Vocabula

Page 1


Vocabula Basisvocabularium Latijn

© 2025 Diligentia Uitgeverij bvba Wondelgem Industrieweg 122 A5, 9032 Wondelgem, België www.diligentia-uitgeverij.be

1ste druk 2025

Wettelijk Depot: D/2025/0067/11

ISBN: 9789464205466

NUR: 116

Auteur: Joeri Facq

Concept en lay-out: Diligentia Uitgeverij Foto’s: Shutterstock en beeldarchief Diligentia Uitgeverij

Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Woord vooraf

Vocabula wil de leerlingen een instrument aanreiken voor het instuderen, herhalen en opzoeken van de Latijnse woordenschat. Een dergelijk werk is belangrijk om de continuïteit voor de leerlingen te waarborgen in de loop van hun zes jaar studie van het Latijn.

Vocabula bevat de ongeveer 1100 meest frequente Latijnse woorden. Deze selectie is gebaseerd op het Lexique de base latin van S. Govaerts en J. Denooz (Laboratoire d’Analyse Statistique des Langues Anciennes, Université de Liège). Dit lexicon is samengesteld op basis van de Commentarii de bello Gallico van Caesar, de Carmina van Catullus, 27 passages (145 hoofdstukken) uit 7 filosofische werken van Cicero, de Carmina van Horatius, 18 passages (61 hoofdstukken) uit de Ab urbe condita libri van Livius, 10 passages (1436 verzen) uit de Metamorphoses van Ovidius, 41 fabels van Phaedrus, het Bellum Catilinae en het Bellum Iugurthinum van Sallustius, de Epistulae morales ad Lucilium van Seneca, 12 passages (108 hoofdstukken) uit de Annales en de Historiae van Tacitus, de zangen 1 tot 6 van de Aeneis, de Bucolica en de Georgica van Vergilius.

Met deze verzameling van auteurs en teksten (samen meer dan 323 000 Latijnse woorden) hebben de samenstellers van het Lexique de base latin een heel representatieve selectie uit de klassieke Latijnse literatuur gemaakt. In Vocabula staan alle woorden die in het genoemde corpus van teksten minstens 25 keer voorkomen. Regelmatig gevormde bijwoorden van frequente adjectieven zijn niet als afzonderlijk trefwoord opgenomen. Het voornaamwoord iste is toegevoegd omdat het tot de grammaticale leerstof behoort. Een zeldzame eigennaam is geschrapt omdat de vermelding daarvan in het lexicon niet systematisch gebeurt.

De Latijnse woorden zijn opgenomen in hun grondvorm (de nominatief enkelvoud van verbuigbare woorden, de infinitief van werkwoorden – op enkele onvermijdelijke uitzonderingen na). Bij elk woord wordt de noodzakelijke grammaticale informatie opgegeven, alsook de meest voorkomende betekenis(sen). Alle grammaticale aanvullingen zijn voluit geschreven, om elke verwarring in de juiste woordvormen volledig uit te sluiten. Een streepje (-) bij de stamtijden van de werkwoorden betekent dat de betreffende stamtijd niet voorkomt. Verschillende betekenissen van een woord worden aangeduid met een cijfer; synoniemen zijn gescheiden door een komma; indien de betekenissen geen echte synoniemen zijn, maar toch verwant zijn met elkaar, staat er een puntkomma tussen.

Bij de selectie van de betekenis(sen) en de indeling ervan moesten keuzes worden gemaakt. Soms was het overduidelijk dat het om verschillende betekenissen ging, in andere gevallen was de grens heel wat minder gemakkelijk te trekken. Bij elk woord heb ik gewikt en gewogen en uiteindelijk de knoop moeten doorhakken. Die beslissing was vaak moeilijk. Ik hoop dat de collega’s zich in mijn keuzes zullen kunnen vinden. Altijd heb ik geprobeerd te kiezen voor moderne en bruikbare vertalingen.

Het bedachtzaam gebruik van kleuren is bedoeld als een hulpmiddel voor de leerlingen. Uitzonderingen op de algemene regel of andere bijzonderheden staan in het rood. De vaste naamval bij adjectieven, werkwoorden of voorzetsels en de wijs bij onderschikkende voegwoorden staan in het groen. De woordsoort van onverbuigbare woorden (bijwoorden, vraagpartikels, nevenschikkende voegwoorden, tussenwerpsels en sommige telwoorden) staat in het blauw.

Vocabula bestaat uit twee delen, die inhoudelijk identiek zijn. Het eerste deel is een systematisch geordende woordenlijst, waarin de woorden gerangschikt staan per woordsoort en daarbinnen per klasse, verbuigingstype, vervoeging of categorie. Vooral bij de aanvang van de studie van het Latijn is het belangrijk dat de leerlingen aandacht hebben voor de grammaticale groep waartoe een woord behoort. Het tweede deel is een alfabetisch geordende woordenlijst, die het de leerlingen gemakkelijk maakt om een onbekend of vergeten woord op te zoeken. Voor elk woord is er een vakje voorzien dat de leerlingen kunnen aankruisen wanneer ze het woord hebben ontmoet of gestudeerd.

De belangrijkste bronnen die ik heb gebruikt bij de samenstelling van Vocabula zijn het Koenen woordenboek Latijn-Nederlands van F. Muller en E.H. Renkema (bewerkt door A.D. Leeman), het Woordenboek Latijn/Nederlands onder redactie van Harm Pinkster (Amsterdam University Press) en A Latin dictionary van Charlton T. Lewis en Charles Short (Oxford University Press). Ook het Groot woordenboek van de Nederlandse taal (Van Dale) was een goed hulpmiddel. De Nederlandse woordenboeken werden vooral geraadpleegd voor de betekenis(sen) van de Latijnse woorden, het Oxford-woordenboek was meestal doorslaggevend in grammaticale kwesties.

Tot slot wil ik mijn dank uitspreken tegenover een aantal mensen die ik voor de totstandkoming van dit werk heel erkentelijk ben: Joseph Denooz, directeur van het Laboratoire d’Analyse Statistique des Langues Anciennes (L.A.S.L.A.) aan de universiteit van Luik, voor het ter beschikking stellen van de resultaten van zijn frequentieonderzoek en voor zijn bereidwillige hulp bij het gebruik ervan; Gwen Steenkiste, mijn pedagogisch begeleider, op wie ik altijd kan rekenen voor deskundig advies; Stijn Van den broeck, zaakvoerder van uitgeverij Diligentia, voor zijn vertrouwen in mijn werk.

Ik hoop dat Vocabula aan de leerlingen zijn diensten zal bewijzen en hen het verwerken van het Latijnse basisvocabularium zal vergemakkelijken. Voor eventuele correcties en voor alle opmerkingen en suggesties die de inhoud of de bruikbaarheid van dit werk kunnen verbeteren, houd ik mij ten zeerste aanbevolen.

DEEL 1. Systematische woordenlijst

1 SUBSTANTIEVEN

1.1 Substantieven van de eerste klasse

1.1.1 Mannelijke substantieven

1.1.2 Vrouwelijke substantieven

1.1.3 Onzijdige substantieven

1.2 Substantieven van de tweede klasse

1.2.1 Mannelijke substantieven

1.2.2 Vrouwelijke substantieven

1.2.3 Substantieven met twee geslachten

1.2.4 Onzijdige substantieven

1.3 Substantieven van de derde klasse

1.3.1 Mannelijke substantieven

1.3.2 Vrouwelijke substantieven

1.3.3 Onzijdige substantieven

2 ADJECTIEVEN

2.1 Adjectieven van de eerste klasse

2.1.1 Adjectieven op -us, -a, -um

2.1.2 Adjectieven op -er, -(e)ra, -(e)rum

2.2 Adjectieven van de tweede klasse

2.2.1 Adjectieven met drie uitgangen

2.2.2 Adjectieven met twee uitgangen

2.2.3 Comparatieven

2.2.4 Adjectieven met één uitgang

3 TELWOORDEN

3.1 Hoofdtelwoorden

3.2 Rangtelwoorden

3.3 Verdelingstelwoorden

4.1 Persoonlijke voornaamwoorden

4.2 Bezittelijke voornaamwoorden

4.3 Wederkerende voornaamwoorden

4.4 Aanwijzende voornaamwoorden

4.5 Betrekkelijke voornaamwoorden

4.6 Vragende voornaamwoorden

4.7 Onbepaalde voornaamwoorden

5 WERKWOORDEN

5.1 Werkwoorden van de eerste vervoeging

5.1.1 Actieve werkwoorden

5.1.2 Deponente werkwoorden

5.2 Werkwoorden van de tweede vervoeging

5.2.1 Actieve werkwoorden

5.2.2 Deponente werkwoorden

5.2.3 Semideponente werkwoorden

5.3 Werkwoorden van de derde vervoeging

5.3.1 Actieve werkwoorden

5.3.2 Deponente werkwoorden

5.3.3 Semideponente werkwoorden

5.4 Werkwoorden van de vierde vervoeging

5.4.1 Actieve werkwoorden

5.4.2 Deponente werkwoorden

5.5 Werkwoorden van de vijfde vervoeging

5.5.1 Actieve werkwoorden

5.5.2 Deponente werkwoorden

5.6 Onregelmatige werkwoorden

5.6.1 Esse en samenstellingen ervan

5.6.2 Ferre en samenstellingen ervan

5.6.3 Ire en samenstellingen ervan

5.6.4 Andere onregelmatige werkwoorden

5.7 Defectieve werkwoorden

6 BIJWOORDEN

6.1 Gewone bijwoorden

6.2 Vraagpartikels

7 VOORZETSELS

7.1 Voorzetsels met de accusatief

7.2 Voorzetsels met de ablatief

7.3 Voorzetsels met de accusatief en de ablatief

8 VOEGWOORDEN

8.1 Nevenschikkende voegwoorden

8.2 Onderschikkende voegwoorden

9 TUSSENWERPSELS

DEEL 2. Alfabetische

Deel 1

Systematische woordenlijst

1 Substantieven

1.1 Substantieven van de eerste klasse

1.1.1 Mannelijke substantieven

1.1.1.1 Substantieven op -us

ɡ amicus amici (m.) vriend

ɡ animus animi (m.) 1 ziel, geest 2 hart, gemoed 3 aard, karakter

ɡ annus anni (m.) jaar

ɡ barbarus barbari (m.) vreemdeling, buitenlander; barbaar

ɡ campus campi (m.) vlakte; veld

ɡ captivus captivi (m.) (krijgs)gevangene

ɡ deus dei (m.) god

ɡ dolus doli (m.) list, bedrog

ɡ equus equi (m.) paard

ɡ filius filii (m.) zoon

ɡ humus humi ( v. ) grond, aarde, bodem

ɡ hymenaeus hymenaei (m.) bruiloft, huwelijk; bruiloftslied

ɡ inimicus inimici (m.) (persoonlijke) vijand

ɡ iuvencus iuvenci (m.) jonge stier

ɡ legatus legati (m.) 1 gezant 2 onderbevelhebber

ɡ locus loci (m.) plaats

ɡ lucus luci (m.) (heilig) bos, woud

ɡ medicus medici (m.) dokter, arts

ɡ modus modi (m.) 1 manier, wijze 2 maat

ɡ murus muri (m.) muur

ɡ natus nati (m.) zoon

ɡ numerus numeri (m.) getal; aantal

ɡ nuntius nuntii (m.) 1 bode, koerier 2 boodschap, bericht

ɡ oceanus oceani (m.) oceaan, wereldzee

ɡ oculus oculi (m.) oog

ɡ pelagus pelagi ( o. ) zee

ɡ philosophus philosophi (m.) filosoof, wijsgeer

ɡ pontus ponti (m.) zee

ɡ populus populi (m.) volk

ɡ ramus rami (m.) tak

ɡ remus remi (m.) roeiriem

ɡ scopulus scopuli (m.) rots, klip, rif, kaap

ɡ servus servi (m.) slaaf

ɡ socius socii (m.) bondgenoot

ɡ somnus somni (m.) slaap

ɡ taurus tauri (m.) stier

ɡ tribunus tribuni (m.) tribuun (= een soort ambtenaar of een bevelhebber in het leger)

ɡ tumulus tumuli (m.) (graf)heuvel

ɡ umerus umeri (m.) schouder

ɡ ventus venti (m.) wind

1.1.1.2 Substantieven op -(e)r

ɡ ager agri (m.) akker, veld

ɡ auster austri (m.) zuiden(wind)

ɡ liber libri (m.) boek, geschrift

ɡ liberi liberorum (m. mv.) kinderen

ɡ puer pueri (m.) jongen, knaap

ɡ vir viri (m.) man

1.1.2 Vrouwelijke substantieven

ɡ ala alae (v.) vleugel

ɡ amicitia amicitiae (v.) vriendschap

ɡ anima animae (v.) 1 adem 2 ziel

ɡ aqua aquae (v.) water

ɡ ara arae (v.) altaar

ɡ aura aurae (v.) bries, wind; lucht

ɡ avaritia avaritiae (v.) hebzucht, gierigheid

ɡ causa causae (v.)

1 oorzaak, reden 2 rechtszaak, proces

ɡ gen. + causa wegens, omwille van

ɡ copia copiae (v.)

1 voorraad, hoeveelheid, menigte 2 gelegenheid, mogelijkheid 3 (mv.) troepen, strijdkrachten

ɡ cura curae (v.) 1 zorg, verzorging 2 bezorgdheid

ɡ dea deae (v.) godin

ɡ divitiae divitiarum (v. mv.) rijkdom

ɡ epistula epistulae (v.) brief

ɡ fama famae (v.) 1 gerucht; opinie 2 roem; reputatie

ɡ fera ferae (v.) wild dier

ɡ fiducia fiduciae (v.) (zelf)vertrouwen; moed

ɡ flamma flammae (v.) vlam, vuur

ɡ forma formae (v.)

ɡ fortuna fortunae (v.)

1 vorm, gestalte 2 schoonheid

1 lot, toeval; (on)geluk 2 (mv.) bezit, vermogen

ɡ fossa fossae (v.) gracht, sloot; kanaal

ɡ fuga fugae (v.) vlucht

ɡ gloria gloriae (v.) roem, eer

ɡ gratia gratiae (v.) 1 charme, bevalligheid 2 gunst, welwillendheid 3 dank(baarheid)

ɡ gen. + gratia wegens, omwille van

ɡ harena harenae (v.) 1 zand 2 strijdperk, arena

ɡ herba herbae (v.) gras; kruid

ɡ hora horae (v.) uur

ɡ iniuria iniuriae (v.) onrecht(vaardigheid)

ɡ inopia inopiae (v.) gebrek, armoede, nood

ɡ insidiae insidiarum (v. mv ) hinderlaag

ɡ insula insulae (v.) 1 eiland 2 huizenblok

ɡ invidia invidiae (v.) jaloezie, afgunst

ɡ ira irae (v.) woede

ɡ iustitia iustitiae (v.) rechtvaardigheid

ɡ lacrima lacrimae (v.) traan

ɡ lingua linguae (v.) 1 tong 2 taal

ɡ littera litterae (v.) 1 letter 2 (mv.) brief; literatuur

ɡ luna lunae (v.) maan

ɡ materia materiae (v.) 1 materie, (grond)stof 2 oorzaak, aanleiding

ɡ memoria memoriae (v.) geheugen; herinnering

ɡ mora morae (v.) uitstel, vertraging, oponthoud

ɡ natura naturae (v.) natuur; aard, karakter

ɡ nympha nymphae (v.) nimf

ɡ ora orae (v.) kust

ɡ palma palmae (v.) 1 hand(palm)

2 palm(boom)

ɡ patria patriae (v.) vaderland

ɡ pecunia pecuniae (v.) geld

ɡ penna pennae (v.) veer, slagpen; vleugel

ɡ philosophia philosophiae (v.) filosofie, wijsbegeerte

ɡ poena poenae (v.) straf; boete

ɡ porta portae (v.) poort, deur

ɡ potentia potentiae (v.) kracht; macht, invloed

ɡ praeda praedae (v.) buit; prooi

ɡ provincia provinciae (v.) provincie (= door Rome veroverd en bestuurd gebied buiten Italië)

ɡ pugna pugnae (v.) gevecht, strijd

ɡ regina reginae (v.) koningin

ɡ ripa ripae (v.) oever

ɡ scientia scientiae (v.) kennis; wetenschap

ɡ sententia sententiae (v.) 1 mening; besluit 2 betekenis, inhoud 3 spreuk, zin

ɡ silva silvae (v.) bos, woud

ɡ superbia superbiae (v.) hoogmoed, trots

ɡ terra terrae (v.) 1 aarde, grond 2 land, streek

ɡ tristitia tristitiae (v.) droefheid, treurigheid

ɡ umbra umbrae (v.) schaduw; schim

ɡ unda undae (v.) golf

ɡ via viae (v.) weg, straat

ɡ victoria victoriae (v.) overwinning

ɡ vigilia vigiliae (v.)

1 het waken, het wakker zijn

2 (nachtelijke) wacht(post)

3 nachtwake (= 1/4 van de nacht)

ɡ vita vitae (v.) leven

1.1.3 Onzijdige substantieven

ɡ antrum antri (o.) grot; holte

ɡ argumentum argumenti (o.)

1 bewijs, argument

2 onderwerp, inhoud

ɡ arma armorum (o. mv ) wapens

ɡ armentum armenti (o.) vee; kudde

ɡ arvum arvi (o.) akker, veld

ɡ aurum auri (o.) goud

ɡ auxilium auxilii (o.)

1 hulp(middel)

2 (mv.) hulptroepen

ɡ bellum belli (o.) oorlog

ɡ beneficium beneficii (o.) weldaad, gunst

ɡ bracchium bracchii (o.) arm

ɡ caelum caeli (o.) hemel

ɡ castellum castelli (o.) fort, vesting

ɡ castra castrorum (o. mv.) (leger)kamp

ɡ collum colli (o.) hals, nek

ɡ concilium concilii (o.) vergadering

ɡ consilium consilii (o.)

1 plan, voornemen

2 overleg, beraadslaging

3 raad(geving), advies

4 besluit, beslissing

ɡ desiderium desiderii (o.) verlangen, wens, begeerte

ɡ dictum dicti (o.) woord, uitspraak, gezegde

ɡ donum doni (o.) geschenk

ɡ factum facti (o.)

1 daad, handeling, werk

2 voorval, gebeurtenis, feit

ɡ fatum fati (o.) (nood)lot

ɡ ferrum ferri (o.)

1 ijzer

2 wapen: zwaard, dolk, speer

ɡ forum fori (o.) forum, markt(plein)

ɡ frumentum frumenti (o.) graan, koren

ɡ hiberna hibernorum (o. mv ) winterkwartier (= verblijfplaats voor soldaten tijdens de winter)

ɡ impedimentum impedimenti (o.)

ɡ imperium imperii (o.)

ɡ ingenium ingenii (o.)

1 hindernis, belemmering

2 (mv.) bagage

1 bevel

2 macht, heerschappij

3 rijk

1 karakter, aard

2 aanleg, talent, verstand

ɡ initium initii (o.) begin

ɡ iugum iugi (o.)

ɡ membrum membri (o.)

ɡ negotium negotii (o.)

1 juk (van trekdieren)

2 berg(keten)

1 (lichaams)deel

2 (mv.) ledematen

1 bezigheid, werk

2 opdracht, taak

3 onderneming, (handels)zaak

ɡ officium officii (o.) taak, ambt; plicht

ɡ oppidum oppidi (o.) (versterkte) stad

ɡ otium otii (o.) vrije tijd, rust, nietsdoen

ɡ periculum periculi (o.) gevaar, risico

ɡ praemium praemii (o.) beloning

ɡ praesidium praesidii (o.)

1 bescherming, hulp

2 garnizoen, wachtpost (= groep soldaten op eencbepaalde plaats)

ɡ proelium proelii (o.) gevecht, strijd

ɡ propositum propositi (o.) voornemen, bedoeling, plan

ɡ regnum regni (o.)

1 (konink)rijk

2 heerschappij

ɡ remedium remedii (o.) geneesmiddel; redmiddel

ɡ saxum saxi (o.) rots(blok), (grote) steen

ɡ signum signi (o.)

1 teken, signaal 2 veldteken, vaandel

ɡ solum soli (o.) bodem, grond, vloer

ɡ spatium spatii (o.)

ɡ studium studii (o.)

1 ruimte; afstand 2 (tijds)duur, tijd

1 ijver; drang 2 belangstelling 3 studie

ɡ subsidium subsidii (o.) hulp, steun, bijstand

ɡ supplicium supplicii (o.)

1 smeekbede; gebed 2 doodstraf, terechtstelling

ɡ tectum tecti (o.) 1 dak 2 woning, huis

ɡ telum teli (o.) werptuig, projectiel (speer, pijl, katapult)

ɡ templum templi (o.) tempel, heiligdom

ɡ tergum tergi (o.) rug

ɡ tormentum tormenti (o.) marteling, foltering, kwelling

ɡ vadum vadi (o.) ondiepe/doorwaadbare plaats (in een rivier)

ɡ vallum valli (o.) (verdedigings)wal, beschutting

ɡ velum veli (o.) zeil, gordijn, doek

ɡ verbum verbi (o.) woord

ɡ vestigium vestigii (o.) (voet)spoor, (voet)stap

ɡ vinculum vinculi (o.) 1 snoer, band, strik, riem 2 (mv.) boeien; gevangenis

ɡ votum voti (o.) gelofte; gebed

1.2 Substantieven van de tweede klasse

1.2.1 Mannelijke substantieven

ɡ aer aeris (m.) lucht

ɡ aether aetheris (m.) lucht; hemel

ɡ agger aggeris (m.) 1 aarde 2 wal, dam, dijk

ɡ amnis amnis (m.) rivier, stroom

ɡ amor amoris (m.) liefde

ɡ centurio centurionis (m.)

centurio, honderdman (= aanvoerder van een centurie, d.i. 1/60 van een legioen)

ɡ clamor clamoris (m.) geroep, geschreeuw

ɡ collis collis (m.) heuvel

ɡ color coloris (m.) kleur

ɡ consul consulis (m.) consul (= een van de twee hoogste ambtenaren in de republiek)

ɡ dolor doloris (m.) pijn; verdriet

ɡ eques equitis (m.) 1 ruiter, cavalerist (= soldaat te paard) 2 ridder

ɡ finis finis (m.) 1 grens; einde 2 (mv.) gebied

ɡ flos floris (m.) bloem

ɡ fons fontis (m.) bron

ɡ frater fratris (m.) broer

ɡ furor furoris (m.) woede, razernij, waanzin

ɡ genitor genitoris (m.) verwekker, vader; schepper, maker

ɡ grex gregis (m.) kudde; troep, groep

ɡ gubernator gubernatoris (m.) stuurman; bestuurder, leider

ɡ homo hominis (m.) mens

ɡ honor honoris (m.) eer(betoon); (ere)ambt

ɡ hostis hostis (m.) (staats)vijand

ɡ ignis ignis (m.) vuur, brand

ɡ imber imbris (m.) (regen)bui, (stort)regen

ɡ imperator imperatoris (m.) opperbevelhebber; keizer

ɡ iuvenis iuvenis (m.) jongeman

ɡ labor laboris (m.) werk, arbeid, inspanning, moeite

ɡ maiores maiorum (m. mv ) voorouders

ɡ miles militis (m.) soldaat

ɡ mons montis (m.) berg, gebergte

ɡ mos moris (m.) gewoonte, zede

ɡ nepos nepotis (m.) kleinzoon; nakomeling

ɡ orbis orbis (m.) cirkel, kring

ɡ ordo ordinis (m.) 1 rij 2 stand, rang, klasse 3 orde

ɡ pastor pastoris (m.) herder

ɡ pater patris (m.) vader

ɡ pedes peditis (m.) infanterist (= soldaat te voet)

ɡ pes pedis (m.) voet, poot

ɡ pons pontis (m.) brug

ɡ rex regis (m.) koning

ɡ sanguis sanguinis (m.) bloed

ɡ senex senis (m.) oude man

ɡ sol solis (m.) zon

ɡ timor timoris (m.) angst, vrees, schrik

ɡ vertex verticis (m.) 1 draaikolk, maalstroom 2 top, spits, kruin, nok

ɡ victor victoris (m.) (over)winnaar

1.2.2 Vrouwelijke substantieven

ɡ actio actionis (v.) 1 handeling, verrichting 2 rechtszitting, proces

ɡ aestas aestatis (v.) zomer(hitte)

ɡ aetas aetatis (v.) 1 leeftijd 2 tijd(perk)

ɡ altitudo altitudinis (v.) 1 hoogte 2 diepte

ɡ arbor arboris (v.) boom

ɡ ars artis (v.) kunst; vaardigheid

ɡ arx arcis (v.) burcht, vesting; bovenstad

ɡ auctoritas auctoritatis (v.) 1 macht, gezag 2 aanzien, invloed

ɡ auris auris (v.) oor

ɡ caedes caedis (v.) moord, doodslag; bloedbad, slachting

ɡ celeritas celeritatis (v.) snelheid

ɡ civitas civitatis (v.) 1 burgerrecht, burgerschap 2 stad, gemeente; staat

ɡ classis classis (v.) vloot; schip

ɡ cogitatio cogitationis (v.) het (na)denken; gedachte

ɡ cohors cohortis (v.) cohort(e) (= 1/10 van een legioen)

ɡ condicio condicionis (v.)

1 voorwaarde 2 omstandigheden

ɡ coniuratio coniurationis (v.) samenzwering, complot

ɡ constitutio constitutionis (v.)

1 inrichting, organisatie 2 bepaling, verordening

ɡ consuetudo consuetudinis (v.) gewoonte

ɡ cupido cupidinis (v.) 1 verlangen, begeerte 2 liefde, hartstocht

ɡ deditio deditionis (v.) overgave, uitlevering, onderwerping

ɡ ebrietas ebrietatis (v.) dronkenschap

ɡ facultas facultatis (v.) mogelijkheid, gelegenheid

ɡ fames famis (v.) honger

ɡ felicitas felicitatis (v.) geluk, voorspoed

ɡ formido formidinis (v.) (grote) angst, schrik

ɡ fortitudo fortitudinis (v.) moed, dapperheid

ɡ frons frondis (v.) loof, gebladerte

ɡ frux frugis (v.) vrucht

ɡ gens gentis (v.) 1 geslacht, familie 2 (volks)stam, volk, natie

ɡ hiems hiemis (v.) winter

ɡ imago imaginis (v.) beeld, afbeelding

ɡ laus laudis (v.) lof(prijzing), roem, verheerlijking

ɡ legio legionis (v.) legioen

ɡ lex legis (v.) wet

ɡ libertas libertatis (v.) vrijheid

ɡ libido libidinis (v.) begeerte, verlangen, (wel)lust

ɡ lux lucis (v.) licht

ɡ magnitudo magnitudinis (v.) grootte

ɡ mater matris (v.) moeder

ɡ mens mentis (v.) 1 verstand, geest 2 gedachte

ɡ mors mortis (v.) dood

ɡ multitudo multitudinis (v.) menigte, massa

ɡ munitio munitionis (v.) versterking, verschansing

ɡ navis navis (v.) schip, boot

ɡ necessitas necessitatis (v.) nood(zaak); behoefte

ɡ nobilitas nobilitatis (v.) adel

ɡ nox noctis (v.) nacht

ɡ nubes nubis (v.) wolk

ɡ opinio opinionis (v.)

ɡ ops opis (v.)

1 mening 2 reputatie

1 macht, kracht; hulp

2 (mv.) rijkdom; strijdkrachten

ɡ oratio orationis (v.) redevoering, voordracht

ɡ palus paludis (v.) moeras, poel

ɡ pars partis (v.)

1 deel, stuk 2 kant, zijde

ɡ paupertas paupertatis (v.) armoede

ɡ pax pacis (v.) vrede

ɡ plebs plebis (v.) volksmenigte, gepeupel

ɡ potestas potestatis (v.) macht, gezag

ɡ preces precum (v. mv ) smeekbede, verzoek; gebed

ɡ proles prolis (v.) nakomeling, kind

ɡ puppis puppis (v.) achterdek, achtersteven (= achterste gedeelte van een schip)

ɡ ratio rationis (v.)

1 verstand, inzicht 2 redenering, denkwijze

3 reden, argument 4 zaak, aangelegenheid

ɡ regio regionis (v.) gebied, streek

ɡ salus salutis (v.) 1 gezondheid, welzijn 2 redding, veiligheid 3 groet

ɡ sedes sedis (v.) 1 zitplaats, zetel, stoel

2 woonplaats, woning

ɡ seges segetis (v.) gewas, oogst

ɡ senectus senectutis (v.) ouderdom, hoge leeftijd

ɡ sollicitudo sollicitudinis (v.) ongerustheid, bezorgdheid

ɡ soror sororis (v.) zus

ɡ tellus telluris (v.)

1 aarde, grond 2 land, gebied, streek

ɡ tempestas tempestatis (v.) storm, onweer

ɡ turris turris (v.)

1 toren

2 paleis

ɡ urbs urbis (v.) stad

ɡ uxor uxoris (v.) echtgenote, vrouw

ɡ valetudo valetudinis (v.) gezondheid(stoestand)

ɡ vallis vallis (v.) dal, vallei

ɡ veritas veritatis (v.) waarheid

ɡ vestis vestis (v.) kleding(stuk), kleed

ɡ virgo virginis (v.) maagd, meisje

ɡ virtus virtutis (v.) 1 dapperheid, moed 2 voortreffelijkheid, deugdzaamheid

ɡ vis acc. vim, abl. vi (v.)

1 kracht, sterkte 2 geweld(daad)

ɡ vitis vitis (v.) wijnrank, wijnstok

ɡ voluntas voluntatis (v.) wil, wens, verlangen

ɡ vox vocis (v.) stem

1.2.3

Substantieven met twee geslachten

ɡ artifex artificis (m./v.) kunstenaar; vakman

ɡ auctor auctoris (m./v.) 1 ontwerper, uitvinder 2 auteur, (geschied)schrijver 3 getuige, zegsman 4 raadgever, adviseur

ɡ bos ovis (m./v.) rund: (m.) os, (v.) koe

ɡ canis canis (m./v.) hond

ɡ civis civis (m./v.) burger

ɡ comes comitis (m./v.) begeleider, metgezel

ɡ coniunx coniugis (m./v.) (m.) echtgenoot; (v.) echtgenote

ɡ custos custodis (m./v.) bewaker, beschermer

ɡ dux ducis (m./v.)) leider, aanvoerder, gids

ɡ obses obsidis (m./v.) gijzelaar

ɡ parens parentis (m./v.) ouder: (m.) vader, (v.) moeder

ɡ vates vatis (m./v.) 1 waarzegger, ziener, profeet 2 zanger, dichter

ɡ aequor aequoris (o.) zee(spiegel)

ɡ aes aeris (o.) 1 koper, brons 2 geld

ɡ agmen agminis (o.)

1 troep, menigte 2 leger op mars, colonne

ɡ animal animalis (o.) levend wezen; dier

ɡ caput capitis (o.) hoofd, kop

ɡ carmen carminis (o.) lied; gedicht

ɡ certamen certaminis (o.)

1 wedstrijd, wedijver 2 gevecht, strijd

ɡ corpus corporis (o.) lichaam

ɡ decus decoris (o.)

1 versiering 2 roem, eer

ɡ facinus facinoris (o.) misdaad, schanddaad

ɡ flumen fluminis (o.) rivier, stroom

ɡ frigus frigoris (o.) (winter)kou

ɡ genus generis (o.)

ɡ iter itineris (o.)

1 geboorte, afstamming, herkomst 2 geslacht, familie; stam, volk 3 soort, type; manier, wijze

1 reis, tocht 2 weg, straat

ɡ ius iuris (o.) recht

ɡ latus lateris (o.) zijde, zijkant, flank

ɡ limen liminis (o.) drempel

ɡ litus litoris (o.) kust, strand; oever

ɡ lumen luminis (o.) licht

ɡ mare maris (o.) zee

ɡ moenia moenium (o. mv.) (stads)muren, vestingwerken

ɡ munus muneris (o.)

1 taak, ambt; plicht 2 gunst, dienstbewijs 3 geschenk, gift, gave

ɡ nemus nemoris (o.) (heilig) bos, woud

ɡ nomen nominis (o.) naam

ɡ numen numinis (o.) goddelijke wil/macht; godheid

ɡ opus operis (o.) werk, arbeid, bezigheid

ɡ opus est (+ abl.) het is nodig, men heeft nodig

ɡ os ¹ oris (o.)

1 mond, muil, bek 2 gezicht, gelaat

ɡ os ² ossis (o.) bot, been

ɡ pectus pectoris (o.) 1 borst 2 hart

ɡ pecus pecoris (o.) vee

ɡ pondus ponderis (o.) gewicht, zwaarte

ɡ scelus sceleris (o.) misdaad

ɡ sidus sideris (o.) ster; sterrenbeeld

ɡ tempus temporis (o.) tijd(stip)

ɡ vulnus vulneris (o.) wonde

1.3 Substantieven van de derde klasse

1.3.1

Mannelijke substantieven

ɡ aditus aditus (m.) toegang, ingang

ɡ adventus adventus (m.) (aan)komst

ɡ aestus aestus (m.)

1 hitte, gloed 2 golf, vloed

ɡ affectus affectus (m.) stemming, gemoedstoestand

ɡ casus casus (m.)

ɡ commeatus commeatus (m.)

1 val 2 toeval, voorval 3 ongeval, ongeluk

1 verkeer; transport 2 bevoorrading

ɡ conspectus conspectus (m.) 1 zicht, gezichtsveld 2 aanblik, voorkomen

ɡ currus currus (m.) wagen, renwagen, strijdwagen

ɡ cursus cursus (m.)

1 (wed)loop, (wed)ren, vaart 2 loopbaan, carrière

ɡ domus domus ( v. ) huis

ɡ equitatus equitatus (m.) ruiterij

ɡ exercitus exercitus (m.) leger

ɡ exitus exitus (m.)

1 uitgang, uitweg 2 einde, afloop, slot

ɡ fetus fetus (m.) vrucht

ɡ fluctus fluctus (m.) golf, vloed

ɡ gemitus gemitus (m.) gezucht, geklaag, gejammer

ɡ habitus habitus (m.) houding, uiterlijk; toestand, aard

ɡ impetus impetus (m.) aanval

ɡ magistratus magistratus (m.)

ɡ manus manus ( v. )

1 ambtenaar 2 ambt

1 hand 2 groep, bende 3 gezag, macht

ɡ metus metus (m.) angst, vrees

ɡ motus motus (m.) beweging

ɡ passus passus (m.) stap, pas

ɡ mille passus mijl (= ongeveer 1,5 km)

ɡ portus portus (m.) haven

ɡ senatus senatus (m.) senaat (= hoogste bestuursorgaan)

ɡ sensus sensus (m.) gevoel, waarneming; zintuig

ɡ sinus sinus (m.)

1 boog, plooi 2 boezem, borst 3 baai, golf

ɡ sonitus sonitus (m.) geluid, klank

ɡ spiritus spiritus (m.)

ɡ usus usus (m.)

1 adem(haling)

2 geest, ziel

1 gebruik; praktijk 2 bruikbaarheid, nut, voordeel

ɡ vultus vultus (m.) gezicht, gelaat(suitdrukking)

1.3.2 Vrouwelijke substantieven

ɡ acies aciei (v.)

1 scherpte

2 slaglinie, slagorde

ɡ dies diei (m./v.) dag

ɡ facies faciei (v.)

ɡ fides fidei (v.)

1 uiterlijk, voorkomen, gedaante 2 gezicht, gelaat

1 vertrouwen

2 trouw, eerlijkheid

ɡ res rei (v.) zaak, ding, voorwerp

ɡ res publica rei publicae (v.) staat

ɡ species speciei (v.) aanblik, uiterlijk, voorkomen

ɡ spes spei (v.) hoop, verwachting

1.3.3

ɡ cornu cornus (o.)

2 Adjectieven

1 hoorn 2 vleugel (van een leger)

2.1 Adjectieven van de eerste klasse

2.1.1 Adjectieven op -us, -a, -um

ɡ adversus adversa, adversum

ɡ aequus aequa, aequum

ɡ alienus aliena, alienum

ɡ altus alta, altum

ɡ amplus ampla, amplum

ɡ angustus angusta, angustum

1 tegenoverstaand

2 ongunstig

1 effen, vlak

2 gelijk(matig)

3 rechtvaardig

1 andermans 2 vreemd, buitenlands

1 hoog 2 diep

1 ruim, omvangrijk

2 belangrijk, aanzienlijk

1 nauw, smal, eng

2 beperkt, gering

ɡ antiquus antiqua, antiquum oud

ɡ apertus aperta, apertum

1 open 2 openlijk, duidelijk, zichtbaar

ɡ arduus ardua, arduum 1 steil; hoog 2 moeilijk

ɡ armatus armata, armatum gewapend

ɡ aureus aurea, aureum gouden, van goud

ɡ barbarus barbara, barbarum vreemd, buitenlands; barbaars

ɡ beatus beata, beatum

1 gelukkig, blij 2 rijk, kostbaar

ɡ bonus bona, bonum goed

ɡ caecus caeca, caecum

ɡ carus cara, carum

1 (ver)blind 2 onzichtbaar, verborgen 3 donker, duister

1 lief, geliefd, dierbaar 2 duur, kostbaar

ɡ cavus cava, cavum hol, uitgehold, gewelfd

ɡ certus certa, certum 1 zeker 2 vast(gesteld), bepaald

ɡ ceterus cetera, ceterum overig, ander

ɡ clarus clara, clarum 1 helder, duidelijk; luid 2 beroemd, roemrijk

ɡ contentus contenta, contentum (+ abl.) tevreden (met)

ɡ cunctus cuncta, cunctum 1 gezamenlijk, geheel 2 (mv.) alle(n); alles

ɡ densus densa, densum dicht (op elkaar)

ɡ dignus digna, dignum (+ abl.) waard(ig)

ɡ diversus diversa, diversum tegenovergesteld; verschillend

ɡ divus diva, divum goddelijk

ɡ dubius dubia, dubium twijfelend, onzeker; twijfelachtig

ɡ durus dura, durum 1 hard 2 wreed, streng

ɡ exterus extera, exterum zich buiten bevindend; buitenlands

ɡ falsus falsa, falsum 1 vals, onwaar, onecht 2 bedrieglijk, misleidend

ɡ fessus fessa, fessum moe, uitgeput, afgemat

ɡ finitimus finitima, finitimum (+ dat.) aangrenzend, naburig

ɡ fortuitus fortuita, fortuitum toevallig, willekeurig, spontaan

ɡ frigidus frigida, frigidum koud, koel, fris

ɡ frumentarius frumentaria, frumentarium het graan betreffend, graan-

ɡ geminus gemina, geminum tweeling-

ɡ humanus humana, humanum menselijk

ɡ idoneus idonea, idoneum geschikt, passend, bekwaam

ɡ ignarus ignara, ignarum (+ gen.) onervaren, onwetend

ɡ immensus immensa, immensum onmetelijk, reusachtig, oneindig

ɡ incertus incerta, incertum onzeker, onbepaald; onbetrouwbaar

ɡ incommodus incommoda, incommodum onaangenaam, lastig, ongelegen

ɡ inferus infera, inferum zich beneden bevindend

ɡ iniquus iniqua, iniquum

ɡ intentus intenta, intentum

1 oneffen, ongelijk

2 ongunstig, moeilijk

3 oneerlijk, onrechtvaardig

1 ijverig

2 aandachtig, waakzaam

ɡ iucundus iucunda, iucundum aangenaam, prettig

ɡ laetus laeta, laetum vrolijk, blij, opgewekt, verheugd

ɡ laevus laeva, laevum 1 links, linker2 onhandig, dwaas

ɡ latus lata, latum breed, wijd, uitgestrekt

ɡ lentus lenta, lentum 1 langzaam, traag 2 rustig, kalm

ɡ liquidus liquida, liquidum vloeibaar, vloeiend

ɡ longus longa, longum lang

ɡ magnus magna, magnum groot

ɡ malus mala, malum slecht

ɡ medius media, medium middelste; in het midden (van)

ɡ molestus molesta, molestum lastig, onaangenaam, vervelend

ɡ multus multa, multum veel

ɡ mutus muta, mutum stil, zwijgend

ɡ notus nota, notum bekend

ɡ novus nova, novum nieuw

ɡ obscurus obscura, obscurum 1 donker, duister 2 onduidelijk

ɡ opportunus opportuna, opportunum gunstig, geschikt

ɡ paratus parata, paratum gereed, klaar, voorbereid

ɡ parvus parva, parvum klein

ɡ patrius patria, patrium 1 vaderlijk, van de vader 2 van de voorouders (geërfd)

ɡ pauci paucae, pauca (mv.) weinig, enige, een paar

ɡ perfectus perfecta, perfectum volmaakt, perfect; volledig

ɡ pius pia, pium trouw; vroom; liefdevol

ɡ plenus plena, plenum (+ gen./abl.) vol (van), gevuld (met)

ɡ plerique pleraeque, pleraque (mv.) de meeste; zeer veel

ɡ posterus postera, posterum volgend, later

ɡ propinquus propinqua, propinquum (+ dat.) dichtbij, naburig, aangrenzend

ɡ publicus publica, publicum openbaar, van de staat

ɡ rectus recta, rectum 1 recht 2 juist

ɡ reliquus reliqua, reliquum overig, ander

ɡ saevus saeva, saevum woedend, woest, wreed

ɡ sanus sana, sanum gezond

ɡ securus secura, securum 1 onbezorgd, gerust 2 veilig

ɡ solus sola, solum alleen; eenzaam, verlaten

ɡ sordidus sordida, sordidum vuil, vies, smerig

ɡ superbus superba, superbum hoogmoedig, trots

ɡ superus supera, superum zich boven bevindend

ɡ supervacuus supervacua, supervacuum overtollig, overbodig, onnodig

ɡ tardus tarda, tardum langzaam, traag; laat

ɡ totus tota, totum (ge)heel, totaal, volledig

ɡ tutus tuta, tutum veilig

ɡ universus universa, universum gezamenlijk, geheel; algemeen

ɡ vacuus vacua, vacuum 1 leeg 2 vrij van, zonder (+ abl.)

ɡ vanus vana, vanum 1 leeg, inhoudsloos 2 vergeefs, zinloos

ɡ varius varia, varium verschillend, afwisselend, veelsoortig

ɡ vastus vasta, vastum onmetelijk, reusachtig

ɡ verus vera, verum waar, echt, werkelijk

ɡ vivus viva, vivum levend, in leven

2.1.2 Adjectieven op -er, -(e)ra, -(e)rum

ɡ asper aspera, asperum 1 ruw, hard, streng 2 moeilijk, gevaarlijk

ɡ ater atra, atrum donker, zwart

ɡ creber crebra, crebrum talrijk, veelvuldig

ɡ dexter dext(e)ra, dext(e)rum rechts, rechter-

ɡ exter extera, exterum zich buiten bevindend; buitenlands

ɡ miser misera, miserum ongelukkig, ellendig, armoedig

ɡ niger nigra, nigrum zwart, donker

ɡ pulcher pulchra, pulchrum mooi

ɡ sacer sacra, sacrum heilig, gewijd (aan)

ɡ sinister sinistra, sinistrum links, linker-

ɡ tener tenera, tenerum

1 zacht, teer, week, fijn 2 jeugdig, jong

2.2 Adjectieven van de tweede klasse

2.2.1 Adjectieven met drie uitgangen

ɡ acer acris, acre 1 scherp 2 heftig

ɡ celer celeris, celere snel, vlug

ɡ volucer volucris, volucre vliegend, gevleugeld

2.2.2

Adjectieven met twee uitgangen

ɡ communis communis, commune gemeenschappelijk

ɡ complures complures, complura (mv.) tamelijk veel, heel wat

ɡ crudelis crudelis, crudele wreed, meedogenloos

ɡ dulcis dulcis, dulce 1 zoet 2 aangenaam

ɡ facilis facilis, facile gemakkelijk, moeiteloos

ɡ fortis fortis, forte 1 sterk, krachtig 2 moedig, dapper, flink

ɡ gravis gravis, grave 1 zwaar; lastig 2 ernstig; belangrijk

ɡ immanis immanis, immane onmetelijk, reusachtig, enorm (groot)

ɡ inanis inanis, inane

1 leeg, ijl 2 waardeloos, nutteloos

ɡ incolumis incolumis, incolume ongedeerd, behouden

ɡ insignis insignis, insigne opvallend, buitengewoon, uitstekend

ɡ levis levis, leve 1 licht (van gewicht) 2 gering, onbeduidend

ɡ liberalis liberalis, liberale

1 van de vrijheid, vrijheids2 beschaafd, voornaam

ɡ militaris militaris, militare militair

ɡ mollis mollis, molle week, zacht, mals

ɡ mortalis mortalis, mortale sterfelijk

ɡ naturalis naturalis, naturale natuurlijk, natuur-

ɡ necesse (onverbuigbaar) noodzakelijk, nodig

ɡ nobilis nobilis, nobile adellijk

ɡ omnis omnis, omne

1 ieder, elk 2 geheel, volledig

3 (mv.) alle(n); alles

ɡ pinguis pinguis, pingue vet, dik

ɡ rationalis rationalis, rationale redelijk, verstandelijk

ɡ similis similis, simile (+ gen./dat.) gelijkend (op), gelijk (aan)

ɡ tenuis tenuis, tenue dun, fijn, zacht

ɡ tristis tristis, triste droevig, treurig, bedroefd; akelig

ɡ turpis turpis, turpe 1 lelijk, misvormd 2 schandelijk, onzedelijk

ɡ vilis vilis, vile goedkoop, waardeloos, alledaags

ɡ viridis viridis, viride 1 groen 2 jeugdig, fris

2.2.3 Comparatieven

ɡ prior prior, prius, gen. prioris eerder, vroeger

ɡ propior propior, propius, dichterbij gen. propioris (+ dat.)

ɡ ulterior ulterior, ulterius, gen. ulterioris 1 aan de overkant 2 meer verwijderd, verder

2.2.4 Adjectieven met één uitgang

ɡ dives dives, dives, gen. divitis rijk

ɡ felix felix, felix, gen. felicis gelukkig, voorspoedig

ɡ infelix infelix, infelix, gen. infelicis ongelukkig

ɡ ingens ingens, ingens, gen. ingentis reusachtig, zeer groot

ɡ memor memor, memor, gen. memoris (+ gen.) zich herinnerend, denkend aan

ɡ par par, par, gen. paris (+ dat.) gelijk (aan)

ɡ pauper pauper, pauper, gen. pauperis arm, armoedig

ɡ potens potens, potens, gen. potentis 1 machtig, krachtig 2 in staat (tot) (+ gen.)

ɡ praeceps praeceps, praeceps, gen. praecipitis halsoverkop, overhaast

ɡ praesens praesens, praesens, gen. praesentis aanwezig; tegenwoordig

ɡ princeps princeps, princeps, gen. principis eerste, voornaamste

ɡ prudens prudens, prudens, gen. prudentis 1 bekend met, ervaren in (+ gen.) 2 verstandig, intelligent

ɡ recens recens, recens, gen. recentis nieuw, vers, fris, jong

ɡ sapiens sapiens, sapiens, gen. sapientis verstandig, slim, wijs

ɡ vetus vetus, vetus, gen. veteris oud

3 Telwoorden

3.1 Hoofdtelwoorden

ɡ unus una, unum één

ɡ duo duae, duo twee

ɡ tres tres, tria drie

ɡ quattuor (telwoord) vier

ɡ decem (telwoord) tien

ɡ centum (telwoord) honderd

ɡ mille (telwoord) duizend

3.2 Rangtelwoorden

ɡ primus prima, primum eerste

ɡ secundus secunda, secundum 1 tweede 2 gunstig

ɡ tertius tertia, tertium derde

3.3 Verdelingstelwoorden

ɡ singuli singulae, singula (mv.) ieder/telkens één; elk afzonderlijk

4 Voornaamwoorden

4.1 Persoonlijke voornaamwoorden

ɡ ego acc. me, gen. mei, dat. mihi, abl. me ik (verbogen: mij)

ɡ tu acc. te, gen. tui, dat. tibi, abl. te jij (verbogen: jou), u

ɡ nos acc. nos, gen. nostri, dat. nobis, abl. nobis wij (verbogen: ons)

ɡ vos acc. vos, gen. vestri, dat. vobis, jullie, u abl. vobis

4.2 Bezittelijke voornaamwoorden

ɡ meus mea, meum mijn

ɡ tuus tua, tuum jouw, uw

ɡ noster nostra, nostrum ons

ɡ vester vestra, vestrum jullie, uw

4.3 Wederkerende voornaamwoorden

ɡ se (acc.), gen. sui, dat. sibi, abl. se 1 zich; elkaar 2 hij, zij (in een infinitiefzin)

ɡ suus sua, suum zijn, haar, hun

4.4 Aanwijzende voornaamwoorden

ɡ hic haec, hoc deze/dit

ɡ idem eadem, idem dezelfde/hetzelfde

ɡ ille illa, illud die/dat

ɡ ipse ipsa, ipsum zelf

ɡ is ea, id die/dat

ɡ iste ista, istud die/dat

ɡ talis talis, tale dergelijk, zodanig, zulk, zo’n

ɡ tantus tanta, tantum zo groot; zoveel

4.5 Betrekkelijke voornaamwoorden

ɡ qui quae, quod die/dat

ɡ quicumque quaecumque, quodcumque om het even wie/wat/welk

4.6 Vragende voornaamwoorden

ɡ qualis qualis, quale wat (voor) een

ɡ quantus quanta, quantum hoe groot; hoeveel

ɡ qui(s) quis/quae, quid/quod 1 (zelfstandig) wie/wat 2 (bijvoeglijk) welk, wat voor (een)

4.7 Onbepaalde voornaamwoorden

ɡ aliqui(s) aliquis/aliqua, aliquid/aliquod 1 (zelfstandig) iemand; iets 2 (bijvoeglijk) een of ander

3 (mv.) sommige(n), enige(n)

ɡ alius alia, aliud ander

ɡ alius ... alius

1 de/het ene ... de/het andere 2 (mv.) sommige(n) ... andere(n)

ɡ alter altera, alterum de/het andere (van twee)

ɡ alter ... alter de/het ene ... de/het andere van twee)

ɡ ambo ambae, ambo (mv.) beide(n) (samen)

ɡ nemo acc. neminem, gen. nullius, niemand dat. nemini, abl. nullo

ɡ nihil acc. nihil, gen. nullius rei, dat. nulli rei, niets abl. nulla re

ɡ nonnullus nonnulla, nonnullum 1 tamelijk groot/veel

2 (mv.) enkele(n), sommige(n)

ɡ nullus nulla, nullum geen (enkel)

ɡ qui qua, quod

1 een (of ander)

2 (mv.) enige(n)

ɡ quidam quaedam, quiddam/quoddam 1 (zelfstandig) iemand; iets

2 (bijvoeglijk) een (zeker)

3 (mv.) enige(n), enkele(n)

ɡ quis quis, quid

1 iemand; iets

2 (mv.) enige(n)

ɡ quisquam quaequam, quicquam/quidquam 1 (zelfstandig) iemand; iets

2 (bijvoeglijk) een of ander, enig

ɡ quisque quaeque, quidque/quodque ieder, elk

ɡ ullus ulla, ullum (ook maar) enig

ɡ uterque utraque, utrumque (elk van) beide(n)

5.1 Werkwoorden van de eerste vervoeging

5.1.1 Actieve werkwoorden

ɡ adiuvare adiuvo, adiuvi, adiutum helpen, ondersteunen

ɡ administrare administro, administravi, 1 besturen, leiden, regelen administratum 2 behulpzaam zijn

ɡ agitare agito, agitavi, agitatum 1 in beweging zetten 2 opjagen, achtervolgen

ɡ amare amo, amavi, amatum houden van, liefhebben, beminnen

ɡ appellare appello, appellavi, appellatum 1 aanspreken, aanroepen 2 noemen, benoemen tot

ɡ certare certo, certavi, certatum 1 wedijveren 2 vechten, strijden

ɡ circumdare circumdo, circumdedi, circumdatum omgeven

ɡ collocare colloco, collocavi, collocatum opstellen, plaatsen, vestigen

ɡ confirmare confirmo, confirmavi, confirmatum 1 versterken, sterker maken 2 bevestigen, bewijzen

ɡ curare curo, curavi, curatum 1 verzorgen, zorg dragen voor 2 zich bekommeren om

ɡ damnare damno, damnavi, damnatum veroordelen

ɡ dare do, dedi, datum geven

ɡ delectare delecto, delectavi, delectatum een plezier doen

ɡ demonstrare demonstro, demonstravi, 1 aanwijzen, aanduiden demonstratum 2 aantonen, bewijzen

ɡ desiderare desidero, desideravi, desideratum verlangen, wensen, begeren

ɡ dubitare dubito, dubitavi, dubitatum (be)twijfelen; aarzelen

ɡ errare erro, erravi, erratum rondzwerven, ronddwalen

ɡ existimare existimo, existimavi, existimatum 1 schatten, (waard) achten 2 (be)oordelen, beslissen 3 menen, denken, geloven

ɡ explorare exploro, exploravi, exploratum verkennen; onderzoeken

ɡ exspectare exspecto, exspectavi, exspectatum wachten (op), verwachten

ɡ formare formo, formavi, formatum vormen; maken

ɡ iactare iacto, iactavi, iactatum werpen, (heen en weer) slingeren

ɡ imperare impero, imperavi, imperatum (+ dat.) 1 bevelen, opdracht geven 2 heersen (over), regeren

ɡ instare insto, institi, – 1 (blijven) staan in/op 2 achtervolgen

ɡ iuvare iuvo, iuvi, iutum helpen, ondersteunen

ɡ laborare laboro, laboravi, laboratum 1 werken, zich inspannen, moeite doen 2 lijden, in nood verkeren

ɡ mandare mando, mandavi, mandatum 1 toevertrouwen 2 opdragen, bevelen

ɡ memorare memoro, memoravi, memoratum in herinnering brengen, vermelden

ɡ mutare muto, mutavi, mutatum veranderen, wijzigen

ɡ negare nego, negavi, negatum 1 nee zeggen 2 ontkennen, zeggen dat niet 3 weigeren, ontzeggen

ɡ numerare numero, numeravi, numeratum 1 tellen, rekenen 2 betalen

ɡ nuntiare nuntio, nuntiavi, nuntiatum melden, aankondigen

ɡ occupare occupo, occupavi, occupatum innemen, bezetten

ɡ oppugnare oppugno, oppugnavi, oppugnatum aanvallen, bestormen, belegeren

ɡ optare opto, optavi, optatum wensen

ɡ orare oro, oravi, oratum bidden; smeken, vragen

ɡ parare paro, paravi, paratum 1 voorbereiden, gereedmaken

2 verkrijgen, verwerven

ɡ peccare pecco, peccavi, peccatum verkeerd handelen, fouten maken

ɡ perseverare persevero, perseveravi, perseveratum volhouden, volharden, voortzetten

ɡ portare porto, portavi, portatum dragen, brengen

ɡ postulare postulo, postulavi, postulatum eisen, verlangen

ɡ praestare praesto, praestiti, praestitum 1 overtreffen, uitmunten (boven) (+ dat.)

2 verschaffen, verlenen

3 verrichten, vervullen

ɡ probare probo, probavi, probatum 1 keuren, onderzoeken

2 goedkeuren, aanvaarden

3 bewijzen

ɡ properare propero, properavi, properatum zich haasten; haastig doen

ɡ pugnare pugno, pugnavi, pugnatum vechten, strijden

ɡ putare puto, putavi, putatum

1 menen, denken, geloven

2 schatten, (waard) achten

ɡ rogare rogo, rogavi, rogatum vragen

ɡ secare seco, secui, sectum snijden

ɡ servare servo, servavi, servatum 1 bewaren, behouden, handhaven 2 bewaken, beschermen

ɡ simulare simulo, simulavi, simulatum 1 voorwenden; doen alsof 2 nabootsen; afbeelden

ɡ sonare sono, sonui, – (weer)klinken

ɡ sperare spero, speravi, speratum hopen, verwachten

ɡ stare sto, steti, statum (blijven) staan, stilstaan

ɡ superare supero, superavi, superatum overtreffen; overwinnen

ɡ temperare tempero, temperavi, matigen, bedwingen, beheersen temperatum (+ dat.)

ɡ temptare tempto, temptavi, temptatum op de proef stellen; proberen

ɡ tractare tracto, tractavi, tractatum

1 (rond)slepen, (mee)sleuren 2 behandelen, bewerken, hanteren

ɡ vacare vaco, vacavi, vacatum 1 leeg zijn 2 vrij zijn van, zijn zonder (+ abl.)

ɡ vocare voco, vocavi, vocatum

3 (vrije) tijd hebben

1 (aan)roepen

2 (be)noemen

ɡ volare volo, volavi, volatum vliegen

5.1.2 Deponente werkwoorden

ɡ admirari admiror, admiratus sum

1 bewonderen 2 zich verwonderen (over)

ɡ arbitrari arbitror, arbitratus sum oordelen, menen, denken, geloven

ɡ cohortari cohortor, cohortatus sum aansporen, aanmoedigen

ɡ conari conor, conatus sum proberen, wagen, ondernemen

ɡ fari for, fatus sum verkondigen, spreken, zeggen

ɡ hortari hortor, hortatus sum aansporen

ɡ mirari miror, miratus sum 1 zich verwonderen; zich afvragen 2 bewonderen

ɡ morari moror, moratus sum 1 wachten, treuzelen

2 zich bevinden

5.2 Werkwoorden van de tweede vervoeging

5.2.1 Actieve werkwoorden

ɡ ardere ardeo, arsi, – branden, gloeien

ɡ augere augeo, auxi, auctum vermeerderen, vergroten

ɡ complere compleo, complevi, completum vullen

ɡ continere contineo, continui, contentum bijeenhouden, vasthouden, tegenhouden

ɡ debere debeo, debui, debitum moeten; verschuldigd zijn

ɡ docere doceo, docui, doctum leren, onderwijzen

ɡ dolere doleo, dolui, dolitum pijn hebben; verdriet hebben, (be)treuren

ɡ exercere exerceo, exercui, exercitum

ɡ habere habeo, habui, habitum

1 in beweging zetten/houden

2 verontrusten, plagen, kwellen

3 (uit)oefenen, hanteren

1 hebben; houden

2 beschouwen als

ɡ haerere haereo, haesi, haesum blijven hangen/steken, vastzitten

ɡ iacere iaceo, iacui, – liggen

ɡ implere impleo, implevi, impletum

1 vullen (met) (+ gen./abl.)

2 vervullen, volbrengen

ɡ iubere iubeo, iussi, iussum bevelen; vragen

ɡ licet licuit of licitum est het is toegelaten, men mag

ɡ manere maneo, mansi, mansum

ɡ miscere misceo, miscui, mixtum

1 blijven (bestaan)

2 wachten, te wachten staan

1 (ver)mengen; verenigen

2 verwarren, in verwarring brengen

ɡ monere moneo, monui, monitum waarschuwen; aanraden

ɡ movere moveo, movi, motum

1 bewegen

2 ontroeren

ɡ obtinere obtineo, obtinui, obtentum vasthouden; in bezit hebben/nemen; behouden

ɡ parere pareo, parui, – (+ dat.) gehoorzamen

ɡ patere pateo, patui, –

1 openstaan

2 zich uitstrekken

ɡ pendere pendeo, pependi, – hangen

ɡ persuadere persuadeo, persuasi, overtuigen; overhalen persuasum (+ dat.)

ɡ perterrere perterreo, perterrui, perterritum hevig doen schrikken, hevige schrik aanjagen

ɡ placere placeo, placui, placitum (+ dat.) bevallen, aangenaam zijn, plezier doen, in de smaak vallen

ɡ prohibere prohibeo, prohibui, prohibitum verhinderen, beletten, tegenhouden

ɡ providere provideo, providi, provisum voorzien

ɡ respondere respondeo, respondi, responsum (be)antwoorden

ɡ retinere retineo, retinui, retentum 1 tegenhouden, vasthouden 2 behouden, bewaren, handhaven

ɡ sedere sedeo, sedi, sessum zitten

ɡ suadere suadeo, suasi, suasum (+ dat.) aanraden; raad geven

ɡ sustinere sustineo, sustinui, sustentum 1 omhoog/rechtop houden 2 uithouden, verdragen; standhouden

ɡ tenere teneo, tenui, tentum (vast)houden, (vast)hebben

ɡ terrere terreo, terrui, territum doen schrikken, bang maken

ɡ timere timeo, timui, – vrezen, bang zijn (voor)

ɡ torquere torqueo, torsi, tortum 1 (om)draaien, wenden 2 slingeren, werpen

ɡ valere valeo, valui, valitum

1 sterk zijn, kracht hebben

2 gezond zijn, zich goed voelen

3 in staat zijn, kunnen

ɡ videre video, vidi, visum zien

5.2.2

Deponente werkwoorden

ɡ intueri intueor, intuitus sum kijken naar, bekijken

ɡ polliceri polliceor, pollicitus sum beloven

ɡ reri reor, ratus sum menen, geloven, achten

ɡ tueri tueor, tuitus sum 1 bekijken, beschouwen 2 beschermen, verdedigen

ɡ vereri vereor, veritus sum 1 vrezen, bang zijn (voor) 2 eerbied hebben (voor)

ɡ videri videor, visus sum schijnen, lijken; blijken

ɡ videtur (+ dat.) ... is van mening, ... besluit, ... vindt goed

5.2.3

Semideponente werkwoorden

ɡ audere audeo, ausus sum durven, wagen

ɡ gaudere gaudeo, gavisus sum blij zijn, zich verheugen

ɡ solere soleo, solitus sum gewoon zijn

5.3 Werkwoorden van de derde vervoeging

5.3.1 Actieve werkwoorden

ɡ accedere accedo, accessi, accessum

1 naderen (+ dat. of met ad/in + acc.) 2 erbij komen

ɡ accendere accendo, accendi, accensum 1 in brand steken, aansteken 2 aanvuren, aanwakkeren

ɡ accidere accido, accidi, – gebeuren, voorvallen

ɡ addere addo, addidi, additum toevoegen

ɡ adducere adduco, adduxi, adductum

1 leiden naar, brengen naar 2 brengen tot, bewegen tot

ɡ admittere admitto, admisi, admissum toelaten, toestaan

ɡ agere ago, egi, actum

1 drijven, leiden 2 doen, handelen

ɡ alere alo, alui, al(i)tum voeden

ɡ amittere amitto, amisi, amissum

1 wegsturen 2 verliezen

ɡ animadvertere animadverto, animadverti, (op)merken, waarnemen, zien animadversum

ɡ arcessere arcesso, arcessivi, arcessitum ontbieden, laten komen, halen

ɡ avertere averto, averti, aversum afwenden, afkeren, afhouden

ɡ cadere cado, cecidi, – vallen

ɡ caedere caedo, cecidi, caesum doden, vermoorden

ɡ canere cano, cecini, – (be)zingen

ɡ carpere carpo, carpsi, carptum plukken

ɡ cedere cedo, cessi, cessum 1 (voort)gaan 2 weggaan, wijken

ɡ cernere cerno, crevi, cretum 1 waarnemen, zien 2 beslissen, besluiten

ɡ cingere cingo, cinxi, cinctum omgeven, omringen, omsingelen

ɡ claudere claudo, clausi, clausum sluiten

ɡ cogere cogo, coegi, coactum 1 samendrijven 2 dwingen

ɡ cognoscere cognosco, cognovi, cognitum leren kennen, vernemen; herkennen

ɡ colere colo, colui, cultum 1 bebouwen, bewerken 2 (be)wonen

3 verzorgen, versieren 4 vereren, aanbidden

ɡ colligere colligo, collegi, collectum verzamelen

ɡ committere committo, commisi, commissum 1 samenbrengen

2 begaan, plegen

3 toevertrouwen

ɡ concedere concedo, concessi, concessum 1 weggaan, wijken

2 overlaten; toestaan

ɡ concupiscere concupisco, concupivi, concupitum (hevig) verlangen, wensen, begeren

ɡ condere condo, condidi, conditum 1 stichten

2 opbergen

ɡ coniungere coniungo, coniunxi, coniunctum verbinden, verenigen

ɡ conscribere conscribo, conscripsi, conscriptum 1 opschrijven, inschrijven

2 rekruteren, aanwerven (van soldaten)

ɡ considere consido, consedi, consessum 1 gaan zitten, plaatsnemen

2 zich vestigen, gaan wonen

ɡ consistere consisto, constiti, – 1 gaan staan, zich opstellen

2 blijven staan, stilstaan

ɡ constituere constituo, constitui, constitutum 1 oprichten, aanleggen, bouwen

2 bepalen, vaststellen; besluiten

ɡ consuescere consuesco, consuevi, consuetum gewoon worden

ɡ consulere consulo, consului, consultum 1 beraadslagen, overleggen

2 raadplegen, om raad vragen

ɡ consumere consumo, consumpsi, consumptum verbruiken

ɡ contendere contendo, contendi, contentum 1 (aan)spannen, strak aantrekken

2 (zich) inspannen

3 vechten, strijden

ɡ contingere contingo, contigi, contactum aanraken

ɡ convertere converto, converti, conversum 1 omdraaien, omkeren

2 veranderen

ɡ corrumpere corrumpo, corrupi, corruptum vernietigen, bederven

ɡ credere credo, credidi, creditum (+ dat.) 1 geloven

2 vertrouwen

ɡ crescere cresco, crevi, cretum groeien

ɡ decedere decedo, decessi, decessum 1 weggaan, wegtrekken

2 overlijden, sterven

ɡ decernere decerno, decrevi, decretum beslissen; oordelen

ɡ dedere dedo, dedidi, deditum overgeven, uitleveren; wijden aan

ɡ deducere deduco, deduxi, deductum naar beneden leiden; wegleiden; leiden naar

ɡ defendere defendo, defendi, defensum verdedigen, beschermen

ɡ deligere deligo, delegi, delectum (uit)kiezen

ɡ demittere demitto, demisi, demissum naar beneden zenden, laten zakken

ɡ deserere desero, deserui, desertum verlaten, in de steek laten

ɡ detrahere detraho, detraxi, detractum naar beneden trekken; wegtrekken

ɡ dicere dico, dixi, dictum zeggen; spreken; noemen

ɡ dimittere dimitto, dimisi, dimissum wegzenden, laten (uiteen)gaan

ɡ discedere discedo, discessi, discessum uiteengaan, weggaan

ɡ discere disco, didici, – leren, (be)studeren

ɡ dividere divido, divisi, divisum (ver)delen, splitsen; scheiden

ɡ ducere duco, duxi, ductum leiden, voeren, brengen

ɡ educere educo, eduxi, eductum naar buiten leiden, wegvoeren

ɡ effundere effundo, effudi, effusum uitgieten, uitstorten

ɡ eligere eligo, elegi, electum uitkiezen, uitzoeken

ɡ emere emo, emi, emptum kopen

ɡ excedere excedo, excessi, excessum naar buiten gaan, weggaan

ɡ expellere expello, expuli, expulsum verdrijven, verjagen

ɡ exprimere exprimo, expressi, expressum 1 uitdrukken, uitpersen 2 weergeven, beschrijven

ɡ exstinguere exstinguo, exstinxi, exstinctum 1 (uit)doven, blussen 2 vernietigen; doden

ɡ fallere fallo, fefelli, – bedriegen, misleiden

ɡ figere figo, fixi, fixum vasthechten, bevestigen

ɡ flectere flecto, flexi, flexum 1 buigen, krommen 2 van mening doen veranderen

ɡ frangere frango, fregi, fractum breken

ɡ fundere fundo, fudi, fusum (uit)gieten

ɡ gerere gero, gessi, gestum 1 dragen, voeren 2 maken, doen

ɡ impellere impello, impuli, impulsum voortdrijven; aanzetten

ɡ imponere impono, imposui, impositum 1 plaatsen/leggen/zetten in/op 2 opleggen; aanstellen

ɡ incendere incendo, incendi, incensum 1 in brand steken, aansteken 2 aanvuren, ophitsen

ɡ instituere instituo, institui, institutum 1 oprichten, instellen 2 onderwijzen, onderrichten

ɡ instruere instruo, instruxi, instructum 1 inrichten, opstellen 2 onderwijzen, onderrichten

ɡ intellegere intellego, intellexi, intellectum begrijpen, inzien

ɡ intermittere intermitto, intermisi, intermissum 1 ertussen leggen/laten 2 onderbreken, uitstellen

ɡ invadere invado, invasi, invasum

1 binnendringen; aanvallen

2 overvallen, aantasten (van gevoelens)

ɡ iungere iungo, iunxi, iunctum verbinden, verenigen, samenvoegen

ɡ legere lego, legi, lectum

1 lezen

2 verzamelen

ɡ linquere linquo, liqui, – verlaten, achterlaten

ɡ metuere metuo, metui, – vrezen, bang zijn (voor)

ɡ mittere mitto, misi, missum sturen, zenden

ɡ noscere nosco, novi, notum leren kennen, te weten komen

ɡ occidere occido, occidi, occisum doden

ɡ opprimere opprimo, oppressi, oppressum neerdrukken; onderdrukken; overweldigen, overvallen

ɡ ostendere ostendo, ostendi, ostentum tonen, laten zien

ɡ pandere pando, pandi, passum

1 uitbreiden, uitstrekken

2 openen; openbaren

ɡ parcere parco, peperci, – (+ dat.) sparen, zuinig zijn (met), ontzien

ɡ pascere pasco, pavi, pastum hoeden, weiden, laten grazen

ɡ pellere pello, pepuli, pulsum

ɡ petere peto, petivi, petitum

1 stoten, slaan, kloppen

2 verdrijven, verjagen

1 gaan naar

2 nastreven, trachten te bereiken

3 vragen, verzoeken

ɡ ponere pono, posui, positum plaatsen, zetten, leggen, stellen

ɡ poscere posco, poposci, – eisen, verlangen, vragen

ɡ premere premo, pressi, pressum drukken

ɡ procedere procedo, processi, processum vooruitgaan, naar voren komen/gaan

ɡ quaerere quaero, quaesivi, quaesitum

1 zoeken

2 vragen

3 nastreven

ɡ reddere reddo, reddidi, redditum teruggeven

ɡ reducere reduco, reduxi, reductum terugbrengen, terugvoeren, terugleiden

ɡ regere rego, rexi, rectum regeren, heersen (over), besturen

ɡ relinquere relinquo, reliqui, relictum achterlaten, verlaten; overlaten

ɡ remittere remitto, remisi, remissum

1 terugsturen, terugzenden

2 verminderen, afzwakken

ɡ resistere resisto, restiti, –

ɡ ruere ruo, rui, rutum

1 blijven staan, stilstaan

2 weerstand bieden, zich verzetten (tegen) (+ dat.)

1 rennen, aanstormen

2 neerstorten, instorten

ɡ rumpere rumpo, rupi, ruptum (ver)breken

ɡ scribere scribo, scripsi, scriptum schrijven

ɡ serere sero, sevi, satum

1 zaaien, planten

2 verwekken, voortbrengen

ɡ sinere sino, sivi, situm (toe)laten, toestaan

ɡ solvere solvo, solvi, solutum

1 losmaken, verlossen

2 ontbinden, oplossen

3 (af)betalen

ɡ spargere spargo, sparsi, sparsum (uit)strooien, verspreiden

ɡ statuere statuo, statui, statutum

1 plaatsen, zetten, stellen

2 bepalen, beslissen, besluiten

ɡ succedere succedo, successi, successum (+ dat.) 1 gaan onder, binnengaan

2 aflossen, opvolgen

ɡ sumere sumo, sumpsi, sumptum nemen

ɡ surgere surgo, surrexi, surrectum

1 opstaan, opstijgen

2 ontstaan, beginnen

ɡ tangere tango, tetigi, tactum aanraken

ɡ tegere tego, texi, tectum bedekken; verbergen

ɡ tendere tendo, tetendi, tentum/tensum 1 spannen, aantrekken

2 gaan (naar)

3 streven naar, zich inspannen

ɡ tollere tollo, sustuli, sublatum 1 opheffen, optillen

2 wegnemen, verwijderen

ɡ tradere trado, tradidi, traditum overdragen, overleveren

ɡ traducere traduco, traduxi, traductum overbrengen, overzetten

ɡ trahere traho, traxi, tractum trekken, slepen, sleuren

ɡ vertere verto, verti, versum (om)draaien, (om)keren

ɡ vincere vinco, vici, victum (over)winnen; overtreffen

ɡ vivere vivo, vixi, – leven

ɡ volvere volvo, volvi, volutum wentelen, (rond)draaien, (laten) rollen

5.3.2 Deponente werkwoorden

ɡ frui fruor, fructus/fruitus sum (+ abl.) genieten (van)

ɡ insequi insequor, insecutus sum op de voet volgen; achtervolgen

ɡ labi labor, lapsus sum glijden, afglijden, wegglijden, voortglijden, uitglijden

ɡ loqui loquor, locutus sum spreken, praten; zeggen

ɡ nasci nascor, natus sum geboren worden; afstammen (van)

ɡ niti nitor, nisus/nixus sum (+ abl.) steunen/leunen op

ɡ proficisci proficiscor, profectus sum vertrekken

ɡ queri queror, questus sum klagen (over)

ɡ sequi sequor, secutus sum volgen

ɡ uti utor, usus sum (+ abl.) gebruiken, gebruikmaken van

5.3.3

Semideponente werkwoorden

ɡ confidere confido, confisus sum (+ dat.) vertrouwen (op)

ɡ reverti revertor, reverti, reversum terugkeren, terugkomen

5.4 Werkwoorden van de vierde vervoeging

5.4.1 Actieve werkwoorden

ɡ audire audio, audivi, auditum horen; luisteren

ɡ circumvenire circumvenio, circumveni, omgeven, omringen, omsingelen circumventum

ɡ convenire convenio, conveni, conventum 1 samenkomen, zich verzamelen

2 overeenkomen, overeenstemmen

ɡ impedire impedio, impedivi, impeditum verhinderen, belemmeren

ɡ invenire invenio, inveni, inventum (uit)vinden, ontdekken, aantreffen

ɡ munire munio, munivi, munitum

1 bouwen

2 versterken

3 beschermen

ɡ nescire nescio, nescivi, nescitum niet weten; niet kennen

ɡ pervenire pervenio, perveni, perventum komen (tot), bereiken, aankomen

ɡ reperire reperio, repperi, repertum (terug)vinden, ontdekken

ɡ scire scio, scivi, scitum weten

ɡ sentire sentio, sensi, sensum voelen, ervaren, merken

ɡ servire servio, servivi, servitum (+ dat.) slaaf zijn, dienen

ɡ venire venio, veni, ventum komen

5.4.2 Deponente werkwoorden

ɡ experiri experior, expertus sum 1 proberen, op de proef stellen 2 ervaren, ondervinden

ɡ oriri orior, ortus sum ontstaan

ɡ potiri potior, potitus sum (+ gen./abl.) bemachtigen, verkrijgen

5.5 Werkwoorden van de vijfde vervoeging

5.5.1 Actieve werkwoorden

ɡ accipere accipio, accepi, acceptum aannemen, ontvangen, krijgen

ɡ aspicere aspicio, aspexi, aspectum kijken naar, aankijken

ɡ capere capio, cepi, captum grijpen, nemen; innemen, veroveren

ɡ circumspicere circumspicio, circumspexi, rondkijken; bekijken circumspectum

ɡ conficere conficio, confeci, confectum 1 vervaardigen, tot stand brengen 2 bijeenbrengen, verzamelen

ɡ conicere conicio, conieci, coniectum (bijeen)werpen, (bijeen)brengen

ɡ conspicere conspicio, conspexi, conspectum bekijken, aanschouwen

ɡ corripere corripio, corripui, correptum 1 grijpen, zich toe-eigenen 2 aantasten, overvallen

ɡ cupere cupio, cupivi, cupitum verlangen, wensen, begeren

ɡ deficere deficio, defeci, defectum 1 ontrouw worden, overlopen 2 ontbreken, tekortschieten

ɡ efficere efficio, effeci, effectum tot stand brengen, veroorzaken, maken

ɡ eripere eripio, eripui, ereptum uittrekken, wegrukken, afnemen

ɡ excipere excipio, excepi, exceptum 1 uitnemen, uittrekken 2 opvangen, opnemen

ɡ facere facio, feci, factum 1 doen 2 maken

ɡ fugere fugio, fugi, – (ont)vluchten

ɡ iacere iacio, ieci, iactum werpen

ɡ incipere incipio, incepi, inceptum beginnen

ɡ interficere interficio, interfeci, interfectum doden

ɡ perficere perficio, perfeci, perfectum voltooien, uitvoeren, afmaken

ɡ proficere proficio, profeci, profectum 1 verder komen, vorderen 2 helpen, baten

ɡ rapere rapio, rapui, raptum snel grijpen, wegrukken, roven

ɡ recipere recipio, recepi, receptum terugnemen; terugkrijgen; opnemen

ɡ sapere sapio, sapi(v)i, – 1 smaken, smaak hebben 2 verstandig/wijs zijn

5.5.2 Deponente werkwoorden

ɡ aggredi aggredior, aggressus sum 1 gaan naar 2 aanvallen 3 beginnen

ɡ egredi egredior, egressus sum naar buiten gaan/komen

ɡ mori morior, mortuus sum sterven

ɡ pati patior, passus sum lijden; dulden, toelaten

ɡ progredi progredior, progressus sum voortgaan, vooruitgaan

5.6 Onregelmatige werkwoorden

5.6.1 Esse en samenstellingen ervan

ɡ abesse absum, afui, –

ɡ adesse assum, affui, – (+ dat.)

ɡ esse sum, fui, –

ɡ interesse intersum, interfui, –

1 weg zijn, afwezig zijn 2 verwijderd zijn

1 aanwezig zijn, erbij zijn 2 helpen, bijstaan

1 zijn; bestaan 2 hebben (met datief van de bezitter)

1 zijn/liggen tussen 2 aanwezig zijn bij

ɡ interest (+ gen. of v. bez. vnw.) het is van belang (voor)

5.6.2 Ferre en samenstellingen ervan

ɡ afferre affero, attuli, allatum meebrengen, aanvoeren

ɡ conferre confero, contuli, collatum 1 bijeenbrengen, verzamelen 2 vergelijken

ɡ deferre defero, detuli, delatum naar beneden dragen/brengen; wegdragen, wegbrengen; overbrengen

ɡ differre differo, distuli, dilatum

1 verspreiden

2 verschillen

ɡ efferre effero, extuli, elatum naar buiten dragen/brengen, wegvoeren

ɡ ferre fero, tuli, latum

ɡ inferre infero, intuli, illatum

ɡ perferre perfero, pertuli, perlatum

ɡ referre refero, rettuli, relatum

5.6.3 Ire en samenstellingen ervan

1 dragen, voeren

2 brengen

3 verdragen, dulden

4 vertellen, zeggen

1 naar binnen dragen/brengen

2 veroorzaken, teweegbrengen

1 dragen/brengen naar, overbrengen

2 voltooien, volbrengen, uitvoeren

3 verdragen, uithouden

1 terugdragen, terugbrengen

2 meedelen, melden

ɡ abire abeo, abii, abitum weggaan

ɡ adire adeo, adii, aditum gaan naar

ɡ exire exeo, exii, exitum naar buiten gaan, weggaan

ɡ inire ineo, inii, initum

1 binnengaan 2 beginnen

ɡ ire eo, ii, itum gaan

ɡ perire pereo, perii, peritum omkomen, ten onder gaan

ɡ redire redeo, redii, reditum teruggaan, terugkomen, terugkeren

ɡ subire subeo, subii, subitum 1 gaan onder 2 op zich nemen, ondergaan

ɡ transire transeo, transii, transitum 1 overgaan, oversteken

2 voorbijgaan

5.6.4 Andere onregelmatige werkwoorden

ɡ fieri fio, factus sum 1 worden, ontstaan; gebeuren 2 gedaan worden; gemaakt worden

ɡ malle malo, malui, – liever willen, verkiezen

ɡ posse possum, potui, – kunnen

ɡ velle volo, volui, – willen

5.7 Defectieve werkwoorden

ɡ ait (defectief) zegt hij; zei hij

ɡ coepisse coepi of coeptus sum beginnen

ɡ inquit (defectief) zegt hij; zei hij

ɡ meminisse memini (+ gen.) zich herinneren, denken aan

6 Bijwoorden

6.1 Gewone bijwoorden

ɡ adeo (bijwoord) zozeer, in die mate

ɡ alioqui(n) (bijwoord) overigens; anders

ɡ aliter (bijwoord) anders

ɡ ante(a) (bijwoord) vroeger, tevoren

ɡ bene (bijwoord) goed

ɡ bis (bijwoord) tweemaal

ɡ ceterum (bijwoord) overigens, voor het overige

ɡ circiter (bijwoord) ongeveer

ɡ circum (bijwoord) rondom

ɡ cito (bijwoord) snel, vlug, gauw

ɡ contra (bijwoord) daarentegen; daartegenover

ɡ deinde (bijwoord) daarna, vervolgens

ɡ denique (bijwoord) 1 (uit)eindelijk, ten slotte 2 kortom, in één woord

ɡ diu (bijwoord) (sinds) lang, lange tijd

ɡ eo (bijwoord) daarheen

ɡ equidem (bijwoord) 1 zeker, inderdaad, natuurlijk 2 weliswaar

ɡ ergo (bijwoord) dus, bijgevolg

ɡ etiamnunc (bijwoord) ook nu nog, nog altijd

ɡ facile (bijwoord) gemakkelijk, moeiteloos

ɡ fere (bijwoord) bijna, ongeveer

ɡ fortasse (bijwoord) misschien

ɡ forte (bijwoord) toevallig

ɡ frustra (bijwoord) tevergeefs

ɡ haud (bijwoord) (helemaal) niet

ɡ hic (bijwoord) hier

ɡ hinc (bijwoord)

1 vanhier, hiervandaan 2 vandaar, daardoor

ɡ huc (bijwoord) hierheen

ɡ iam (bijwoord) al, reeds

ɡ ibi (bijwoord) daar

ɡ ideo (bijwoord) daarom

ɡ inde (bijwoord) 1 vandaar, daarvandaan 2 daarna; daardoor

ɡ interea (bijwoord) ondertussen, intussen

ɡ interim (bijwoord) ondertussen, inmiddels

ɡ ita (bijwoord) zo, op die manier

ɡ item (bijwoord) eveneens, ook

ɡ iterum (bijwoord) nogmaals, opnieuw, weer

ɡ libenter (bijwoord) graag, met plezier

ɡ magis (bijwoord) meer

ɡ modo (bijwoord) 1 zojuist, zonet, onlangs, pas 2 alleen (maar), slechts

ɡ modo ... modo nu eens ... dan weer

ɡ multo (bijwoord) veel, zeer, heel

ɡ multum (bijwoord) zeer, veel, erg

ɡ nequiquam (bijwoord) tevergeefs

ɡ noctu (bijwoord) ’s nachts

ɡ non (bijwoord) niet, geen

ɡ nondum (bijwoord) nog niet

ɡ numquam (bijwoord) nooit

ɡ numquid (bijwoord) toch niet, toch geen

ɡ nunc (bijwoord) nu

ɡ nunc ... nunc nu eens ... dan weer

ɡ omnino (bijwoord) helemaal, volledig

ɡ parum (bijwoord) te weinig, niet genoeg

ɡ paulatim (bijwoord) geleidelijk, langzamerhand

ɡ paulo (bijwoord) een beetje

ɡ paulum (bijwoord) een beetje

ɡ plerumque (bijwoord) meestal, gewoonlijk

ɡ post(ea) (bijwoord) daarna, later

ɡ posterius (bijwoord) later, daarna

ɡ praeterea (bijwoord) bovendien, daarenboven

ɡ primo (bijwoord) in het begin, aanvankelijk

ɡ primum (bijwoord) (voor het) eerst, ten eerste

ɡ procul (bijwoord) in de verte, op een afstand, (van) ver

ɡ prope (bijwoord) dichtbij; bijna

ɡ qua (bijwoord) waar(langs)

ɡ quam (bijwoord) 1 hoe (bij een adjectief of bijwoord) 2 dan (na een comparatief) 3 zo ... mogelijk (bij een superlatief)

ɡ quamdiu (bijwoord) hoe lang

ɡ quanto (bijwoord) hoeveel

ɡ quantum (bijwoord) hoeveel, hoezeer

ɡ quemadmodum (bijwoord) op welke manier, hoe

ɡ quidem (bijwoord) 1 zeker, ongetwijfeld 2 tenminste, althans 3 maar, echter 4 weliswaar

ɡ quidni (bijwoord) waarom niet

ɡ quippe (bijwoord) immers, natuurlijk, zeker

ɡ quo (bijwoord) waarheen

ɡ quomodo (bijwoord) op welke manier, hoe

ɡ quondam (bijwoord) 1 eens, ooit 2 soms

ɡ quoque (bijwoord) ook

ɡ quotiens (bijwoord) hoe vaak

ɡ repente (bijwoord) plotseling

ɡ rursus (bijwoord) 1 opnieuw, weer 2 daarentegen

ɡ saepe (bijwoord) vaak, dikwijls

ɡ satis (bijwoord) genoeg, voldoende; tamelijk, behoorlijk

ɡ semel (bijwoord) eenmaal

ɡ semper (bijwoord) altijd, steeds, telkens

ɡ sic (bijwoord) zo, op die manier

ɡ sicut (bijwoord) zoals; alsof

ɡ simul (bijwoord) tegelijk, gelijktijdig

ɡ subinde (bijwoord) 1 onmiddellijk daarna 2 herhaaldelijk, dikwijls

ɡ subito (bijwoord) plotseling

ɡ supra (bijwoord) 1 eerder, vroeger 2 (nog) meer

ɡ tam (bijwoord) zo (bij een adjectief of bijwoord)

ɡ tamen (bijwoord) toch, niettemin

ɡ tamquam (bijwoord) als het ware, (zo)als

ɡ tandem (bijwoord) uiteindelijk, ten slotte

ɡ tantum (bijwoord) slechts, alleen maar

ɡ ter (bijwoord) driemaal

ɡ tot (bijwoord) zoveel

ɡ tum (bijwoord) 1 toen, op dat moment, dan 2 daarna, vervolgens

ɡ ubi (bijwoord) waar

ɡ ultro (bijwoord) bovendien, zelfs

ɡ umquam (bijwoord) ooit

ɡ una (bijwoord) tegelijk, samen

ɡ unde (bijwoord) vanwaar, waarvandaan

ɡ undique (bijwoord) overal (vandaan)

ɡ utique (bijwoord) in ieder geval

ɡ velut (bijwoord) zoals; alsof

ɡ vix (bijwoord) nauwelijks, met moeite

6.2 Vraagpartikels

ɡ an (vraagpartikel) of (in een indirecte vraag)

ɡ -ne (vraagpartikel) 1 (wordt in een directe vraag niet vertaald, maar weergegeven door inversie) 2 of (in een indirecte vraag)

ɡ utrum (vraagpartikel) of (in een indirecte vraag)

7 Voorzetsels

7.1 Voorzetsels met de accusatief

ɡ ad + accusatief

1 naar, tot (aan) 2 bij, aan 3 om te (bij een gerundium)

ɡ ante + accusatief voor

ɡ apud + accusatief bij

ɡ circa + accusatief rondom; (dicht) bij; omstreeks

ɡ circum + accusatief rondom; (dicht) bij; langs

ɡ contra + accusatief tegen(over)

ɡ extra + accusatief buiten; behalve

ɡ inter + accusatief 1 tussen, onder, te midden van 2 tijdens, gedurende

ɡ intra + accusatief binnen

ɡ ob + accusatief wegens, om

ɡ per + accusatief

1 door, over, langs

2 tijdens, gedurende

3 door middel van, met behulp van

ɡ post + accusatief achter; na

ɡ praeter + accusatief 1 langs, voorbij 2 behalve, uitgezonderd

ɡ prope + accusatief dicht bij; omstreeks

ɡ propter + accusatief wegens, door

ɡ secundum + accusatief volgens

ɡ supra + accusatief 1 boven (op) 2 over (... heen)

ɡ trans + accusatief 1 over (... heen) 2 aan de overkant van

7.2 Voorzetsels met de ablatief

ɡ a(b) + ablatief 1 van(af), (van)uit 2 sinds 3 door (bij een passief werkwoord)

ɡ cum + ablatief (samen) met

ɡ de + ablatief

1 van(af), (van)uit 2 over, betreffende

ɡ e(x) + ablatief (van)uit, van(af)

ɡ pro + ablatief

1 ten voordele van 2 in plaats van 3 in verhouding tot

ɡ sine + ablatief zonder

7.3 Voorzetsels met de accusatief en de ablatief

ɡ in ¹ + accusatief

1 naar, tot (in) 2 tegen(over) 3 met het oog op

ɡ in ² + ablatief in; op; bij

ɡ sub ¹ + accusatief

1 (tot) onder 2 omstreeks

ɡ sub ² + ablatief onder; aan de voet van

ɡ super ¹ + accusatief

ɡ super ² + ablatief

8 Voegwoorden

8.1Nevenschikkende voegwoorden

1 boven (op) 2 over (... heen)

1 boven (op) 2 over, aangaande

ɡ ac (voegwoord) en

ɡ at (voegwoord) maar

ɡ atque (voegwoord) en

ɡ atqui (voegwoord) maar toch

ɡ aut (voegwoord) of

ɡ autem (voegwoord) echter, maar

ɡ enim (voegwoord) immers, namelijk

ɡ et (voegwoord) 1 en 2 ook

ɡ et ... et zowel ... als

ɡ etiam (voegwoord) ook, zelfs

ɡ igitur (voegwoord) dus, bijgevolg

ɡ itaque (voegwoord) daarom, dus, bijgevolg

ɡ nam (voegwoord) want, namelijk, immers

ɡ namque (voegwoord) want, namelijk, immers

ɡ nec (voegwoord) en niet, ook niet; maar niet

ɡ nec ... nec noch ... noch

ɡ neque (voegwoord) en niet, ook niet; maar niet

ɡ neque ... neque noch ... noch

ɡ -que (voegwoord) en

ɡ -que ... -que zowel ... als

ɡ sed (voegwoord) maar

ɡ seu (voegwoord) of als, of indien

ɡ seu ... seu hetzij ... hetzij

ɡ sive (voegwoord) of als, of indien

ɡ sive ... sive hetzij ... hetzij

ɡ -ve (voegwoord) of (ook)

ɡ vel (voegwoord) of (ook)

ɡ vero (voegwoord) echter, maar

ɡ verum (voegwoord) echter, maar

8.2 Onderschikkende voegwoorden

ɡ cum ¹ + indicatief toen, wanneer

ɡ cum ² + conjunctief 1 toen 2 omdat 3 hoewel

ɡ dum ¹ + indicatief 1 terwijl 2 zolang 3 totdat

ɡ dum ² + conjunctief 1 totdat 2 als ... maar, mits

ɡ etiamsi + indicatief/conjunctief ook als, zelfs indien

ɡ licet + conjunctief hoewel, ook al

ɡ ne + conjunctief 1 (op)dat niet, (om) niet te; om te voorkomen dat, uit vrees dat 2 dat, (om) te

ɡ neve + conjunctief en (op)dat niet, en (om) niet te

ɡ ni + indicatief/conjunctief als niet, indien niet, tenzij

ɡ nisi + indicatief/conjunctief als niet, indien niet, tenzij

ɡ postquam + indicatief perfectum nadat

ɡ priusquam + indicatief/conjunctief eerder dan, voordat

ɡ quamquam + indicatief hoewel

ɡ quasi + conjunctief alsof

ɡ quia + indicatief omdat, aangezien

ɡ quin + conjunctief dat, (om) te, of

ɡ quo + comparatief + conjunctief opdat (des te), om (des te)

ɡ quod + indicatief 1 omdat 2 dat

ɡ quoniam + indicatief aangezien, omdat

ɡ si + indicatief/conjunctief als, indien

ɡ sin + indicatief/conjunctief maar indien, als echter

ɡ tamquam + conjunctief zoals; alsof

ɡ ubi + indicatief zodra, toen, wanneer

ɡ ut ¹ + indicatief 1 zoals 2 zodra, toen

ɡ ut ² + conjunctief 1 opdat, om te 2 zodat 3 dat, (om) te

9 Tussenwerpsels

ɡ ecce (tussenwerpsel) kijk (daar)

ɡ en (tussenwerpsel) kijk (daar)

ɡ heu (tussenwerpsel) ach, o, oh

ɡ io (tussenwerpsel) 1 hoera 2 ach

Deel 2

Alfabetische woordenlijst

Aɡ a(b) + ablatief

1 van(af), (van)uit

2 sinds 3 door (bij een passief werkwoord)

ɡ abesse absum, afui, – 1 weg zijn, afwezig zijn 2 verwijderd zijn

ɡ abire abeo, abii, abitum weggaan

ɡ ac (voegwoord) en

ɡ accedere accedo, accessi, accessum

1 naderen (+ dat. of met ad/in + acc.) 2 erbij komen

ɡ accendere accendo, accendi, accensum 1 in brand steken, aansteken 2 aanvuren, aanwakkeren

ɡ accidere accido, accidi, – gebeuren, voorvallen

ɡ accipere accipio, accepi, acceptum aannemen, ontvangen, krijgen

ɡ acer acris, acre

ɡ acies aciei (v.)

ɡ actio actionis (v.)

ɡ ad + accusatief

1 scherp 2 heftig

1 scherpte 2 slaglinie, slagorde

1 handeling, verrichting 2 rechtszitting, proces

1 naar, tot (aan)

2 bij, aan 3 om te (bij een gerundium)

ɡ addere addo, addidi, additum toevoegen

ɡ adducere adduco, adduxi, adductum

1 leiden naar, brengen naar

2 brengen tot, bewegen tot

ɡ adeo (bijwoord) zozeer, in die mate

ɡ adesse assum, affui, – (+ dat.)

1 aanwezig zijn, erbij zijn

2 helpen, bijstaan

ɡ adire adeo, adii, aditum gaan naar

ɡ aditus aditus (m.) toegang, ingang

ɡ adiuvare adiuvo, adiuvi, adiutum helpen, ondersteunen

ɡ administrare administro, administravi, 1 besturen, leiden, regelen administratum 2 behulpzaam zijn

ɡ admirari admiror, admiratus sum

1 bewonderen

2 zich verwonderen (over)

ɡ admittere admitto, admisi, admissum toelaten, toestaan

ɡ adventus adventus (m.) (aan)komst

ɡ adversus adversa, adversum

1 tegenoverstaand 2 ongunstig

ɡ aequor aequoris (o.) zee(spiegel)

ɡ aequus aequa, aequum

1 effen, vlak 2 gelijk(matig) 3 rechtvaardig

ɡ aer aeris (m.) lucht

ɡ aes aeris (o.)

1 koper, brons 2 geld

ɡ aestas aestatis (v.) zomer(hitte)

ɡ aestus aestus (m.)

1 hitte, gloed 2 golf, vloed

ɡ aetas aetatis (v.) 1 leeftijd 2 tijd(perk)

ɡ aether aetheris (m.) lucht; hemel

ɡ affectus affectus (m.) stemming, gemoedstoestand

ɡ afferre affero, attuli, allatum meebrengen, aanvoeren

ɡ ager agri (m.) akker, veld

ɡ agere ago, egi, actum

1 drijven, leiden 2 doen, handelen

ɡ agger aggeris (m.) 1 aarde 2 wal, dam, dijk

ɡ aggredi aggredior, aggressus sum

ɡ agitare agito, agitavi, agitatum

ɡ agmen agminis (o.)

1 gaan naar 2 aanvallen 3 beginnen

1 in beweging zetten 2 opjagen, achtervolgen

1 troep, menigte 2 leger op mars, colonne

ɡ ait (defectief) zegt hij; zei hij

ɡ ala alae (v.) vleugel

ɡ alere alo, alui, al(i)tum voeden

ɡ alienus aliena, alienum 1 andermans 2 vreemd, buitenlands

ɡ alioqui(n) (bijwoord) overigens; anders

ɡ aliqui(s) aliquis/aliqua, aliquid/aliquod 1 (zelfstandig) iemand; iets 2 (bijvoeglijk) een of ander 3 (mv.) sommige(n), enige(n)

ɡ aliter (bijwoord) anders

ɡ alius alia, aliud ander

ɡ alius ... alius 1 de/het ene ... de/het andere 2 (mv.) sommige(n) ... andere(n)

ɡ alter altera, alterum de/het andere (van twee)

ɡ alter ... alter de/het ene ... de/het andere (van twee)

ɡ altitudo altitudinis (v.) 1 hoogte 2 diepte

ɡ altus alta, altum 1 hoog 2 diep

ɡ amare amo, amavi, amatum houden van, liefhebben, beminnen

ɡ ambo ambae, ambo (mv.) beide(n) (samen)

ɡ amicitia amicitiae (v.) vriendschap

ɡ amicus amici (m.) vriend

ɡ amittere amitto, amisi, amissum 1 wegsturen 2 verliezen

ɡ amnis amnis (m.) rivier, stroom

ɡ amor amoris (m.) liefde

ɡ amplus ampla, amplum 1 ruim, omvangrijk 2 belangrijk, aanzienlijk

ɡ an (vraagpartikel) of (in een indirecte vraag)

ɡ angustus angusta, angustum 1 nauw, smal, eng 2 beperkt, gering

ɡ anima animae (v.) 1 adem 2 ziel

ɡ animadvertere animadverto, animadverti, (op)merken, waarnemen, zien animadversum

ɡ animal animalis (o.) levend wezen; dier

ɡ animus animi (m.) 1 ziel, geest 2 hart, gemoed 3 aard, karakter

ɡ annus anni (m.) jaar

ɡ ante + accusatief voor

ɡ ante(a) (bijwoord) vroeger, tevoren

ɡ antiquus antiqua, antiquum oud

ɡ antrum antri (o.) grot; holte

ɡ apertus aperta, apertum 1 open 2 openlijk, duidelijk, zichtbaar

ɡ appellare appello, appellavi, appellatum 1 aanspreken, aanroepen 2 noemen, benoemen tot

ɡ apud + accusatief bij

ɡ aqua aquae (v.) water

ɡ ara arae (v.) altaar

ɡ arbitrari arbitror, arbitratus sum oordelen, menen, denken, geloven

ɡ arbor arboris (v.) boom

ɡ arcessere arcesso, arcessivi, arcessitum ontbieden, laten komen, halen

ɡ ardere ardeo, arsi, – branden, gloeien

ɡ arduus ardua, arduum 1 steil; hoog 2 moeilijk

ɡ argumentum argumenti (o.) 1 bewijs, argument 2 onderwerp, inhoud

ɡ arma armorum (o. mv.) wapens

ɡ armatus armata, armatum gewapend

ɡ armentum armenti (o.) vee; kudde

ɡ ars artis (v.) kunst; vaardigheid

ɡ artifex artificis (m./v.) kunstenaar; vakman

ɡ arvum arvi (o.) akker, veld

ɡ arx arcis (v.) burcht, vesting; bovenstad

ɡ asper aspera, asperum 1 ruw, hard, streng 2 moeilijk, gevaarlijk

ɡ aspicere aspicio, aspexi, aspectum kijken naar, aankijken

ɡ at (voegwoord) maar

ɡ ater atra, atrum donker, zwart

ɡ atque (voegwoord) en

ɡ atqui (voegwoord) maar toch

ɡ auctor auctoris (m./v.) 1 ontwerper, uitvinder 2 auteur, (geschied)schrijver 3 getuige, zegsman 4 raadgever, adviseur

ɡ auctoritas auctoritatis (v.)

1 macht, gezag 2 aanzien, invloed

ɡ audere audeo, ausus sum durven, wagen

ɡ audire audio, audivi, auditum horen; luisteren

ɡ augere augeo, auxi, auctum vermeerderen, vergroten

ɡ aura aurae (v.) bries, wind; lucht

ɡ aureus aurea, aureum gouden, van goud

ɡ auris auris (v.) oor

ɡ aurum auri (o.) goud

ɡ auster austri (m.) zuiden(wind)

ɡ aut (voegwoord) of

ɡ autem (voegwoord) echter, maar

ɡ auxilium auxilii (o.) 1 hulp(middel) 2 (mv.) hulptroepen

ɡ avaritia avaritiae (v.) hebzucht, gierigheid

ɡ avertere averto, averti, aversum afwenden, afkeren, afhouden

B

ɡ barbarus ¹ barbari (m.) vreemdeling, buitenlander; barbaar

ɡ barbarus ² barbara, barbarum vreemd, buitenlands; barbaars

ɡ beatus beata, beatum 1 gelukkig, blij 2 rijk, kostbaar

ɡ bellum belli (o.) oorlog

ɡ bene (bijwoord) goed

ɡ beneficium beneficii (o.) weldaad, gunst

ɡ bis (bijwoord) tweemaal

ɡ bonus bona, bonum goed

ɡ bos bovis (m./v.) rund: (m.) os, (v.) koe

ɡ bracchium bracchii (o.) arm

Cɡ cadere cado, cecidi, – vallen

ɡ caecus caeca, caecum 1 (ver)blind 2 onzichtbaar, verborgen 3 donker, duister

ɡ caedere caedo, cecidi, caesum doden, vermoorden

ɡ caedes caedis (v.) moord, doodslag; bloedbad, slachting

ɡ caelum caeli (o.) hemel

ɡ campus campi (m.) vlakte; veld

ɡ canere cano, cecini, – (be)zingen

ɡ canis canis (m./v.) hond

ɡ capere capio, cepi, captum grijpen, nemen; innemen, veroveren

ɡ captivus captivi (m.) (krijgs)gevangene

ɡ caput capitis (o.) hoofd, kop

ɡ carmen carminis (o.) lied; gedicht

ɡ carpere carpo, carpsi, carptum plukken

ɡ carus cara, carum

1 lief, geliefd, dierbaar

2 duur, kostbaar

ɡ castellum castelli (o.) fort, vesting

ɡ castra castrorum (o. mv.) (leger)kamp

ɡ casus casus (m.)

ɡ causa causae (v.)

1 val

2 toeval, voorval

3 ongeval, ongeluk

1 oorzaak, reden

2 rechtszaak, proces

ɡ gen. + causa wegens, omwille van

ɡ cavus cava, cavum hol, uitgehold, gewelfd

ɡ cedere cedo, cessi, cessum

1 (voort)gaan 2 weggaan, wijken

ɡ celer celeris, celere snel, vlug

ɡ celeritas celeritatis (v.) snelheid

ɡ centum (telwoord) honderd

ɡ centurio centurionis (m.) centurio, honderdman (= aanvoerder van een centurie, d.i. 1/60 van een legioen)

ɡ cernere cerno, crevi, cretum 1 waarnemen, zien 2 beslissen, besluiten

ɡ certamen certaminis (o.)

1 wedstrijd, wedijver 2 gevecht, strijd

ɡ certare certo, certavi, certatum 1 wedijveren 2 vechten, strijden

ɡ certus certa, certum

1 zeker

2 vast(gesteld), bepaald

ɡ ceterum (bijwoord) overigens, voor het overige

ɡ ceterus cetera, ceterum overig, ander

ɡ cingere cingo, cinxi, cinctum omgeven, omringen, omsingelen

ɡ circa + accusatief rondom; (dicht) bij; omstreeks

ɡ circiter (bijwoord) ongeveer

ɡ circum ¹ (bijwoord) rondom

ɡ circum ² + accusatief rondom; (dicht) bij; langs

ɡ circumdare circumdo, circumdedi, circumdatum omgeven

ɡ circumspicere circumspicio, circumspexi, rondkijken; bekijken circumspectum

ɡ circumvenire circumvenio, circumveni, omgeven, omringen, omsingelen circumventum

ɡ cito (bijwoord) snel, vlug, gauw

ɡ civis civis (m./v.) burger

ɡ civitas civitatis (v.)

1 burgerrecht, burgerschap

2 stad, gemeente; staat

ɡ clamor clamoris (m.) geroep, geschreeuw

ɡ clarus clara, clarum

1 helder, duidelijk; luid

2 beroemd, roemrijk

ɡ classis classis (v.) vloot; schip

ɡ claudere claudo, clausi, clausum sluiten

ɡ coepisse coepi of coeptus sum beginnen

ɡ cogere cogo, coegi, coactum 1 samendrijven 2 dwingen

ɡ cogitatio cogitationis (v.) het (na)denken; gedachte

ɡ cognoscere cognosco, cognovi, cognitum leren kennen, vernemen; herkennen

ɡ cohors cohortis (v.) cohort(e) (= 1/10 van een legioen)

ɡ cohortari cohortor, cohortatus sum aansporen, aanmoedigen

ɡ colere colo, colui, cultum

1 bebouwen, bewerken

2 (be)wonen

3 verzorgen, versieren

4 vereren, aanbidden

ɡ colligere colligo, collegi, collectum verzamelen

ɡ collis collis (m.) heuvel

ɡ collocare colloco, collocavi, collocatum opstellen, plaatsen, vestigen

ɡ collum colli (o.) hals, nek

ɡ color coloris (m.) kleur

ɡ comes comitis (m./v.) begeleider, metgezel

ɡ commeatus commeatus (m.)

1 verkeer; transport

2 bevoorrading

ɡ committere committo, commisi, commissum 1 samenbrengen

2 begaan, plegen

3 toevertrouwen

ɡ communis communis, commune gemeenschappelijk

ɡ complere compleo, complevi, completum vullen

ɡ complures complures, complura (mv.) tamelijk veel, heel wat

ɡ conari conor, conatus sum proberen, wagen, ondernemen

ɡ concedere concedo, concessi, concessum 1 weggaan, wijken 2 overlaten; toestaan

ɡ concilium concilii (o.) vergadering

ɡ concupiscere concupisco, concupivi, concupitum (hevig) verlangen, wensen, begeren

ɡ condere condo, condidi, conditum 1 stichten 2 opbergen

ɡ condicio condicionis (v.) 1 voorwaarde 2 omstandigheden

ɡ conferre confero, contuli, collatum 1 bijeenbrengen, verzamelen

2 vergelijken

ɡ conficere conficio, confeci, confectum 1 vervaardigen, tot stand brengen 2 bijeenbrengen, verzamelen

ɡ confidere confido, confisus sum (+ dat.) vertrouwen (op)

ɡ confirmare confirmo, confirmavi, confirmatum 1 versterken, sterker maken

2 bevestigen, bewijzen

ɡ conicere conicio, conieci, coniectum (bijeen)werpen, (bijeen)brengen

ɡ coniungere coniungo, coniunxi, coniunctum verbinden, verenigen

ɡ coniunx coniugis (m./v.) (m.) echtgenoot; (v.) echtgenote

ɡ coniuratio coniurationis (v.) samenzwering, complot

ɡ conscribere conscribo, conscripsi, conscriptum 1 opschrijven, inschrijven

2 rekruteren, aanwerven (van soldaten)

ɡ considere consido, consedi, consessum 1 gaan zitten, plaatsnemen

ɡ consilium consilii (o.)

ɡ consistere consisto, constiti, –

ɡ conspectus conspectus (m.)

2 zich vestigen, gaan wonen

1 plan, voornemen

2 overleg, beraadslaging

3 raad(geving), advies

4 besluit, beslissing

1 gaan staan, zich opstellen

2 blijven staan, stilstaan

1 zicht, gezichtsveld

2 aanblik, voorkomen

ɡ conspicere conspicio, conspexi, conspectum bekijken, aanschouwen

ɡ constituere constituo, constitui, constitutum

1 oprichten, aanleggen, bouwen

2 bepalen, vaststellen; besluiten

ɡ constitutio constitutionis (v.)

1 inrichting, organisatie

2 bepaling, verordening

ɡ consuescere consuesco, consuevi, consuetum gewoon worden

ɡ consuetudo consuetudinis (v.) gewoonte

ɡ consul consulis (m.) consul (= een van de twee hoogste ambtenaren in de republiek)

ɡ consulere consulo, consului, consultum 1 beraadslagen, overleggen

2 raadplegen, om raad vragen

ɡ consumere consumo, consumpsi, consumptum verbruiken

ɡ contendere contendo, contendi, contentum 1 (aan)spannen, strak aantrekken

2 (zich) inspannen

3 vechten, strijden

ɡ contentus contenta, contentum (+ abl.) tevreden (met)

ɡ continere contineo, continui, contentum bijeenhouden, vasthouden, tegenhouden

ɡ contingere contingo, contigi, contactum aanraken

ɡ contra 1 (bijwoord) daarentegen; daartegenover

ɡ contra 2 + accusatief tegen(over)

ɡ convenire convenio, conveni, conventum 1 samenkomen, zich verzamelen

2 overeenkomen, overeenstemmen

ɡ convertere converto, converti, conversum 1 omdraaien, omkeren

ɡ copia copiae (v.)

ɡ cornu cornus (o.)

2 veranderen

1 voorraad, hoeveelheid, menigte 2 gelegenheid, mogelijkheid

3 (mv.) troepen, strijdkrachten

1 hoorn

2 vleugel (van een leger)

ɡ corpus corporis (o.) lichaam

ɡ corripere corripio, corripui, correptum 1 grijpen, zich toe-eigenen

2 aantasten, overvallen

ɡ corrumpere corrumpo, corrupi, corruptum vernietigen, bederven

ɡ creber crebra, crebrum talrijk, veelvuldig

ɡ credere credo, credidi, creditum (+ dat.) 1 geloven

2 vertrouwen

ɡ crescere cresco, crevi, cretum groeien

ɡ crudelis crudelis, crudele wreed, meedogenloos

ɡ cum 1 + ablatief (samen) met

ɡ cum 2 + indicatief toen, wanneer

ɡ cum 3 + conjunctief

1 toen 2 omdat 3 hoewel

ɡ cunctus cuncta, cunctum 1 gezamenlijk, geheel 2 (mv.) alle(n); alles

ɡ cupere cupio, cupivi, cupitum verlangen, wensen, begeren

ɡ cupido cupidinis (v.)

ɡ cura curae (v.)

1 verlangen, begeerte 2 liefde, hartstocht

1 zorg, verzorging 2 bezorgdheid

ɡ curare curo, curavi, curatum 1 verzorgen, zorg dragen voor 2 zich bekommeren om

ɡ currus currus (m.) wagen, renwagen, strijdwagen

ɡ cursus cursus (m.)

1 (wed)loop, (wed)ren, vaart 2 loopbaan, carrière

ɡ custos custodis (m./v.) bewaker, beschermer

Dɡ damnare damno, damnavi, damnatum veroordelen

ɡ dare do, dedi, datum geven

ɡ de + ablatief

1 van(af), (van)uit 2 over, betreffende

ɡ dea deae (v.) godin

ɡ debere debeo, debui, debitum moeten; verschuldigd zijn

ɡ decedere decedo, decessi, decessum 1 weggaan, wegtrekken 2 overlijden, sterven

ɡ decem (telwoord) tien

ɡ decernere decerno, decrevi, decretum beslissen; oordelen

ɡ decus decoris (o.) 1 versiering 2 roem, eer

ɡ dedere dedo, dedidi, deditum overgeven, uitleveren; wijden aan

ɡ deditio deditionis (v.) overgave, uitlevering, onderwerping

ɡ deducere deduco, deduxi, deductum naar beneden leiden; wegleiden; leiden naar

ɡ defendere defendo, defendi, defensum verdedigen, beschermen

ɡ deferre defero, detuli, delatum naar beneden dragen/brengen; wegdragen, wegbrengen; overbrengen

ɡ deficere deficio, defeci, defectum

1 ontrouw worden, overlopen 2 ontbreken, tekortschieten

ɡ deinde (bijwoord) daarna, vervolgens

ɡ delectare delecto, delectavi, delectatum een plezier doen

ɡ deligere deligo, delegi, delectum (uit)kiezen

ɡ demittere demitto, demisi, demissum naar beneden zenden, laten zakken

ɡ demonstrare demonstro, demonstravi, 1 aanwijzen, aanduiden demonstratum 2 aantonen, bewijzen

ɡ denique (bijwoord) 1 (uit)eindelijk, ten slotte 2 kortom, in één woord

ɡ densus densa, densum dicht (op elkaar)

ɡ deserere desero, deserui, desertum verlaten, in de steek laten

ɡ desiderare desidero, desideravi, desideratum verlangen, wensen, begeren

ɡ desiderium desiderii (o.) verlangen, wens, begeerte

ɡ detrahere detraho, detraxi, detractum naar beneden trekken; wegtrekken

ɡ deus dei (m.) god

ɡ dexter dext(e)ra, dext(e)rum rechts, rechter-

ɡ dicere dico, dixi, dictum zeggen; spreken; noemen

ɡ dictum dicti (o.) woord, uitspraak, gezegde

ɡ dies diei (m./v.) dag

ɡ differre differo, distuli, dilatum 1 verspreiden 2 verschillen

ɡ dignus digna, dignum (+ abl.) waard(ig)

ɡ dimittere dimitto, dimisi, dimissum wegzenden, laten (uiteen)gaan

ɡ discedere discedo, discessi, discessum uiteengaan, weggaan

ɡ discere disco, didici, – leren, (be)studeren

ɡ diu (bijwoord) (sinds) lang, lange tijd

ɡ diversus diversa, diversum tegenovergesteld; verschillend

ɡ dives dives, dives, gen. divitis rijk

ɡ dividere divido, divisi, divisum (ver)delen, splitsen; scheiden

ɡ divitiae divitiarum (v. mv.) rijkdom

ɡ divus diva, divum goddelijk

ɡ docere doceo, docui, doctum leren, onderwijzen

ɡ dolere doleo, dolui, dolitum pijn hebben; verdriet hebben, (be)treuren

ɡ dolor doloris (m.) pijn; verdriet

ɡ dolus doli (m.) list, bedrog

ɡ domus domus (v.) huis

ɡ donum doni (o.) geschenk

ɡ dubitare dubito, dubitavi, dubitatum (be)twijfelen; aarzelen

ɡ dubius dubia, dubium twijfelend, onzeker; twijfelachtig

ɡ ducere duco, duxi, ductum leiden, voeren, brengen

ɡ dulcis dulcis, dulce

1 zoet 2 aangenaam

ɡ dum ¹ + indicatief 1 terwijl 2 zolang 3 totdat

ɡ dum ² + conjunctief 1 totdat 2 als ... maar, mits

ɡ duo duae, duo twee

ɡ durus dura, durum 1 hard 2 wreed, streng

ɡ dux ducis (m./v.) leider, aanvoerder, gids

Eɡ e + ablatief (van)uit, van(af)

ɡ ebrietas ebrietatis (v.) dronkenschap

ɡ ecce (tussenwerpsel) kijk (daar)

ɡ educere educo, eduxi, eductum naar buiten leiden, wegvoeren

ɡ efferre effero, extuli, elatum naar buiten dragen/brengen, wegvoeren

ɡ efficere efficio, effeci, effectum tot stand brengen, veroorzaken, maken

ɡ effundere effundo, effudi, effusum uitgieten, uitstorten

ɡ ego acc. me, gen. mei, dat. mihi, abl. me ik (verbogen: mij)

ɡ egredi egredior, egressus sum naar buiten gaan/komen

ɡ eligere eligo, elegi, electum uitkiezen, uitzoeken

ɡ emere emo, emi, emptum kopen

ɡ en (tussenwerpsel) kijk (daar)

ɡ enim (voegwoord) immers, namelijk

ɡ eo (bijwoord) daarheen

ɡ epistula epistulae (v.) brief

ɡ eques equitis (m.) 1 ruiter, cavalerist (= soldaat te paard) 2 ridder

ɡ equidem (bijwoord)

1 zeker, inderdaad, natuurlijk

2 weliswaar

ɡ equitatus equitatus (m.) ruiterij

ɡ equus equi (m.) paard

ɡ ergo (bijwoord) dus, bijgevolg

ɡ eripere eripio, eripui, ereptum uittrekken, wegrukken, afnemen

ɡ errare erro, erravi, erratum rondzwerven, ronddwalen

ɡ esse sum, fui, – 1 zijn; bestaan 2 hebben (met datief van de bezitter)

ɡ et (voegwoord)

1 en 2 ook

ɡ et ... et zowel ... als

ɡ etiam (voegwoord) ook, zelfs

ɡ etiamnunc (bijwoord) ook nu nog, nog altijd

ɡ etiamsi + indicatief/conjunctief ook als, zelfs indien

ɡ ex + ablatief (van)uit, van(af)

ɡ excedere excedo, excessi, excessum naar buiten gaan, weggaan

ɡ excipere excipio, excepi, exceptum 1 uitnemen, uittrekken

ɡ exercere exerceo, exercui, exercitum

2 opvangen, opnemen

1 in beweging zetten/houden

2 verontrusten, plagen, kwellen

3 (uit)oefenen, hanteren

ɡ exercitus exercitus (m.) leger

ɡ exire exeo, exii, exitum naar buiten gaan, weggaan

ɡ existimare existimo, existimavi, existimatum 1 schatten, (waard) achten 2 (be)oordelen, beslissen 3 menen, denken, geloven

ɡ exitus exitus (m.)

1 uitgang, uitweg 2 einde, afloop, slot

ɡ expellere expello, expuli, expulsum verdrijven, verjagen

ɡ experiri experior, expertus sum 1 proberen, op de proef stellen 2 ervaren, ondervinden

ɡ explorare exploro, exploravi, exploratum verkennen; onderzoeken

ɡ exprimere exprimo, expressi, expressum 1 uitdrukken, uitpersen 2 weergeven, beschrijven

ɡ exspectare exspecto, exspectavi, exspectatum wachten (op), verwachten

ɡ exstinguere exstinguo, exstinxi, exstinctum 1 (uit)doven, blussen 2 vernietigen; doden

ɡ exter(us) extera, exterum zich buiten bevindend; buitenlands

ɡ extra + accusatief buiten; behalve

Fɡ facere facio, feci, factum

1 doen 2 maken

ɡ facies faciei (v.) 1 uiterlijk, voorkomen, gedaante 2 gezicht, gelaat

ɡ facile (bijwoord) gemakkelijk, moeiteloos

ɡ facilis facilis, facile gemakkelijk, moeiteloos

ɡ facinus facinoris (o.) misdaad, schanddaad

ɡ factum facti (o.)

1 daad, handeling, werk 2 voorval, gebeurtenis, feit

ɡ facultas facultatis (v.) mogelijkheid, gelegenheid

ɡ fallere fallo, fefelli, – bedriegen, misleiden

ɡ falsus falsa, falsum

ɡ fama famae (v.)

1 vals, onwaar, onecht 2 bedrieglijk, misleidend

1 gerucht; opinie 2 roem; reputatie

ɡ fames famis (v.) honger

ɡ fari for, fatus sum verkondigen, spreken, zeggen

ɡ fatum fati (o.) (nood)lot

ɡ felicitas felicitatis (v.) geluk, voorspoed

ɡ felix felix, felix, gen. felicis gelukkig, voorspoedig

ɡ fera ferae (v.) wild dier

ɡ fere (bijwoord) bijna, ongeveer

ɡ ferre fero, tuli, latum

ɡ ferrum ferri (o.)

1 dragen, voeren

2 brengen

3 verdragen, dulden

4 vertellen, zeggen

1 ijzer

2 wapen: zwaard, dolk, speer

ɡ fessus fessa, fessum moe, uitgeput, afgemat

ɡ fetus fetus (m.) vrucht

ɡ fides fidei (v.)

1 vertrouwen

2 trouw, eerlijkheid

ɡ fiducia fiduciae (v.) (zelf)vertrouwen; moed

ɡ fieri fio, factus sum

1 worden, ontstaan; gebeuren 2 gedaan worden; gemaakt worden

ɡ figere figo, fixi, fixum vasthechten, bevestigen

ɡ filius filii (m.) zoon

ɡ finis finis (m.)

1 grens; einde 2 (mv.) gebied

ɡ finitimus finitima, finitimum (+ dat.) aangrenzend, naburig

ɡ flamma flammae (v.) vlam, vuur

ɡ flectere flecto, flexi, flexum

1 buigen, krommen 2 van mening doen veranderen

ɡ flos floris (m.) bloem

ɡ fluctus fluctus (m.) golf, vloed

ɡ flumen fluminis (o.) rivier, stroom

ɡ fons fontis (m.) bron

ɡ forma formae (v.)

1 vorm, gestalte 2 schoonheid

ɡ formare formo, formavi, formatum vormen; maken

ɡ formido formidinis (v.) (grote) angst, schrik

ɡ fortasse (bijwoord) misschien

ɡ forte (bijwoord) toevallig

ɡ fortis fortis, forte 1 sterk, krachtig 2 moedig, dapper, flink

ɡ fortitudo fortitudinis (v.) moed, dapperheid

ɡ fortuitus fortuita, fortuitum toevallig, willekeurig, spontaan

ɡ fortuna fortunae (v.) 1 lot, toeval; (on)geluk 2 (mv.) bezit, vermogen

ɡ forum fori (o.) forum, markt(plein)

ɡ fossa fossae (v.) gracht, sloot; kanaal

ɡ frangere frango, fregi, fractum breken

ɡ frater fratris (m.) broer

ɡ frigidus frigida, frigidum koud, koel, fris

ɡ frigus frigoris (o.) (winter)kou

ɡ frons frondis (v.) loof, gebladerte

ɡ frui fruor, fructus/fruitus sum (+ abl.) genieten (van)

ɡ frumentarius frumentaria, frumentarium het graan betreffend, graan-

ɡ frumentum frumenti (o.) graan, koren

ɡ frustra (bijwoord) tevergeefs

ɡ frux frugis (v.) vrucht

ɡ fuga fugae (v.) vlucht

ɡ fugere fugio, fugi, – (ont)vluchten

ɡ fundere fundo, fudi, fusum (uit)gieten

ɡ furor furoris (m.) woede, razernij, waanzin

G

ɡ gaudere gaudeo, gavisus sum blij zijn, zich verheugen

ɡ geminus gemina, geminum tweeling-

ɡ gemitus gemitus (m.) gezucht, geklaag, gejammer

ɡ genitor genitoris (m.) verwekker, vader; schepper, maker

ɡ gens gentis (v.)

ɡ genus generis (o.)

ɡ gerere gero, gessi, gestum

1 geslacht, familie

2 (volks)stam, volk, natie

1 geboorte, afstamming, herkomst 2 geslacht, familie; stam, volk 3 soort, type; manier, wijze

1 dragen, voeren

2 maken, doen

ɡ gloria gloriae (v.) roem, eer

ɡ gratia gratiae (v.)

1 charme, bevalligheid

2 gunst, welwillendheid

3 dank(baarheid)

ɡ gen. + gratia wegens, omwille van

ɡ gravis gravis, grave

1 zwaar; lastig

2 ernstig; belangrijk

ɡ grex gregis (m.) kudde; troep, groep

ɡ gubernator gubernatoris (m.) stuurman; bestuurder, leider

Hɡ habere habeo, habui, habitum

1 hebben; houden

2 beschouwen als

ɡ habitus habitus (m.) houding, uiterlijk; toestand, aard

ɡ haerere haereo, haesi, haesum blijven hangen/steken, vastzitten

ɡ harena harenae (v.)

1 zand 2 strijdperk, arena

ɡ haud (bijwoord) (helemaal) niet

ɡ herba herbae (v.) gras; kruid

ɡ heu (tussenwerpsel) ach, o, oh

ɡ hiberna hibernorum (o. mv ) winterkwartier (= verblijfplaats voor soldaten tijdens de winter)

ɡ hic ¹ haec, hoc deze/dit

ɡ hic ² (bijwoord) hier

ɡ hiems hiemis (v.) winter

ɡ hinc (bijwoord) 1 vanhier, hiervandaan 2 vandaar, daardoor

ɡ homo hominis (m.) mens

ɡ honor honoris (m.) eer(betoon); (ere)ambt

ɡ hora horae (v.) uur

ɡ hortari hortor, hortatus sum aansporen

ɡ hostis hostis (m.) (staats)vijand

ɡ huc (bijwoord) hierheen

ɡ humanus humana, humanum menselijk

ɡ humus humi ( v.) grond, aarde, bodem

ɡ hymenaeus hymenaei (m.) bruiloft, huwelijk; bruiloftslied

Iɡ iacere ¹ iaceo, iacui, – liggen

ɡ iacere ² iacio, ieci, iactum werpen

ɡ iactare iacto, iactavi, iactatum werpen, (heen en weer) slingeren

ɡ iam (bijwoord) al, reeds

ɡ ibi (bijwoord) daar

ɡ idem eadem, idem dezelfde/hetzelfde

ɡ ideo (bijwoord) daarom

ɡ idoneus idonea, idoneum geschikt, passend, bekwaam

ɡ igitur (voegwoord) dus, bijgevolg

ɡ ignarus ignara, ignarum (+ gen.) onervaren, onwetend

ɡ ignis ignis (m.) vuur, brand

ɡ ille illa, illud die/dat

ɡ imago imaginis (v.) beeld, afbeelding

ɡ imber imbris (m.) (regen)bui, (stort)regen

ɡ immanis immanis, immane onmetelijk, reusachtig, enorm (groot)

ɡ immensus immensa, immensum onmetelijk, reusachtig, oneindig

ɡ impedimentum impedimenti (o.)

1 hindernis, belemmering

2 (mv.) bagage

ɡ impedire impedio, impedivi, impeditum verhinderen, belemmeren

ɡ impellere impello, impuli, impulsum voortdrijven; aanzetten

ɡ imperare impero, imperavi, imperatum (+ dat.) 1 bevelen, opdracht geven

2 heersen (over), regeren

ɡ imperator imperatoris (m.) opperbevelhebber; keizer

ɡ imperium imperii (o.)

1 bevel

2 macht, heerschappij

3 rijk

ɡ impetus impetus (m.) aanval

ɡ implere impleo, implevi, impletum

1 vullen (met) (+ gen./abl.)

2 vervullen, volbrengen

ɡ imponere impono, imposui, impositum 1 plaatsen/leggen/zetten in/op

ɡ in ¹ + accusatief

2 opleggen; aanstellen

1 naar, tot (in)

2 tegen(over)

3 met het oog op

ɡ in ² + ablatief in; op; bij

ɡ inanis inanis, inane 1 leeg, ijl 2 waardeloos, nutteloos

ɡ incendere incendo, incendi, incensum 1 in brand steken, aansteken 2 aanvuren, ophitsen

ɡ incertus incerta, incertum onzeker, onbepaald; onbetrouwbaar

ɡ incipere incipio, incepi, inceptum beginnen

ɡ incolumis incolumis, incolume ongedeerd, behouden

ɡ incommodus incommoda, incommodum onaangenaam, lastig, ongelegen

ɡ inde (bijwoord) 1 vandaar, daarvandaan 2 daarna; daardoor

ɡ infelix infelix, infelix, gen. infelicis ongelukkig

ɡ inferre infero, intuli, illatum 1 naar binnen dragen/brengen 2 veroorzaken, teweegbrengen

ɡ inferus infera, inferum zich beneden bevindend

ɡ ingenium ingenii (o.)

1 karakter, aard 2 aanleg, talent, verstand

ɡ ingens ingens, ingens, gen. ingentis reusachtig, zeer groot

ɡ inimicus inimici (m.) (persoonlijke) vijand

ɡ iniquus iniqua, iniquum

1 oneffen, ongelijk 2 ongunstig, moeilijk 3 oneerlijk, onrechtvaardig

ɡ inire ineo, inii, initum 1 binnengaan 2 beginnen

ɡ initium initii (o.) begin

ɡ iniuria iniuriae (v.) onrecht(vaardigheid)

ɡ inopia inopiae (v.) gebrek, armoede, nood

ɡ inquit (defectief) zegt hij; zei hij

ɡ insequi insequor, insecutus sum op de voet volgen; achtervolgen

ɡ insidiae insidiarum (v. mv.) hinderlaag

ɡ insignis insignis, insigne opvallend, buitengewoon, uitstekend

ɡ instare insto, institi, –

ɡ instituere instituo, institui, institutum

1 (blijven) staan in/op 2 achtervolgen

1 oprichten, instellen 2 onderwijzen, onderrichten

ɡ instruere instruo, instruxi, instructum 1 inrichten, opstellen 2 onderwijzen, onderrichten

ɡ insula insulae (v.) 1 eiland 2 huizenblok

ɡ intellegere intellego, intellexi, intellectum begrijpen, inzien

ɡ intentus intenta, intentum 1 ijverig 2 aandachtig, waakzaam

ɡ inter + accusatief 1 tussen, onder, te midden van 2 tijdens, gedurende

ɡ interea (bijwoord) ondertussen, intussen

ɡ interesse intersum, interfui, – 1 zijn/liggen tussen 2 aanwezig zijn bij

ɡ interest (+ gen. of v. bez. vnw.) het is van belang (voor)

ɡ interficere interficio, interfeci, interfectum doden

ɡ interim (bijwoord) ondertussen, inmiddels

ɡ intermittere intermitto, intermisi, intermissum 1 ertussen leggen/laten 2 onderbreken, uitstellen

ɡ intra + accusatief binnen

ɡ intueri intueor, intuitus sum kijken naar, bekijken

ɡ invadere invado, invasi, invasum 1 binnendringen; aanvallen 2 overvallen, aantasten (van gevoelens)

ɡ invenire invenio, inveni, inventum (uit)vinden, ontdekken, aantreffen

ɡ invidia invidiae (v.) jaloezie, afgunst

ɡ io (tussenwerpsel) 1 hoera 2 ach

ɡ ipse ipsa, ipsum zelf

ɡ ira irae (v.) woede

ɡ ire eo, ii, itum gaan

ɡ is ea, id die/dat

ɡ iste ista, istud die/dat

ɡ ita (bijwoord) zo, op die manier

ɡ itaque (voegwoord) daarom, dus, bijgevolg

ɡ item (bijwoord) eveneens, ook

ɡ iter itineris (o.) 1 reis, tocht 2 weg, straat

ɡ iterum (bijwoord) nogmaals, opnieuw, weer

ɡ iubere iubeo, iussi, iussum bevelen; vragen

ɡ iucundus iucunda, iucundum aangenaam, prettig

ɡ iugum iugi (o.) 1 juk (van trekdieren) 2 berg(keten)

ɡ iungere iungo, iunxi, iunctum verbinden, verenigen, samenvoegen

ɡ ius iuris (o.) recht

ɡ iustitia iustitiae (v.) rechtvaardigheid

ɡ iuvare iuvo, iuvi, iutum helpen, ondersteunen

ɡ iuvencus iuvenci (m.) jonge stier

ɡ iuvenis iuvenis (m.) jongeman

Lɡ labi labor, lapsus sum glijden, afglijden, wegglijden, voortglijden, uitglijden

ɡ labor laboris (m.) werk, arbeid, inspanning, moeite

ɡ laborare laboro, laboravi, laboratum 1 werken, zich inspannen, moeite doen 2 lijden, in nood verkeren

ɡ lacrima lacrimae (v.) traan

ɡ laetus laeta, laetum vrolijk, blij, opgewekt, verheugd

ɡ laevus laeva, laevum 1 links, linker2 onhandig, dwaas

ɡ latus ¹ lateris (o.) zijde, zijkant, flank

ɡ latus ² lata, latum breed, wijd, uitgestrekt

ɡ laus laudis (v.) lof(prijzing), roem, verheerlijking

ɡ legatus legati (m.) 1 gezant 2 onderbevelhebber

ɡ legere lego, legi, lectum 1 lezen 2 verzamelen

ɡ legio legionis (v.) legioen

ɡ lentus lenta, lentum 1 langzaam, traag 2 rustig, kalm

ɡ levis levis, leve 1 licht (van gewicht) 2 gering, onbeduidend

ɡ lex legis (v.) wet

ɡ libenter (bijwoord) graag, met plezier

ɡ liber libri (m.) boek, geschrift

ɡ liberalis liberalis, liberale 1 van de vrijheid, vrijheids2 beschaafd, voornaam

ɡ liberi liberorum (m. mv.) kinderen

ɡ libertas libertatis (v.) vrijheid

ɡ libido libidinis (v.) begeerte, verlangen, (wel)lust

ɡ licet ¹ licuit of licitum est het is toegelaten, men mag

ɡ licet ² + conjunctief hoewel, ook al

ɡ limen liminis (o.) drempel

ɡ lingua linguae (v.) 1 tong 2 taal

ɡ linquere linquo, liqui, – verlaten, achterlaten

ɡ liquidus liquida, liquidum vloeibaar, vloeiend

ɡ littera litterae (v.) 1 letter 2 (mv.) brief; literatuur

ɡ litus litoris (o.) kust, strand; oever

ɡ locus loci (m.) plaats

ɡ longus longa, longum lang

ɡ loqui loquor, locutus sum spreken, praten; zeggen

ɡ lucus luci (m.) (heilig) bos, woud

ɡ lumen luminis (o.) licht

ɡ luna lunae (v.) maan

ɡ lux lucis (v.) licht

Mɡ magis (bijwoord) meer

ɡ magistratus magistratus (m.) 1 ambtenaar 2 ambt

ɡ magnitudo magnitudinis (v.) grootte

ɡ magnus magna, magnum groot

ɡ maiores maiorum (m. mv.) voorouders

ɡ malle malo, malui, – liever willen, verkiezen

ɡ malus mala, malum slecht

ɡ mandare mando, mandavi, mandatum 1 toevertrouwen 2 opdragen, bevelen

ɡ manere maneo, mansi, mansum 1 blijven (bestaan) 2 wachten, te wachten staan

ɡ manus manus (v.) 1 hand 2 groep, bende 3 gezag, macht

ɡ mare maris (o.) zee

ɡ mater matris (v.) moeder

ɡ materia materiae (v.) 1 materie, (grond)stof 2 oorzaak, aanleiding

ɡ medicus medici (m.) dokter, arts

ɡ medius media, medium middelste; in het midden (van)

ɡ membrum membri (o.) 1 (lichaams)deel 2 (mv.) ledematen

ɡ meminisse memini (+ gen.) zich herinneren, denken aan

ɡ memor memor, memor, gen. memoris (+ gen.) zich herinnerend, denkend aan

ɡ memorare memoro, memoravi, memoratum in herinnering brengen, vermelden

ɡ memoria memoriae (v.) geheugen; herinnering

ɡ mens mentis (v.) 1 verstand, geest 2 gedachte

ɡ metuere metuo, metui, – vrezen, bang zijn (voor)

ɡ metus metus (m.) angst, vrees

ɡ meus mea, meum mijn

ɡ miles militis (m.) soldaat

ɡ militaris militaris, militare militair

ɡ mille (telwoord) duizend

ɡ mirari miror, miratus sum 1 zich verwonderen; zich afvragen 2 bewonderen

ɡ miscere misceo, miscui, mixtum

1 (ver)mengen; verenigen 2 verwarren, in verwarring brengen

ɡ miser misera, miserum ongelukkig, ellendig, armoedig

ɡ mittere mitto, misi, missum sturen, zenden

ɡ modo (bijwoord)

1 zojuist, zonet, onlangs, pas 2 alleen (maar), slechts

ɡ modo ... modo nu eens ... dan weer

ɡ modus modi (m.)

1 manier, wijze 2 maat (van hoeveelheid)

ɡ moenia moenium (o. mv.) (stads)muren, vestingwerken

ɡ molestus molesta, molestum lastig, onaangenaam, vervelend

ɡ mollis mollis, molle week, zacht, mals

ɡ monere moneo, monui, monitum waarschuwen; aanraden

ɡ mons montis (m.) berg, gebergte

ɡ mora morae (v.) uitstel, vertraging, oponthoud

ɡ morari moror, moratus sum 1 wachten, treuzelen 2 zich bevinden

ɡ mori morior, mortuus sum sterven

ɡ mors mortis (v.) dood

ɡ mortalis mortalis, mortale sterfelijk

ɡ mos moris (m.) gewoonte, zede

ɡ motus motus (m.) beweging

ɡ movere moveo, movi, motum 1 bewegen 2 ontroeren

ɡ multitudo multitudinis (v.) menigte, massa

ɡ multo (bijwoord) veel, zeer, heel

ɡ multum (bijwoord) zeer, veel, erg

ɡ multus multa, multum veel

ɡ munire munio, munivi, munitum

1 bouwen

2 versterken 3 beschermen

ɡ munitio munitionis (v.) versterking, verschansing

ɡ munus muneris (o.)

1 taak, ambt; plicht 2 gunst, dienstbewijs 3 geschenk, gift, gave

ɡ murus muri (m.) muur

ɡ mutare muto, mutavi, mutatum veranderen, wijzigen

ɡ mutus muta, mutum stil, zwijgend

Nɡ nam (voegwoord) want, namelijk, immers

ɡ namque (voegwoord) want, namelijk, immers

ɡ nasci nascor, natus sum geboren worden; afstammen (van)

ɡ natura naturae (v.) natuur; aard, karakter

ɡ naturalis naturalis, naturale natuurlijk, natuur-

ɡ natus nati (m.) zoon

ɡ navis navis (v.) schip, boot

ɡ -ne ¹ (vraagpartikel)

ɡ ne ² + conjunctief

1 (wordt in een directe vraag niet vertaald, maar weergegeven door inversie)

2 of (in een indirecte vraag)

1 (op)dat niet, (om) niet te; om te voorkomen dat, uit vrees dat 2 dat, (om) te

ɡ nec (voegwoord) en niet, ook niet; maar niet

ɡ nec ... nec noch ... noch

ɡ necesse (onverbuigbaar) noodzakelijk, nodig

ɡ necessitas necessitatis (v.) nood(zaak); behoefte

ɡ negare nego, negavi, negatum

ɡ negotium negotii (o.)

1 nee zeggen

2 ontkennen, zeggen dat niet

3 weigeren, ontzeggen

1 bezigheid, werk

2 opdracht, taak

3 onderneming, (handels)zaak

ɡ nemo acc. neminem, gen. nullius, dat. nemini, abl. nullo niemand

ɡ nemus nemoris (o.) (heilig) bos, woud

ɡ nepos nepotis (m.) kleinzoon; nakomeling

ɡ neque (voegwoord) en niet, ook niet; maar niet

ɡ neque ... neque noch ... noch

ɡ nequiquam (bijwoord) tevergeefs

ɡ nescire nescio, nescivi, nescitum niet weten; niet kennen

ɡ neve + conjunctief en (op)dat niet, en (om) niet te

ɡ ni + indicatief/conjunctief als niet, indien niet, tenzij

ɡ niger nigra, nigrum zwart, donker

ɡ nihil acc. nihil, gen. nullius rei, dat. nulli rei, abl. nulla re niets

ɡ nisi + indicatief/conjunctief als niet, indien niet, tenzij

ɡ niti nitor, nisus/nixus sum (+ abl.) steunen/leunen op

ɡ nobilis nobilis, nobile adellijk

ɡ nobilitas nobilitatis (v.) adel

ɡ noctu (bijwoord) ’s nachts

ɡ nomen nominis (o.) naam

ɡ non (bijwoord) niet, geen

ɡ nondum (bijwoord) nog niet

ɡ nonnullus nonnulla, nonnullum 1 tamelijk groot/veel 2 (mv.) enkele(n), sommige(n)

ɡ nos acc. nos, gen. nostri, dat. nobis, abl. nobis wij (verbogen: ons)

ɡ noscere nosco, novi, notum leren kennen, te weten komen

ɡ noster nostra, nostrum ons

ɡ notus nota, notum bekend

ɡ novus nova, novum nieuw

ɡ nox noctis (v.) nacht

ɡ nubes nubis (v.) wolk

ɡ nullus nulla, nullum geen (enkel)

ɡ numen numinis (o.) goddelijke wil/macht; godheid

ɡ numerare numero, numeravi, numeratum 1 tellen, rekenen 2 betalen

ɡ numerus numeri (m.) getal; aantal

ɡ numquam (bijwoord) nooit

ɡ numquid (bijwoord) toch niet, toch geen

ɡ nunc (bijwoord) nu

ɡ nunc ... nunc nu eens ... dan weer

ɡ nuntiare nuntio, nuntiavi, nuntiatum melden, aankondigen

ɡ nuntius nuntii (m.)

1 bode, koerier 2 boodschap, bericht

ɡ nympha nymphae (v.) nimf

Oɡ ob + accusatief wegens, om

ɡ obscurus obscura, obscurum 1 donker, duister 2 onduidelijk

ɡ obses obsidis (m./v.) gijzelaar

ɡ obtinere obtineo, obtinui, obtentum vasthouden; in bezit hebben/nemen; behouden

ɡ occidere occido, occidi, occisum doden

ɡ occupare occupo, occupavi, occupatum innemen, bezetten

ɡ oceanus oceani (m.) oceaan, wereldzee

ɡ oculus oculi (m.) oog

ɡ officium officii (o.) taak, ambt; plicht

ɡ omnino (bijwoord) helemaal, volledig

ɡ omnis omnis, omne 1 ieder, elk 2 geheel, volledig 3 (mv.) alle(n); alles

ɡ opinio opinionis (v.)

1 mening 2 reputatie

ɡ oppidum oppidi (o.) (versterkte) stad

ɡ opportunus opportuna, opportunum gunstig, geschikt

ɡ opprimere opprimo, oppressi, oppressum neerdrukken; onderdrukken; overweldigen, overvallen

ɡ oppugnare oppugno, oppugnavi, oppugnatum aanvallen, bestormen, belegeren

ɡ ops opis (v.) 1 macht, kracht; hulp 2 (mv.) rijkdom; strijdkrachten

ɡ optare opto, optavi, optatum wensen

ɡ opus operis (o.) werk, arbeid, bezigheid

ɡ opus est (+ abl.) het is nodig, men heeft nodig

ɡ ora orae (v.) kust

ɡ orare oro, oravi, oratum bidden; smeken, vragen

ɡ oratio orationis (v.) redevoering, voordracht

ɡ orbis orbis (m.) cirkel, kring

ɡ ordo ordinis (m.)

1 rij 2 stand, rang, klasse 3 orde

ɡ oriri orior, ortus sum ontstaan

ɡ os ¹ oris (o.)

1 mond, muil, bek 2 gezicht, gelaat

ɡ os ² ossis (o.) bot, been

ɡ ostendere ostendo, ostendi, ostentum tonen, laten zien

ɡ otium otii (o.) vrije tijd, rust, nietsdoen

Pɡ palma palmae (v.)

1 hand(palm)

2 palm(boom)

ɡ palus paludis (v.) moeras, poel

ɡ pandere pando, pandi, passum

1 uitbreiden, uitstrekken 2 openen; openbaren

ɡ par par, par, gen. paris (+ dat.) gelijk (aan)

ɡ parare paro, paravi, paratum

1 voorbereiden, gereedmaken 2 verkrijgen, verwerven

ɡ paratus parata, paratum gereed, klaar, voorbereid

ɡ parcere parco, peperci, – (+ dat.) sparen, zuinig zijn (met), ontzien

ɡ parens parentis (m./v.) ouder: (m.) vader, (v.) moeder

ɡ parere pareo, parui, – (+ dat.) gehoorzamen

ɡ pars partis (v.)

1 deel, stuk 2 kant, zijde

ɡ parum (bijwoord) te weinig, niet genoeg

ɡ parvus parva, parvum klein

ɡ pascere pasco, pavi, pastum hoeden, weiden, laten grazen

ɡ passus passus (m.) stap, pas

ɡ mille passus mijl (= ongeveer 1,5 km)

ɡ pastor pastoris (m.) herder

ɡ pater patris (m.) vader

ɡ patere pateo, patui, –

1 openstaan 2 zich uitstrekken

ɡ pati patior, passus sum lijden; dulden, toelaten

ɡ patria patriae (v.) vaderland

ɡ patrius patria, patrium 1 vaderlijk, van de vader 2 van de voorouders (geërfd)

ɡ pauci paucae, pauca (mv.) weinig, enige, een paar

ɡ paulatim (bijwoord) geleidelijk, langzamerhand

ɡ paulo (bijwoord) een beetje

ɡ paulum (bijwoord) een beetje

ɡ pauper pauper, pauper, gen. pauperis arm, armoedig

ɡ paupertas paupertatis (v.) armoede

ɡ pax pacis (v.) vrede

ɡ peccare pecco, peccavi, peccatum verkeerd handelen, fouten maken

ɡ pectus pectoris (o.) 1 borst 2 hart

ɡ pecunia pecuniae (v.) geld

ɡ pecus pecoris (o.) vee

ɡ pedes peditis (m.) infanterist (= soldaat te voet)

ɡ pelagus pelagi (o.) zee

ɡ pellere pello, pepuli, pulsum

1 stoten, slaan, kloppen

2 verdrijven, verjagen

ɡ pendere pendeo, pependi, – hangen

ɡ penna pennae (v.) veer, slagpen; vleugel

ɡ per + accusatief

1 door, over, langs

2 tijdens, gedurende

3 door middel van, met behulp van

ɡ perfectus perfecta, perfectum volmaakt, perfect; volledig

ɡ perferre perfero, pertuli, perlatum

1 dragen/brengen naar, overbrengen

2 voltooien, volbrengen, uitvoeren

3 verdragen, uithouden

ɡ perficere perficio, perfeci, perfectum voltooien, uitvoeren, afmaken

ɡ periculum periculi (o.) gevaar, risico

ɡ perire pereo, perii, peritum omkomen, ten onder gaan

ɡ perseverare persevero, perseveravi, volhouden, volharden, voortzetten perseveratum

ɡ persuadere persuadeo, persuasi, overtuigen; overhalen persuasum (+ dat.)

ɡ perterrere perterreo, perterrui, perterritum hevig doen schrikken, hevige schrik aanjagen

ɡ pervenire pervenio, perveni, perventum komen (tot), bereiken, aankomen

ɡ pes pedis (m.) voet, poot

ɡ petere peto, petivi, petitum

1 gaan naar 2 nastreven, trachten te bereiken 3 vragen, verzoeken

ɡ philosophia philosophiae (v.) filosofie, wijsbegeerte

ɡ philosophus philosophi (m.) filosoof, wijsgeer

ɡ pinguis pinguis, pingue vet, dik

ɡ pius pia, pium trouw; vroom; liefdevol

ɡ placere placeo, placui, placitum (+ dat.) bevallen, aangenaam zijn, plezier doen, in de smaak vallen

ɡ plebs plebis (v.) volksmenigte, gepeupel

ɡ plenus plena, plenum (+ gen./abl.) vol (van), gevuld (met)

ɡ plerique pleraeque, pleraque (mv.) de meeste; zeer veel

ɡ plerumque (bijwoord) meestal, gewoonlijk

ɡ poena poenae (v.) straf; boete

ɡ polliceri polliceor, pollicitus sum beloven

ɡ pondus ponderis (o.) gewicht, zwaarte

ɡ ponere pono, posui, positum plaatsen, zetten, leggen, stellen

ɡ pons pontis (m.) brug

ɡ pontus ponti (m.) zee

ɡ populus populi (m.) volk

ɡ porta portae (v.) poort, deur

ɡ portare porto, portavi, portatum dragen, brengen

ɡ portus portus (m.) haven

ɡ poscere posco, poposci, – eisen, verlangen, vragen

ɡ posse possum, potui, – kunnen

ɡ post + accusatief achter; na

ɡ post(ea) (bijwoord) daarna, later

ɡ posterius (bijwoord) later, daarna

ɡ posterus postera, posterum volgend, later

ɡ postquam + indicatief perfectum nadat

ɡ postulare postulo, postulavi, postulatum eisen, verlangen

ɡ potens potens, potens, gen. potentis

1 machtig, krachtig

2 in staat (tot) (+ gen.)

ɡ potentia potentiae (v.) kracht; macht, invloed

ɡ potestas potestatis (v.) macht, gezag

ɡ potiri potior, potitus sum (+ gen./abl.) bemachtigen, verkrijgen

ɡ praeceps praeceps, praeceps, gen. praecipitis halsoverkop, overhaast

ɡ praeda praedae (v.) buit; prooi

ɡ praemium praemii (o.) beloning

ɡ praesens praesens, praesens, gen. praesentis aanwezig; tegenwoordig

ɡ praesidium praesidii (o.)

1 bescherming, hulp

2 garnizoen, wachtpost (= groep soldaten op een bepaalde plaats)

ɡ praestare praesto, praestiti, praestitum 1 overtreffen, uitmunten (boven) (+ dat.)

2 verschaffen, verlenen

3 verrichten, vervullen

ɡ praeter + accusatief

1 langs, voorbij 2 behalve, uitgezonderd

ɡ praeterea (bijwoord) bovendien, daarenboven

ɡ preces precum (v. mv.) smeekbede, verzoek; gebed

ɡ premere premo, pressi, pressum drukken

ɡ primo (bijwoord) in het begin, aanvankelijk

ɡ primum (bijwoord) (voor het) eerst, ten eerste

ɡ primus prima, primum eerste

ɡ princeps princeps, princeps, gen. principis eerste, voornaamste

ɡ prior prior, prius, gen. prioris eerder, vroeger

ɡ priusquam + indicatief/conjunctief eerder dan, voordat

ɡ pro + ablatief 1 ten voordele van 2 in plaats van 3 in verhouding tot

ɡ probare probo, probavi, probatum 1 keuren, onderzoeken

2 goedkeuren, aanvaarden

3 bewijzen

ɡ procedere procedo, processi, processum vooruitgaan, naar voren komen/gaan

ɡ procul (bijwoord) in de verte, op een afstand, (van) ver

ɡ proelium proelii (o.) gevecht, strijd

ɡ proficere proficio, profeci, profectum 1 verder komen, vorderen 2 helpen, baten

ɡ proficisci proficiscor, profectus sum vertrekken

ɡ progredi progredior, progressus sum voortgaan, vooruitgaan

ɡ prohibere prohibeo, prohibui, prohibitum verhinderen, beletten, tegenhouden

ɡ proles prolis (v.) nakomeling, kind

ɡ prope 1 (bijwoord) dichtbij; bijna

ɡ prope 2 + accusatief dicht bij; omstreeks

ɡ properare propero, properavi, properatum zich haasten; haastig doen

ɡ propinquus propinqua, propinquum (+ dat.) dichtbij, naburig, aangrenzend

ɡ propior propior, propius, dichterbij gen. propioris (+ dat.)

ɡ propositum propositi (o.) voornemen, bedoeling, plan

ɡ propter + accusatief wegens, door

ɡ providere provideo, providi, provisum voorzien

ɡ provincia provinciae (v.) provincie (= door Rome veroverd en bestuurd gebied buiten Italië)

ɡ prudens prudens, prudens, gen. prudentis 1 bekend met, ervaren in (+ gen.) 2 verstandig, intelligent

ɡ publicus publica, publicum openbaar, van de staat

ɡ puer pueri (m.) jongen, knaap

ɡ pugna pugnae (v.) gevecht, strijd

ɡ pugnare pugno, pugnavi, pugnatum vechten, strijden

ɡ pulcher pulchra, pulchrum mooi

ɡ puppis puppis (v.) achterdek, achtersteven (= achterste gedeelte van een schip)

ɡ putare puto, putavi, putatum 1 menen, denken, geloven 2 schatten, (waard) achten

Qɡ qua (bijwoord) waar(langs)

ɡ quaerere quaero, quaesivi, quaesitum 1 zoeken 2 vragen 3 nastreven

ɡ qualis qualis, quale wat (voor) een

ɡ quam (bijwoord) 1 hoe (bij een adjectief of bijwoord) 2 dan (na een comparatief)

3 zo ... mogelijk (bij een superlatief)

ɡ quamdiu (bijwoord) hoe lang

ɡ quamquam + indicatief hoewel

ɡ quanto (bijwoord) hoeveel

ɡ quantum (bijwoord) hoeveel, hoezeer

ɡ quantus quanta, quantum hoe groot; hoeveel

ɡ quasi + conjunctief alsof

ɡ quattuor (telwoord) vier

ɡ -que (voegwoord) en

ɡ -que ... -que zowel ... als

ɡ quemadmodum (bijwoord) op welke manier, hoe

ɡ queri queror, questus sum klagen (over)

ɡ qui ¹ quae, quod (betrekkelijk) die/dat

ɡ qui ² quae, quod (vragend) welk, wat voor (een)

ɡ qui ³ qua, quod (onbepaald)

1 een (of ander) 2 (mv.) enige(n)

ɡ quia + indicatief omdat, aangezien

ɡ quicumque quaecumque, quodcumque om het even wie/wat/welk

ɡ quidam quaedam, quiddam/quoddam

ɡ quidem (bijwoord)

1 (zelfstandig) iemand; iets

2 (bijvoeglijk) een (zeker) 3 (mv.) enige(n), enkele(n)

1 zeker, ongetwijfeld 2 tenminste, althans 3 maar, echter 4 weliswaar

ɡ quidni (bijwoord) waarom niet

ɡ quin + conjunctief dat, (om) te, of

ɡ quippe (bijwoord) immers, natuurlijk, zeker

ɡ quis ¹ quis, quid (vragend) wie/wat

ɡ quis ² quis, quid (onbepaald) 1 iemand; iets 2 (mv.) enige(n)

ɡ quisquam quaequam, quicquam/quidquam 1 (zelfstandig) iemand; iets 2 (bijvoeglijk) een of ander, enig

ɡ quisque quaeque, quidque/quodque ieder, elk

ɡ quo ¹ (bijwoord) waarheen

ɡ quo ² + comparatief + conjunctief opdat (des te), om (des te)

ɡ quod + indicatief

1 omdat

2 dat

ɡ quomodo (bijwoord) op welke manier, hoe

ɡ quondam (bijwoord)

1 eens, ooit 2 soms

ɡ quoniam + indicatief aangezien, omdat

ɡ quoque (bijwoord) ook

ɡ quotiens (bijwoord) hoe vaak

Rɡ ramus rami (m.) tak

ɡ rapere rapio, rapui, raptum snel grijpen, wegrukken, roven

ɡ ratio rationis (v.)

1 verstand, inzicht 2 redenering, denkwijze

3 reden, argument 4 zaak, aangelegenheid

ɡ rationalis rationalis, rationale redelijk, verstandelijk

ɡ recens recens, recens, gen. recentis nieuw, vers, fris, jong

ɡ recipere recipio, recepi, receptum terugnemen; terugkrijgen; opnemen

ɡ rectus recta, rectum

1 recht 2 juist

ɡ reddere reddo, reddidi, redditum teruggeven

ɡ redire redeo, redii, reditum teruggaan, terugkomen, terugkeren

ɡ reducere reduco, reduxi, reductum terugbrengen, terugvoeren, terugleiden

ɡ referre refero, rettuli, relatum 1 terugdragen, terugbrengen

2 meedelen, melden

ɡ regere rego, rexi, rectum regeren, heersen (over), besturen

ɡ regina reginae (v.) koningin

ɡ regio regionis (v.) gebied, streek

ɡ regnum regni (o.)

1 (konink)rijk 2 heerschappij

ɡ relinquere relinquo, reliqui, relictum achterlaten, verlaten; overlaten

ɡ reliquus reliqua, reliquum overig, ander

ɡ remedium remedii (o.) geneesmiddel; redmiddel

ɡ remittere remitto, remisi, remissum

1 terugsturen, terugzenden 2 verminderen, afzwakken

ɡ remus remi (m.) roeiriem

ɡ repente (bijwoord) plotseling

ɡ reperire reperio, repperi, repertum (terug)vinden, ontdekken

ɡ reri reor, ratus sum menen, geloven, achten

ɡ res rei (v.) zaak, ding, voorwerp

ɡ resistere resisto, restiti, –

1 blijven staan, stilstaan 2 weerstand bieden, zich verzetten (tegen) (+ dat.)

ɡ respondere respondeo, respondi, responsum (be)antwoorden

ɡ res publica rei publicae (v.) staat

ɡ retinere retineo, retinui, retentum 1 tegenhouden, vasthouden

2 behouden, bewaren, handhaven

ɡ reverti revertor, reverti, reversum terugkeren, terugkomen

ɡ rex regis (m.) koning

ɡ ripa ripae (v.) oever

ɡ rogare rogo, rogavi, rogatum vragen

ɡ ruere ruo, rui, rutum

1 rennen, aanstormen 2 neerstorten, instorten

ɡ rumpere rumpo, rupi, ruptum (ver)breken

ɡ rursus (bijwoord) 1 opnieuw, weer 2 daarentegen

Sɡ sacer sacra, sacrum heilig, gewijd (aan)

ɡ saepe (bijwoord) vaak, dikwijls

ɡ saevus saeva, saevum woedend, woest, wreed

ɡ salus salutis (v.) 1 gezondheid, welzijn 2 redding, veiligheid

3 groet

ɡ sanguis sanguinis (m.) bloed

ɡ sanus sana, sanum gezond

ɡ sapere sapio, sapi(v)i, –

1 smaken, smaak hebben

2 verstandig/wijs zijn

ɡ sapiens sapiens, sapiens, gen. sapientis verstandig, slim, wijs

ɡ satis (bijwoord) genoeg, voldoende; tamelijk, behoorlijk

ɡ saxum saxi (o.) rots(blok), (grote) steen

ɡ scelus sceleris (o.) misdaad

ɡ scientia scientiae (v.) kennis; wetenschap

ɡ scire scio, scivi, scitum weten

ɡ scopulus scopuli (m.) rots, klip, rif, kaap

ɡ scribere scribo, scripsi, scriptum schrijven

ɡ se (acc.), gen. sui, dat. sibi, abl. se

1 zich; elkaar 2 hij, zij (in een infinitiefzin)

ɡ secare seco, secui, sectum snijden

ɡ secundum + accusatief volgens

ɡ secundus secunda, secundum 1 tweede 2 gunstig

ɡ securus secura, securum

1 onbezorgd, gerust 2 veilig

ɡ sed (voegwoord) maar

ɡ sedere sedeo, sedi, sessum zitten

ɡ sedes sedis (v.)

1 zitplaats, zetel, stoel 2 woonplaats, woning

ɡ seges segetis (v.) gewas, oogst

ɡ semel (bijwoord) eenmaal

ɡ semper (bijwoord) altijd, steeds, telkens

ɡ senatus senatus (m.) senaat (= hoogste bestuursorgaan)

ɡ senectus senectutis (v.) ouderdom, hoge leeftijd

ɡ senex senis (m.) oude man

ɡ sensus sensus (m.) gevoel, waarneming; zintuig

ɡ sententia sententiae (v.) 1 mening; besluit 2 betekenis, inhoud 3 spreuk, zin

ɡ sentire sentio, sensi, sensum voelen, ervaren, merken

ɡ sequi sequor, secutus sum volgen

ɡ serere sero, sevi, satum 1 zaaien, planten 2 verwekken, voortbrengen

ɡ servare servo, servavi, servatum 1 bewaren, behouden, handhaven 2 bewaken, beschermen

ɡ servire servio, servivi, servitum (+ dat.) slaaf zijn, dienen

ɡ servus servi (m.) slaaf

ɡ seu (voegwoord) of als, of indien

ɡ seu ... seu hetzij ... hetzij

ɡ si + indicatief/conjunctief als, indien

ɡ sic (bijwoord) zo, op die manier

ɡ sicut (bijwoord) zoals; alsof

ɡ sidus sideris (o.) ster; sterrenbeeld

ɡ signum signi (o.)

1 teken, signaal 2 veldteken, vaandel

ɡ silva silvae (v.) bos, woud

ɡ similis similis, simile (+ gen./dat.) gelijkend (op), gelijk (aan)

ɡ simul (bijwoord) tegelijk, gelijktijdig

ɡ simulare simulo, simulavi, simulatum 1 voorwenden; doen alsof 2 nabootsen; afbeelden

ɡ sin + indicatief/conjunctief maar indien, als echter

ɡ sine + ablatief zonder

ɡ sinere sino, sivi, situm (toe)laten, toestaan

ɡ singuli singulae, singula (mv.) ieder/telkens één; elk afzonderlijk

ɡ sinister sinistra, sinistrum links, linker-

ɡ sinus sinus (m.)

1 boog, plooi

2 boezem, borst 3 baai, golf

ɡ sive (voegwoord) of als, of indien

ɡ sive ... sive hetzij ... hetzij

ɡ socius socii (m.) bondgenoot

ɡ sol solis (m.) zon

ɡ solere soleo, solitus sum gewoon zijn

ɡ sollicitudo sollicitudinis (v.) ongerustheid, bezorgdheid

ɡ solum soli (o.) bodem, grond, vloer

ɡ solus sola, solum alleen; eenzaam, verlaten

ɡ solvere solvo, solvi, solutum 1 losmaken, verlossen 2 ontbinden, oplossen

3 (af)betalen

ɡ somnus somni (m.) slaap

ɡ sonare sono, sonui, – (weer)klinken

ɡ sonitus sonitus (m.) geluid, klank

ɡ sordidus sordida, sordidum vuil, vies, smerig

ɡ soror sororis (v.) zus

ɡ spargere spargo, sparsi, sparsum (uit)strooien, verspreiden

ɡ spatium spatii (o.) 1 ruimte; afstand 2 (tijds)duur, tijd

ɡ species speciei (v.) aanblik, uiterlijk, voorkomen

ɡ sperare spero, speravi, speratum hopen, verwachten

ɡ spes spei (v.) hoop, verwachting

ɡ spiritus spiritus (m.)

1 adem(haling)

2 geest, ziel

ɡ stare sto, steti, statum (blijven) staan, stilstaan

ɡ statuere statuo, statui, statutum

ɡ studium studii (o.)

1 plaatsen, zetten, stellen

2 bepalen, beslissen, besluiten

1 ijver; drang

2 belangstelling

3 studie

ɡ suadere suadeo, suasi, suasum (+ dat.) aanraden; raad geven

ɡ sub ¹ + accusatief

1 (tot) onder 2 omstreeks

ɡ sub ² + ablatief onder; aan de voet van

ɡ subinde (bijwoord)

1 onmiddellijk daarna 2 herhaaldelijk, dikwijls

ɡ subire subeo, subii, subitum 1 gaan onder 2 op zich nemen, ondergaan

ɡ subito (bijwoord) plotseling

ɡ subsidium subsidii (o.) hulp, steun, bijstand

ɡ succedere succedo, successi, successum (+ dat.) 1 gaan onder, binnengaan 2 aflossen, opvolgen

ɡ sumere sumo, sumpsi, sumptum nemen

ɡ super ¹ + accusatief

1 boven (op) 2 over (... heen)

ɡ super ² + ablatief 1 boven (op) 2 over, aangaande

ɡ superare supero, superavi, superatum overtreffen; overwinnen

ɡ superbia superbiae (v.) hoogmoed, trots

ɡ superbus superba, superbum hoogmoedig, trots

ɡ superus supera, superum zich boven bevindend

ɡ supervacuus supervacua, supervacuum overtollig, overbodig, onnodig

ɡ supplicium supplicii (o.) 1 smeekbede; gebed 2 doodstraf, terechtstelling

ɡ supra ¹ (bijwoord) 1 eerder, vroeger 2 (nog) meer

ɡ supra ² + accusatief

1 boven (op) 2 over (... heen)

ɡ surgere surgo, surrexi, surrectum 1 opstaan, opstijgen 2 ontstaan, beginnen

ɡ sustinere sustineo, sustinui, sustentum 1 omhoog/rechtop houden 2 uithouden, verdragen; standhouden

ɡ suus sua, suum zijn, haar, hun

Tɡ talis talis, tale dergelijk, zodanig, zulk, zo’n

ɡ tam (bijwoord) zo (bij een adjectief of bijwoord)

ɡ tamen (bijwoord) toch, niettemin

ɡ tamquam ¹ (bijwoord) als het ware, (zo)als

ɡ tamquam ² + conjunctief zoals; alsof

ɡ tandem (bijwoord) uiteindelijk, ten slotte

ɡ tangere tango, tetigi, tactum aanraken

ɡ tantum (bijwoord) slechts, alleen maar

ɡ tantus tanta, tantum zo groot; zoveel

ɡ tardus tarda, tardum langzaam, traag; laat

ɡ taurus tauri (m.) stier

ɡ tectum tecti (o.) 1 dak 2 woning, huis

ɡ tegere tego, texi, tectum bedekken; verbergen

ɡ tellus telluris (v.)

1 aarde, grond 2 land, gebied, streek

ɡ telum teli (o.) werptuig, projectiel (speer, pijl, katapult)

ɡ temperare tempero, temperavi, matigen, bedwingen, beheersen temperatum (+ dat.)

ɡ tempestas tempestatis (v.) storm, onweer

ɡ templum templi (o.) tempel, heiligdom

ɡ temptare tempto, temptavi, temptatum op de proef stellen; proberen

ɡ tempus temporis (o.) tijd(stip)

ɡ tendere tendo, tetendi, tentum/tensum

1 spannen, aantrekken

2 gaan (naar)

3 streven naar, zich inspannen

ɡ tener tenera, tenerum

1 zacht, teer, week, fijn 2 jeugdig, jong

ɡ tenere teneo, tenui, tentum (vast)houden, (vast)hebben

ɡ tenuis tenuis, tenue dun, fijn, zacht

ɡ ter (bijwoord) driemaal

ɡ tergum tergi (o.) rug

ɡ terra terrae (v.)

1 aarde, grond 2 land, streek

ɡ terrere terreo, terrui, territum doen schrikken, bang maken

ɡ tertius tertia, tertium derde

ɡ timere timeo, timui, – vrezen, bang zijn (voor)

ɡ timor timoris (m.) angst, vrees, schrik

ɡ tollere tollo, sustuli, sublatum

1 opheffen, optillen 2 wegnemen, verwijderen

ɡ tormentum tormenti (o.) marteling, foltering, kwelling

ɡ torquere torqueo, torsi, tortum

1 (om)draaien, wenden 2 slingeren, werpen

ɡ tot (bijwoord) zoveel

ɡ totus tota, totum (ge)heel, totaal, volledig

ɡ tractare tracto, tractavi, tractatum

1 (rond)slepen, (mee)sleuren 2 behandelen, bewerken, hanteren

ɡ tradere trado, tradidi, traditum overdragen, overleveren

ɡ traducere traduco, traduxi, traductum overbrengen, overzetten

ɡ trahere traho, traxi, tractum trekken, slepen, sleuren

ɡ trans + accusatief

1 over (... heen) 2 aan de overkant van

ɡ transire transeo, transii, transitum 1 overgaan, oversteken

2 voorbijgaan

ɡ tres tres, tria drie

ɡ tribunus tribuni (m.) tribuun (= een soort ambtenaar of een bevelhebber in het leger)

ɡ tristis tristis, triste droevig, treurig, bedroefd; akelig

ɡ tristitia tristitiae (v.) droefheid, treurigheid

ɡ tu acc. te, gen. tui, dat. tibi, abl. te jij (verbogen: jou), u

ɡ tueri tueor, tuitus sum

1 bekijken, beschouwen 2 beschermen, verdedigen

ɡ tum (bijwoord)

1 toen, op dat moment, dan 2 daarna, vervolgens

ɡ tumulus tumuli (m.) (graf)heuvel

ɡ turpis turpis, turpe

1 lelijk, misvormd 2 schandelijk, onzedelijk

ɡ turris turris (v.) 1 toren 2 paleis

ɡ tutus tuta, tutum veilig

ɡ tuus tua, tuum jouw, uw

Uɡ ubi ¹ (bijwoord) waar

ɡ ubi ² + indicatief zodra, toen, wanneer

ɡ ullus ulla, ullum (ook maar) enig

ɡ ulterior ulterior, ulterius, gen. ulterioris 1 aan de overkant 2 meer verwijderd, verder

ɡ ultro (bijwoord) bovendien, zelfs

ɡ umbra umbrae (v.) schaduw; schim

ɡ umerus umeri (m.) schouder

ɡ umquam (bijwoord) ooit

ɡ una (bijwoord) tegelijk, samen

ɡ unda undae (v.) golf

ɡ unde (bijwoord) vanwaar, waarvandaan

ɡ undique (bijwoord) overal (vandaan)

ɡ universus universa, universum gezamenlijk, geheel; algemeen

ɡ unus una, unum één

ɡ urbs urbis (v.) stad

ɡ usus usus (m.)

ɡ ut ¹ + indicatief

ɡ ut ² + conjunctief

1 gebruik; praktijk 2 bruikbaarheid, nut, voordeel

1 zoals 2 zodra, toen

1 opdat, om te 2 zodat

3 dat, (om) te

ɡ uterque utraque, utrumque (elk van) beide(n)

ɡ uti utor, usus sum (+ abl.) gebruiken, gebruikmaken van

ɡ utique (bijwoord) in ieder geval

ɡ utrum (vraagpartikel) of (in een indirecte vraag)

ɡ uxor uxoris (v.) echtgenote, vrouw

Vɡ vacare vaco, vacavi, vacatum

ɡ vacuus vacua, vacuum

1 leeg zijn

2 vrij zijn van, zijn zonder (+ abl.)

3 (vrije) tijd hebben

1 leeg

2 vrij van, zonder (+ abl.)

ɡ vadum vadi (o.) ondiepe/doorwaadbare plaats (in een rivier)

ɡ valere valeo, valui, valitum

1 sterk zijn, kracht hebben

2 gezond zijn, zich goed voelen

3 in staat zijn, kunnen

ɡ valetudo valetudinis (v.) gezondheid(stoestand)

ɡ vallis vallis (v.) dal, vallei

ɡ vallum valli (o.) (verdedigings)wal, beschutting

ɡ vanus vana, vanum

1 leeg, inhoudsloos 2 vergeefs, zinloos

ɡ varius varia, varium verschillend, afwisselend, veelsoortig

ɡ vastus vasta, vastum onmetelijk, reusachtig

ɡ vates vatis (m./v.)

1 waarzegger, ziener, profeet 2 zanger, dichter

ɡ -ve (voegwoord) of (ook)

ɡ vel (voegwoord) of (ook)

ɡ velle volo, volui, – willen

ɡ velum veli (o.) zeil, gordijn, doek

ɡ velut (bijwoord) zoals; alsof

ɡ venire venio, veni, ventum komen

ɡ ventus venti (m.) wind

ɡ verbum verbi (o.) woord

ɡ vereri vereor, veritus sum

1 vrezen, bang zijn (voor) 2 eerbied hebben (voor)

ɡ veritas veritatis (v.) waarheid

ɡ vero (voegwoord) echter, maar

ɡ vertere verto, verti, versum (om)draaien, (om)keren

ɡ vertex verticis (m.)

1 draaikolk, maalstroom 2 top, spits, kruin, nok

ɡ verum (voegwoord) echter, maar

ɡ verus vera, verum waar, echt, werkelijk

ɡ vester vestra, vestrum jullie, uw

ɡ vestigium vestigii (o.) (voet)spoor, (voet)stap

ɡ vestis vestis (v.) kleding(stuk), kleed

ɡ vetus vetus, vetus, gen. veteris oud

ɡ via viae (v.) weg, straat

ɡ victor victoris (m.) (over)winnaar

ɡ victoria victoriae (v.) overwinning

ɡ videre video, vidi, visum zien

ɡ videri videor, visus sum schijnen, lijken; blijken

ɡ videtur (+ dat.) ... is van mening, ... besluit, ... vindt goed

ɡ vigilia vigiliae (v.) 1 het waken, het wakker zijn 2 (nachtelijke) wacht(post) 3 nachtwake (= 1/4 van de nacht)

ɡ vilis vilis, vile goedkoop, waardeloos, alledaags

ɡ vincere vinco, vici, victum (over)winnen; overtreffen

ɡ vinculum vinculi (o.) 1 snoer, band, strik, riem 2 (mv.) boeien; gevangenis

ɡ vir viri (m.) man

ɡ virgo virginis (v.) maagd, meisje

ɡ viridis viridis, viride 1 groen 2 jeugdig, fris

ɡ virtus virtutis (v.) 1 dapperheid, moed 2 voortreffelijkheid, deugdzaamheid

ɡ vis acc. vim, abl. vi (v.) 1 kracht, sterkte 2 geweld(daad)

ɡ vita vitae (v.) leven

ɡ vitis vitis (v.) wijnrank, wijnstok

ɡ vivere vivo, vixi, – leven

ɡ vivus viva, vivum levend, in leven

ɡ vix (bijwoord) nauwelijks, met moeite

ɡ vocare voco, vocavi, vocatum 1 (aan)roepen 2 (be)noemen

ɡ volare volo, volavi, volatum vliegen

ɡ volucer volucris, volucre vliegend, gevleugeld

ɡ voluntas voluntatis (v.) wil, wens, verlangen

ɡ volvere volvo, volvi, volutum wentelen, (rond)draaien, (laten) rollen

ɡ vos acc. vos, gen. vestri, dat. vobis, jullie, u abl. vobis

ɡ votum voti (o.) gelofte; gebed

ɡ vox vocis (v.) stem

ɡ vulnus vulneris (o.) wonde

ɡ vultus vultus (m.) gezicht, gelaat(suitdrukking)

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.