Verzamelen - De drang om te bezitten

Page 1

VERZAMELEN

DE DRANG BEZITTEN OM TE

PIETER TER KEURS

VERZAMELEN

DE DRANG BEZITTEN OM

TE

PIETER TER KEURS

WAANDERS UITGEVERS, ZWOLLE

6 Voorwoord 9 Mensen, dingen en verzamelen 27 Psychologie van het verzamelen 43 Privéverzamelaars 69 Vorsten en verzamelen 91 Institutioneel verzamelen 115 Verzamelen en politieke belangen 137 Verzamelen in verre oorden 163 Verzamelen op Nieuw-Guinea 187 Verzamelen en ethiek 202 Nawoord INHOUD

VOORWOORD

In ieder mens schuilt een verzamelaar. Of het nu boeken zijn, lucifersdoosjes, planten of meubels voor de inrichting van een woonkamer, bij elke vorm van verzamelen moeten er keuzes worden gemaakt en ontstaat voldoening als de transactie is geslaagd. Verzamelen is een complex verschijnsel. Het zorgt voor een goed gevoel en vruchtbare, bevredigende discussies met medeverzamelaars – maar het kan ook twijfel en stress veroorzaken. Het heeft positieve en negatieve kanten.

Dit boek verkent het verschijnsel verzamelen. Het is geen handleiding voor verzamelen en het geeft eveneens geen uitputtend overzicht van de geschiedenis van verzamelen. De lezer krijgt in vogelvlucht een beeld van de vele, uiteenlopende perspectieven waarmee je verzamelen kunt benaderen. Ongetwijfeld zullen mensen onderwerpen tegenkomen die ze bij zichzelf of bij anderen in hun omgeving herkennen.

Uiteindelijk gaat verzamelen over de relatie tussen mens en object. Dit uitgangspunt vormt de rode draad door dit boek. Daarnaast verschijnt een grote verscheidenheid van verzamelaars ten tonele: van bescheiden en tegelijkertijd gefascineerde verzamelaars die zich helemaal op één soort voorwerp storten tot obsessieve, fanatieke verzamelaars die de werkelijkheid uit het oog verliezen en nauwelijks nog kunnen functioneren in de normale, dagelijkse wereld.

Ik beschrijf het verschijnsel verzamelen vanuit mijn optiek als cultureel antropoloog die lange tijd in musea heeft gewerkt. In die context heb ik veel gesproken met verzamelaars, die vaak moeilijk onder woorden konden brengen waarom ze iets verzamelden en waarom ze bepaalde keuzes maakten. Dat onbewuste drijfveren vaak een rol spelen, bleek uit veel van dergelijke gesprekken. Soms werden deze onbewuste, achterliggende redenen na enige tijd bespreekbaar, maar meestal niet. Daarom sta ik ook stil bij de psychologie van het verzamelen.

6

Dit boek is een afspiegeling van de grote hoeveelheid, vooral Engelstalige, literatuur over het onderwerp vanuit verschillende disciplines. Het is onmogelijk om ook maar enigszins volledig te zijn. Kritiek dat bepaalde bronnen niet zijn gebruikt of niet worden genoemd, is dan ook volledig terecht. Dit boek beoogt echter het onderwerp verzamelen voor een Nederlandstalig publiek toegankelijk te maken en mensen te boeien voor dit zo bijzondere en tegelijkertijd algemeen verbreide verschijnsel. Het had drie keer zo dik kunnen zijn, maar dan had het wellicht zijn doel voorbij geschoten.

Ik ben veel verzamelaars dank verschuldigd voor de boeiende gesprekken. Collega’s in binnen- en buitenland, te veel om op te sommen, ben ik zeer dankbaar voor de vele discussies en de stimulerende suggesties om het verschijnsel verzamelen te doorgronden.

Pieter ter Keurs

Oegstgeest, januari 2024

7

MENSEN, DINGEN EN VERZAMELEN

Het fenomeen verzamelen is een bijzondere uitingsvorm van de aantrekkingskracht tussen mensen en dingen. Het is blijkbaar erg belangrijk voor mensen om bepaalde voorwerpen te koesteren, ze aan te raken en er zelfs innige relaties met voorwerpen op na te houden. Het lijkt te gaan om een universeel verschijnsel. Zonder een vertrouwde materiële omgeving is een mens een stuk zekerheid kwijt. En dat vreet aan het gevoel van geborgenheid en identiteit. Verzamelen helpt mensen met het zich prettig en geborgen voelen. Het is een complex verschijnsel met irrationele kenmerken.

Verzamelen, vooral koloniaal verzamelen, is echter ook een verschijnsel waar ethische vraagtekens bij gezet kunnen worden. In dit boek komt dit onderwerp op meerdere plaatsen aan bod. Laten we eerst proberen het verschijnsel verzamelen beter in kaart te brengen.

Tekening van de vondsten bij de eerste archeologische opgraving bij Wijk bij Duurstede/Dorestad, 1842

9
<

Op mijn bureau staan twee gipsen componistenbeeldjes, een van Franz Liszt en een van Pjotr Tsjaikovski. Hoewel ik zelf helaas geen instrument bespeel en weinig van muziek weet, heb ik wel duidelijke voorkeuren en kan ik diep geraakt worden door muziek van verschillende genres. Hoe dat komt weet ik niet en is ook moeilijk uit te leggen. Sommige zaken zijn nu eenmaal niet of nauwelijks in woorden uit te drukken. Het is echter duidelijk dat bepaalde werken in de klassieke muziek, in de popmuziek of in de jazz sterke emoties oproepen en vele andere juist weer niet. Afhankelijk van opvoeding, opleiding, smaak en ervaring zijn we al of niet onder de indruk van muzikale klanken. Woorden schieten tekort om die indrukken te beschrijven, maar vaak kunnen materiële dingen iets van de verbondenheid met het immateriële verbeelden. Vandaar de, voor sommigen wellicht wat kitscherige, componistenbeeldjes. Tsjaikovski’s vijfde en zesde symfonie kunnen mij zeer ontroeren en bij Liszt sprankelt het regelmatig zo intens dat je je realiseert dat het leven toch de moeite waard is. Zijn Orpheus, gecomponeerd voor de hertogin van Weimar, is dan weer prachtig ingetogen. Net als delen van zijn religieuze muziek.

Er is echter meer te vertellen over de twee componistenbeeldjes op mijn bureau. Laat ik beginnen met het Tsjaikovski-beeldje. In de jaren negentig van de vorige eeuw en het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw kwam ik, vanwege mijn werk bij het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden, regelmatig in Indonesië. Ergens in de tweede helft van de jaren negentig, de precieze datum kan ik niet meer achterhalen, liep ik op een dag te slenteren door Jakarta. Ik had die dag geen afspraken en moest de tijd doden met lezen, wandelen en mijmeren. Nu is wandelen door Jakarta meestal geen pretje. Veel van mijn Indonesische collegae verklaarden mij voor gek. Wie gaat er nu wandelen in Jakarta? Als je ergens heen wilt neem je een taxi of een bus, maar je gaat niet lopen. De drukte en de stank van uitlaatgassen zijn inderdaad niet erg aangenaam en oversteken is een aparte uitdaging die een speciale techniek vereist. Mijn hotel was niet ver van de oude koloniale wijk Menteng, waar de drukte toen wel meeviel en waar onbezorgd slenteren nog mogelijk was. Onbewust liep ik richting Jalan Surabaya, niet ver buiten Menteng.

Jalan Surabaya is vooral bekend vanwege de antiekmarkt. De kwaliteit van het aanbod varieert sterk, maar het is altijd een feest om de verhalen van de handelaren aan te horen, over hoe oud, mooi en belangrijk bepaalde voorwerpen zijn. Op den duur begon ik te herkennen welke voorwerpen echt uit de Batak-landen, Toraja of Soemba kwamen en welke voorwerpen gemaakt waren in de workshop achter het verkoopkraampje. Het was een fascinerende wereld van zakendoen, verhalen vertellen en verhalen verzinnen.

10

Mensen, dingen en verzamelen

Die bewuste dag viel mijn oog op een smerig beeldje van een Europees uitziende man. Ik was meteen geïnteresseerd, maar liet dat niet te veel blijken. Pas toen ik een derde keer langs het beeldje – waarin ik inmiddels Tsjaikovski meende te herkennen – liep, vroeg ik naar de prijs. Vijfduizend roepiah, destijds nog equivalent aan vijf gulden. Ik betaalde meteen, het beeldje werd in een vies plastic zakje gedaan, en ik verliet met ingetogen tevredenheid het winkeltje. De verkoper keek mij verbaasd aan, vermoedelijk omdat ik niet geprobeerd had af te dingen.

Terug in de hotelkamer maakte ik het beeldje zo goed mogelijk schoon en kreeg ik de bevestiging dat het inderdaad een beeltenis van Tsjaikovski was. Sindsdien heb ik eindeloos zitten fantaseren over de geschiedenis van dit vergeten beeldje. Mogelijk heeft het een piano gesierd in het oude Menteng, in het huis van een Nederlandse bestuursambtenaar. Mogelijk is de inboedel na de onafhankelijkheid verkocht en herkende niemand dat het Tsjaikovski was. Wat doet dat ene stukje rode kleurstof op de plek waar de naam van de componist moet hebben gezeten, een naam die nu niet meer leesbaar is? En zo krijgt dit ene voorwerp een hele pedigree mee, een al of niet mythische herkomstgeschiedenis. Nu staat het op mijn bureau, nog steeds met sporen van de vroegere vettige vuiligheid zichtbaar.

Het tweede beeldje, dat van Franz Liszt, heeft een minder avontuurlijk herkomstverhaal. Het is een nieuw beeldje, gekocht in het huis van Liszt in Weimar. In maart 2019 wilden mijn echtgenote en ik er een weekje tussenuit en kozen we uit de vele mogelijkheden het Duitse stadje Weimar als bestemming. Het waren fijne dagen, waar ik onverwacht geraakt werd door de bijna fysieke nabijheid van belangrijke historische figuren. De huizen van Goethe (1749-1832) en Schiller (1759-1805) maakten grote indruk op mij. En bij toeval liepen we langs het huis van Johann Gottfried Herder (17441803) en konden we even uitrusten op een bankje in zijn tuin. Degenen die Weimar kennen, zullen herkennen hoe dichtbij de historische beleving daar komt. In het begin van de negentiende eeuw was het stadje immers, samen met het nabij gelegen Jena, hét centrum van de Vroege Romantiek.

Het verblijf van Liszt (1811-1886) in Weimar is van latere datum. Zijn aanwezigheid is vooral in het huis waar hij woonde sterk voelbaar. De neiging om even een toets aan te slaan op de piano die hij bespeelde was erg groot, maar dat was natuurlijk niet toegestaan. In het kleine winkeltje op de begane grond kon je gelukkig wel souvenirs kopen. Ik kocht er het gipsen beeldje van de componist en een cd met muziek die hij in Weimar gecomponeerd had.

Met de koop van het tweede componistenbeeldje heb ik nu een verzameling van twee stuks. Nu is het zaak op jacht te gaan naar een derde beeldje, dat van Ludwig van 11

Beethoven. En het moet wel enige kwaliteit hebben, zoals de beeldjes van Tsjaikovski en Liszt. Daarna stop ik ermee, want een fanatiek verzamelaar van componistenbeeldjes ben ik nu ook weer niet.

MENSEN EN DINGEN

Mensen hebben iets met dingen. Mensen zijn gefascineerd door bepaalde voorwerpen, willen die voorwerpen dicht bij zich hebben om daarmee een vertrouwde, prettige omgeving te creëren. Als ik de componistenbeeldjes op mijn bureau zie, moet ik niet alleen aan de muziek van beide componisten denken, maar ook aan Jakarta en Weimar, aan goede herinneringen en aan het brede spectrum van verhalen dat met deze beeldjes verbonden is. Ze houden herinneringen levend.

Voorwerpen doen echter veel meer dan dat. Ze zijn onderdeel van onze persoonlijkheid. Wij voelen ons prettig bij een bepaald interieur, kiezen vaak zorgvuldig de decoraties die we thuis neerzetten of ophangen en we zijn kritisch op de kleding die we kopen. Wij vinden dat bepaalde voorwerpen en bepaalde kleding ‘bij ons past’ en als je afwijkt van die stijl, voel je dat er iets niet klopt. Als je nooit een kostuum draagt, met das of strikje, dan voel je je hoogst ongemakkelijk als je dat ineens bij een formele gelegenheid wel moet doen. Je bent ineens ‘jezelf’ niet meer.

Er zijn talloze andere voorbeelden aan te halen waarmee we kunnen illustreren hoe belangrijk de materiële omgeving is voor iemands gevoel van eigenwaarde en identiteit. Zo is het effect van een sportauto op de bestuurder overduidelijk. Dit voorbeeld is in de jaren zestig van de vorige eeuw al aangehaald door de Franse denker Jean Baudrillard, een van de eersten die de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij beschreef.1 Kort gezegd komt het erop neer dat het gebruik van een dure sportauto de persoonlijkheid van de bestuurder ingrijpend kan veranderen. Een onopvallende man, in dagelijkse kleding, die loopt te slenteren in een mondaine badplaats krijgt nauwelijks aandacht van de rijke badgasten, of hij wordt met de nek aangekeken alsof hij een zwerver is. Als dezelfde man echter achter het stuur van een dure sportauto gaat zitten en opvallend rustig de boulevard op en neer rijdt, gaat alle aandacht naar hem en zijn auto. Sterker nog, hijzelf voelt zich een andere man. De sportauto heeft iets veranderd aan zijn persoonlijkheid.

12

Nog een voorbeeld. De antropoloog Jean-Pierre Warnier, die verbonden was aan de Sorbonne in Parijs, heeft in een artikel over de relatie tussen materiële cultuur en motoriek het schrijnende voorbeeld van Afrikaanse kindsoldaten beschreven.2 Tijdens gewapende conflicten in onder meer Angola, Congo en Rwanda werden geregeld zeer jonge soldaten ingezet. Deze ‘kindsoldaten’ werden geronseld in dorpen en streken waar grote armoede en onzekerheid heerste. Soms was de belofte om elke dag eten te krijgen al voldoende om de kinderen mee te krijgen, maar vaak was er sprake van ontvoering.

Op zeer jonge leeftijd werden de kinderen getraind met wapens om te gaan. Ze raakten niet alleen bedreven in schieten, maar ook in het in en uit elkaar halen van wapens en het onderhoud daarvan. De motoriek die daarvoor vereist is, werd ongemerkt een essentieel onderdeel van hun persoonlijkheid. Op den duur konden ze niets anders dan effectief omgaan met wapens, wat natuurlijk ook hun zelfbeeld sterk beïnvloedde. Ze werden omgevormd tot soldaten, tot krijgers, en haalden uit dat zelfbeeld hun trots en hun gevoel van identiteit. Iets anders was er niet. Zo werden wapens en het bijbehorende gedrag een cruciaal onderdeel van het zelfbeeld van de jonge krijger, die geen ander beeld had van de wereld en van zichzelf.

Als na enige jaren een vaak zeer bloedig conflict werd beëindigd, werd zichtbaar wat de psychische gevolgen waren van de samensmelting van wapens met kindsoldaten. Een van de eerste acties bij het beëindigen van een conflict is vaak het incorporeren van de partijen in het nationale leger en het ontwapenen van de betrokken milities. Dan ontstaan de problemen. Afgezien van politieke weerstand tegen het ontwapenen van milities, kan het afnemen van wapens waar mensen jarenlang mee ‘vergroeid’ zijn grote psychologische problemen veroorzaken. Vooral de kindsoldaten hebben vaak niet anders dan oorlog gekend en hebben hun persoonlijkheid, hun zelfbeeld, daarop aangepast. Andere vaardigheden beheersen ze meestal niet. Ze zijn geen timmerlieden of schoenmakers, ze zijn krijgers en voelen zich ook zo. Dus afgezien van het gebrek aan vaardigheden die nuttig zijn in vredestijd, ontbreekt het hen ook aan het zelfbeeld dat nodig is om in vredestijd te kunnen functioneren. De frustraties die daaruit voortvloeien en het ontbreken van een uitlaatklep voor de agressieve gevoelens waar een hele generatie mee opgegroeid is, kunnen tot grote problemen leiden.

Met het afnemen van de wapens wordt een belangrijk deel van de identiteit van de kindsoldaten afgenomen. Behalve soldaten die de vrede moeten bewaren, zijn er nieuwe opleidingen nodig voor jonge mensen én moet er veel aandacht zijn voor psychologische hulpprogramma’s. Een krijger zonder wapens voelt zich geen krijger. Een timmerman zonder hamer is geen timmerman. En als je uit bepaalde, al of niet be13

Mensen,
dingen en verzamelen

roepsmatige, activiteiten een belangrijk deel van je identiteit haalt, is er dus een groot probleem als de instrumenten waarmee je vergroeid bent je afgenomen worden.

Mensen hebben niet alleen iets met dingen, ze worden er ook door gevormd.3 Voorwerpen maken deel uit van onze identiteit, ons gevoel van eigenwaarde. Om de reikwijdte hiervan in te zien, inclusief het belang van deze gedachte voor het verschijnsel verzamelen, moet ik eerst enkele theoretische opmerkingen maken over de relaties tussen objecten en subjecten.

In 1637 publiceerde de filosoof René Descartes (1596-1650) in Leiden zijn baanbrekende Discours de la méthode, een dun, goed leesbaar boekje waarin hij fundamentele twijfel zag als een essentiële methodische basis voor onderzoek naar de ons omringende buitenwereld. Vanuit die twijfel moeten we vervolgens op zoek naar waarheden waar niet aan te twijfelen valt. Die waarheden vormen de bouwstenen van een systeem waarmee we de wereld kunnen begrijpen.

Als eerste, en verreweg zijn bekendste, waarheid formuleerde Descartes het beroemde cogito ergo sum, ‘ik denk dus ik besta’ (ook wel vertaald als ‘ik denk dus ik ben’). Hoe je het ook wendt of keert, je kunt niet twijfelen aan het feit dat je denkt. Deze conclusie leidde tot een rigide scheiding tussen object en subject. Als je namelijk een denkend subject (de mens) veronderstelt, dan creëer je meteen ook een niet- denkend object. De denkende, twijfelende mens denkt immers na: hij denkt over de wereld buiten de mens, de wereld van het object. Het object is hier niet alleen het materiële object, maar staat voor alles dat zich buiten het subject bevindt. Het subject leeft, denkt na, interpreteert en is dynamisch; het object is dood, kan niet denken en is statisch. Het object wacht als het ware geduldig op het subject om geïnterpreteerd te worden.

Er zijn nogal wat problemen met deze strikte scheiding. In de dagelijkse praktijk kunnen we eenvoudig waarnemen dat object en subject elkaar kunnen beïnvloeden. Een timmerman zonder hamer is geen timmerman, want de motoriek die je nodig hebt om een goede timmerman te zijn, ontwikkel je in interactie met het gereedschap dat je gebruikt (een voorbeeld dat ook filosoof Martin Heidegger gebruikte in zijn boek Sein und Zeit, 1927).

In zijn latere leven zag Descartes zelf ook in dat een strikte scheiding niet vol te houden is, maar de object-subjectrelatie staat sinds Descartes centraal in de filosofie en heeft ons dagelijkse denken – in ieder geval in Europa – in belangrijke mate beïnvloed. Pas in de twintigste eeuw werd de gedachte dat object en subject niet te scheiden zijn langzamerhand breder geaccepteerd. 14

Mensen,

Juist die innige verwevenheid van objecten en subjecten is bij verzamelen zo belangrijk. Er is een drang om te verzamelen en een aantrekkingskracht van voorwerpen. Vanuit beide kanten wordt gestreefd naar een fusie, vanuit beide kanten is er een ‘wil’ om bij elkaar te horen. De tweede helft van de jaren tachtig en de jaren negentig van de vorige eeuw hebben op dit terrein originele theoretische inzichten opgeleverd, vooral in disciplines als culturele antropologie, psychologie en archeologie. Zonder andere disciplines tekort te willen doen concentreer ik mij nu even op de culturele antropologie, mijn eigen métier. Hoofdstuk 2 is volledig gewijd aan de psychologie van het verzamelen.

Dankzij auteurs als Marilyn Strathern en Daniel Miller zijn antropologen op een andere manier gaan nadenken over culturele verschijnselen en niet alleen met betrekking tot culturen buiten Europa, maar ook over de eigen samenleving.4 Niet alleen over de ander, ook over het eigene dat niet zo vanzelfsprekend bleek dan eerder werd gedacht. Het anders benaderen van het onderzoeksobject had alles te maken met het ontkennen van de sterke cartesiaanse scheiding tussen object en subject. Tot aan de twintigste eeuw leek het net alsof de buitenwereld geduldig lag te wachten op wetenschappers die op apolitieke wijze, zogenaamd objectief, die buitenwereld in kaart brachten en probeerden te begrijpen.

Zo ook antropologen – en zeker antropologen die in volkenkundige musea werkten. Hoewel het bestaan van animisme en fetisjisme natuurlijk al lang bekend was, deden antropologen in de westerse wereld hun uiterste best om dingen (voorwerpen, maar ook ideeën over het universum, de goden en de geesten die als een objectieve, bestaande werkelijkheid werden gezien), zodra ze in Europa bestudeerd werden, te neutraliseren, te ontdoen van hun ‘vreemdheid’. In de praktijk betekende dat meestal dat er veel geclassificeerd werd, in de negentiende eeuw vooral in musea, en dat voorwerpen werden ontdaan van hun context, zo die al bekend was. En classificaties zijn altijd een versimpeling van de werkelijkheid. Ze construeren een schijnbare helderheid van een realiteit die in de praktijk niet zo helder en eenduidig is. Antropologen die animisme en fetisjisme wel serieus namen, zetten het vaak apart als iets wat alleen in niet-westerse samenlevingen voorkwam. Al of niet als teken van ‘onontwikkeld’ zijn, irrationeel, ‘primitief’. We zullen zien dat irrationaliteit ook bij de ‘westerse’ verzamelaar een grote rol speelt.

In de jaren negentig verschenen er steeds meer etnografieën die nieuwe theoretische inzichten in de praktijk brachten. Zo liet Maureen MacKenzie5 overtuigend zien dat draagnetten in Centraal Nieuw-Guinea niet alleen maar objecten zijn, maar ook subjecten met een eigen leven. Een draagnet wordt gezien als een mens die een eigen levenscyclus doormaakt, met geboorte, volwassenheid en dood. Janet Hoskins6 sig15

en
dingen
verzamelen
Het huis van Friedrich Schiller in Weimar. Foto: de auteur
16
Het bureau van Schiller. Foto: de auteur

naleerde tijdens haar onderzoek op het Indonesische eiland Soemba dat het moeilijk is om met mensen te communiceren over sociale structuren en politieke processen. Het lijkt soms wel alsof men vindt dat die er eigenlijk niet toe doen. Maar als ze met haar informanten over voorwerpen praatte, werden ze veel enthousiaster en ging men allerlei verhalen vertellen over waarom bepaalde voorwerpen zo belangrijk waren. Dat belang was er niet alleen voor de groep, maar ook voor het individu. Men beschreef levendig dat een bepaald mandje altijd meegedragen werd en deel uitmaakte van de persoonlijkheid van de drager. Zeker als het mandje een langere geschiedenis had en bijvoorbeeld van de vader of de grootvader is geweest, had het een sterke band met de drager en bepaalde het voor een deel het gevoel van eigenwaarde. Op de Molukken, Oost-Indonesië, werden kleine houten voorouderbeeldjes tijdens handelstochten meegedragen. Ze zorgden voor nabijheid van de voorouder en voor bescherming. Dominante theoretische stromingen in de culturele antropologie, zoals het evolutionisme, het functionalisme en de vroege versie van het structuralisme, gingen er lange tijd van uit dat er een objectieve werkelijkheid bestond die statisch was en geduldig wachtte op de onderzoeker om geïnterpreteerd te worden. En dat is precies wat er in de jaren tachtig en negentig verandert. Het gaat hier niet om een postmodern deconstructivisme. Het gaat hier om de erkenning dat object en subject interacteren en elkaar construeren. Als dat zo is, is er dus op empirisch niveau sprake van een flexibele, dynamische relatie en constante verandering. Het ‘eigen ik’ (the self) verandert onder invloed van de omgeving – en de omgeving verandert omdat het ‘ik’ nieuwe dingen produceert en de werkelijkheid telkens anders ziet, anders interpreteert en anders gebruikt. Het externe object kan zelfs persoonlijkheidskenmerken toegekend krijgen. Voorouderbeelden kunnen als ‘levende’ voorouders worden gezien, maskers kunnen een dodelijke invloed uitoefenen en Afrikaanse spijkerbeelden kunnen mensen ziek maken.

Het besef dat object en subject niet te scheiden zijn, is van groot belang gebleken voor de ontwikkeling van veel vakgebieden. Het speelt inmiddels een belangrijke rol in de sociale wetenschappen (antropologie, sociologie, psychologie, pedagogiek)7 en in de geesteswetenschappen (geschiedenis en kunstgeschiedenis).

Als iemands persoonlijkheid (the self) kan veranderen onder invloed van objecten uit de wereld buiten the self is er dus sprake van een partible personhood, een deelbare, uit onderdelen bestaande persoonlijkheid.8 Er is geen vaststaand subject van waaruit de wereld bekeken en geïnterpreteerd wordt. Het subject kan zich stukjes van de object-wereld eigen maken (internaliseren) en stukjes ervan afstoten (externaliseren). Elke keer als dat gebeurt kan het subject iets veranderen, soms heel veel. Zo kunnen veel mensen, afhankelijk van de materiële omgeving waarin zij zich bevinden, 17

Mensen, dingen en verzamelen

vrij makkelijk van persoonlijkheid wisselen. Als ik op de sportclub van mijn dochter haar team sta aan te moedigen, staat er een andere man dan als ik bij een oratie of een promotie in toga loop. Zelfs al ontkent de betrokkene deze gedaantewisseling, dan nog herinnert de omgeving je eraan. In de gangen van het Leidse Academiegebouw word je, op het moment dat je een toga aan hebt, ineens met ontzag bekeken. Een enkeling durft het aan even de toga aan te raken.

Bij verzamelen moeten we ons realiseren dat de aantrekkingskracht tussen datgene wat verzameld wordt en de verzamelaar centraal staat, en dat is in hoge mate wat de filosoof Arthur Schopenhauer een irrationele of onbewuste kracht zou noemen. Veel verzamelaars kunnen inderdaad niet onder woorden brengen waarom ze, soms heel fanatiek, verzamelen. Mensen kunnen vaak niet beredeneren waarom ze bepaalde voorwerpen in hun nabijheid willen hebben én waarom ze die willen aanraken. Echter, uit alles blijkt dat een verzamelaar, hoe rationeel of irrationeel de motieven ook zijn, als persoon verandert naarmate hij zich meer een verzamelaar voelt. De objecten gaan een steeds grotere invloed op het leven van de verzamelaar krijgen. Net als de ‘doorsnee’ man, die verandert als hij in een sportauto rijdt.

Laat ik nog een voorbeeld noemen van de wens om bepaalde voorwerpen dichtbij te hebben en te willen aanraken. Daarvoor gaan we terug naar Weimar. De hertogen van Weimar steunden al generaties lang belangrijke intellectuelen en kunstenaars. Zo had ooit Johann Sebastian Bach in Weimar gewoond en gewerkt. En later zou Franz Liszt er zijn muzikale sporen nalaten. Eind achttiende, begin negentiende eeuw was de schrijver Johann Wolfgang Goethe de intellectuele heer en meester in het kleine, maar bruisende stadje. Goethe zorgde er ook voor dat Friedrich Schiller in Weimar kwam wonen.9

De hedendaagse bezoeker van het huis van Schiller komt binnen via de achterkant, waar in de nieuwbouw de kaartverkoop en de winkel zijn gevestigd. Van daaruit loopt men het eigenlijke huis binnen. Op de eerste etage is de studeerkamer van Schiller, een kamer die voor Schiller-adepten mythische en magische proporties aanneemt. In een hoek staat, vrij achteloos, het bureau van Schiller.

Ik voelde een sterke drang om aan het bureau plaats te nemen, maar hield me in. Het was eenzelfde gewaarwording die ik een dag eerder had gehad in het huis van Franz Liszt. De neiging om aan zijn piano te gaan zitten, of op z’n minst de piano aan te raken, was heel sterk. Ook daar deed ik het niet.

Ik ben drie keer teruggelopen naar Schillers bureau. Af en toe kwam er een suppoost langs, en een enkele bezoeker. Iedereen die ik daar zag hield gepaste afstand tot deze 18

Mensen, dingen en verzamelen

heilige plek. Een strengere bewaking was blijkbaar niet nodig. Toen ik voor de laatste keer de kamer uitliep, kwam er net een jonge man de kamer in. Hij keek wat schichtig om zich heen en boog zich daarna over het bureau. Ik liep door, maar keek op de gang nog even om. De jonge man had blijkbaar gezien dat er geen suppoost in de zaal was en raakte heel even, met gepaste eerbied, het bureau van Schiller aan. Hij schrok toen hij zag dat ik omkeek en getuige was van zijn gedurfde daad.

Musea hebben vaak te maken met dit verschijnsel. Heel vaak moeten museummedewerkers bezoekers waarschuwen dat ze voorwerpen niet mogen aanraken, of dat ze te dichtbij komen. En meer dan eens reageert een bezoeker in zo’n geval geïrriteerd. Sommigen denken weg te komen met een smoes, ‘Ik dacht dat het een kopie was’, en anderen reageren verontwaardigd met de opmerking: ‘Wat maakt dat nou uit, als ik er even aanzit’, gevolgd door: ‘Er staat geen bordje bij dat ik het niet mag aanraken.’ Wat is hier nu precies aan de hand? Waarom willen mensen zo dicht bij bepaalde voorwerpen zijn? Die wens tot fysische nabijheid kan zo sterk zijn dat het een obsessie wordt. Deze drang tot ‘het aanraken’ en zelfs ‘het hebben’ van dingen is ook cruciaal bij verzamelen.

VERZAMELEN

Verzamelen is het bijeenbrengen van een groep gerelateerde voorwerpen. Dat kunnen voorwerpen zijn die op elkaar lijken en/of eenzelfde functie hebben (bijvoorbeeld luciferdoosjes), maar ook voorwerpen die door een idee van een verzamelaar aan elkaar gerelateerd zijn (bijvoorbeeld een idee van schoonheid). In dit boek gaat het vooral om ‘het bijeenbrengen’ en niet om de ‘gerelateerde voorwerpen’, de verzamelingen zelf. Dit boek is geen encyclopedie van verzamelingen. Het gaat hier om de activiteit ‘verzamelen’, het ‘doen’. Wat gebeurt er nu precies en waarom, als men verzamelt? Wat gebeurt er precies in dat proces waarin de aantrekkingskracht tussen mens en object zo mooi tot uitdrukking komt?

Verzamelen is een actieve bezigheid en het is fascinerend om te zien hoe een verzamelaar zich een voorwerpen eigen maakt. Het lijkt wel een ritueel. Voordat een voorwerp verworven wordt, ‘draait’ de verzamelaar er vaak uitvoerig omheen, om het goed te bekijken of – zo mogelijk – te betasten. De verzamelaar wil weten of het ‘goed voelt’. Als het voorwerp uiteindelijk verworven wordt is dat nog niet het einde van het acceptatieproces. Het stuk wordt thuis op tafel gezet en er wordt weer vaak en lang 19

naar gekeken. Bezoekers moeten de verzamelaar bevestigen in de juistheid van zijn aankoop. Er volgt een vergelijkingsproces met andere, soortgelijke voorwerpen en ten slotte krijgt de nieuwe verwerving een definitieve plek in het huis. Daarmee is de wereld van de verzamelaar weer even verrijkt met iets nieuws dat tevreden stelt. Vaak niet voor lang, want al gauw kan de drang tot het doen van een nieuwe aankoop weer opspelen. Voorwerpen, eigenlijk onze hele materiële omgeving, kun je zien als een soort antidotum voor het besef dat het leven eindig is.10 Veel materiële cultuur wekt de indruk dat het eeuwigheidswaarde heeft omdat het van tastbare materie is gemaakt, en dat geeft houvast. Veel voorwerpen bestaan immers langer dan een mens. Voorwerpen scheppen een vertrouwde omgeving. En in een fundamenteel onzekere wereld hebben mensen dat hard nodig. Het fenomeen verzamelen is een bijzondere vorm van dat zoeken naar eeuwigheidswaarde. Ieder mens kan in meer of mindere mate een verzamelaar worden genoemd, maar waarom verzamelen we eigenlijk? Waarom willen we bepaalde voorwerpen dicht bij ons hebben? En hoe komt het dat verzamelen ziekelijke vormen aan kan nemen?

Veel van deze vragen worden in de volgende hoofdstukken uitgebreid behandeld, wat niet wil zeggen dat er altijd duidelijke antwoorden mogelijk zijn. Dit hoofdstuk besluit ik met een korte historische schets van de drang om voorwerpen te bezitten, een voorlopig kader dat verder in dit boek wordt uitgewerkt.

Verzamelen is zo oud als de mensheid. In Bijbelse termen is Noach de eerste verzamelaar en de meest complete.11 Hij verzamelde alle beschikbare soorten om ervoor te zorgen dat de wereld na de zondvloed opnieuw kon worden opgebouwd. Dit idee van volledigheid is belangrijk voor de meeste verzamelaars, hoewel velen ook beseffen dat volledigheid onmogelijk te bereiken is. Verzamelaars rechtvaardigen vaak een aankoop door te zeggen dat ze niet eerder eigenaar van een dergelijk object waren, dat het iets nieuws voor ze is. Elk detail dat anders is dan wat ze al hebben, is waardevol. Dus, het voegt echt een nieuw item, een nieuwe vorm, een nieuw idee aan de collectie toe. Zelfs wanneer een verzamelaar reeksen van gelijksoortige voorwerpen verzamelt, is er altijd dat ene kleine detail waarin een voorwerp verschilt van de andere. Als volledigheid het belangrijkste principe is bij het aanleggen van een verzameling is die collectie dus nooit compleet en stopt de drang om verder te verzamelen nooit. Dit speelt in Europa ook een grote rol in achttiende- en negentiende-eeuwse verzamelactiviteiten en daar zullen we in dit boek uitgebreid aandacht aan besteden.

Afgezien van het streven naar volledigheid zijn er ook andere redenen te noemen om voorwerpen te verzamelen en te incorporeren in de eigen – individuele of 20

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.