lang wachten was er meestal niet bij…

Veel veranderd Hoe anders is de situatie nu in veel van onze wateren. Wateren genoeg. Meer en meer schoon, helder water, vaak met prachtig waterplanten, dankzij de Europese regels voor een betere waterkwaliteit met minder meststoffen en minder vervuiling. Dat klinkt mooi, ziet er vaak ook mooi uit, maar de keerzijde van de medaille is dat je op de meeste van die wateren je wel vaak moet zoeken naar vis, laat staan naar véél vis. Vraag maar eens aan een wedstrijdvisser hoe het pak ‘m beet 25 jaar geleden was met de vangsten en hoe dat nu is? Vrijwel altijd krijg je te horen dat vroeger alles beter, meer was… Daarnaast zie je ook dat meer en meer wateren een zodanige plantengroei kennen dat er voor de gemiddelde visser vrijwel niet meer te vissen is. Feit is in elk geval dat de biomassa aan vis gemiddeld genomen drastisch is afgenomen in onze wateren. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, die bevestigen de regel, maar zomaar ergens langs een vaart, kanaal of poldersloot neerstrijken en een dobbertje laten zakken, of een voerkorfje het water inwerpen en een paar vissen vangen in een paar uurtjes is er vaak niet meer bij. Dan kan je soms lang, heel lang wachten op een teken van leven. Nee, je moet je stekjes wel kennen… en weten wat je doet.

Groter, zwaarder…

Maar elk nadeel heeft zijn voordeel. Wie zei dat ook alweer? Doordat er (veel) minder vis zwemt, zijn er ook minder monden te voeden en dat heeft als positief gevolg dat de vissen die er nog wel zwemmen, vaak groter en dikker worden en in een betere conditie verkeren. Was vroeger een brasem van 1,5 kg een hele beste, tegenwoordig zijn brasems van het dubbele gewicht op veel wateren allang geen uitzondering meer en zien we steeds vaker meldingen van brasems die over de 4 kg gaan. Met recht vloermatten.

Min of meer hetzelfde zien we bij karpers terug. Voor een dertigponder wordt heus de champagne niet meer ontkurkt en zwemmen op heel wat wateren vissen van 20 kg of meer en is een Nederlandse veertigponder een haalbare target geworden, zelfs een vijftiger als je je huiswerk goed hebt gedaan… Er moet wel bij opgemerkt worden dat dat deels ook komt door uitzettingen van snelgroeiende rassen. Karpers die zomaar kilo’s zwaarder worden in slechts enkele jaren. Dat uitzetten van karpers is vaak ook hoognodig want veel vissers zullen beamen dat de hoeveelheid karper destijds onder druk kwam te staan. Ik heb dat zelf heel duidelijk kunnen zien in een paar polderstelsels bij mij in de buurt, waar nog maar een fractie aan karper zwemt vergeleken met 20-30 jaar geleden. Ik denk dat zonder de inspanningen van veel hengelsportverenigingen, karpercommissies, spiegelkarperprojecten, vrijwilligers e.d. de situatie er lang niet zo rooskleurig had uitgezien, integendeel.

Visvijvers

Helder, plantenrijk water is goed voor snoek, daar gaat het dan ook goed mee. Maar snoekbaars gedijt beter bij troebeler water. Bij snoekbaars zien we dan ook hetzelfde als bij brasem en karper; veel minder snoekbaarzen, maar wel gemiddeld grotere exemplaren. Mooi dit alles voor specimen hunters zoals ik, die het liefst gericht vissen op grote exemplaren en voor wie aantallen van ondergeschikt belang zijn. Maar minder goed nieuws voor de ‘recreatieve’ visser die gewoon lekker een dagje aan de waterkant wil vertoeven met kans op een paar vissen, groot of klein. Dat geldt ook zeker voor jeugdige vissers; beet/actie krijgen is belangrijk, anders zijn ze er al gauw klaar mee en lonken er andere bezigheden. Als deze tendens zich voortzet ben ik bang dat we veel vissers gaan verliezen, die hun interesse gaan verliezen omdat het steeds moelijker wordt om vis te vangen. Het is niet voor niets dat (commerciële) visvijvers vaak druk bezocht worden omdat je daar bijna verzekerd bent van een dag met vis. Op dat soort visvijvers is de visbezetting hoog waardoor vrijwel iedereen daar wel een ‘visje’ kan vangen, of het nu een beginner is of een meer doorgewinterde visser. En op die vijvers is tegenwoordig van alles te vangen. Forel, maar steeds meer zie je vijvers met (voornamelijk kleine) karpers en ook steuren. Vijvers waar doorgewinterde wedstrijdvissers graag komen om een net vol te vangen, om hun skills aan te scherpen, maar ook recreatieve vissers, gezinnen, vader en zoon of moeder en zoon, visvrienden, noem maar op. Dit soort visvijvers vormen een welkome aanvulling op het aanbod aan openbare wateren. Iets wat je binnen de karpervisserij al langer ziet met betaalwateren. Die voorzien ook in een behoefte. Soms vanuit de wens om een hele grote karper te vangen – maar die kan je tegenwoordig ook op openbaar water vangen, al zal je daar in de regel meer moeite voor moeten doen –maar vaker nog om ergens rustig te bivakkeren achter de hengels met een goede kans op vis.

Visbestemmingsplan

Wat belangrijk is dat er voor iedere visser genoeg mogelijkheden zijn, ook in de eigen regio, liefst om de hoek, zodat de drempel om te gaan vissen zo laag mogelijk is. Waar ik voor zou willen pleiten is een soort van ‘visbestemmingsplan’ voor een regio, voor een federatie of hengelsportvereniging, waarin allerlei typen wateren zijn vertegenwoordigd. Wateren met weinig, maar grote vis voor specimen hunters zoals ik, maar zeker ook wateren waar de visbezetting een heel stuk groter is, waar iedereen een visje kan vangen. En dat zouden dan niet alleen commerciële visvijvers moeten zijn, maar zeker ook openbare VISpaswateren. Wateren die niet mooi helder zijn, vol met waterplanten en die misschien niet aan de normen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voldoen. Maar meer ‘brasem/karper wateren’ met een hoge visbezetting, waar de vissen de bodem omwoelen op zoek naar voedsel en dus vaak wat troebeler zijn. Wat is daar mis mee? Ik vind dat er in iedere regio, of zeg in een straal van 10 km van je woonplaats, er één of meerdere van dat soort wateren moeten zijn, liefst ook binnen de bebouwde kom, in de woonwijk. Dat soort wateren vervullen vaak ook nog eens een sociale functie, voor jong en oud.

This article is from: