ER mei-juni 2009

Page 1

H C S I M O N T O R C E R APPO REN O T A C I IND E ID I E T L A E T B S E H R HE P ECONOMISC TOREN C S I M O ECON EGIONA AL- MISCHE SEC R ECONO

2009.1

EEN UITGAVE VAN POM-ERSV LIMBURG


INHOUD Voorwoord....................................................................................................................... 3 Inleiding .......................................................................................................................... 4 Prestatie-indicatoren ..................................................................................................... 6 Situering ....................................................................................................................................................6 Beknopt overzicht van de prestatie-indicatoren..................................................................................6

Regionaal economisch beleid ...................................................................................... 10 Situering ..................................................................................................................................................10 Kenniseconomie en innovatie ..............................................................................................................11 Sectoren met groeipotentieel................................................................................................................19 Logistiek ...............................................................................................................................................19 Life Sciences........................................................................................................................................ 23 Clean Tech ............................................................................................................................................28

Limburgse economisch weefsel................................................................................... 32 Situering ..................................................................................................................................................32 Economische valorisatie van de rijke Limburgse bodem .................................................................33 De tuinbouwsector in Limburg .........................................................................................................33 Winning van delfstoffen in Limburg ................................................................................................42 Alcoholproductie in Limburg ............................................................................................................52

ON . imbu rg -ERSV L COLOF M O P n a v u itgave

n or t is ee c h R a pp is m elt o n Eco 9 0 0 Ha s s ju n i 200 n 18, 35 a ie la t m s n ie Ed it u r g , Ku SV L imb 00 101 u rg.be POM-ER 100 - Fa x: 011 3 rsvlimb e @ fo in e30 0 mbu rg.b Tel. : 011 bu rg.be @pom li fo .ersvlim in w : il w w e E-ma .b rg m limbu w w w.po g L imbu r , Robin M-ERSV Da n iels us.eu O y c P d o : d .n E ie t , w c g w ur r t, Re d a CUS, w cie L imb s Wil lae v ing: NO g, prov in n Gelooven, L ie r u b Vor mge im L va fie : POM h ilippe Fotog ra ecleer, P D l je is g a r s, M cel, Belb Rey nde n, Gr ind te s u r B d G er a r e pu t rc Va nd V.U.: Ma

H C S I M D O R O N O W T O R O R C O E R AVPPO

De huidige economische crisis toont de kwetsbaarheid van de geglobaliseerde economie zeer duidelijk. Door de sterke aanwezigheid van de industriële maakindustrie is het economisch weefsel in onze provincie, meer dan in andere Vlaamse provincies, sterk onderhevig aan de conjunctuurschommelingen. Het gevolg is dat de economische crisis zich in Limburg zeer sterk laat voelen. Dit wordt nog vergroot door de grote exportgerichtheid van de Limburgse economie.

De Limburgse cultuur van innovatie dient ook als basis voor de ontwikkeling van nieuwe toekomstgerichte groeisectoren. In het provinciaal economisch beleid wordt daarom resoluut de kaart getrokken van innovatieve sectoren die in grensoverschrijdend verband een groot groeipotentieel hebben. Levenswetenschappen, zorgeconomie, clean tech en slimme logistiek geven perspectief voor het aantrekken van nieuwe bedrijfsinvesteringen en voor jobcreatie.

De crisis heeft onmiskenbaar gevolgen voor het zelfstandig ondernemerschap in onze provincie, voor de bedrijfsinvesteringen en voor de Limburgse arbeidsmarkt. Na jarenlange aangehouden daling van de werkloosheidscijfers vertoont de Limburgse werkloosheid de voorbije maanden dan ook een sterke stijgende trend. Vooral de mannelijke werknemers zijn het slachtoffer van de terugval van de economie omdat zij vooral in de conjunctuurgevoelige sectoren zijn tewerkgesteld.

Voor de ontwikkeling van de Limburgse logistieke troeven moet het uitgewerkte stappenplan van het doorbraakscenario onverwijld worden uitgevoerd. Door te kiezen voor slimme logistieke activiteiten met een duidelijke toegevoegde waarde kiest Limburg voor een duurzame economische ontwikkeling en voor duurzame jobs. Dit wordt ook beoogd door de ontwikkeling van clean technology tot nieuw economisch speerpunt. Tot slot brengt de zorgeconomie, met het onderzoek in de levenswetenschappen als basis, de Limburgse gezondheidszorg en Limburgse levenskwaliteit tot een hoger niveau. De verdere uitbouw van de Limburgse zorgzame samenleving dient te leiden tot innovatief en kennisintensief ondernemerschap en nieuwe jobs.

In alle ondernemingen zijn de beleidsstrategieën bijgesteld. Om de omzetcijfers op een aanvaardbaar niveau te houden wordt vooral een beheersing van de kosten nagestreefd. Dit is ook de doelstelling van de herstelplannen die op diverse overheidsniveaus zijn aangekondigd en momenteel worden uitgevoerd. De relanceplannen beogen het behoud en waar mogelijk de versterking van de concurrentiekracht van onze ondernemingen en de diversificatie van het economisch weefsel. Op deze terreinen zet ook Limburg in. De competitiviteit van de Limburgse maakindustrie wordt meer dan ooit ondersteund door Limburgse ondernemingen te begeleiden in innovatie en technologische vernieuwing. Dankzij de succesvolle uitvoering van de Limburgovereenkomst is voor de transfer van academische kennis en onderzoeksresultaten naar het bedrijfsleven een sterke dienstverlening uitgebouwd. Voor de verdere ontwikkeling van een innovatiegedreven economie in onze provincie dient nog verder te worden geïnvesteerd in het systeem van open innovatie en contractonderzoek en moeten creatieve ondernemers alle kansen te krijgen.

Deze inspanningen zullen slechts tot resultaat leiden indien aan twee voorwaarden wordt voldaan. Vooreerst dient de ontwikkeling van de Limburgse innovatiegedreven economie in Vlaams en in internationaal, en in het bijzonder in Euregionaal perspectief te worden benaderd. Limburg bevindt zich in het midden van de kennisdriehoek Leuven-Aken-Eindhoven, die over een bijzondere sterke technologieportfolio beschikt. De uitdaging voor Limburg is zich te integreren in deze Technologische Topregio en deze expertise te betrekken op de economische ontwikkeling van onze provincie. Ten tweede dient Limburg nieuwe beleidsruimte te krijgen, om samen met FIT, op zoek te gaan naar nieuwe Vlaamse en buitenlandse bedrijfsinvesteringen. POM-ERSV Limburg heeft op dit vlak reeds diverse instrumenten ontwikkeld die passen in de Limburgse ambitie voor het voeren van het sterke regiopromotie. De provinciale beleidsambitie, in antwoord op de crisis, is duidelijk: Limburg verder ontwikkelen tot een sterk merk, tot een regio met een sterke economische dynamiek en een eigen sociaal-economische identiteit met een provinciegrensoverschrijdende uitstraling.

Marc Vandeput Voorzitter POM-ERSV Limburg

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 3


H C S I M O N O G RT EIC IN D I E L O N PP RA Een regio met een actief regionaal beleid

Limburg is een regio die omwille van belangrijke en ingrijpende economische problemen en uitdagingen al geruime tijd een actief regionaal-economisch beleid voert. Dit beleid is erop gericht Limburg te ontwikkelen tot een ‘sterk merk’; tot een regio met een krachtige economische dynamiek, een sterk sociaal-economisch draagvlak en een eigen sociaal-economische identiteit. Deze ambitie kreeg en krijgt invulling via diverse unieke beleidsinitiatieven zoals het Toekomstcontract voor Limburg, het Limburgplan, de Limburgovereenkomst, het Streekpact voor Limburg, en via de economische beleids- en actieplannen van het provinciebestuur, de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij en van diverse economische actoren in Limburg zoals de LRM, het Agentschap Ondernemen, het Innovatiecentrum, Tech Transfer van de UHasselt, LSM, …. Het economisch rapport van POM-ERSV Limburg heeft tot doel op periodieke wijze een inzicht te verschaffen in het gevoerde regionaaleconomische beleid, in evoluties in economische deelsectoren en in de prestaties van het economische weefsel.

De slagkracht van het regionaaleconomisch beleid van Limburg Het economische overheidsbeleid heeft tot doel een omgevingskader te creëren waarbinnen economie zich optimaal kan ontwikkelen en het economisch initiatief maximaal gestimuleerd wordt. Dit kader heeft betrekking op de ontwikkeling van het menselijk potentieel, op de realisatie van infrastructuren en bedrijventerreinen, het stimuleren van innovatie, het ondersteunen van investeringen, het voeren van een beleid gericht op het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, het bevorderen van de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, ….

4 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Een goed regionaal-economisch beleid weet op een optimale wijze de middelen van de hogere overheden te betrekken op de regionale ontwikkelingsbehoeften, ondersteunt de steden en gemeenten als steeds belangrijker wordende trekkers van economisch beleid en zorgt voor de ontwikkeling van kritische massa door synergie op te bouwen tussen de inzet van middelen en mankracht die de diverse economische ontwikkelingsorganisaties ter beschikking hebben, en maakt verbindingen tussen het potentieel van de eigen regio met dit van de omliggende regio’s. Het economisch rapport wil een beeld schetsen van de inspanningen die Limburg levert op gebied van het ontwikkelen van een eigen regionaal-economisch stimuleringskader.

De diversiteit van het Limburgse economische weefsel Het economisch weefsel van een regio bestaat uit diverse componenten die in vele gevallen niet los van elkaar functioneren maar direct of indirect een ondersteunende of stimulerende functie ten aanzien van elkaar vervullen. Er zijn de traditionele economische hoofdsectoren met daarin landbouw, industrie, bouw, de tertiaire en de quartaire sector. Binnen deze hoofdsectoren is een boeiende schakering van deelsectoren waar te nemen die elk op zich hun bijdrage leveren aan de economische draagkracht en positie van de regio. Belangrijk is dat de regio over een economisch weefsel beschikt dat gebaseerd is op diversiteit en evenwicht, op een goede combinatie tussen traditionele sectoren en toekomstgerichte groeisectoren. Binnen al deze sectoren en subsectoren zijn ondernemerschap en innovatiegerichtheid van wezenlijk belang voor een optimale benutting van het economisch potentieel en voor het ontwikkelen van een sterke concurrentiekracht. Het economisch rapport belicht evoluties en ontwikkelingen binnen de diverse subsectoren en koppelt deze ontwikkelingen aan beleidsinitiatieven.

Worden de economische ambities waargemaakt? Ondanks het overheidsoptreden blijft economie een marktgebeuren. Zoals recent zeer duidelijk blijkt, is de Limburgse economie sterk afhankelijk van het internationale economische klimaat en kunnen economische prestaties in korte tijd drastisch wijzigen. Deze scores zijn nog niet terug te vinden in dit rapport, dat gebaseerd is op officieel vrijgegeven statistieken. Deze cijfers geven een belangrijk inzicht in de evolutie van de Limburgse ‘economie’ tijdens de laatste jaren. Het overzicht van de prestatie-indicatoren schetst een beeld van de wijze waarop Limburg haar economische ambities kan waarmaken: slaagt Limburg erin het Vlaams niveau te halen inzake de creatie van bruto toegevoegde waarde? Haalt Limburg een werkgelegenheidsgraad die het niveau van Vlaanderen benadert? Is Limburg erin geslaagd om haar werkloosheid terug te dringen tot het niveau van Vlaanderen? Is de activiteitsgraad van de Limburgers even hoog als deze van Vlaanderen? Heeft Limburg een sterk en evenwichtig stedelijk netwerk dat ervoor zorgt dat alle Limburgse regio’s leefbare omgevingen zijn? Slaagt de stadsregio Hasselt en Genk erin om haar economische positie te versterken en daardoor een grotere wervingskracht te ontwikkelen? Evolueert de sociaal-economische draagkracht van de vijf Limburgse regio’s op een evenwichtige wijze zodat de leefbaarheid van alle regio’s veilig gesteld wordt? Het antwoord op deze vragen is een belangrijke basis voor de inzet van het regionaal-economisch beleid.


H C S I E M I O T N A T T R EN EPCROEPSO R O T A P C I A RIND Situering POM-ERSV Limburg selecteerde een aantal prestatie-indicatoren die goede meetpunten vormen voor de opvolging van de evolutie van de economie in Limburg in algemene termen en voor de opvolging van de economische leefbaarheid van de vijf Limburgse streken. De opvolging van de ontwikkeling van de regio’s is gebaseerd op het streekpact voor Limburg. In het Streekpact 2008-2013 voor Limburg opteren het provinciebestuur, de steden en gemeenten en de sociale partners voor een versterking van het regionaalstedelijk gebied in complementariteit met de ontwikkeling van de economische knooppunten als dragers voor de leefbaarheid van de regio’s.

Bij de presentatie van de prestatie-indicatoren moeten volgende kanttekeningen gemaakt worden: Als gevolg van de herstructurering van GOM Limburg is de opvolging van de economische indicatoren een taakstelling die binnen POM-ERSV terug opgebouwd moet worden. De indicatoren zijn samengesteld op basis van gegevens die bekomen worden via externe databanken. De prestatie-indicatoren wijzen op ontwikkelingen die vragen om verklaringen. Het duiden van ontwikkelingen is van bijzonder belang maar dit vergt diepgaandere analyses van achterliggende gegevens die niet altijd beschikbaar zijn en die dus eigen gegevensverzameling en onderzoek vergen. POM-ERSV Limburg heeft de ambitie de expertise en capaciteit die hiervoor nodig is terug op te bouwen waardoor op termijn ontwikkelingen op een onderbouwde wijze kunnen gekaderd worden. Het streefdoel is zoveel mogelijk indicatoren te brengen op het niveau van de vijf Limburgse regio’s, in een aantal gevallen is dit niet mogelijk omdat de informatie enkel beschikbaar is op het niveau van de arrondissementen. De prestatie-indicatoren zijn gebaseerd op de meest recente beschikbare officiële gegevens, die dikwijls pas met enkele jaren vertraging beschikbaar zijn. De economische crisis beïnvloedt uiteraard deze indicatoren, maar de scores geven een goed zicht op de evoluties in de Limburgse economie en op de verhouding ervan tot de Vlaamse economie.

De volledige socio-economische analyse is opgenomen als bijlage bij dit economisch rapport. 6 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Beknopt overzicht van de prestatie-indicatoren Welvaartscreatie Slaagt Limburg erin om meer welvaart in eigen regio te creëren? - De bruto toegevoegde waarde (het bedrag dat de productiefactoren aan de waarde van de verbruikte goederen en diensten toevoegen) steeg in de periode 1996-2006 in Limburg met 2,5 % tegenover 2,6 % in Vlaanderen. De sectoren landbouw, industrie en bouw kennen een groter aandeel in de totale bruto toegevoegde waarde in vergelijking met het Vlaamse gemiddelde, enkel voor de dienstensector scoort Limburg een stuk lager. - Het bruto binnenlands product (de marktwaarde van alle goederen en diensten die in een regio in één jaar tijd geproduceerd worden) per inwoner nam in de periode 1996-2006 in Limburg minder snel toe dan het gemiddelde in Vlaanderen, de afstand tussen het Limburgse en het Vlaamse gemiddelde vergroot in die periode van 84,7% in 1996 tot 81,9% in 2006. - Het beschikbaar inkomen per inwoner stijgt in de periode 1996-2005 iets sneller dan in Vlaanderen, hierdoor verkleint het verschil tussen het Limburgse en het Vlaamse gemiddelde (100%) van 90% in 1996 tot 91,2 % in 2005. - Het netto fiscaal inkomen per inwoner evolueert in de periode 2003-2005 iets trager dan het Vlaamse gemiddelde. Besluit: Limburg volgt met een kleine achterstand de evolutie in de Vlaamse welvaartscreatie maar er is nog steeds een belangrijk verschil betreffende het bruto binnenlands product (met zelfs nog een toenemend verschil ) en op het gebied van het beschikbaar inkomen per inwoner.

Arbeidskost Is Limburg competitief inzake arbeidskosten? - In de periode 1996-2006 daalt de arbeidsproductiviteit (de bruto toegevoegde waarde per werknemer) van Limburg lichtjes in vergelijking met Vlaanderen - het verschil tussen Limburg en Vlaanderen stijgt van 88,1% in 1996 tot 87,4 % in 2006 ten opzichte van Vlaanderen (100%). - De arbeidseenheidskost (totale loonsom gedeeld door het totaal aantal werknemers) daalt in Limburg sterker dan in Vlaanderen waardoor de arbeidskost in Limburg goedkoper wordt dan in Vlaanderen. In 2006 bedraagt het verschil 9,5%. - De loonkost per eenheid product ligt in Limburg 4,5 % boven het Vlaamse gemiddelde. - De brutomaandlonen liggen in Limburg in 2005 2 % lager dan het Vlaamse gemiddelde. Besluit: De loonkosten in Limburg liggen lager dan het Vlaamse gemiddelde maar ook de arbeidsproductiviteit ligt in Limburg zo een 12,6% lager dan in Vlaanderen.

Investeringen Geloven Limburgse bedrijven in de toekomst door te investeren in nieuwe productiecapaciteit? - In 2005 nam Limburg 12,3% van de Vlaamse private bruto investeringen voor haar rekening. - De investeringsratio in Limburg bedroeg in 2005 28,2% tegenover 24,9% in Vlaanderen. - De investeringsratio’s in Limburg liggen in alle sectoren hoger dan in Vlaanderen. Besluit: Limburg scoort goed inzake investeringen.

Ondernemerschap Profi leert Limburg zich sterker als een ondernemende regio? - Limburg kent in de periode 2003-2005 in vergelijking met Vlaanderen meer actieve (+4,6% t.o.v. +3,6%) en meer opgerichte (+31,5% t.o.v. +27,0%) ondernemingen. In dezelfde periode telde Limburg ook minder verdwenen ondernemingen. - Limburg kent een vernieuwend economisch weefsel, gekenmerkt door een hoger turbulentieratio (som van oprichtings- en uittredingsratio) dan Vlaanderen in 2005. - Tussen 2003 en 2006 nam het aantal zelfstandigen in Limburg (+1,2%) relatief meer toe dan in Vlaanderen (+0,7%). - In vergelijking met Vlaanderen kent Limburg in 2006 echter nog altijd een lagere aanwezigheid van zelfstandigen, met een aanwezigheidsindex van 86 % t.o.v. Vlaanderen (100%). Besluit: Limburg kent een actief ondernemerschap, met heel wat opstartende en nieuwe zelfstandigen, maar telt ten opzichte van het Vlaams gemiddelde nog altijd minder zelfstandigen.

Werkgelegenheidscreatie Slaagt Limburg erin meer werkgelegenheid te creëren? - In de periode 2003-2006 steeg de werkgelegenheid (jobs in loondienst en zelfstandigen, exclusief bijberoepen) in Limburg met 3,8% ten opzicht van 4,1 % in Vlaanderen. - De werkgelegenheidsgraad (de verhouding tussen het aantal jobs en de bevolking op beroepsactieve leeftijd) evolueerde in Limburg van 55,1% in 2003 tot 56,3 % in 2006, ten opzichte van respectievelijk 61,3 en 62,8 % in Vlaanderen.

- De primaire, de secundaire en de quartaire sector in Limburg kent hogere aandelen qua tewerkstelling dan Vlaanderen; het aandeel van de tertiaire sector ligt een stuk lager in vergelijking met Vlaanderen. - De aanwezigheidsindex (aanwezigheid van loontrekkende werkgelegenheid) bedroeg in Limburg in 2006 91% ten opzichte van Vlaanderen (100%). - De bezoldigde werkgelegenheid in KMO’s ligt in Limburg (44,3%) hoger dan in Vlaanderen (42,5%). Besluit: Limburg volgt met een kleine achterstand de evolutie in de werkgelegenheidscreatie in Vlaanderen maar er blijft toch een relatief belangrijke achterstand die zelfs toeneemt op gebied van de aanwezigheid van jobs voor de Limburgse beroepsactieve bevolking. De tewerkstelling in de tertiaire sector ligt lager dan in Vlaanderen.

Innovatievermogen: Kent Limburg een innovatiegedreven economie? - Het aantal ingediende patenten per miljoen inwoners ligt in Limburg (78 in 2004) beduidend lager dan in Vlaanderen (157 in 2004). - Het aantal arbeidsplaatsen in hoogtechnologische en mediumtechnologische sectoren in de industrie in verhouding tot de bevolking op beroepsactieve leeftijd bedraagt in Limburg in 2006 3,6 % ten opzichte van 3,7% in Vlaanderen. In de periode 2003-2006 kende deze sectoren een daling van de tewerkstelling met 11,8% in Limburg, waar de daling in Vlaanderen 5,2% bedroeg. - Het aantal arbeidsplaatsen in het geheel van de kennisintensieve diensten in verhouding tot de bevolking op beroepsactieve leeftijd bedroeg in Limburg in 2006 6,5% ten opzichte van 8,5% in Vlaanderen. In de periode 2003-2006 is het aantal arbeidsplaatsen in deze sectoren in Limburg gestegen met 31,7% ten opzichte van een stijging met 19,6% in Vlaanderen. - Het aandeel van de tewerkstelling in creatieve sectoren bedroeg in Limburg in 2006 0,72% ten opzichte van 0,98% in Vlaanderen. De tewerkstelling in deze sector nam in de periode 2003-2006 in Limburg toe met 5,5% ten opzichte van 3,5% in Vlaanderen. Besluit: Limburg kent in vergelijking met Vlaanderen nog een achterstand op het vlak van ingediende patenten en op het vlak van tewerkstelling in kennisintensieve sectoren in de industrie en diensten.


H C S I EN M R O O T A N O DIC N I E EPC I ATORT STP REP RA Werkende bevolking:

Heeft Limburg een arbeidsactieve bevolking? - De werkende bevolking nam in Limburg in de periode 2003-2007 toe met 4,1% ten opzichte van 4,7 % in Vlaanderen. De beroepsbevolking (de actieve bevolking op beroepsactieve leeftijd) steeg in dezelfde periode in Limburg met 2,2% ten opzichte van 3,4 % in Vlaanderen. - De werkzaamheidsgraad (het aantal werkenden ten opzichte van de bevolking op beroepsactieve leeftijd) in Limburg bedraagt 63,0 % ten opzichte van 65,8% in Vlaanderen in 2007. De stijging van de werkzaamheidsgraad verloopt in Limburg trager dan in Vlaanderen. - De activiteitsgraad (mate waarin de bevolking op beroepsactieve leeftijd actief is op de arbeidsmarkt) daalde in Limburg in de periode 2003-2007 van 67,9% tot 67,8% ten opzichte van respectievelijk 69,6% en 70,2% in Vlaanderen. - De doorstromingscoëfficiënt (mate waarin uittreders kunnen vervangen worden door intreders) is in Limburg gedaald van 115% in 2004 tot 99,6% in 2008 ten opzichte van 105,6% en 96,7% in Vlaanderen. De daling is aanzienlijk sterker in Limburg dan in Vlaanderen wat te wijten is aan de vergrijzende leeftijdsstructuur van de bevolking. - De afhankelijkheidsratio (de verhouding van de bevolking op nietactieve leeftijd tot de bevolking op actieve leeftijd) stijgt in Limburg van 74,5% in 2003 tot 76,8% in 2008 ten opzichte van 81,3% en 84,1% in Vlaanderen. - De vergrijzing neemt overal toe: tussen 2004 en 2008 is het aandeel van de bevolking jonger dan 40 jaar afgenomen ten voordele van de leeftijdsgroepen boven 40 jaar. In de jongste categorie van 0-19 jaar kende Limburg op 01.01.2008 zelfs een lager aandeel dan Vlaanderen. - De werkloosheidsgraad evolueerde in de periode 2006-2008 (referentiemaand: december) in Limburg van 8,0 % tot 6,9% ten opzichte van respectievelijk 6,9% en 6,3% in Vlaanderen. Besluit: Limburg is er in sterke mate in geslaagd het werkloosheidsoverschot ten opzichte van Vlaanderen terug te dringen - toch blijft er een achterstand inzake activiteitsgraad en werkzaamheidsgraad.

Onderwijs: Levert Limburg voldoende potentieel voor een kennisgerichte economie? - Op niveau van het secundair onderwijs (2de en 3de graad) kan vastgesteld worden dat in Limburg minder jongeren ASO en meer jongeren BSO volgen in het schooljaar 2006-2007. Het verschil voor BSO bedraagt ongeveer 3% ten opzichte van Vlaanderen. - De participatiegraad van Limburgse jongeren in het schooljaar 2006-2007 aan het hoger en universitair onderwijs ligt ongeveer 2% lager dan het Vlaamse gemiddelde (29,2% t.o.v. 31,4%). Het verschil op het gebied van deelname aan het hogescholenonderwijs (19,4 t.o.v. 19,9%) wordt sneller ingehaald dan het verschil op het gebied van deelname aan het universitair onderwijs (9,8 t.o.v. 11,5%). Besluit: Limburg heeft kent nog steeds een achterstand inzake deelname aan het ASO en aan het universitair onderwijs.

8 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

HamontAchel Neerpelt

Lommel

De regio’s: Houden de Limburgse regio’s gelijke tred inzake economische leefbaarheid? Noord-Limburg: Noord-Limburg heeft het tweede laagste netto fiscaal inkomen van de Limburgse regio’s maar de achterstand wordt ingehaald, de nettogroeiratio van ondernemingen benadert het Limburgse gemiddelde, de aanwezigheid van zelfstandigen overtreft lichtjes het Limburgse gemiddelde, ook inzake evolutie van de werkgelegenheid benadert Noord-Limburg het Limburgse gemiddelde. De werkgelegenheidsgraad in Noord-Limburg is op Midden-Limburg na de hoogste van de Limburgse regio’s. Noord-Limburg kende de laagste stijging inzake de toename van het aantal werkenden maar de werkzaamheidsgraad van de streek behoort tot de hoogste van de provincie zowel voor de mannen als voor de vrouwen - enkel Zuid-Limburg scoort beter. Noord-Limburg heeft in haar bevolking het hoogst aantal jongeren (beneden de 19 jaar), de hoogste doorstromingscoëfficiënt en de laagste werkloosheidsgraad van heel Limburg. De bevolking op beroepsactieve leeftijd, de evolutie van de beroepsbevolking en de activiteitsgraad van de beroepsbevolking liggen boven het Limburgse gemiddelde. West-Limburg: Het netto fiscaal inkomen per inwoner in West-Limburg kent een lagere groeiratio dan het Limburgs gemiddelde, de nettogroeiratio van ondernemingen ligt boven het Limburgs gemiddelde, enkel Midden-Limburg doet beter. De aanwezigheid van zelfstandigen ligt lager dan het Limburgs gemiddelde maar West-Limburg kende wel een sterke toename van het aantal zelfstandigen. WestLimburg registreerde een sterke toename van het aantal jobs waardoor ook de werkgelegenheidsgraad van de regio de hoogste stijging kende, dit geldt ook voor de toename van het aantal werkenden en de werkzaamheidsgraad. West-Limburg kende de sterkste toename van het bevolkingsaantal, de ouderdomscoëfficiënt en de afhankelijk heidsratio liggen beneden het Limburgs gemiddelde, de doorstromingscoëfficiënt is hoger dan het Limburgse gemiddelde. De evolutie van de beroepsbevolking behoort tot de hoogste van de provincie maar de activiteitsgraad is de tweede laagste van Limburg. De werkloosheidsgraad is sterker gedaald dan het Limburgse gemiddelde. Midden-Limburg: Het groeipercentage van het netto fiscaal inkomen ligt het laagst in Midden-Limburg. De nettogroeiratio van ondernemingen overtreft het Limburgse gemiddelde, dit geldt ook voor de evolutie van de zelfstandigen. De stijging van de totale werkgelegenheid ligt op het niveau van het Limburgse gemiddelde, de werkgelegenheidsgraad van Midden-Limburg ligt sterk boven de scores van de andere regio’s. De evolutie van het aantal werkenden en werkzaamheidsgraad liggen in de gehanteerde referentiejaren onder het Limburgse gemiddelde.

Overpelt

De evolutie van de bevolking ligt iets lager dan voor Limburg in haar geheel. Midden-Limburg kent de tweede hoogste ouderdomscoëfficiënt, de doorstromingscoëfficiënt ligt hoger dan deze voor Limburg en inzake afhankelijkheidsratio benadert Midden-Limburg het Limburgse gemiddelde. Midden-Limburg registreerde de laagste toename van de beroepsbevolking en de activiteitsgraad Tessenderlo daalde lichtjes terwijl deze in de andere regio’s lichtjes toenam. De werkloosheidsgraad van de streek is het hoogst van de provincie.

Hechtel Eksel

Zuid-Limburg: Het netto fiscaal inkomen van Zuid-Limburg is lichtjes afgenomen maar is het hoogst van alle Limburgse regio’s. De nettogroeiratio van de ondernemingen is het laagst in Zuid-Limburg, de streek kende ook de sterkste daling van het aantal zelfstandigen en dit tegenover een toename van het aantal zelfstandigen in heel Limburg. Toch blijft Zuid-Limburg de regio met de hoogste aanwezigheidsindex voor zelfstandigen. De groei van de werkgelegenheid ligt in Zuid-Limburg beduidend lager dan deze in de andere regio’s. De evolutie van het aantal jobs in Zuid-Limburg ligt beneden het Limburgse gemiddelde maar de streek heeft de hoogste werkzaamheidsgraad van Limburg. De bevolkingstoename is in Zuid-Limburg lager dan het Limburgse gemiddelde, de ouderdomscoëfficiënt is er veel hoger en de doorstromingscoëfficiënt is er veel lager dan deze in de andere regio’s. De afhankelijkheidsratio is het hoogst van de provincie. Zuid-Limburg kent de hoogste activiteitsgraad van de provincie en de tweede laagste werkloosheidsgraad.

Bree

Kinrooi

Peer

Leopoldsburg

Maaseik Meeuwen Gruitrode

Ham Beringen

HouthalenHelchteren

Opglabbeek

HeusdenZolder

As

Maasmechelen

Genk Herkde-Stad

Hasselt

Zutendaal

Diepenbeek Nieuwerkerken

Dilsen Stokkem

Zonhoven

Lummen

Maasland: Het netto fiscaal inkomen van het Maasland is het Halen laagste van de provincie maar de stijging van het netto fiscaal inkomen was er het sterkst waardoor de achterstand wordt ingelopen. De nettogroeiratio van ondernemingen benadert het Limburgse gemiddelde maar er is een afname van het aantal zelfstandigen, de aanwezigheidsindex voor zelfstandigen is in het Maasland het laagst van de provincie. De groei van de totale werkgelegenheid zit op het niveau van de provincie maar het Maasland kent de laagste werkgelegenheidsgraad van de provincie. Het Maasland kende de tweede sterkste stijging van het aantal werkenden in de provincie maar de werkzaamheidsgraad blijft het laagst van de provincie. De toename van de bevolking in de streek behoort tot de laagste van de regio’s en zit onder het Limburgse gemiddelde. Kenmerkend is de hoge aanwezigheid van niet-Belgen in de bevolkingssamenstelling, meer dan het dubbele van het provinciale gemiddelde. De ouderdomscoëfficiënt is in het Maasland het laagst, de doorstromingscoëfficiënt benadert deze van Limburg, de afhankelijkheidsratio is het laagst van alle regio’s. De toename van de beroepsbevolking is in het Maasland lager dan in Limburg, het Maasland kent ook de laagste activiteitsgraad van de beroepsbevolking. De werkloosheid in het Maasland is het tweede hoogst van de Limburgse regio’s en ligt boven het Limburgse gemiddelde.

Bocholt

Lanaken

Alken

Bilzen Kortessem

Wellen

Hoeselt

St. Truiden Riemst

Borgloon

Tongeren Heers Voeren

Gingelom Herstappe

Noord-Limburg

Besluit: Uitgaande van Midden-Limburg de beleidsopties m.b.t. de ontwikkeling van West-Limburg de subregio’s kunnen volgende besluiten geformuleerd worden: Maasland - In het algemeen voor alle regio’s kan gesteld worden dat de scoZuid-Limburg res van Limburg op het vlak van het bruto binnenlands product zouden moeten verhogen en dat de afname ten aanzien van het Vlaamse gemiddelde moet omgebogen kunnen worden. De werkgelegenheidscreatie zou het niveau van Vlaanderen moeten halen. Andere belangrijke aandachtspunten zijn de verhoging van de arbeidsproductiviteit en de verhoging van de activiteitsgraad. - De beleidskeuze voor een versterking van de stadsregio of van het regionaalstedelijk gebied houdt in dat de scores van Midden-Limburg inzake werkgelegenheidscreatie en inkomenscreatie verbeterd moeten worden. - Een evenwichtige deelname van alle regio’s in de welvaartscreatie die moet zorgen voor leefbare regio’s vraagt aandacht voor de lage werkgelegenheidsgraad van het Maasland en voor de verouderingsproblematiek van Zuid-Limburg. Het regionaal economisch beleid van Limburg speelt in op de hierboven geformuleerde aandachtspunten en is erop gericht op structurele wijze werk te maken van de versterking van het Limburgs economisch weefsel en van een verhoogde inzet van het menselijk potentieel.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 9


L D I A E L A D L A I N A CH E O L N B I E O I G B G E H RRE N S C I S I M M O O N O O EECC Situering De duurzame economische ontwikkeling van Limburg is in sterke mate afhankelijk van de wijze waarop onze economie de evolutie naar een kenniseconomie kan maken. Ondernemingen kunnen niet meer alleen concurreren op prijs en productiviteit, maar dienen te investeren in nieuwe processen, producten en diensten om competitief te kunnen blijven. Het economisch weefsel moet zich in sterkere mate gaan oriënteren op hoogtechnologische en kennisgeoriënteerde product- en dienstenontwikkeling. Permanente innovatie wordt een wezenlijk onderdeel van ondernemen. De ontwikkeling naar een kenniseconomie is enerzijds gebaseerd op een verhoging van het innovatievermogen van de aanwezige bedrijven en anderzijds op het ontwikkelen en aantrekken van kennisintensieve bedrijven. Om de innovatie en kennisgerichtheid van ondernemingen te ondersteunen is de aanwezigheid van een brede technologieportfolio in een regio van bijzonder belang. Belangrijk hierin is niet alleen de aanwezigheid van multidisciplinaire kennis maar ook het vermogen om een sterke samenwerking en kennisoverdracht tussen kennisinstellingen en bedrijven te realiseren en diverse disciplines aan elkaar te koppelen waardoor nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden ontstaan. Voor een economische regio en dus ook voor Limburg is het bijgevolg noodzakelijk: - Te beschikken over een breed uitgebouwd netwerk aan kennisinstellingen die de basis vormen voor toepassingsgerichte kennisontwik keling en voor kennistransfer gericht op bedrijfseconomische en maatschappelijke innovaties. - Te beschikken over instanties die gespecialiseerd zijn in het verkennen van het innovatiepotentieel van bedrijven en bedrijven stimuleren deze tot ontwikkeling te brengen in samenwerking met deskundigen en kennisinstellingen en dit al dan niet gekoppeld aan stimuleringmaatregelen vanwege overheden. - Het eigen innovatiepotentieel te koppelen aan het innovatiepotentieel van omliggende regio’s waardoor de kritische massa op gebied van de aanwezige technologieportfolio die aangeboden kan worden aan aanwezige of nieuwe bedrijven in sterke mate verhoogd wordt. - Te beschikken over aangepaste infrastructuur voor de vestiging van kennisgeoriënteerde bedrijven. Hoger genoemde voorwaarden voor een succesvolle ontwik keling van een regio op het gebied van kennisgeoriënteerde economische activiteiten liggen aan de basis van het regionale innovatiebeleid van Limburg. Belangrijk is dit beleid te ontwikkelen vanuit het principe van de triple helix, waarbij overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven elk hun rol opnemen in het proces van economische ontwikkeling. De wijze waarop een regio de evolutie naar een kennis- en innovatiegerichte economie maakt kan gemeten worden aan de hand van enkele indicatoren die geen volledige duiding van de ontwikkelingen van een regio op dit vlak geven maar die wel indicaties vormen voor de aanwezigheid van kenniseconomie en innovatie in een regio.

10 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Kenniseconomie en innovatie Enkele prestatie-indicatoren Tewerkstelling in kennisintensieve sectoren De kenniseconomie is niet zomaar eenduidig te omschrijven. Vele defi nities gaan in de richting van het al dan niet intensief gebruik van onderzoek en ontwikkeling in het productieproces. Zo onderscheidt de OESO voor de industrie vier categorieën: Hoogtechnologische sectoren: farmacie / kantoormachines en computers / audio-, video- en telecom municatieapparatuur / medische, precisie- en optische instrumenten / vliegtuigbouw; Medium-hoogtechnologische sectoren: chemie minus farmacie / machines, apparaten en werktuigen / elektrische machines en apparaten / motorvoertuigen, aanhang wagens en opleggers / rollend materieel voor spoor- en tramwegen / motorrijwielen en rijwielen / overige transportmiddelen; Medium-laagtechnologische sectoren: cokes, geraffineerde aardolieproducten en splijt- en kweekstoffen / rubber en kunststof / overige niet-metaalhoudende minerale producten / metalen in primaire vorm / producten van metaal / scheepsbouw en -reparatie; Laagtechnologische industriële sectoren: voedingsmiddelen en dranken / tabaksproducten / textiel / kleding en bont / schoeisel / hout / papier / uitgeverijen, drukkerijen / meubelen en overige industrie / recycling. Ook voor de dienstensectoren bestaan er classificaties die de kennisintensiteit weergeven. Eurostat onderscheidt: Kennisintensieve high-techdiensten: post en telecommunicatie / activiteiten i.v.m. computers / speur- en ontwikkelingswerk; Kennisintensieve fi nanciële diensten: fi nanciële instellingen / verzekeringswezen / ondersteunende activiteiten i.v.m. fi nanciële instellingen en verzekeringswezen; Kennisintensieve marktdiensten: vervoer over water / luchtvaart / verhuur en handel in onroerende goederen / verhuur roerende goederen zonder bedieningspersoneel / overige zakelijke dienstverlening. Op basis van de RSZ-tewerkstellingsdata kunnen al deze sectoren geanalyseerd worden. Indien de hoogtechnologische en mediumhoogtechnologische sectoren in de industrie (HT-MHT) als één geheel worden beschouwd, komt men tot de volgende vaststellingen: de arbeidsplaatsen in de betrokken sectoren maken eind 2006 in Limburg 3,6% uit van de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar). Tussen 31 december 2003 en 31 december 2006 is er een daling met -11,8%, tegenover een stijging met 4,4% van de totale bezoldigde tewerkstelling in dezelfde periode. Limburg scoort hiermee iets minder goed dan Vlaanderen (3,7%) qua tewerkstellingsgraad en nog beduidend slechter dan Vlaanderen voor wat betreft de banenevolutie (-5,2%).

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 11


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO IE M O N O SEC E I N N E K VATI O N N I EN

West-Limburg is de enige Limburgse streek waar de HT-MHT sectoren niet alleen sterker vertegenwoordigd zijn (4,7%), maar waar deze HT-MHT sectoren bovendien ook beter evolueren (+0,2%) dan gemiddeld in Vlaanderen. In Midden-Limburg komen de HT-MHT sectoren het best aan bod (6,2%), maar is de achteruitgang van het aantal arbeidsplaatsen in deze sectoren het grootst met maar liefst -22,2%. In de overige drie Limburgse regio’s is er een eerder zwakke vertegenwoordiging in de HT-MHT bedrijfstakken, maar is er met uitzondering van Zuid-Limburg (-13,2%) een inhaalbeweging merkbaar, vooral in Noord-Limburg (+18,0%).

De bezoldigde tewerkstelling in het geheel van de kennisintensieve diensten is eind 2006 in Limburg goed voor 6,5% van de bevolking tussen 15 en 64 jaar. Het aantal arbeidsplaatsen in deze sectoren vermeerdert sedert december 2003 met +31,7%, gevoelig meer dan de aangroei van de totale bezoldigde tewerkstelling. Limburg werkt met deze cijfers sinds 2003 zijn achterstand inzake kennisintensieve dienstenjobs t.o.v. Vlaanderen (+19,6%) wat weg, maar heeft toch nog altijd een duidelijk kleinere tewerkstellingsgraad dan Vlaanderen (8,6%). In Noord-Limburg, Zuid-Limburg en het Maasland komen de kennisintensieve diensten minder van de grond. West-Limburg daarentegen komt met een banengroei van 56,7% uit op een tewerkstellingsgraad van 5,8% en situeert zich hiermee stilaan in de buurt van het provinciale niveau. Midden-Limburg bewijst dat deze categorie van diensten beter gedijt in een regionaalstedelijk gebied zoals de bipool Hasselt-Genk door niet alleen een meer prominente aanwezigheid (11,2%) van de betrokken bedrijfstakken, maar ook door een hogere groei (29,8%) ervan in vergelijking met Vlaanderen.

Patenten Patenten vormen de sluitsteen van het onderzoek dat aan de basis ligt van de commercialisering van producten. Het aantal patenten, ingediend bij het European Patent Office, per miljoen inwoners kan aldus voor regio’s (beschikbaarheid cijfers tot op provinciaal niveau) als een innovatie-outputindicator gebruikt worden om aan te geven in hoeverre deze regio’s daadwerkelijk innovatief zijn. Echter niet voor

elke nieuwe vondst wordt een patent aangevraagd. Voorts is dit nog geen garantie voor het uiteindelijke succes van dat product voor de verkoop ervan (een noodzakelijke voorwaarde voor de realisatie van toegevoegde waarde). Op basis van de meest recent beschikbare cijfers van 2004 zijn in Limburg 78 patenten bij het European Patent Office (EPO) ingediend per miljoen inwoners. Van jaar tot jaar kunnen er belangrijke schommelingen zijn. Toch is er een trendmatige toename sedert 1994 tot meer dan het dubbele aantal (+121,2%) in 2004 (Vlaanderen +65,8%, België +83,6%). Limburg heeft in de beschouwde periode zijn achterstand wel verkleind maar blijft toch in verhouding veel minder patenten indienen dan Vlaanderen en België. Bekijken we het aantal aangevraagde patenten bij het EPO per miljoen inwoners naar categorie in 2004, dan blijkt dat Limburg vergeleken met Vlaanderen en België zwak presteert in biotechnologie en high-tech patenten. Het innovatieprofiel van Limburg werd uitvoerig in beeld gebracht in de gelijknamige studie die in 2008 werd afgeleverd door prof. Ludo Peeters van de UHasselt. De bedoeling is om uitgaande van deze studie een ‘Innovatief Businessplan voor Limburg’ op te maken.

Het Limburgse innovatiebeleid Zoals hierboven aangegeven is het Limburgse innovatiebeleid gebaseerd op vier pijlers: 1. de ontwikkeling van kennis 2. de overdracht van kennis naar het bedrijfsleven 3. het koppelen van het Limburgse innovatiepotentieel aan het potentieel van de omliggende regio’s 4. de realisatie van vestigingsmogelijkheden voor kennisgeoriënteerde bedrijven. Het innovatiebeleid dat Limburg voert gaat uit van het Europese, Vlaamse en het Interregionale innovatiebeleid en legt vanuit deze basis eigen regionale accenten. Belangrijk te vermelden hierbij is dat er in het verleden zowel vanuit het Toekomstcontract voor Limburg, het Limburgplan als vanuit de Limburgovereenkomst belangrijke financiële impulsen gegeven werden aan de uitbouw van de kenniscapaciteit en het innovatievermogen voor Limburg. Ook in het Streekpact 2008-2013 voor Limburg wordt het belang van de economische innovatie geduid en worden er terzake ontwikkelingsdoelstellingen geformuleerd. Door volgehouden inspanningen is Limburg erin geslaagd om een succesvolle weg af te leggen in de opbouw van gespecialiseerde kennis en onderzoekspotentieel, in de samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven en in het ontwikkelen en aantrekken van nieuwe bedrijven.

Door volgehouden inspanningen is Limburg erin geslaagd om een succesvolle weg af te leggen.

Uitbouw van kennisinstellingen De aanwezigheid van een sterke technologieportfolio vormt een belangrijke en noodzakelijke basis in het ondersteunen van bedrijven in hun innovatiebehoeften en in het ontwikkelen en aantrekken van nieuwe bedrijven. Als relatief jonge universiteit is de UHasselt in samenwerking met de Hogescholen erin geslaagd op diverse domeinen sterke kennisinstellingen uit te bouwen: UHasselt: Het Expertisecentrum Digitale Media (EDM), het Instituut voor Materiaalonderzoek (IMO), het Centrum voor Milieukunde (CMK), het Biomedisch Onderzoeksinstituut (BIOMED), het Instituut voor Mobiliteit (IMOB), het Centrum voor Statistiek (CenStat), het Kenniscentrum voor Ondernemerschap en Innovatie (KIZOK), het Centrum voor Toegepaste Linguïstiek (CTL) en het Instituut voor Gedragswetenschappen (SEIN). PHL: De Onderzoeksinstituten voor Architectuur, Interieurarchitectuur en Beeldende Kunst (Arck), Toegepaste Informatica (TINFO), Logistiek en ICT (LOG-IC) en Revalidatie van neurodegeneratieve aandoeningen (REVAL) en de Expertisecel FQM (Food Quality Management). XIOS: Het Verpakkingscentrum (VC), het Centrum voor Nucleaire Technologie (NuTec), de onderzoekscel Elektromechanische Automatisering van Productieprocessen (EMAP), de onderzoekscel JaDiMo in het domein van de toegepaste informatica en de onderzoeksgroepen Bouwkunde, Electronics Cell en de Technologiepool. KHLim: Het Automatisering Centrum Research en Opleiding (ACRO), de Cel Kunststoffen, de onderzoeksgroepen Decentrale energieproductie en -beheer, Lab4U (chemie, milieuzorg en biochemie), Digitale Systemen en signalen (DSS), [ED+ICT] en Mediawatch. Alle initiatieven van onderzoek en ontwikkeling worden gebundeld in KHLim Quadri. XIOS en KHLIm richtten samen het Technologiecentrum Limburg op, dat 7 onderzoekscellen uit de bovenstaande opsomming huisvest, en dat toegepast onderzoek ten behoeve van de ingenieursopleidingen verricht. tUL: In het kader van de Transnationale Universiteit Limburg verrichten de UHasselt en de Universiteit Maastricht gezamenlijk onderzoek op de domeinen Informatietechnologie en levenswetenschappen (i.s.m. het Academisch Ziekenhuis Maastricht).

Ondersteunen van kennisoverdracht Voor een regio is het belangrijk te beschikken over actoren die tot specifieke taak hebben het innovatiepotentieel van bedrijven te onderzoeken en verbindingen te leggen tussen de behoefte van bedrijven aan innovatie-kennis enerzijds en kennisinstellingen en innovatiedeskundigen anderzijds. In Limburg zijn twee instanties die nauw samenwerken erin geslaagd om op enkele jaren tijd een succesvolle en sterk resultaatsgerichte werking uit te bouwen.

Innovatiecentrum Limburg Het Innovatiecentrum Limburg VZW heeft als doel Limburgse bedrijven, in het bijzonder KMO’s, op proactieve wijze te informeren, aan te moedigen en te begeleiden bij de omschrijving en uitdieping van hun innovatieplannen en de realisatie ervan. Het Innovatiecentrum brengt bovendien KMO’s in contact met externe experts (hogescholen, universiteiten, andere kennisinstellingen en adviesbureaus) en eventueel ook met andere bedrijven waarmee ze zouden kunnen samenwerken. - Het Innovatiecentrum kan instaan voor een innovatie-audit, ondersteunt bij ideeëngeneratie en screening, helpt mee zoeken naar specifieke kennispartners, vertaalt goede ideeën in een innovatieplan, en begeleidt en adviseert de uitwerking van een subsidieaanvraag. - Het Innovatiecentrum Limburg schakelt momenteel 8 mensen in: 6 innovatieadviseurs, een directeur en een management assistant. Dankzij de Limburgovereenkomst kon het Innovatiecentrum in 2007 uitbreiden met 2 extra medewerkers. - Het Innovatiecentrum heeft een bevoorrechte maar geen exclusieve samenwerking met de onderzoeksinstellingen van de Limburgse universiteit en hogescholen, maar bestrijkt binnen het Vlaams Innovatienetwerk alle onderzoeksinstituten en -instel lingen van heel Vlaanderen. Voor het Innovatiecentrum is het belangrijk dat concrete vragen en ideeën van bedrijven een antwoord krijgen - dit is zeker niet provinciegrensgebonden. - Via het Vlaams Innovatienetwerk wordt een overzichtelijke multidisciplinaire toegang geboden naar alle innovatie-actoren: naast de innovatiecentra en de TechTransfers gaat het om de onderzoeksinstituten van kennisinstellingen, maar ook onderzoeksinstellingen zoals VITO, IMEC, IBBT, … en de Vlaamse competentiepolen en excellentiepolen (Flanders Drive, Vlaams Instituut voor de Logistiek, Vlaams Instituut voor de Mobiliteit, …), …. - De Innovatiecentra in Vlaanderen overleggen maandelijks.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 13


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO IE M O N O SEC E I N N E K VATI O N N I EN

Het Innovatiecentrum heeft ondertussen sterk geïnvesteerd in de samenwerking tussen het bedrijfsleven en academici. Een volgende stap is de samenwerking tussen bedrijven onderling - zowel tussen concurrenten binnen één sector, als tussen verschillende sectoren. Goede contacten met en ondersteuning door sectorfederaties en werkgeversorganisaties zijn hierin een bepalende factor. Het Innovatiecentrum begeleidt bedrijven ook bij het indienen van een dossier bij het IWT voor onderzoek en ontwikkeling. Een snelle analyse van de IWT-cijfers toont aan dat de inspanningen in sterke mate lonend zijn: - De totale subsidies voor onderzoeksprojecten en innovatietrajecten in het Limburgse bedrijfsleven en de onderzoekscentra zijn in 2007 verdrievoudigd ten opzichte van 2006: van 5,6 miljoen € naar 16,6 miljoen €. Het aandeel van Limburg in de toegekende Vlaamse IWT-steun neemt hiermee toe van 4,1% naar 8,5%. - Ook de IWT-steun aan bedrijven voor innovatie in de bedrijfsvoering is meer dan verdubbeld: van 3,7 miljoen € in 2006 naar 8,4 miljoen € in 2007. De budgetten die de Limburgse bedrijven hiertegenover stellen namen toe van 11,1 miljoen € in 2006 naar maar liefst 25,1 miljoen € in 2007. - De Limburgse KMO’s kennen de laatste vijf jaar, van 2003 tot 2007, een relatief constant hoog aandeel tussen 10,8 en 13,0% van de IWT-steun aan Vlaamse KMO’s. Voor 2007 was hier een subsidiebedrag van 2 miljoen € mee gemoeid, tegenover een investering van 4,5 miljoen € van de KMO’s zelf. Het is ook van belang om mee te geven dat heel wat Limburgse inspanningen voor innovatie in de afgelopen jaren ook mee ondersteund werden door EFRO- en Interreg-middelen, dus niet enkel vanuit het IWT. Belangrijk is dat het innovatievermogen van een regio opgebouwd wordt via een breed maatschappelijk draagvlak waarbij het streven naar innovatie gaat deel uitmaken van zowel het economisch gebeuren als van het brede maatschappelijk gebeuren. Er moet met andere woorden belangstelling komen voor innovatie in alle maatschappelijk geledingen en jongeren moeten volop belangstelling ontwikkelen voor wetenschap, technologie en multidisciplinair denken. Om dit proces te ondersteunen hebben het Innovatiecentrum voor Limburg i.s.m. POM Limburg en andere actoren zoals de werkgeversorganisaties, het Agentschap Ondernemen, mediapartners, … een unieke sensibiliseringscampagne uitgewerkt die gefi nancierd wordt door het EFRO en het provinciebestuur van Limburg.In het kader van deze campagne zijn er vanaf dit voorjaar diverse blikvangende activiteiten van start gegaan.

TechTransfer UHasselt De TechTransfer UHasselt - voorheen de Interfacedienst - werkt als valorisatie-katalysator voor de Associatie Universiteit en Hogescholen Limburg (XIOS, PHL, KHLim) en heeft een dubbel doel: enerzijds de Limburgse onderzoekers aan te zetten en te begeleiden de stap naar de bedrijfswereld te maken, en anderzijds ondernemers de weg naar de kennisinstellingen te wijzen. De TechTransfer schakelt momenteel 5 medewerkers in: 3 stafmedewerkers, 1 directeur en 1 secretariaatsmedewerker. Dankzij de Limburgovereenkomst kon de TechTransfer in 2007 uitbreiden met 2 extra stafmedewerkers. De TechTransfer werkt als een schakel tussen de academische en de bedrijfswereld, en begeleidt zowel onderzoekers als ondernemers in haar innovatienetwerk. De meest directe aanpak is het samen opzetten van onderzoek tussen de kennisinstellingen van de Limburgse universiteit en hogescholen en bedrijven: van kortlopend contractonderzoek tot langlopend strategisch basisonderzoek. In het werkingsjaar 2007 werden door de TechTranfser UHasselt 107 onderzoekscontracten afgesloten (contractresearch en coöperatief onderzoek). In dit werkingsjaar bedroegen de inkomsten voor onderzoek 14,885 miljoen €. De activiteiten van de TechTransfer hebben ook geleid tot een sterke stijging in het opsporen van valorisatiedossiers en van het aantal uitvindingen waarvoor een octrooi werd ingediend. Na het werkingsjaar 2007 heeft de TechTransfer een actieve octrooiportefeuille van 15 octrooien: 8 hiervan zijn toegekend (‘maintained and granted’), 7 zitten nog in een goedkeuringsfase (‘mantained and in procedure’). De TechTransfer vertrekt vanuit het onderzoeksaanbod aan de UHasselt en de Hogescholen, maar werkt vanuit die rol zeker niet exclusief voor Limburg. De TechTransfer onderhoudt terzake heel wat internationale contacten, veelal met grote bedrijven. Op het vlak van kleinere en middelgrote Limburgse bedrijven liggen nog heel wat opportuniteiten voor bijkomende contacten. Een sensibiliseringsactie is een eerste nuttige stap in dit kader. De TechTransfer Offices van de verschillende Vlaamse universiteiten ontmoeten elkaar om de 6 à 8 weken. Voor ideeën die niet direct gecommercialiseerd worden op de private markt, zorgt de TechTransfer voor patenten of zelfs voor de begeleiding van afgestudeerde doctorandi of medewerkers bij het opstellen van een businessplan en het zoeken naar investeerders voor een spinoff, in samenwerking met de Limburgse Reconversiemaatschapij LRM. Het slaag percentage van deze spin-offs ligt boven de 90%. Vóór de oprichting van de TechTransfer kende de UHasselt (en voorheen het LUC) de oprichting van 8 spin-offs en aan de universiteit gerelateerde bedrijven in een periode van 15 jaar (1991-2006). In 2007 en 2008 werd de oprichting van volgende 3 spin-offs begeleid: CommArt International NV commercialiseert communicatieproducten die voortvloeien uit internationaal onderzoek van het Centrum Toegepaste Linguïstiek (CTL), via de ontwikkeling van interactieve multimediale communicatiemodules die o.m. ook leren omgaan met belangrijke cultuurnuances.

14 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Overheidsondersteuning SEPS Pharma NV brengt chemische modificaties aan in geneesmiddelen waarvan het patent bijna is afgelopen, zodat het product onder een andere vorm opnieuw gepatenteerd kan worden. Apitope International NV voert onderzoek naar multiple sclerose. Apitope is een ontwikkelaar van innovatieve therapieën voor autoimmuunziekten en allergieën. De spin-off werd ontwikkeld i.s.m. het onderzoeksinstituut Biomed. Voor het jaar 2009 worden 2 tot 3 nieuwe spin-offs voorbereid. Een vergelijking van de werking van de TechTransfer UHasselt met Europese gegevens toont aan dat de UHasselt ver boven het gemiddelde scoort wat betreft onderzoek in samenwerking met bedrijven. Met 273 dossiers contract- en coöperatief onderzoek per 1.000 onderzoekers behoort de UHasselt tot de Europese top op het vlak van kennisvalorisatie. Aantal eenheden output per 1.000 onderzoekers

Universiteit Hasselt

Europees gemiddelde (*)

Aantal dossiers contract- en coöperatief onderzoek

273,1

110,8

Aantal ingediende octrooien

13,0

5,5

Licentieovereenkomsten

2,6

4,8

Aantal spin-offs

2,6

1,6

De werking van het Innovatiecentrum en van de TechTransfer UHasselt zijn mogelijk door de inzet van Vlaamse innovatiemiddelen, maar werden versterkt door de middelen die ingezet werden vanuit de Limburgovereenkomst. De Vlaamse overheid heeft er zich toe geengageerd deze middelen in de toekomst te continueren. In het gebied van innovatie-ondersteuning is niet enkel de steun aan de werking van de verbindingsactoren belangrijk maar ook de steun aan individuele projecten en initiatieven van bedrijven. Hierbij dient in de eerste plaats verwezen te worden naar de steun die bedrijven kunnen krijgen voor hun innovatie-inspanningen vanuit het IWT (Instituut ter aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) maar ook het provinciebestuur van Limburg zet in op innovatie in KMO’s. Met de provinciale innovatiepremie ontwikkelt het provinciebestuur een instrument voor het inwinnen van advies betreffende een innovatief idee, waarbij het studiewerk (activiteiten die nodig zijn om het innovatief idee te onderzoeken) moet uitgevoerd worden door een kennisinstelling. Daarnaast ondersteunt het provinciebestuur het innovatiebeleid binnen de speerpuntsectoren waaronder logistiek, Life Sciences, Clean Tech, bouw en landbouw.

(*) Cijfers van de Association of European Science & Technology Transfer Professionals Survey (2006)

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 15


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO IE M O N O SEC E I N N E K VATI O N N I EN Interregionale economische innovatiesamenwerking

Limburg ligt midden in een regio met een sterke aanwezigheid van internationale kennisinstellingen; waaronder de kennisdriehoek Leuven-Aken-Eindhoven die over een bijzonder sterke technologieportfolio beschikt. De uitdaging voor Limburg is zich te integreren in dit kennisnetwerk en deze expertise te betrekken op de economische ontwikkeling van Limburg. Hiertoe zijn enkele belangrijke initiatieven in uitbouw:

Innovatiesamenwerking op de kennisas Leuven-Hasselt-Maastricht Op 3 oktober 2008 werd in Hasselt de samenwerkingsovereenkomst tussen de beide Limburgen en Vlaams-Brabant getekend. In deze overeenkomst engageren de betrokken provinciale overheden en de kennisinstellingen uit de drie regio’s zich ertoe om samenwerking tussen kennisinstellingen te stimuleren en concrete grensoverschrijdende kennis-kunde-kassa-projecten gericht op economische valorisatie aan te gaan. Diverse kennisinstellingen van de UHasselt zijn betrokken in concrete projecten die al in de samenwerkingsovereenkomst gedefi nieerd werden.

Op basis van onderzoek door het Zwitserse studiebureau BAK Basel werd ervoor geopteerd om in te zetten op de sectoren Chemicals and Advanced Materials, High Tech Systems en Health Care. Die keuze is gebaseerd op het ontwikkelingspotentieel dat hiertoe in de diverse regio’s aanwezig is. De studie stelde vast dat het vooral belangrijk is om in de betrokken regio’s werk te maken van een betere grensoverschrijdende matching tussen het kennispotentieel en het economisch potentieel. Op 3 november 2008 ondertekenden de betrokken gedeputeerden het principiële engagement tot samenwerking. In de volgende maanden wordt door de ambtelijke werkgroep het businessplan uitgewerkt op basis waarvan de provinciebesturen een verdere beslissing tot samenwerking zullen nemen. Voor Limburg wordt de interregionale samenwerking opgevolgd door de POM Limburg en Tech Transfer UHasselt.

Infrastructuur voor de vestiging van kennisintensieve bedrijven Kennisgeoriënteerde bedrijven vestigen zich bij voorkeur in aangepaste omgevingen zoals wetenschapsparken en hoogwaardige bedrijvenparken.

Wetenschapsparken Wetenschapsparken vormen een ideale vestigingsbasis voor spin-offs van kennisinstellingen en voor startende KMO’s die behoefte hebben aan nauwe samenwerking met R&D instellingen. Limburg kent momenteel volgende ontwikkelingen op gebied van wetenschapsparken:

Uitbouw van een Top Technologie Regio (TTR) De provinciebesturen van de regio’s Noord Brabant (NL), NederlandsLimburg, Belgisch-Limburg, Vlaams-Brabant, Luik en Aken (NRW) maken werk van de uittekening van een profi leringskader, doelstellingenkader en businessplan voor de gezamenlijke uitbouw van de zes regio’s tot een grensoverschrijdende Top Technologie Regio. De bedoeling van een dergelijk initiatief is de regio op Europees en internationaal niveau te profi leren als een hoogtechnologische regio gespecialiseerd in een aantal groeisectoren. De samenwerking moet leiden tot een sterke koppeling van kennisontwikkeling aan innovatie in het bedrijfsleven met als doel een duurzame en toekomstgerichte economische activiteits-ontwikkeling te realiseren die leidt tot meer welvaartscreatie in de betrokken regio’s.

16 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Wetenschapspark Limburg (Diepenbeek-UHasselt) De doelstelling van het Wetenschapspark Limburg is tweevoudig: enerzijds op de campus van UHasselt - Diepenbeek een concentratie verwezenlijken van high-tech georiënteerde KMO’s en anderzijds de samenwerking op R&D gebied tussen deze KMO’s en de universiteit (en andere op de campus gevestigde onderwijs- en onderzoeksinstellingen) te stimuleren. In 1992 werd hiertoe de incubator geopend, een bedrijvencentrum dat in principe gericht is op startende high-tech bedrijven. Eind 2008 is de incubator volledig bezet, met in totaal 12 huurders voor de hele infrastructuur van 10 laboruimten en 8 kantoorruimten. Tot de meest recente huurders behoren Aporis (medische software), Brains & Business (algoritmen / datamining), FiSystems (consulting informaticasystemen) en Mabcure (research medische behandelingsmethoden). Ook de overige bedrijfsgebouwen van de nv Wetenschapspark Limburg (7 gebouwen, waarvan 2 doorgangsgebouwen, en waarvan 6 met een bezettingsgraad van 100%) worden verhuurd aan externe bedrijven. Naast de eigen bedrijfsgebouwen hebben zich eveneens bedrijven en instellingen autonoom gevestigd in de zone Wetenschapspark op de Universitaire Campus: o.m. IMO-IMOMEC, Expertisecentrum Digitale Media EDM, Androme Group, CIPAL, Icasa Consulting, Entelec Control Systems en het Technologiecentrum van KHLim en XIOS. In totaal kent het Wetenschapark een contingent van 23 hectare. De eerste 2 fasen (met resp. 5,65 ha en 3,35 ha) werden reeds ontwikkeld. Met de 3e fase (5 ha netto-oppervlakte) werd in april 2008 gestart. Bovengenoemde projecten en initiatieven in volle ontwikkeling vertegenwoordigen samen circa 650 arbeidsplaatsen.

Life Sciences Development Campus (Diepenbeek - UHasselt) Voor meer informatie over LSDC wordt verwezen naar het artikel over de Life Sciences sector. Wetenschapspark Waterschei Het voormalige mijnterrein van Waterschei wordt ontwikkeld tot hoogwaardig bedrijventerrein met wetenschapspark. Het wetenschapspark wordt ontwikkeld in partnerschap tussen de stad, de Associatie KULeuven- KHLim en de associatie UHasselt- PHL-XIOS, LRM en POM Limburg. Daarnaast zijn volgende initiatieven belangrijk voor de vestiging van kennisintensieve diensten en bedrijven: Research Campus Hasselt De Research Campus Hasselt is een campus hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van kennisintensieve bedrijven. De campus werd vanaf 2001 ontwikkeld op de site van de voormalige Philipsfabrieken in Hasselt. Na een ontwikkeling in 3 fasen (2001, 2005 en 2008) heeft de nv Research Campus Hasselt vandaag 38.500 m² gebouwoppervlakte in bezit, die verhuurd wordt aan een 40-tal bedrijven. Er is op de campus een tewerkstelling van meer dan 2.000 personen. Bij de sluiting van Philips in 2001 waren er circa 1.400 mensen tewerkgesteld op de site. Ondermeer volgende bedrijven zijn op de site gelokaliseerd: Jabil, Kluwer Software, Luminus, Arcadis Gedas, IncGeo, Youston, MSP, LifePlan Vlaanderen, Kirean, Cronos, SIPM, Handson, Optizen, Cynex, Syntegro, Beckhoff Automation, Agentschap Ondernemen Limburg, Call-IT en Cronos Limburg. Naast de stad Hasselt nemen ook de LRM en POM Limburg deel aan het beheer en de ontwikkeling van de site.

Hoogwaardig bedrijvenpark Waterschei Het hoogwaardig bedrijvenpark Waterschei omvat met inbegrip van het Wetenschapspark een kleine 90 ha die bestemd worden voor de vestiging van kennisintensieve bedrijven. Hoogwaardige bedrijvenparken kenmerken zich niet alleen door hun bestemmingsoptie maar vooral ook door hun aangepast omgevingskader dat erop gericht is een ideale omgeving te vormen voor dergelijke bedrijven. De werken voor de aanleg en ontsluiting van het terrein zijn in volle voorbereiding. Daarnaast wordt er ook op andere locaties in Limburg ruimte voorzien voor bedrijven die zich willen vestigen in een hoogwaardige omgeving, zoals het Kristalpark Lommel. Op gebied van infrastructuurontwikkeling zijn de middelen die LRM kan inzetten voor de ontwikkeling van rendementsgebonden economische vastgoedprojecten een bijzondere troef voor Limburg. LRM is dan ook betrokken partij in bijna alle nieuwe projectontwikkelingen. Het beleid gericht op het stimuleren van economische innovatie en het ontwikkelen en aantrekken van nieuwe kennisgebaseerde bedrijvigheid is maar slagkrachtig wanneer het gekoppeld wordt aan een integraal regionaal-economisch beleid. Om die redenen worden er ook linken gelegd tussen het innovatiebeleid en het acquisitiebeleid, het beleid gericht op groeisectoren en speerpuntsectoren, het opleidingsbeleid, het beleid inzake ruimtelijke economie, ….

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 17


L D I A E L A D L A I N A CH E O L N B I E O I G B G E H RRE N S C I S I M M O O N O O EECC Inleiding Het economisch beleid van een regio dient enerzijds een generiek stimuleringsbeleid te zijn dat algemene maatregelen omvat die gericht zijn op het ondersteunen van de groei en de versterking van de bedrijvigheid in het algemeen. Daarnaast is het belangrijk dat in het kader van het economische beleid specifieke accenten gelegd worden in functie van een toekomstgerichte versterking van het economisch weefsel. Belangrijk hierbij is in te zetten op kennisintensieve sectoren en op sectoren die in de regio een sterk ontwikkelingspotentieel hebben of bijzondere aandacht verdienen binnen een Euregionaal ontwikkelingsperspectief. In Limburg werd ervoor geopteerd om extra in te zetten op de ontwikkeling van drie sectoren met name de logistieke sector, de sector van de Life Sciences en de clean techsector. De keuze voor deze drie sectoren is gebaseerd op het groeipotentieel van deze sectoren in combinatie met de eigen troeven die Limburg bezit om deze sectoren tot een versnelde en verhoogde ontwikkeling te brengen. De ontwikkelingsplannen voor deze sectoren worden getrokken door ‘trekkers’ die over de meeste capaciteit beschikken om een succesvolle realisatie van de ambities te garanderen. Belangrijk hierbij is dat rond alle plannen sterke strategische netwerken opgebouwd worden die ertoe leiden dat de plannen gedragen en mee uitgevoerd worden door alle belangrijke actoren in het betreffende actiedomein. Alle betrokken actoren engageren er zich toe om vanuit de eigen bevoegdheden, middelen en expertise mee te werken aan de realisatie van de doelstellingen en acties.

Sectoren met groeipotentieel

Logistiek Ontwikkelingspotentieel Door een toenemende de-industrialisatie waarbij de be- en verwerkende nijverheid in West Europa afneemt krijgt de sector Transport - Distributie en Logistiek een toenemend belang. De logistieke sector telde in 2006 in Limburg ca. 16.200 arbeidsplaatsen (RSZ-cijfers; NACE-codes 60-64) en neemt daarmee de vijfde plaats in op de lijst van werkverschaffende sectoren in Limburg. Tussen 2003 en 2006 steeg de werkgelegenheid in de logistieke sector in Limburg met 11,8%, wat aanzienlijk hoger is dan de stijging gemiddeld in Vlaanderen (+7,5%). Het provinciebestuur van Limburg heeft in 2007 in samenwerking met nv De Scheepvaart, LRM en het Havenbedrijf Antwerpen een studie laten uitvoeren die de logistieke potenties van Limburg in kaart moest brengen en dit gekoppeld aan de uitwerking van een actieplan. De belangrijkste conclusies uit de studie zijn: - Limburg is een toplocatie met onweerlegbare troeven als logistieke regio, deze troeven worden bevestigd in andere internationale locatiestudies. - Logistiek is voor Limburg een groeisector. - Bij de ontwikkeling van de logistieke sector dient gefocust te worden op goederenstromen en logistieke activiteiten die toegevoegde waarde en werkgelegenheid creëren. - De uitbouw dient gerealiseerd te worden via de logistieke poort Genk (cluster Midden-Limburg) en vier structuurondersteunende clusters m.n. Cluster Limburg Noord, Cluster Limburg West, Cluster Limburg Oost en Cluster Limburg Zuid. Deze vijf clusters scoren reeds het best op logistiek gebied en beschikken over het potentieel om bijkomende logistieke activiteiten te ontplooien in de toekomst. Vanuit ruimtelijk-economisch perspectief kan gesproken worden van een samenhang tussen het trimodale knooppunt Genk en de vier ondersteunende clusters. - Om tot een optimale ontwikkeling van logistiek in Limburg te komen is het aangewezen synergie te ontwikkelen met de mainport Antwerpen waardoor er een koppeling kan gemaakt worden tussen het havenbeleid en het logistieke hinterlandbeleid.

Om voldoende krachtig te kunnen inzetten op de ontwikkeling van de logistieke sector werd geopteerd voor een netwerkstrategie die gebaseerd is op daadwerkelijke samenwerking tussen alle betrokken partijen. De betrokken actoren zijn: het bedrijfsleven dat een belangrijke rol opneemt in het aansturen van de actieontwikkeling, het provinciebestuur, POM-ERSV Limburg en de gemeentebesturen die betrokken zijn vanuit het aspect bedrijventerreinontwikkeling, nv De Scheepvaart omwille van de watergebonden logistieke bedrijvigheid, de kennisinstellingen, opleidingsinstellingen en het Innovatiecentrum omwille van het aspect innovatie in logistieke processen, opleidingen, …, LRM omwille van investeringsmogelijkheden in bedrijfsinfrastructuren, het Agentschap Ondernemen omwille van de ondersteuningsmogelijkheden aan het bedrijfsleven en acquisitie. Het regionale netwerk werkt nauw samen met het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en dit met het oog op de realisatie van het concept Extended Gateway waarbij het havenbeleid gekoppeld wordt aan het logistieke hinterlandbeleid.

Om deze ambities te realiseren werd een doorbraakstrategie voorgesteld. Dit plan heeft inmiddels het statuut van een beleids- en actienota gekregen die gedragen wordt door alle betrokken actoren in Limburg.

Om het actieplan tot ontwikkeling te brengen functioneren in het kader van het Logistiek Platform Limburg een zestal werkgroepen waarin vertegenwoordigers van de bevoegde instanties samenwerken aan het realiseren van projecten en acties.

Organisatie De realisatie van het actieplan voor de logistieke sector wordt getrokken door het Logistiek Platform Limburg dat voorgezeten wordt door een vertegenwoordiger van het logistieke bedrijfsleven. Naast het bedrijfsleven zijn in het Logistiek Platform ook de betrokken actoren vertegenwoordigd zijnde het provinciebestuur en de POM, de gemeentebesturen, LRM, nv De Scheepvaart, Havenbedrijf Antwerpen en het Vlaams Instituut voor de Logistiek. POM Limburg verleent logistieke ondersteuning aan de werking van het Logistiek Platform en stelt een Logistiek Manager en medewerker ter beschikking. Het Logistiek Platform Limburg werd in september 2007 opgericht.

18 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Ambities De ambities van het Logistiek Plan voor Limburg kunnen als volgt geformuleerd worden: - Limburg profi leren als een logistieke topregio met als doel economische en maatschappelijke toegevoegde waarde voor Limburg te creëren. - De logistieke Poort Genk en de vier Clustergebieden ontwikkelen tot strategische logistieke locaties. - Het realiseren van het concept Extended Gateway waardoor er een strategische koppeling gemaakt wordt tussen het havenbeleid en het logistieke hinterlandbeleid wat moet leiden tot een versterkte ontwikkeling van de logistieke sector in Limburg.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 19


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G Doelstellingen - acties en realisaties De ambities van Limburg inzake de ontwikkeling van de logistieke sector worden waargemaakt door werk te maken van de realisatie van zeven subdoelstellingen die vertaald worden in concrete acties en projecten. Deze acties en projecten moeten een bijdrage leveren aan de realisatie van het doorbraakscenario en aan het versterken van de werking van het logistieke marktgebeuren in Limburg. De actiedomeinen omvatten:

Ontwikkeling van bijkomende ruimte voor de vestiging van logistieke bedrijven: De realisatie van het doorbraakscenario gaat uit van een belangrijke uitbreiding van de terreinen voor vestiging van logistieke bedrijven. De ontwikkeling van bijkomende ruimte voor logistieke bedrijven is reeds een aantal jaren geleden opgestart: zo worden in het kader van het Economisch Netwerk Albertkanaal bijkomende terreinen ontwikkeld waartoe behoren Ham Zwartenhoek, Genebos Ham-Tessenderlo, Beringen Ravenshout en Tervant, Genk Zuid West en Lanaken-Lanaekerveld. Diverse van deze terreinen worden ontwikkeld in een partnerschap tussen gemeente - LRM - POM Limburg en nv De Scheepvaart. Daarnaast zijn er terreinen in ontwikkeling in Lommel en is er nog ruimte beschikbaar in de diverse logistieke clustergemeenten. De bedrijventerreinen die in aanmerking komen voor de vestiging van logistieke bedrijven werden in kaart gebracht en gebundeld in een catalogus logistieke bedrijventerreinen die aangeboden kan worden aan potentiële investeerders.

Wegwerken van infrastructurele belemmeringen voor de ontwikkeling van de logistieke activiteit in LimburgAntwerpen en het realiseren van de nodige infrastructuur voor een goede multimodale ontsluiting: Regio’s zijn maar aantrekkelijk voor logistieke bedrijvigheid wanneer ze goed en multimodaal ontsloten zijn. Belangrijke realisaties op dit vlak zijn de werken aan het Klaverblad in Lummen en de verdere stappen die gezet werden inzake de realisatie van de Noord Zuid verbinding. Beide projecten maken deel uit van de Limburgovereenkomst. Andere belangrijke werken die op de agenda van de bevoegde overheden geplaatst werden of worden zijn: de reactivering van de IJzeren Rijn en van spoorlijn 18 die de verbinding maakt tussen de cluster Noord Limburg en de logistieke poort Genk, de uitbouw van de capaciteit van het Albertkanaal (aanpassing van sluizen, bruggen en vaardiepte) en van de kleinere grensoverschrijdende Kempische kanalen.

Realisatie van het concept Extended Gateway: De Extended Gateway heeft betrekking op de koppeling van het Havenbeleid met het logistieke hinterlandbeleid. Deze koppeling moet een sterke bijkomende impuls geven aan de ontwikkeling van nieuwe logistieke bedrijvigheid in Limburg. Tussen de betrokken actoren in Limburg, zijnde het provinciebestuur, de POM, het Logistiek Platform Limburg, de gemeentebesturen, nv De Scheepvaart en LRM werd een samenwerkingsovereenkomst voorbereid die op 19 februari 2009 is ondertekend. Deze samenwerkingsovereenkomst legt de gemeenschappelijke doelstellingen vast en geeft aan tot wat de partijen zich engageren. De strategische ontwikkelingen inzake logistiek worden in het kader van deze samenwerkingsovereenkomst opgevolgd door de beleidsverantwoordelijken van Limburg en van het Havenbedrijf Antwerpen, nv De Scheepvaart en het Logistiek Platform Limburg. Eén van de belangrijkste doelstellingen van de samenwerkingsovereenkomst is de gezamenlijke inzet voor de ontwikkeling en uitgifte van logistieke bedrijventerreinen in Limburg; deze samenwerking kan zowel betrekking hebben op het inbrengen van fi nanciering, participatie in investeringen als op het voeren van een gezamenlijk uitgiftebeleid. Omdat de samenwerking verschillend kan zijn van bedrijventerrein tot bedrijventerrein is het gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen in samenwerking met POM Limburg gestart met het voeren van individuele besprekingen met de gemeenten en andere terreinontwikkelaars en - eigenaars.

Acquisitie van nieuwe bedrijfsactiviteiten: Het hoofddoel van het doorbraakscenario is bijkomende logistieke activiteiten aan te trekken en daardoor de werkgelegenheid en het BBP van Limburg te laten stijgen. Dit betekent dat de logistieke troeven van Limburg op een optimale wijze dienen uitgespeeld te worden. In functie van het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid werden door POM Limburg de website LocateInLimburg.com, de economische promotiefi lm ‘Limburg, a perfect brand’ en de promotiebrochure ‘Limburg, een sterk merk voor bedrijven met ambitie’ gerealiseerd. In deze promotie-instrumenten wordt aandacht besteed aan de logistieke troeven van Limburg. De fi lm werd via de vertegenwoordigers van FIT in het buitenland en via de ambassades op ruime schaal verspreid. In de samenwerkingsovereenkomst tussen Limburg en het Havenbedrijf Antwerpen is overeengekomen dat beide een gezamenlijke marketingstrategie zullen uittekenen. Deze marketingstrategie zal in 20 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

de loop van dit jaar verder worden geconcretiseerd. De POM Limburg heeft eveneens een opdracht uitgeschreven voor het uitwerken van een strategie en actieprogramma gericht op het vermarkten van het economisch potentieel van Limburg. Tot deze opdracht behoort ook het in kaart brengen van de onderscheidende logistieke troeven van Limburg, het uitwerken van portfolio’s voor het benaderen van potentiële logistieke investeerders en het uittekenen van een concreet plan van aanpak inzake te benaderen marktgebieden.

Versterking van de marktorganisatie van de logistieke sector gericht op het optimaliseren van de bedrijfsresultaten en het verminderen van de maatschappelijke hinder: Dit betekent de ontwikkeling van duurzame en innovatieve concepten voor samenwerking tussen logistieke spelers, waaronder het bundelen en consolideren van goederenstromen, het verminderen van wachttijden in de havens, …. Door de betreffende werkgroepen van het Logistiek Platform Limburg werden reeds enkele projecten in uitwerking genomen waaronder het proefproject Road meets Water; vervoer van trailers via de binnenvaart vanuit Midden Limburg naar de zeehavens, het proefproject ‘consolidatiepunt lege containers’ en het project ‘bundelen van goederenstromen tussen Haven Antwerpen en het Ruhrgebied’, andere projecten die op de agenda staan zijn: het project spoor en multimodaal vervoer, het opzetten van een communicatie- en informatieplatform voor spoor en intermodale infrastructuren, het opzetten van een communicatieplatform voor de weergave en de status van de meest actuele informatie m.b.t. wegenwerken en daarmee gerelateerde infrastructuurwerken met behulp van Transics.

Ontwikkeling van nieuwe innovatieve concepten voor logistiek bedrijfsbeheer: Innovatieve concepten inzake goederenbehandeling, organisatie van logistieke processen, … moeten bijdragen aan de verhoging van de toegevoegde waarde in de logistieke sector en het versterken van de concurrentiepositie. De ontwikkeling van projecten op dit vlak wordt getrokken door het Innovatiecentrum Limburg. Het Innovatiecentrum stimuleert de sector tot het formuleren van een aantal succesvolle innovatie-cases en ondersteunt de bedrijven en de sector bij het uitwerken van pilootprojecten, …. Voornaamste 10 EDCs Limburg (2006) Naam

Aantal werknemers 2006

% Top 10

% Top 500

Scania

450

19,63%

0,57%

TNT Contract Logistics (Black & Decker)

350

15,27%

0,44%

SKF Logistics

305

13,31%

0,39%

DHL (Tovidien, Terumo, Gambro, Mölnlycke)

300

13,09%

0,38%

Ikea Distribution Benelux

259

11,30%

0,33%

Belstor/Essers (Dupont)

226

9,86%

0,29%

Powertools Distribution

161

7,02%

0,20%

Caterpillar Logistics (Hyundai - Harley Davidson)

141

6,15%

0,18%

Bose Totaal

100

4,36%

0,13%

2.292

100,00%

2,91%

Bron VKW Top 500 + eigen bevraging POM Limburg

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 21


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G Verbetering van de organisatie van de logistieke arbeidsmarkt:

Een optimale ontwikkeling van de logistieke sector vergt de beschikbaarheid van voldoende goed gekwalificeerde medewerkers. Om de afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te verbeteren werden door de werkgroep arbeidsmarkt 7 actuele functie- en jobprofielen in de logistieke sector geanalyseerd en vertaald in competentieprofielen en dit in samenspraak met de logistieke sector. Deze profielen worden teruggekoppeld naar de onderwijsinstellingen met logistieke opleidingen en dit met het oog op de afstemming van de opleidingsprogramma’s op de gevraagde competenties. Daarnaast zal de werkgroep ook werk maken van het in kaart brengen van de vraag en het aanbod op de logistieke arbeidsmarkt en van het promoten van logistieke beroepen en logistieke opleidingen. 2007 was het studiejaar waarin het logistieke ontwikkelingsplan voor Limburg vorm kreeg en het statuut van een beleidsplan verwierf dat gedragen wordt door alle betrokken actoren. 2008 was het jaar waarin het Logistiek Platform Limburg via samenwerking tussen alle partners inhoud gaf aan de actieplannen en deze vertaalde in concrete acties, projecten en overeenkomsten. 2009 moet het jaar van de realisaties worden. Een indicatief overzicht van de belangrijkste logistieke bedrijven in Limburg vindt u hiernaast.

Overzicht logistieke bedrijven uit Top 500 VKW Limburg (2008) Nr.

Naam

1

SKF Logistics Services

Omzet 2007 in 1.000 €

Aantal werknemers 2007

762.325

322

2

Groep Essers

287.522

2268

3

Ewals Cargo Care

130.525

242

4

Supertransport

48.642

222

5

Van Zon

45.300

86

6

NLDC - Martens Pils

38.041

71

7

NV De Scheepvaart

35.183

610

8

Weerts Transport

29.979

47

9

Walon Nellessen

23.657

162

10

HN autotransport

23.380

156

11

Jet Logistics

20.660

92

12

Bose

18.750

105

13

Exel Solutions

18.692

280

14

Alders

17.312

120

15

Transport Nijs

16.293

140

16

Vos Added Logistics

15.882

21

17

Moors Fruit Trading

15.789

4

18

Haven Genk

15.219

71

19

Gobo

13.652

89

20

13.316

3

21

Delahaye Limburgse Distributie Maatschappij

13.095

107

22

Lux Transport

13.007

74

23

Transpo Hellings

12.471

98

24

Heidebloem

12.263

112

25

Container Services Gielen

12.213

20

26

Geertrans

11.977

49

27

Antrago

10.836

97

28

Hendrickx vervoer

10.633

32

1.686.614

5700

TOTAAL Bron: Top 500 VKW Limburg (2008)

Life Sciences Ontwikkelingspotentieel De behoefte aan meer leefkwaliteit, evoluties in de diverse segmenten van de gezondheidszorg, de toenemende veroudering van de bevolking, … doen nieuwe behoeften aan producten en diensten ontstaan die een aanjaagfunctie hebben ten aanzien van diverse economische sectoren zoals de chemische sector (farmaceutische producten), de voedingssector, de energiesector, de orthopedische sector, …. Al deze producten en diensten kunnen gegroepeerd worden onder de benaming life care producten of Life Sciences. Life Sciences wordt internationaal als een sleutelgebied voor innovatie gezien en neemt snel in economische betekenis toe zowel in omzet, werkgelegenheid als in termen van onderzoek en ontwikkeling. Wereldwijd is een robuuste groei van de biotech waar te nemen, ook in Vlaanderen zit de sector in de lift. De sector groeit aan een tempo van 30 tot 40% per jaar. De Life Sciences sector is tot nu toe minder vertegenwoordigd in Limburg maar de provincie beschikt over heel wat troeven die beter moeten aangewend worden om kennisintensieve bedrijven in het domein van de Life Sciences uit te bouwen. Hoewel het aantal Life Sciences bedrijven in Limburg nog beperkt is, is er in de provincie een groot aantal bedrijven aanwezig in de voedingssector, de chemische en de milieusector, met Life Sciences toepassingsmogelijkheden. Innovatie-inspanningen van deze bedrijven zijn van bijzonder belang. De Limburgse kennisinstellingen kunnen vanuit diverse disciplines deze innovaties ondersteunen, bovendien studeren er aan de UHasselt en de Limburgse Hogescholen jaarlijks 200 hoogopgeleide wetenschappers en technici af die aan de slag kunnen in de Life Sciences sector. Opvallend is dat een groot aantal van deze hoog opgeleide kenniswerkers in andere regio’s aan de slag moet omwille van de beperkte carrièremogelijkheden in de eigen regio. Limburg beschikt met zijn kennisinstellingen die verbonden zijn aan de UHasselt, in het bijzonder het Biomedisch Instituut BIOMED en de Hogescholen over een uitstekende basis om Life Sciences toepassingen en innovaties in bedrijven te ondersteunen, om nieuwe bedrijfjes in de vorm van spin-offs op te richten en om externe bedrijven aan te

22 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

trekken op basis van het kennispotentieel en de clustering met andere bedrijven. Het ontwikkelen van de Life Sciences sector sluit aan bij de economische ontwikkelingsdoelstelling van Limburg die erop gericht is meer kennisintensieve bedrijvigheid te ontwikkelen.

Organisatie Het initiatief tot het ontwikkelen van een plan voor de uitbouw van de Life Sciences sector is gegroeid vanuit het Biomedisch onderzoeksinstituut van de UHasselt. BIOMED is een multidisciplinair onderzoeksinstituut waar fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek en onderwijs in de levenswetenschappen in nauwe samenwerking worden beoefend. Naast de wetenschappelijke valorisatie streeft het instituut ook naar een economische valorisatie van de onderzoeksresultaten. Dit streven naar het ontwikkelen van economische projecten heeft geleid tot het ontwikkelen van een Life Sciences actieplan voor Limburg waarvan prof. Dr. Piet Stinissen de bezielende trekker is. Op 23 januari 2007 heeft de deputatie van de Provincie Limburg dit actieplan onderschreven. Met de rondetafelconferentie van 23 mei 2007 is de uitvoering van het actieplan van start gegaan. Zoals het geval is bij de logistieke sector werd er met het oog op het realiseren van de ambities van het Life Sciences actieplan ook een strategisch netwerk ontwikkeld waarin alle betrokken actoren participeren en zich er toe engageren om vanuit de eigen expertise en middelen een bijdrage te leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het actieplan. Door de UHasselt werd de vereniging LifeTechLimburg.be opgericht die de stuwende kracht vormt achter de uitbouw van de kennisintensieve Life Sciences economie in Limburg . In LifeTechLimburg.be is alle kennis en expertise aanwezig om invulling te geven aan alle facetten van het actieplan. In LifeTechLimburg. be zijn vertegenwoordigd: de kennisinstellingen om synergiën met bestaand onderzoek te bepalen, de ziekenhuizen om de medische relevantie en behoefte te toetsen, POM en het Agentschap Ondernemen met het oog op het onderzoeken van mogelijke begeleidings- en ondersteuningsmaatregelen en LRM in functie van participaties in bedrijfsontwikkelingen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 23


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G Verbetering van de organisatie van de logistieke arbeidsmarkt:

Een optimale ontwikkeling van de logistieke sector vergt de beschikbaarheid van voldoende goed gekwalificeerde medewerkers. Om de afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te verbeteren werden door de werkgroep arbeidsmarkt 7 actuele functie- en jobprofielen in de logistieke sector geanalyseerd en vertaald in competentieprofielen en dit in samenspraak met de logistieke sector. Deze profielen worden teruggekoppeld naar de onderwijsinstellingen met logistieke opleidingen en dit met het oog op de afstemming van de opleidingsprogramma’s op de gevraagde competenties. Daarnaast zal de werkgroep ook werk maken van het in kaart brengen van de vraag en het aanbod op de logistieke arbeidsmarkt en van het promoten van logistieke beroepen en logistieke opleidingen. 2007 was het studiejaar waarin het logistieke ontwikkelingsplan voor Limburg vorm kreeg en het statuut van een beleidsplan verwierf dat gedragen wordt door alle betrokken actoren. 2008 was het jaar waarin het Logistiek Platform Limburg via samenwerking tussen alle partners inhoud gaf aan de actieplannen en deze vertaalde in concrete acties, projecten en overeenkomsten. 2009 moet het jaar van de realisaties worden. Een indicatief overzicht van de belangrijkste logistieke bedrijven in Limburg vindt u hiernaast.

Overzicht logistieke bedrijven uit Top 500 VKW Limburg (2008) Nr.

Naam

1

SKF Logistics Services

Omzet 2007 in 1.000 €

Aantal werknemers 2007

762.325

322

2

Groep Essers

287.522

2268

3

Ewals Cargo Care

130.525

242

4

Supertransport

48.642

222

5

Van Zon

45.300

86

6

NLDC - Martens Pils

38.041

71

7

NV De Scheepvaart

35.183

610

8

Weerts Transport

29.979

47

9

Walon Nellessen

23.657

162

10

HN autotransport

23.380

156

11

Jet Logistics

20.660

92

12

Bose

18.750

105

13

Exel Solutions

18.692

280

14

Alders

17.312

120

15

Transport Nijs

16.293

140

16

Vos Added Logistics

15.882

21

17

Moors Fruit Trading

15.789

4

18

Haven Genk

15.219

71

19

Gobo

13.652

89

20

13.316

3

21

Delahaye Limburgse Distributie Maatschappij

13.095

107

22

Lux Transport

13.007

74

23

Transpo Hellings

12.471

98

24

Heidebloem

12.263

112

25

Container Services Gielen

12.213

20

26

Geertrans

11.977

49

27

Antrago

10.836

97

28

Hendrickx vervoer

10.633

32

1.686.614

5700

TOTAAL Bron: Top 500 VKW Limburg (2008)

Life Sciences Ontwikkelingspotentieel De behoefte aan meer leefkwaliteit, evoluties in de diverse segmenten van de gezondheidszorg, de toenemende veroudering van de bevolking, … doen nieuwe behoeften aan producten en diensten ontstaan die een aanjaagfunctie hebben ten aanzien van diverse economische sectoren zoals de chemische sector (farmaceutische producten), de voedingssector, de energiesector, de orthopedische sector, …. Al deze producten en diensten kunnen gegroepeerd worden onder de benaming life care producten of Life Sciences. Life Sciences wordt internationaal als een sleutelgebied voor innovatie gezien en neemt snel in economische betekenis toe zowel in omzet, werkgelegenheid als in termen van onderzoek en ontwikkeling. Wereldwijd is een robuuste groei van de biotech waar te nemen, ook in Vlaanderen zit de sector in de lift. De sector groeit aan een tempo van 30 tot 40% per jaar. De Life Sciences sector is tot nu toe minder vertegenwoordigd in Limburg maar de provincie beschikt over heel wat troeven die beter moeten aangewend worden om kennisintensieve bedrijven in het domein van de Life Sciences uit te bouwen. Hoewel het aantal Life Sciences bedrijven in Limburg nog beperkt is, is er in de provincie een groot aantal bedrijven aanwezig in de voedingssector, de chemische en de milieusector, met Life Sciences toepassingsmogelijkheden. Innovatie-inspanningen van deze bedrijven zijn van bijzonder belang. De Limburgse kennisinstellingen kunnen vanuit diverse disciplines deze innovaties ondersteunen, bovendien studeren er aan de UHasselt en de Limburgse Hogescholen jaarlijks 200 hoogopgeleide wetenschappers en technici af die aan de slag kunnen in de Life Sciences sector. Opvallend is dat een groot aantal van deze hoog opgeleide kenniswerkers in andere regio’s aan de slag moet omwille van de beperkte carrièremogelijkheden in de eigen regio. Limburg beschikt met zijn kennisinstellingen die verbonden zijn aan de UHasselt, in het bijzonder het Biomedisch Instituut BIOMED en de Hogescholen over een uitstekende basis om Life Sciences toepassingen en innovaties in bedrijven te ondersteunen, om nieuwe bedrijfjes in de vorm van spin-offs op te richten en om externe bedrijven aan te

22 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

trekken op basis van het kennispotentieel en de clustering met andere bedrijven. Het ontwikkelen van de Life Sciences sector sluit aan bij de economische ontwikkelingsdoelstelling van Limburg die erop gericht is meer kennisintensieve bedrijvigheid te ontwikkelen.

Organisatie Het initiatief tot het ontwikkelen van een plan voor de uitbouw van de Life Sciences sector is gegroeid vanuit het Biomedisch onderzoeksinstituut van de UHasselt. BIOMED is een multidisciplinair onderzoeksinstituut waar fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek en onderwijs in de levenswetenschappen in nauwe samenwerking worden beoefend. Naast de wetenschappelijke valorisatie streeft het instituut ook naar een economische valorisatie van de onderzoeksresultaten. Dit streven naar het ontwikkelen van economische projecten heeft geleid tot het ontwikkelen van een Life Sciences actieplan voor Limburg waarvan prof. Dr. Piet Stinissen de bezielende trekker is. Op 23 januari 2007 heeft de deputatie van de Provincie Limburg dit actieplan onderschreven. Met de rondetafelconferentie van 23 mei 2007 is de uitvoering van het actieplan van start gegaan. Zoals het geval is bij de logistieke sector werd er met het oog op het realiseren van de ambities van het Life Sciences actieplan ook een strategisch netwerk ontwikkeld waarin alle betrokken actoren participeren en zich er toe engageren om vanuit de eigen expertise en middelen een bijdrage te leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het actieplan. Door de UHasselt werd de vereniging LifeTechLimburg.be opgericht die de stuwende kracht vormt achter de uitbouw van de kennisintensieve Life Sciences economie in Limburg . In LifeTechLimburg.be is alle kennis en expertise aanwezig om invulling te geven aan alle facetten van het actieplan. In LifeTechLimburg. be zijn vertegenwoordigd: de kennisinstellingen om synergiën met bestaand onderzoek te bepalen, de ziekenhuizen om de medische relevantie en behoefte te toetsen, POM en het Agentschap Ondernemen met het oog op het onderzoeken van mogelijke begeleidings- en ondersteuningsmaatregelen en LRM in functie van participaties in bedrijfsontwikkelingen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 23


L D I A E A L N E O B I G H E R PPNOORM T ISC AO R EC N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G

Door de stichting Limburg Sterk Merk wordt gedurende een periode van vijf jaar een budget ter beschikking gesteld van LifeTechLimburg. be voor de inzet van een manager en gespecialiseerde medewerkers die de realisatie van het actieplan moeten ondersteunen.

Ambities De ambitie van de Provincie Limburg en van LifeTechLimburg.be is om op basis van de sterktes van de kennisinstellingen de groei van de Life Sciences sector in Limburg te bevorderen en van deze sector één van de speerpuntsectoren te maken in de uitbouw van de kenniseconomie in Limburg. LifeTechLimburg.be heeft tot doel: - Bestaande bedrijven te ondersteunen bij het ontwikkelen van innovaties op gebied van biotechnologie en medische technologie waardoor een bijdrage geleverd wordt aan de versterking van deze bedrijven. - Nieuwe bedrijven op te richten in het domein van de Life Sciences, in de vorm van wetenschappelijke spin-offs. - Externe bedrijven naar Limburg te halen. In deze strategie is het belangrijk om in te zetten op sterke niches, aangezien de Life Sciences sector te breed is om op alle deelfacetten in te zetten. De keuze van de niches wordt bepaald door de aanwezige onderzoeksexpertise, de complementariteit en de synergie die kan

Enkele voorbeelden van Limburgse Life Sciences bedrijven* of bedrijven met Life Sciences toepassingsmogelijkheden: Biotech: Tosoh biosciences*, Epsilon-biotech*, Femto-DS*, Polymedics*, LutsPlastics* Medische apparatuur: GymnaUniphy*, Spronken Orthopedie*, MedInvents*, @MedicalTechnologies Bioinformatica: Cegeka, Silicos*, iKnow, Androme Chemie (detergenten, plastics, rubber, …): Ecolab, ANL plastics, Helvoet Pharma*, Mondomed* Milieu (water/bodemsanering, afvalverwerking): Aquafi n, Lisec, Ecomac, Bosatec Voeding: Aminolabs*, Pingo, Nutreco, Incopack, Scana Noliko, Versele-Laga Landbouw, groenteteelt, tuinbouw: Walkro, Proefcentrum Fruitteelt

24 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

ontstaan ten opzichte van de aanwezige bedrijven in de sector en de groeidomeinen in de sector. Om deze redenen werd ervoor gekozen om vooral in te zetten op Life Sciences projecten die tot doel hebben om toepassingen, producten en technologie te ontwikkelen die toepasbaar zijn in de gezondheidszorg.

Doelstellingen - acties en realisaties Het actieplan is gebaseerd op de realisatie van vier doelstellingen in het kader waarvan concrete projecten en acties tot ontwikkeling gebracht worden.

Het versterken van innovaties in bedrijven door het stimuleren van samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, kennisinstellingen en ziekenhuizen. Typisch voor Life Sciences bedrijven is dat ze veel strategische samenwerkingsverbanden uitbouwen met andere bedrijven en kennisinstellingen. Om deze samenwerking te bevorderen werd de kenniscluster Life Sciences opgericht. Het doel van deze kenniscluster is om via gerichte projecten de samenwerking en kennisuitwisseling tussen bedrijven, kennisinstellingen en geassocieerde organisaties te promoten en de innovatie in de bedrijven te bevorderen. De kenniscluster richt zich tot de huidige en toekomstige Life Sciences bedrijven waartoe behoren de biofarmaceutische industrie, de bio-informatica en bio-electronica, de medische technologiebedrijven, de biovoedings- en agrobedrijven en aanverwante bedrijven uit de chemie en voedingssector die interageren met of gebruik maken van kennis uit de Life Sciences of biotechnologiesector. (zie tabel) Tegelijkertijd wordt ingezet op de uitwerking van vier concrete projecten die de kennisoverdracht en de technologische innovatie in specifieke domeinen moeten bevorderen: - Ziektemarkers en diagnostische systemen: Limburg heeft enkele sterke onderzoeksgroepen die actief zijn in dit domein. Het doel is om de nieuwe ziektemarkers die ontwikkeld worden vanuit BIOMED mee te helpen vertalen in nieuwe technologische platforms in het domein van de diagnostiek - Medische technologie en materiaalkunde: de koppeling tussen medische instrumenten en de aanwezige expertise in materiaalkunde in Limburg biedt interessante perspectieven op het gebied van de ontwikkeling van innovatieve producten bijvoorbeeld ten behoeve van de orthopedische sector, de ziekenhuizen (tools voor operaties, …), …. - ICT in de gezondheidszorg: de koppeling tussen gezondheidszorg en ICT, waarin Limburg sterk is, biedt interessante economische en maatschappelijke perspectieven op gebied van e-health, electronische medische dossiers, …. - Zorgmanagement en ouderenzorg: de sector van de ouderenzorg en van de ziekenhuizen is een groeiende sector die heel wat tewerkstelling genereert. Belangrijk in dit verband is de aanwezigheid van een degelijke kennis van de huidige en toekomstige behoeften inzake de kwantiteit en de kwaliteit van de gevraagde zorgmedewerkers en de koppeling van deze behoeften aan een degelijk op de behoeften en wijzigende zorgconcepten afgestemd opleidingsbeleid. De opdracht inzake het onderzoeken van deze behoeften, het formuleren van beleidsvoorstellen en het uitwerken van een actieplan werd toegewezen aan POM-ERSV Limburg.

Het ondersteunen van de ontwikkeling van nieuwe bedrijven en het aantrekken van externe bedrijven gericht op het verhogen van de werkgelegenheid en van de welvaartscreatie in eigen regio. Dit wordt gerealiseerd via volgend actieprogramma: - Ondersteuning van de opstart en groei van endogene bedrijven : ondersteuning die op dit domein geboden wordt, is het analyseren van dossiers vanwege kandidaat-ondernemers of onderzoekers, het begeleiden van de kandidaat- ondernemers in het leggen van contacten met kennisinstellingen, ziekenhuizen, … het verlenen van ondersteuning bij de opstart van het bedrijf: IP-bescherming, ontwikkelen van een businessplan, werven van kapitaal, aanvragen van vergunningen, …. - Aantrekken van exogene bedrijven : ontwikkeling van een acquisitiestrategie en - plan, begeleiding van kandidaat-investeerders, netwerking, versterking van de internationale zichtbaarheid en reputatie van de Limburgse Life Sciences bedrijven, …. - Voorlopig hoogtepunt van de vergevorderde samenwerking tussen verschillende Limburgse actoren in de Life Sciences is de vestiging van het Britse bedrijf Apitope, o.a. toonaangevend in de behandeling van multiple sclerose (MS), in Diepenbeek en de intense samenwerking van het bedrijf met UHasselt. Prof. Piet Stinissen verwoorde de komst van Apitope als volgt: “Dit partnership biedt ons niet alleen de mogelijkheid om onze knowhow en onze intellectuele eigendom in te zetten buiten de academische gemeenschap, maar het vormt ook een sterke incentive voor de expansie van de sector van de biowetenschappen in onze regio.” Niet onbelangrijk bij de acquisitie van dergelijke bedrijven is de fi nanciële inbreng die door LRM wordt aangeboden. De investering van Apitope voor de activiteiten in de nieuwe vestiging in Diepenbeek bedraagt 10 miljoen euro, meteen de grootste investering in de Life Sciences sector in België. - Het laatste jaar hebben zich naast Apitope nog vier andere bedrijven actief in de Life Sciences gevestigd in Limburg: Aporis (spinoff Ziekenhuis Oost-Limburg), Seps Pharma (spinoff UHasselt), Mubio en MabCure. Hoewel het in deze sector vaak gaat om jonge en relatief kleine bedrijven met beperkte rechtstreekse tewerkstelling is het belang van deze sector voor de Limburgse economie niet te onderschatten. Naast de rechtstreekse tewerkstelling creëren deze bedrijven immers ook tewerkstelling voor andere Limburgse bedrijven. Ze doen veel aan outsourcing (vb. klinische studies, patentaanvraag,…) en men kan vaststellen dat de Limburgse consultants en patentoffices daar gretig op inspelen. - De vestiging van nieuwe Life Sciences bedrijven trekt ook anderen aan dankzij de kennisopbouw die hier ontstaat. Veel meer dan in andere sectoren zoeken Life Sciences bedrijven elkaar op en vestigen ze zich in elkaars buurt. Andere belangrijke redenen om zich in Limburg te vestigen zijn de speciale incentives (vb. mogelijkheden IWT, belastingsaftrek patenten,…), de lokale netwerkvorming, de aanwezigheid van investeringskapitaal via LRM, hoogopgeleide werknemers en de gunstige ligging van Limburg in Europa (zeker wanneer het bedrijf ook logistieke activiteiten ontwikkelt). Samen met o.a. POM Limburg zal er in de toekomst nog meer ingezet worden op een actief promotie- en acquisitiebeleid voor Life Sciences bedrijvigheid in Limburg.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 25


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G Ontwikkeling van gespecialiseerde infrastructuur. De aanwezigheid van dergelijke infrastructuur is een belangrijke hefboom voor de start van nieuwe bedrijven. Dit geldt zeker in de sector van de Life Sciences waar bedrijven nood hebben aan specifieke laboratoria en apparatuur. De aanwezigheid van enerzijds een incubatorgebouw voor startende bedrijven en anderzijds expansieruimte voor groeiende bedrijven (via wetenschapsparken) zijn belangrijke voorwaarden voor de vestiging van startende en groeiende bedrijven in de Life Sciences sector. Opvallend is dat deze infrastructuur vooral succesvol is wanneer de incubatoren in de nabijheid van kennisinstellingen worden gevestigd. Het concrete doel is de realisatie van een Life Sciences campus met enerzijds onderzoeksinfrastructuur en anderzijds een incubatorgebouw voor startende Life Sciences bedrijven op de universitaire campus in Diepenbeek. Op beide vlakken is er volop beweging: - Renovatie BIOMED gebouwen, bouw van een proefdierfaciliteit De renovatie van de gebouwen van BIOMED op de universitaire campus in Diepenbeek is in een vergevorderde fase. De onderzoeksgebouwen en -infrastructuur worden dusdanig vernieuwd dat het onderzoekswerk in de beste omstandigheden kan plaatsvinden. Het animalium (proefdierfaciliteit) is reeds klaar en in gebruik. - Bouw van een Life Sciences Incubator Net voor de zomervakantie in 2008 werd de eerste steen gelegd van de nieuwe Life Sciences incubator op de universitaire campus in Diepenbeek. Op de meest ideale locatie, want de incubator wordt opgetrokken pal tussen de twee gebouwen van BIOMED. De incubator zal deze zomer klaar zijn en plaats bieden aan 8 tot 12 bedrijven. En dat de nood hoog is blijkt uit het feit dat de incubator

nu reeds voor het grootste deel voorbehouden is. Er is nog een uitbreidingszone voorzien waar 2 fases van uitbreiding mogelijk zijn. In het gebouw zal ook plaats zijn voor vergader- en andere gemeenschappelijke ruimtes. Met de bouw is een totale investering van 4 miljoen € gemoeid. Middelen die voorzien worden door LRM en POM Limburg, via Vlaamse en Europese betoelaging. Dit project wordt gefi nancierd door een speciaal daartoe opgerichte projectvennootschap waarin LRM, de POM Limburg en UHasselt participeren. De Vlaamse regering heeft op vraag van POM Limburg een subsidie van 500.000 euro toegekend als kapitaalsinbreng in de projectvennootschap. Hiermee is POM Limburg aandeelhouder in de vennootschap die instaat voor de realisatie en exploitatie van het incubatiecentrum.

Oprichting van een kapitaalfonds ten behoeve van startende en groeiende Life Sciences bedrijven. De Life Sciences industrie is een sector die zeer kapitaalintensief is. Deze bedrijven hebben nood aan hoogopgeleid personeel, gespecialiseerde apparatuur en vaak is er heel wat ontwikkelingswerk vereist voor een product effectief op de markt komt. Voor de succesvolle start en verankering van Life Sciences bedrijven in Limburg is er nood aan fi nancieringsmogelijkheden, en dit met name in twee essentiële fasen bij de opstart: de incubatiefase (uitwerken bedrijfsconcept - businessplan) en het zaaikapitaal (fi nanciering voor start-up). LRM beoordeelt de groeimogelijkheden van de Life Sciences sector positief en breidde in 2007 haar investeringsfocus uit naar de Life Sciences sector. LRM richt zich naar startende en doorgroeiende ondernemingen in vooral die deelsectoren van de Life Sciences die aansluiten op de know-how

van de Limburgse kennisinstellingen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de Provincie Limburg, de kennisinstellingen en het platform “LifeTechLimburg.be”. LRM participeert reeds in verschillende investeringen van Life Sciences bedrijven in Limburg, vb. 3D Pharma, Silicos, Mubio, SEPS Pharma, Apitope, … Diverse (ook internationale) dossiers zitten nog in de pijplijn. Voorwaarde voor LRM om te investeren in een bepaald bedrijf is uiteraard dat er een goed onderbouwd businessplan is en dat er een duidelijke link is naar de regio om zo de verankering van het bedrijf in Limburg te verzekeren. Daarnaast ontwikkelt LRM ook specifiek promotiemateriaal om dit initiatief kenbaar te maken aan startende ondernemers. Het fonds wordt ook kenbaar gemaakt via het promotiemateriaal voor de Life Sciences sector in Limburg dat wordt ontwikkeld door LifeTechLimburg.be. BIOMED en LifeTechLimburg.be zijn ook partner in diverse Vlaamse en interregionale samenwerkingsverbanden op gebied van Life Sciences en participeren aan diverse grensoverschrijdende projecten gericht op het versterken van de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven. Door grensoverschrijdende samenwerking kunnen de onderzoekskrachten worden gebundeld en kunnen sterke onderzoeksgroepen worden gevormd. Naast de omvangrijke synergievoordelen, is het voornaamste voordeel van grensoverschrijdende samenwerking de Europese steun die via de Interreg-programma’s kan worden ingezet. Dit is gezien de kapitaalintensiteit uitermate belangrijk, zeker tijdens de eerste fasen van het start up-proces.

26 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

De sterke economische en innovatiegerichte focus van de nieuwe Interreg-programma’s van de Euregio Maas-Rijn en van de grensregio Vlaanderen-Nederland bieden belangrijke kansen voor projectontwikkeling. Diverse succesvolle voorbeelden van euregionale samenwerking op het gebied van Life Sciences zijn reeds in uitvoering. Concreet ontvingen de euregionale Life Sciences-projecten ‘Orthopedische zorg en innovatie’, ‘Alma Grid’, ‘Life Sciences’ en ‘Transcend’, een Interreg-subsidie van 3,4 miljoen euro, wat een totale projectkost van 6,8 miljoen euro vertegenwoordigt. Dankzij de goede samenwerking met de Euregionale partnerregio’s is Limburg zeer nauw betrokken in de realisatie van een Technologische Topregio (TTR) en van een crossnationale kennis- en innovatieas. POM-Limburg is partner in een werkgroep die deze as verder dient uit te tekenen. Sectoriële insteken hierop worden voorbereid door werkgroepen. LifeTechLimburg.be kan een belangrijke rol spelen in de werkgroep Life Sciences. Limburg moet alle kansen grijpen om LifetechLimburg aansluiting te laten vinden bij de werking van de Euregionale biotech trojka, gevormd door het Luikse Bio-Liège, het Nederlandse Life Sciences Limburg en LifeTecAachen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 27


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G

Clean Tech Ontwikkelingspotentieel De EU-doelstelling om tegen 2020 de C02 uitstoot met 20% te verminderen en het aandeel van de hernieuwbare energie in het totale energieverbruik te doen stijgen stelt regio’s voor de uitdaging om op zoek te gaan naar energiebesparende technieken en naar alternatieve energiebronnen. Dit is meteen ook een enorme economische uitdaging en kans om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten gericht op de ontwikkeling van duurzame producten, processen en diensten, waaronder biomassa, windenergie, efficiëntere zonnecellen, brandstofcellen, het efficiënter inzetten van natuurlijke grondstoffen en hergebruik. De Clean Techsector is op te delen in vier grote subsectoren met name energie, transport en mobiliteit, materialen en gebouwen en water. Algemeen wordt er van uitgegaan dat Clean Tech een sector is met een groot ontwikkelingspotentieel. Voor Limburg is het belangrijk dit potentieel optimaal aan te wenden en dit zowel voor de uitbouw van nieuwe economische bedrijvigheid als voor het creëren van een duurzaam leefklimaat in de regio. Limburg kent reeds een aantal bedrijven die zich toeleggen op Clean Tech en heeft een groot aantal bedrijven die door innovaties in hun producten en diensten zich kunnen specialiseren in Clean Tech. Daarnaast is het belangrijk om nieuwe bedrijven in de sector aan te trekken. Limburg heeft verschillende troeven voor Clean Techbedrijven. Het historische kader en het economische verleden van de provincie (mijnbouw en historische vervuiling) vormen een belangrijke stimulans om Limburg te profi leren als een ‘groene’ regio, maar daarnaast beschikt Limburg ook over troeven zoals de aanwezigheid van ruimte

en infrastructuur, de aanwezigheid van LRM die over middelen beschikt om een aanjaagfunctie ten aanzien van de sector op te nemen, de aanwezigheid van gespecialiseerde kennisinstellingen, … Bovendien beschikt LRM met de steenkoolconcessies over nog meer belangrijke troeven om haar ambities in dit investeringsdomein waar te maken. Om deze opportuniteiten van de uitbouw van de Clean Techsector te onderzoeken heeft LRM beslist om binnen de krijtlijnen van haar Businessplan 2008-2010 een actieprogramma gericht op de ontwikkeling van Clean Tech bedrijvigheid in Limburg uit te werken.

Organisatie Het initiatief tot het ontwikkelen van een Clean Tech actieprogramma is genomen door de Limburgse Reconversie Maatschappij, LRM, in samenwerking met de UHasselt, meer bepaald het Centrum voor Milieukunde dat zich profi leert als een multidisciplinair kenniscentrum op gebied van de milieuproblematiek. Om met voldoende slagkracht het actieprogramma Clean Tech Limburg te kunnen uitvoeren is het aangewezen om naar analogie met de logistieke sector en de Life Sciences sector, een sturingsorganistie ‘Clean Tech Limburg’ op te richten waarin alle betrokken partijen vertegenwoordigd zijn en er zich toe engageren om vanuit hun eigen expertise en bevoegdheden een bijdrage te leveren aan de realisatie van het actieprogramma. Tot deze partijen behoren naast LRM, de kennisinstellingen, de bevoegde overheden, de POM en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Deze partijen staan in voor de aansturing en bescherming van het Clean Tech-gedachtengoed enerzijds en voor de creatie van een draagvlak anderzijds. In de eerste fase zal het actieprogramma ondersteund worden door een managementstructuur bestaande uit een innovatiemanager en een businessmanager, in een latere fase kunnen er eventueel nog projectmanagers aangeworven worden.

Ambitie De ambitie van Clean Tech Limburg is het versterken en uitbouwen van Clean Tech activiteiten in Limburg en dit met het oog op het realiseren van nieuwe economische activiteiten in Limburg enerzijds en het leveren van een krachtige bijdrage aan een duurzamere leefomgeving in de regio anderzijds. Clean Tech Limburg wil deze uitdaging aangaan op basis van een sterke ontwikkelingsvisie en op basis van onderlinge interactie en samenwerking tussen bedrijven, investeerders, overheden, kenniscentra en consumenten.

Doelstellingen - acties en realisaties LRM en Clean Tech Limburg willen de vooropgestelde ambitie realiseren door invulling te geven aan vier doelstellingen waarbinnen concrete acties en projecten ontwikkeld worden:

Bevorderen van innovaties en technologietransfers: Door het organiseren van kennisuitwisseling en interactie tussen betrokken partijen gericht op het ontwikkelen van duurzame oplossingen, nieuwe producten, …. Hiertoe wordt een Clean Tech kennisplatform opgericht. In dit kennisplatform speelt interactie tussen bedrijven en investeerders, overheden, kennisinstellingen en consumenten een belangrijke rol. Deze interactie moet leiden tot nieuwe inzichten, tot samenwerking, …. De rollen van de verschillende actoren in dit platform kunnen als volgt samengevat worden: - Overheid : de overheid speelt meer dan in andere domeinen een belangrijke rol in de ontwikkeling van Clean Tech. Omdat Clean Tech een belangrijke maatschappelijke toegevoegde waarde heeft kan de overheid een ondersteunende en stimulerende rol opnemen door het ondersteunen van de initiële commercialisering, het voorzien van steun voor de uitbouw van de eerste toepassingen, het rechtstreeks of onrechtstreeks stimuleren van de vraag, het voorzien van fiscale stimuli, …. - Clean Tech bedrijve n: Clean Tech bedrijven vormen de motor van de economische ontwikkeling van Clean Tech. Hun rol omvat het identificeren en benutten van marktmogelijkheden, het versnellen van de marktpenetratie door samenwerking tussen verschillende partijen te ondersteunen, het samenwerken binnen Clean Techcluster om kennis, ervaringen, … te delen, het samenwerken met kenniscentra om het innovatiepotentieel te vergroten, …. - Clean Tech investeerders : Clean Tech investeerders leveren de brandstof om bestaande technologieën verder te ontwikkelen en toe te passen. - Kenniscentra : kenniscentra spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling maar ook in de verspreiding en toepassing van technologische kennis, in technologietransfers, …. Om tot een goed werkend kennisplatform te komen worden er vijf operationele acties uitgevoerd: - Ontwikkeling van een Clean Tech visie die de basis vormt voor de ontwikkeling van Clean Tech activiteiten in Limburg en die gedragen wordt door de betrokken partijen. Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de Clean Tech visie is het uitvoeren van een marktanalyse waarin niet alleen vraag en aanbod in kaart gebracht worden maar ook industriële ontwikkeling, risico’s, marktmogelijkheden, investeringstrajecten, trends, concurrentie, mogelijk marktaandeel, ….

- Uitbouw van Clean Tech netwerken. In een eerste fase worden kennisnetwerken per soort van actoren uitgebouwd; er vonden reeds werksessies plaats met de kennisactoren waaronder de UHasselt, de KULeuven, de Limburgse hogescholen en het Vito, de bedrijven die actief zijn in de Clean Tech sector en de institutionele actoren waaronder het provinciebestuur, POM Limburg, het Agentschap Ondernemen, EWI Vlaanderen en de werkgeversorganisaties. In een volgende fase worden deze actoren verzameld in het Clean Tech netwerk. Hiertoe zullen netwerking en matchmeetings georganiseerd worden. - Stimuleren van samenwerking tussen actoren. Het doel van het samenbrengen van verschillende actoren in een denktank Clean Tech is het stimuleren van kennistransfer en kennis te valoriseren in economische activiteiten met een maatschappelijke meerwaarde. Er zullen specifieke workshops georganiseerd worden om strategische acties, speerpunten en werkpunten uit te werken, knelpunten op te lijsten en een agenda op te stellen om deze knelpunten weg te werken. Deze zullen dan verder uitgewerkt worden

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 29


L D I A E A L N E O B I G H E R NOMISC ECO N EEL E I R T O N T E SEC ROEIPOT M ET G

in werkgroepen. - Inventariseren van Clean Tech kennis en stimuleren van ontwikkeling van Clean Tech kennis: ontwikkeling van een interne en externe Clean Tech portfolio, inventariseren van kennishiaten, stimuleren van kenniscentra om verder te investeren in de ontwikkeling van Clean Tech kennis. - Ontwikkeling van een website Cleantech.be met als doel informatie-uitwisseling en het bevorderen van samenwerking, aangevuld met andere communicatie en promotie-initiatieven.

schap en Innovatie van de Vlaamse overheid, …. - De uitbouw van Clean Tech clusters: een cluster kan hier omschreven worden als een concentratie van bedrijven op een bepaalde geografische plaats en deze bedrijven zijn met elkaar verbonden door de markten die ze bedienen of de producten die ze produceren. Door clusterwerking ontstaan er strategische voordelen op diverse domeinen. LRM en ook andere partijen zoals gemeenten bezitten het vereiste vastgoed en de ruimte om dergelijke clusters uit te bouwen. Belangrijk is dat de uitbouw op een doordachte en planmatige wijze gebeurd.

Ontwikkeling van Clean Tech business: In deze doelstelling ligt het accent op de ontwikkeling van economische Clean Tech activiteiten. Deze doelstelling wordt ingevuld door acties op drie domeinen: - Het behouden en ondersteunen van bestaande bedrijven in hun groei: bedrijven bewust maken van de opportuniteiten die Clean Tech biedt en hen stimuleren om in Clean Tech te investeren. - Het aantrekken van starters, spin-offs en spin-outs in de verschillende domeinen van Clean Tech. - Het aantrekken van buitenlandse bedrijven op basis van een mix van maatregelen zoals infrastructuur, kapitaal, imago, … Om tot significante Clean Tech business in Limburg te komen zullen er twee operationele acties uitgevoerd worden: - Het realiseren van Clean Tech voorbeeldprojecten: uitvoeren van concrete projecten waarin bedrijven, kenniscentra en andere actoren samenwerken om tot nieuwe producten en toepassingen te komen. Opzetten van demo- en pilootprojecten, voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van een demo recyclagelijn, smart grid energie management, watermanagement, injectie van CO2 in steenkool, het voorzien van windmolens van elektrische energie voor conversie naar waterstof die kan gebruikt worden voor mobiele toepassingen, …. - Het stimuleren van Clean Tech toepassingen en dit door het aanbieden van een kennisplatform, de aanwezigheid van immateriële en materiële ondersteuning, het oprichten van een Clean Tech kapitaalfonds, ….

Het ontwikkelen van Clean Tech infrastructuur: De aanwezigheid van geschikte infrastructuur is een belangrijke troef. Daarom voorziet het actieplan projectontwikkelingen op twee niveaus: - De uitbouw van een Clean Tech incubator: momenteel werkt de gemeente Houthalen-Helchteren aan een businessplan voor de ontwikkeling van een incubator - dit plan wordt ingepast in het actieplan Clean Tech van LRM die aangezocht is om aandeelhouder te worden. Diverse andere kandidaat aandeelhouders werden reeds gepolst naar hun belangstelling om te participeren in het project; ook kennisinstellingen zoals de UHasselt, het Vito en de KULeuven werden benaderd voor het uitbouwen van een kennisbasis die noodzakelijk is bij de ontwikkeling van een thematische incubator. Daarnaast werden er gesprekken gevoerd met andere relevante partijen zoals POM Limburg, het departement Economie, Weten-

30 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Van Clean Tech Limburg naar Clean Tech Vlaanderen: Bedoeling is, wanneer de vereiste expertise en capaciteit is opgebouwd, om de Clean Tech ervaring van Limburg uit te dragen naar Vlaanderen en samenwerking aan te gaan met het potentieel dat elders in Vlaanderen aanwezig is bij kennisinstellingen, bedrijven, overheden, …. Daarnaast is het belangrijk dat nieuwe ontwikkelingen zichtbaar en tastbaar worden voor het brede publiek. In dit verband is het belangrijk om een Clean Tech demoproject of ‘onthaalinfrastructuur’ te ontwikkelen. Enkele voorbeelden van zulke projecten zijn het veldstudiecentrum Necropolis, het mijnmuseum dat kan omgevormd worden tot ‘Clean Tech experience centre’, … In het sensibiliseren van de bevolking spelen steden en gemeenten een belangrijke rol en kunnen een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen door daar waar mogelijk de eigen stedelijke projecten vanuit een Clean Techvisie te ontwikkelen, daarom is het ook aangewezen om steden en gemeenten maximaal te betrekken bij de uitvoering van het Clean Tech actieprogramma.

Limburgse bedrijven actief in Clean Tech Uit een eerste marktanalyse van Cleantech bedrijven in Limburg door Yield Solutions (in opdracht van LRM) komen de volgende bedrijven: Materialen / gebouwen Bionerga: verwerking van afval afkomstig van de provincie Limburg Veolia: inzameling, recyclage en verwerking van afval Molok: innovatieve afvalverwerking Alro: vervaardiging van plastic en metaalcomponenten voor de automotive, electronica en telecommunicatie-industrie Tessenderlo Chemie: ontwikkelen van chemicaliën voor een welvarende toekomst Bouwgroep Eijssen Lommel: actief in woning- en villabouw, renovatie en verbouwing met duurzame materialen F-Stop: productie van brandvertragende producten Grafityp: producent van zelfklevende fi lms voor reclame- en designindustrie New Summit: ontwikkelen van bitumen uit afval van chemie Nitto Europe: ontwikkelen van dubbelzijdige tape, bevestigingsmaterialen, medische tape en polariserende fi lms voor de sectoren automotive, electronica, papier, bouw en constructie en medische industrie Vasco: ontwikkeling van lage-temperatuur-radiatoren en vloerverwarming RD Recycling: recyclage van oliehoudende producten Torr Coal International: recycleren van afval van groothandel in vaste brandstoffen

Energie Evelop: ontwikkelen en beheren van duurzame energieprojecten zoals windenergie, bio- en zonne-energie en seawater airconditioning Infrax: Limburgse intercommunale voor rationeel energieverbruik Tellum: bodemsanering Neste Oil: productie en verkoop van synthetische basisolieën Hansen Transmission: fabricant van windturbines Lightplus: energiebesparende verlichting BioOil Exploitation: produceren en commercialiseren van milieuvriendelijke energie uit biomassa en organisch afvalmateriaal Transport Jato Dynamics: leverancier van informatie aan de autosector Essers: gepersonaliseerde en geïntegreerde transport- en logistiekoplossingen Sabca Limburg: ontwikkelen van compositie-onderdelen voor vliegtuigen en raketten

Door deze ontwikkelingen moet Limburg zich internationaal kunnen profileren als een belangrijke Clean Tech regio die op een unieke wijze economische ontwikkeling kan koppelen aan de ontwikkeling van een duurzame regio.

Water / bodem / lucht VMW Limburg: Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening Eco-Vision: milieuadviesbureau Keppel Seghers: afvalwaterbehandeling en waterrecyclage Waterleau: ontwikkeling van milieutechnologieën voor onder andere water Ecodis: desinfecteren van water obv electrolyse Metis: waterzuivering, bodembescherming en vloeistofopslag Marlux Klaps: waterzuivering

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 31


L E S S L F G E E S S R E G F U R E W B E H W C MBU LLIIM S H I C S M I O M N O O N EECCO Situering Het economisch weefsel van een regio bestaat uit een diversiteit aan sectoren en subsectoren. Sectoren met een totaal verschillende activiteitsbasis, sectoren uit de ‘oude of traditionele’ en uit de ‘nieuwe’ economie, dominante sectoren met een hoge werkgelegenheid, kleine sectoren met een hoge toegevoegde waarde, sectoren met een sterk stimuleringsvermogen ten aanzien van andere sectoren, sectoren vooral opgebouwd uit KMO’s en eigen ondernemerschap, sectoren bestaande uit internationale bedrijven, …. Al deze sectoren spelen hun rol in het creëren van werkgelegenheid, van economische toegevoegde waarde en van welvaart in een regio. Al deze sectoren zijn bijgevolg van belang voor een evenwichtig en diversiteitsgericht economisch weefsel van een regio. In het kader van een regionaal-economisch beleid is het belangrijk aandacht te hebben voor al deze subsectoren en waar nodig op maat van de sector of subsector een flankerend beleid te ontwikkelen dat gericht is op een optimale benutting van het potentieel van deze sectoren. Het economisch rapport heeft tot doel een beeld te schetsen van de economische betekenis van de diverse subsectoren van de Limburgse economie, van evoluties binnen deze sectoren en waar mogelijk linken te leggen met het flankerend overheidsbeleid. In dit rapport wordt een beeld geschetst van drie subsectoren die verband houden met de rijkdom van de Limburgse bodem: de tuinbouw, de winning van delfstoffen en de productie van alcoholische dranken. Het economisch belang van deze sectoren voor Limburg wordt geduid, evoluties en uitdagingen in de sector worden in beeld gebracht en er wordt ingegaan op de wijze waarop het regionaal economisch beleid hierop inspeelt.

Economische valorisatie van de rijke Limburgse bodem De tuinbouwsector in Limburg Limburg bezit heel wat troeven voor de tuinbouw. Limburg heeft nog voldoende ruimte, heeft zowel een rijke leemgrond voor de fruitteelt als zandgronden voor de groenteteelt, ligt in de nabijheid van belangrijke afzetmarkten, heeft voldoende hoeveelheden zuiver water en heeft kennis en expertise om de tuinbouwsector verder als groeisector uit te bouwen. De tuinbouwsector is een dynamische en innovatieve sector die flexibel dient in te spelen op ondermeer een veranderend consumptiepatroon, het ontstaan en verdwijnen van markten alsook veranderende maatschappelijke en economische verwachtingen. De tuinbouwsector staat ook voor enkele grote uitdagingen waarbij wellicht de toenemende vraag naar duurzaamheid op alle domeinen de belangrijkste is.

Limburg actief in 3 subsectoren De Limburgse tuinbouwsector, goed voor ongeveer 14.9% van het Limburgse areaal cultuurgrond (de som van de bruto oppervlakten ingenomen door teelten evenals de daarbij horende niet-beteelde oppervlakten: wendakkers, hagen, bermen, doorgangen, ...) en 25.5% van het Vlaamse tuinbouwareaal, bestaat uit drie deelsectoren m.n. de groenteteelt, de fruitteelt en de sierteelt. De Limburgse groenteteelt is relatief klein in vergelijking met het gemiddelde voor Vlaanderen (9.7% van de 27.816 ha groenten in Vlaanderen). De sector concentreert zich, voor wat het aantal ha betreft, in Noord-Oost Limburg en in Zuid-West Limburg. Ongeveer 33 % of 894 ha van het Limburgs areaal groenteteelt situeert zich in de gemeenten Gingelom en Kinrooi. Het merendeel van de groenten, in 2007 hoofdzakelijk erwten en groene bonen, wordt geteeld in openlucht (2.686 ha) en zijn bestemd voor de voedingsindustrie of industriële verwerking (2.347 ha). De asperges zijn een typisch Limburgs topproduct. Meer dan 56% van het Vlaamse areaal asperges is gelegen in Limburg. Meer dan 80% van de totale asperge-aanvoer op de Mechelse veilingen komt uit Limburg. De Limburgse fruitteelt, veruit de grootste subsector voor wat het ingenomen areaal betreft, situeert zich hoofdzakelijk in Haspengouw. Alleen al in de gemeenten Sint-Truiden en Borgloon ligt 44.4% van het totaal aantal hectaren fruitteelt in Limburg (9.267 ha). Ook op Vlaams niveau is deze concentratie in Haspengouw merkbaar. Bijna 59% van het Vlaamse areaal fruitteelt (15.752 ha) is gelegen in Limburg. De drie voornaamste teelten zijn peren, appelen en kersen. Hierbij kan opgemerkt worden dat de trots van Limburg m.n. “de (jonagold-)appel” systematisch wordt ingehaald door de (conference-)peren. Op Belgisch niveau is het areaal peren in 2008 (8.115 ha) zelfs groter dan het areaal appelen (8.080 ha). In Limburg bevindt zich 50,8% van het totale areaal peren. De voorbije appelcrisis maar ook de conferencepeer als topproduct (+/- 85% van het areaal) spelen hierbij een belangrijke rol. De goede kwaliteit en bewaarbaarheid van de conferencepeer en de beperkte mogelijkheden (combinatie grond en klimaat) om deze peer met dezelfde kenmerken te telen in andere landen, zal ervoor zorgen dat de conference ook in de toekomst een topproduct voor de Limburgse fruitteelt zal blijven. De fruitstatus van Limburg wordt ook bevestigd bij de aardbeien- en de kleinfruitteelt in open lucht, respectievelijk 50.8% en 57% van het Vlaamse areaal. De sierteelt is verspreid over de gehele provincie met een kerngebied rond Bilzen (26 % van het Limburgs areaal sierteelt) en dan vooral de deelgemeente Munsterbilzen. De bedrijven in deze gemeente hebben zich vooral gespecialiseerd in de teelt van perk- en borderplanten. De sierteelt maakt 2.9% uit van het Vlaamse areaal (1.546 ha).

32 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 33


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Areaal groenteteelt, fruitteelt en sierteelt in Limburg en in Vlaanderen (are) Limburg Areaal cultuurgrond totaal Groenteteelt in open lucht

62213313

268603

2673483

77174

296491

groene bonen

75369

373293

wortelen

24578

230180

schorseneren

14952

58982

asperges

8385

14921

andere

68145

1699616

871

108124

tomaten

419

49189

kropsla

191

24168

veldsla

83

4562

andere totaal boomgaarden

178

30205

269474

2781607

866608

1444997

appelaars

396146

654404

perelaars

369146

668004

kerselaars

96373

111886

andere

4943

10703

aardbeien

39541

77847

kleinfruit in open lucht

12063

21150

in serres totaal Sierteelt

8447168 erwten

in serres

Fruitteelt

Vlaanderen Aandeel (%) (are)

in open lucht

58.8

Productiewaarde In 2007 bedroeg de productiewaarde (de eindproductiewaarde omvat de waarde van het gedeelte van de productie dat verkocht wordt buiten de regionale hoeve, het gedeelte van de productie dat verbruikt wordt door de landbouwer en zijn gezin (autoconsumptie) en de inventarisverandering) van de tuinbouwproducten volgens de Boerenbond op Vlaams niveau 1.590,14 miljoen euro. T.o.v. 2006 is er daling merkbaar bij de groenteteelt (-5%), hoofdzakelijk door de prijsdaling van de verse groenten geteeld in open lucht. De fruitsector kent een waardestijging van 7%, vooral door een grotere productie. De sierteelt kent een gelijke hoeveelheid product, maar een stijging in prijs van 8%. Vooral de boomkwekerij speelt hier een belangrijke rol. Totale productiewaarde Vlaamse tuinbouwsector, 2006-2007

95760

planten

2625

52667

bollen/knollen

201

15965

groenten

Productiewaarde 2006 (milj.â‚Ź) Productiewaarde 2007 (milj.â‚Ź) 649,98

616,59

1381

58849

fruit

407,32

435,61

15

26629

sierteelt

503,12

537,94

planten

1340

31037

30

1198

4470

154609

59127

412257

sierplanten

26556

297509

bosplanten

583

55988

fruitplanten

31988

58760

582

7502

565

6778

sierbomen andere

18

724

59709

419759

296

11427

1260694

4942624

360

1288

Bron: FOD- economie - Algemene directie Statistiek en Economische informatie: Landbouwtelling mei 2007

34 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Economisch belang van de groenteteeltsector per gemeente, 2006 Legende: geen groenten < 5% 5-10% 10-35% > 35% (max. 91%)

hoeveelheid

prijs

productiewaarde

groenten

1,01

0.94

0.95

fruit

1.14

0.94

1.07

sierteelt

0.99

1.08

1.07

Economisch belang van de sierteeltsector per gemeente, 2006

N W

E

25

50 km

Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie, 2008

S

Ook bij het in kaart brengen van het bruto standaardsaldo komt NoordOost Limburg en Zuid-West Limburg naar voor. De groenteteelt is, relatief gezien, economisch belangrijk voor de gemeente Riemst (238 bedrijven met een landbouwproductie, 132 ha groenten in open lucht (Landbouwtelling mei 2007 FOD Economie), maar ook 2 ha champignons). In deze gemeente vertegenwoordigt de groenteteelt meer dan 35% van het totale bruto standaardsaldo van haar land- en tuinbouw. Gemeenten met tussen de 5% en de 15% van het totale bruto standaardsaldo zijn: Kinrooi (119 bedrijven met een landbouwproductie, 411 ha groenten), Bree (165 landbouwers, 88 ha groenten, maar ook 2 ha champignons), Hechtel-Eksel (41 landbouwers, 13 ha groenten), Lummen (67 landbouwers, 19 ha groenten in open lucht, 2 ha groenten in serres), Herk-de-Stad (107 landbouwers, 31 ha groenten in open lucht en 2 ha groenten onder glas), Gingelom (124 landbouwers, 482 ha groenten). Legende: geen fruit < 5% 5-10% 10-35% > 35% (max. 84%)

Economisch belang van de fruitteeltsector per gemeente, 2006

N 0 W

E

25

50 km

Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie, 2008

S

De gemeenten waarbij het economisch belang van de sierteelt (inclusief kwekerijen fruitbomen en sierbomen) verhoudingsgewijze groot is, zitten verspreid over de gehele provincie. De kaart toont aan dat het historisch kerngebied van de sierteelt rond Bilzen een uitbreiding krijgt naar de aansluitende gemeenten maar ook naar West-Limburg en Noord-Limburg. Een belangrijke impact van de sierteelt is duidelijk in de gemeenten Zutendaal (met een bruto standaarsaldo hoger dan 50%), Alken, Nieuwerkerken, As en Heusden-Zolder waar het bruto standaardsaldo tussen de 25 en 50% bedraagt van het totale bruto standaardsaldo van hun land- en tuinbouw. De hoge score van deze gemeenten is hoofdzakelijk te danken aan de boomkwekerijen.

Tewerkstelling De tuinbouwsector is een arbeidsintensieve sector. Op 31 december 2006 waren er volgens de RSZ gegevens 1.377 personen werkzaam in de sector, meer bepaald 475 werknemers in de groenteteelt, 84 in de bloementeelt, 146 bij de boomkwekerijen en tot slot 672 werknemers in de fruitteelt. Dit is 55.9% van de tewerkstelling in de Limburgse landbouw (2.460).

Verhouding 2007-2006 2.9

Het belang van de fruitteelt voor de Haspengouwse gemeenten is duidelijk. Voor het merendeel betekent de fruitsector meer dan 35% van het totale bruto standaardsaldo van hun land- en tuinbouw. De andere gemeenten zitten in de range 10 tot 35%. Naast de Haspengouwse gemeenten, kennen ook twee Maaslandse gemeenten een bruto standaardsaldo van meer dan 35%, met name Maasmechelen (63 bedrijven met landbouwproductie, 20 ha aardbeien, 66 ha fruitbomen) en Lanaken (53 landbouwers, 24 ha aardbeien, 24 ha fruitbomen, 5 ha kleinfruit in open lucht en 4 ha kleinfruit in serres). Legende: geen sierteelt < 5% 5-25% 25-50% > 50% (max. 88%)

Bron: Persnota boerenbond 20.12.07

bloemen

boomkwekerijen in serres

Kampernoelieteelt

9.7

27128

Boomkweke- in open lucht rijen

Areaal tuinbouwsector

Een economisch belangrijke sector voor Limburg De tuinbouwsector is en blijft een belangrijke sector voor Limburg. Verschillende indicatoren geven dit aan.

263

bollen/knollen

Bron: Departement landbouw en Visserij, afdeling monitoring en studie

0

3089

totaal

Andere teelten

31228 1575222

Economisch belang van de tuinbouwsector per gemeente 2006 op basis van bruto standaardsaldo

Limburg kent zowel bij de groente-, fruit- als de sierteelt een beperkt areaal aan teelten onder glas. Slechts 5.3% van het totale Vlaamse areaal situeert zich in Limburg. In de Limburgse serres wordt voornamelijk fruit geteeld (85 ha). Verder is er in mindere mate sierteelt (14 ha), verse groenten (9 ha) en bomen (6 ha). Sterke concentraties (meer dan 5 ha) zijn te vinden in de gemeenten Bilzen (18 ha), Sint Truiden (11 ha), Herk-de Stad (9 ha) en Gingelom (8 ha).

bloemen

in serres

totaal

8533 926745

13.6

Een groeiende sector zijn de boomkwekerijen (597 ha in Limburg). Voor een fruitprovincie is het niet verwonderlijk dat 54% of 320 ha van dit areaal wordt ingenomen door fruitbomen. Limburg telt 23 boomkwekerijen met fruitplanten, waarbij zeer grote en belangrijke kwekerijen te Nieuwerkerken (136 ha), Alken (86 ha) en Sint Truiden (50 ha) . De Limburgse boomkwekerijen maken 14.2% uit van het Vlaams areaal (4.197 ha).

Bruto standaard saldo (BSS)

14.2

25.5

Onder het bruto saldo van een landbouwproductie wordt de geldwaarde verstaan van de bruto productie, waarvan men bepaalde bijhorende specifieke kosten aftrekt. Men verstaat onder bruto standaardsaldo (BSS) de waarde van het bruto saldo dat overeenstemt met de gemiddelde situatie in een bepaalde regio (in dit geval de Vlaamse regio) voor elk van de landbouwproducties. De kaarten beelden het aandeel van elke landbouwtak uit in de totale BSS voor die gemeente. Uit de kaarten kan de belangrijkheid van een sector in de landbouw binnen de Vlaamse gemeenten worden afgeleid.

0

25

50 km

Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie, 2008

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 35


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO groenten en fruit, de veilingen, de verpakkingsindustrie en de voedingsindustrie. Alleen al in deze laatste sector bijvoorbeeld, zijn in Limburg in 2006 in totaal 668 mensen tewerkgesteld.

De tuinbouwsector staat eveneens bekend voor zijn seizoensarbeid. Onderstaande tabel toont aan dat in het jaar 2007 er bijna 12 keer meer seizoenarbeiders actief waren in de sector dan vast tewerkgestelden. Het totaal aantal seizoensarbeiders in Limburg in 2007 bedraagt maar liefst 16.536 werknemers.

Tot slot is er nog de indirecte invloed van de tuinbouw op de tewerkstelling in bepaalde sectoren. Een mooi voorbeeld hiervan vormt het toerisme (en de horeca) in Haspengouw.

De sector is tevens een belangrijke werkverschaffer aan andere sectoren. Hierbij kan ondermeer gedacht worden aan het transport van

Aantal op 31 december 2006 in de sociale zekerheid opgenomen arbeidsplaatsen per dimensie: nace code 01.121 (groenteteelt), 01.122 (bloementeelt), 01.123 (boomkwekerijen), 01.130 (fruitteelt) - Provincie Limburg (gedecentraliseerde statistiek). Bron: RSZ Dimensie Aantal werknemers Groenteteelt

Arbeiders

Bedienden

man vrouw totaal

man vrouw totaal

Dimensie Aantal werknemers

Totaal

1- 4

23

7

30

4

0

4

34

5-9

23

51

74

3

2

5

79

Arbeiders

Bedienden

Totaal

man vrouw totaal

man vrouw totaal

(Bron : RSZ)

Boomkwekerijen

1-4

14

5

19

3

4

7

26

5-9

20

2

22

1

2

3

25

10-19

11

16

27

3

1

4

31

10-19

32

7

39

3

2

5

44

20-49

36

59

95

10

2

12

107

20-49

45

2

47

2

2

4

51

100-199

22

193

215

5

4

9

224

Totaal

111

16

127

9

10

19

146

115

326

441

25

9

34

475

Fruitteelt

Totaal Bloementeelt

1-4

33

9

42

1

2

3

5-9

2

2

4

1

0

1

5

16

2

18

11

5

16

34

51

13

64

13

7

20

84

Totaal

1-4

146

31

177

0

2

2

179

5-9

95

53

148

1

7

8

156

10-19

48

63

111

0

0

0

111

20-49

121

104

225

1

0

1

226

45

10-19

Totaal

410

251

661

2

9

11

672

Algemeen totaal

687

606

1293

49

35

84

1377

Aantal seizoensarbeiders per provincie en jaar in de tuinbouwsector. (Bron: Waarborg en sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf) Aantal SA per provincie/jaar Gewest/provincie

Jaar 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Eindtotaal

Brussel

6

7

10

46

111

127

47

16

370

Brussel

6

7

10

46

111

127

47

16

370

Vlaanderen

36784

31280

33878

31224

40399

41349

41341

40365

296620

Antwerpen

4153

3751

4104

3803

5248

6008

6271

6688

40026

Limburg

19359

17162

18440

16202

19045

18656

17688

16536

143088

O-Vlaanderen

4057

2653

3074

3070

4847

5001

5073

5091

32866

VL-Brabant

6469

5373

5565

5595

7033

7171

7605

7135

51946

W-Vlaanderen

2746

2341

2695

2554

4226

4513

4704

4915

28694

Wallonië

2407

2500

2454

2482

3057

3159

3095

3482

22636

Henegouwen

133

120

140

173

186

241

226

358

1599

Luik

1086

1100

1163

1213

1313

1376

1302

1327

9880

Luxemburg

324

363

246

199

463

415

533

559

3102

Namen

534

567

529

554

652

682

574

759

4851

W-Brabant

330

350

376

343

443

445

460

479

3226

Eindtotaal

39197

33787

36342

33752

43567

44635

44483

43863

319626

36 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Aantal in de sociale zekerheid opgenomen arbeidsplaatsen per dimensie voor de provincie Limburg op 31 december 2006 (gedecentraliseerde statistiek).

Arbeiders

Bedienden

Totaal

Dimensie Aantal werknemers

man

vrouw

totaal

man

vrouw

totaal

Vervaardiging van groente- en fruitsappen

100-199

94

13

107

17

21

38

Verwerking en conservering van groenten

5-9

2

3

5

2

1

3

8

200-499

229

134

363

59

31

90

453

1-4

3

1

4

0

0

0

4

50-99

20

7

27

16

15

31

58

348

158

506

94

68

162

668

Verwerking en conservering van fruit Totaal

De omzet op de veilingen

145

Omzet Limburgse veilingen 2007-2008 in €

De omzet op de Limburgse veilingen is een belangrijke indicator van het economische belang van de tuinbouwsector. Nevenstaande tabel geeft deze omzet in € weer. Voor een goede interpretatie van de gegevens moet rekening gehouden worden met het feit dat niet alle aangeboden en verhandelde goederen op de Limburgse veilingen afkomstig zijn van Limburgse telers. Tevens worden ook Limburgse producten aangeboden op andere veilingen in het land (bijvoorbeeld: in 2007 werden op de Mechelse Veilingen 4.709 ton Limburgse groenten aangevoerd, goed voor 4.152.810 €).

(Bron: Verbond van Belgische tuinbouwveilingen, jaarverslag 2008)

In 2008 bedroeg de totale omzet van de veilingen aangesloten bij het Verbond van Belgische tuinbouwveilingen (VBT) 792.250.145 €. De Limburgse veilingen realiseerden hiervan 32% of 253.629.219 €. T.o.v. 2007 verhoogde de Limburgse omzet binnen het Belgische totaal met 2,9 procentpunten. Uitgezonderd de Limburgse tuinbouwveiling kenden alle Limburgse veilingen een sterke positieve groei van de omzet. Zowel de Belgische Fruitveiling, Veiling Borgloon als Veiling Haspengouw noteerden in 2008 zelfs een nieuwe recordomzet.

(1) Betrokken veilingen: BFV, Borgloon, Brava, Haspengouw, Hoogstraten, LTV, Mechelse Veilingen, PROFRUCO, REO veiling, Wepion

Het spreekt voor zich dat de Limburgse veilingen gespecialiseerd zijn in de verhandeling van fruit. De verhouding groenten en fruit bedraagt dan ook 96,4% fruit t.o.v. 3,6% groenten. Dit vertaalt zich ook in de totale omzet van fruit op de VBT- veilingen. Het aandeel van de Limburgse veilingen voor wat fruit betreft, bedraagt hier 71,6%. Voor de groenten is dit slechts 2%.

% 2007

2008

2007-2008

Belgische Fruitveiling

101.131.902

116.656.621

+ 15,4

Veiling Borgloon

59.607.053

64.576.609

+ 8,3

Veiling Haspengouw

56.046.054

62.448.005

+ 11,4

Limburgse tuinbouwveiling

10.442.537

9.947.984

- 4,7

Totaal Limburg

227.227.546

253.629.219

+ 11,6

Totaal VBT veilingen (1)

779.865.515

792.250.045

+ 1,6

29,1

32,0

+ 2,9 procentpunten

Aandeel Limburg

Omzet (€) Limburgse veilingen peer deelsector in 2008 (Bron: Verbond van Belgische tuinbouwveilingen, jaarverslag 2008)

totale omzet

omzet groenten

omzet fruit

Belgische Fruitveiling

116.656.621

1.578.888

115.077.733

Veiling Borgloon

64.576.609

1.152

64.575.457

Veiling Haspengouw

62.448.005

62.448.005

-

Limburgse tuinbouwveiling

9.947.983

7.527.258

2.420.725

Totaal Limburg

253.629.218

9.107.298

244.521.920

Totaal VBT veilingen (1)

792.250.045

450.706.265

341.543.780

32,0

2,0

71,6

% aandeel Limburg

Betrokken veilingen: BFV, Borgloon, Brava, Haspengouw, Hoogstraten, LTV, Mechelse Veilingen, PROFRUCO, REO veiling, Wepion

(1)

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 37


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Tuinbouw als exportsector van verse groenten en fruit De tuinbouwsector is een exportgerichte sector. De onderstaande tabel geeft duiding over de export van verse groenten en fruit. Let wel, de opgenomen gegevens hebben betrekking op de totale Belgische export en re-export van groenten en fruit.

Fruitsector De drie voornaamste exportproducten in de fruitsector, zowel naar exportvolume als -waarde, blijven aardbeien, appelen en peren, samen goed voor 652.929 ton of 87.3% van de totale Belgische fruitexport en re-export. Deze drie topproducten staan in 2007 voor een totaal exportbedrag van 495.331.000 € (76% van de totale exportwaarde). Onze naaste buurlanden (Frankrijk, Duitsland, Nederland en Verenigd Koninkrijk) blijven belangrijke afnemers, maar Rusland, met een groeiend consumptiepatroon voor vers fruit (en groenten), is het belangrijkste exportland voor Belgisch fruit geworden. In 2007 werden 180.634 ton fruit, goed voor 146.374.000 €, geëxporteerd naar Rusland. Grootste exportproduct zijn de peren met een waarde van 75.067.000 €. De export naar Rusland is dus van kapitaal belang voor de Limburgse fruitsector. De handelsbalans voor het Belgische fruit kent een positief saldo van 88.407.000 €.

Top 5 exportproducten in de fruitteelt in 2007 op basis van exportvolume en exportwaarde (Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Exportvolume Ton

%

Appelen

332.881

44,49

Peren

281.104

37,57

Aardbeien

38.944

5,20

Druiven (tafeldruiven)

34.855

4,66

Meloenen

17.184

2,30

Totale export

748.278

100,00

Exportwaarde In 1000 €

%

Appelen

192.969

29,60

Peren

189.509

29,07

Aardbeien

112.853

17,31

Druiven (tafeldruiven)

57.763

8,86

Kersen (zoete)

15.125

2,32

Totale export

651.953

100,00

Balans import- export fruit in 2007 (Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Export

Volume (ton)

Waarde (in 1000 €)

748.278

651.953

Import

557.299

563.546

Balans

+ 190.979

+ 88.407

Top 5 exportlanden fruit in 2007 op basis van exportvolume en exportwaarde (Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Exportvolume exportland Rusland Duitsland Nederland Frankrijk Verenigd koninkrijk

ton 180.634 145.009 130.488 76.361 56.015

voornaamste product

ton

peren

113.699

appelen

42.500

appelen

98.805

peren

17.494

appelen

76.452

peren

33.192

appelen

39.971

peren

22.784

peren

28.677

appelen

17.732

Exportwaarde exportland Rusland Duitsland Nederland Frankrijk Verenigd Koninkrijk

38 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

In 1000 € 146.374 125.032 92.003 82.931 57.529

Top 5 exportlanden groenten in 2007 op basis van exportvolume en exportwaarde

Groentesector De belangrijkste exportproducten in de groentesector naar exportvolume zijn wortelen, tomaten en prei. Samen goed voor 409.538 ton of meer dan de helft (57%) van de totale Belgische groenteexport. Bekeken naar de exportwaarde, verandert de top drie van de belangrijkste exportproducten. De champignons (hoofdzakelijk export naar het Verenigd Koninkrijk) verdringen de wortelen op de tweede plaats, met een exportwaarde van 55.513.000 €. Onze buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland) blijven ook bij de groenten de belangrijkste afnemers. Maar ook hier duikt Rusland op in de top 5 met een afname van 44.291.000 €, hoofdzakelijk tomaten. Ook de groentesector kent een positieve handelsbalans van 60.100.000 €.

(Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Exportvolume exportland Frankrijk Duitsland Nederland

%

Tomaten

202.772

28,27

Wortelen

126.692

17,66

Prei

80.074

11,16

Kropsla

44.311

6,18

Komkommer

36.755

5,12

Totale export

717.303

100,00

voornaamste product

In 1000 €

peren

75.067

appelen

32.835

appelen

61.966

druiven

25.340

Tomaten

appelen

37.513

aardbeien

17.080

aardbeien

26.550

appelen

24.476

peren

23.530

aardbeien

20.055

217.266

wortelen

60.185

tomaten

51.330

121.831

Rusland

47.803

Verenigd koninkrijk

38.913

261.112

40,66

Champignons

55.513

8,65

Prei

54.451

8,48

Kropsla

47.123

7,34

Wortelen

39.578

6,16

Totale export

642.114

100

75.131

kropsla

25.547

tomaten

23.241

wortelen

12.899

tomaten

24.830

wortelen

14.648

champignons

14.606

prei

6.398

In 1000 €

voornaamste product

In 1000 €

Duitsland

180.863

tomaten

85.351

kropsla

30.917 49.493

Frankrijk

141.113

tomaten prei

19.878

Nederland

115.510

tomaten

23.809

paprika

17.423

Verenigd koninkrijk

68.891

champignons

30.913

bonen

11.390

tomaten

27.424

paprika

5.868

Rusland %

tomaten

exportland

Exportwaarde In 1000 €

ton

Exportwaarde

(Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Ton

voornaamste product

178.427

Top 5 exportproducten in de groenteteelt in 2007 op basis van exportvolume en exportwaarde Exportvolume

ton

44.291

Balans import- export groenten in 2007 (Bron: NBB, jaarverslag VBT, 2007)

Volume (ton)

Waarde (in 1000 €)

Export

717.303

642.114

Import

945.730

582.014

Balans

- 228.427

+ 60.100

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - ME-JUNI 2009 - 39


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Uitdagingen voor de sector Toenemende ruimte en aandacht voor glasteelt Het areaal teelten onder glas is met 114 ha (groenteteelt, fruitteelt en sierteelt (incl. boomkwekerijen) of 5.3% van het Vlaamse areaal, opmerkelijk klein in Limburg. Momenteel neemt Vlaanderen een initiatief in het clusteren van de glastuinbouw in glastuinbouwzones met specifieke aandacht voor duurzaam energiegebruik. De intentie om de glastuinbouw in Vlaanderen een toekomst te geven werd weergegeven in een charter. Doel van dit charter is een herontwikkeling van de bestaande glastuinbouw teweeg te brengen door herstructureringen op ruimtelijk en energetisch vlak. Hierbij wordt gedacht aan een combinatie van glastuinbouw en industrie (gebruik van industriele restwarmte en CO2 uitstoot in serres). Ook Limburg behoort tot de mogelijke gebieden om actiever aan glastuinbouw te doen. Deze oppor tuniteit is gelegen in de recuperatie van warmte (33°C) uit het mijnwater om serres te verwarmen en anderzijds op de bijkomende tewerkstelling die serres kunnen opleveren voor Limburg. Een knelpunt voor de glastuinbouw is vaak het vinden van voldoende nettoruimte (50 - 200ha) maar ook het landschappelijke aspect dat teweeg wordt gebracht door de grote oppervlakte die de serres innemen. Meer dan andere sectoren klinkt in de land- en tuinbouw de roep naar duurzaamheid. Deze duurzaamheid vertaalt zich op diverse domeinen, waaronder ruimtegebruik, milieu, gezondheid en water- en energiegebruik. Watergebruik Tuinbouw en zeker de groenteteelt, vraagt enorme hoeveelheden zuiver water. De beschikbaarheid van voldoende water is zeker een troef voor de provincie Limburg. Een interessant voorbeeld hiervan zijn de Kinrooise groentevelden. Er wordt jaarlijks 500.000 tot 1.000.000 m³ water opgepompt uit de grindplassen en verdeeld over 2500 ha grond via een ondergronds leidingnetwerk. Een centraal pompstation zorgt dat het water onder druk gebracht wordt tot aan de akkerrand waar de gebruiker zijn beregeningsinstallatie aansluit op de voorziene aftakpunten. Ongeveer 80 boeren zijn lid van de coöperatieve die hiertoe werd opgericht (Coöperatieve irrigatie ruilverkaveling Ophoven, CIRO). Voor een duurzaam watergebruik in de land- en tuinbouw is de provincie ook partner in het grensoverschrijdend Interreg-project ‘Interactief waterbeheer’. Met dit project wordt ingezet op duurzaam watergebruik in de melkveehouderij en wordt gestreefd naar een verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater door het vermijden van puntvervuilingen op de vul- en spoelplaatsen van actieve landbouwbedrijven. Grondgebruik Voor alle activiteiten binnen de tuinbouw (groenten in open lucht, onder glas, fruit en sierteelt) stijgt de vraag naar grond. Deze vraag naar extra grond zal zich, volgens een analyse in opdracht van het Departement Landbouw en Visserij (Analyse van de huidige en toekomstige ruimtebehoefte voor land- en tuinbouw en de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de landbouw), ook in de toekomst verder zetten. Dit is volgens de analyse enerzijds het gevolg van een stijging in eindproductiewaarde voor elk van de activiteiten. De evoluties binnen de exportmogelijkheden, de uitbreiding van de EU, wijzigingen in 40 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

het milieubeleid en efficiënter omgaan met duurder wordende inputs zijn hierbij enkele drijvende krachten. Anderzijds is dit, nog steeds volgens de analyse, het gevolg van een stijgende economische productiviteit. Enkel bij groenten in open lucht wordt verwacht dat meer eindproductiewaarde zal gerealiseerd worden op eenzelfde oppervlakte. De totale productie zal echter zo toenemen dat zelfs met deze hogere economische productiviteit, meer ruimte nodig is. De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voerde in 2006, in het kader van het Limburgplan-project “grove groenteteelt”, een studie uit over de mogelijkheden van groenteteelt in volle grond in NoordoostLimburg. Doel van het project is in eerste instantie de sector van de grove groenteteelt te ondersteunen door de perceelsstructuren en de gebruikte ruimte te optimaliseren. Om in te gaan op de vraag van de telers (en de voedingsindustrie) naar grotere percelen, wordt inmiddels geëxperimenteerd met ruilverkaveling in Molenbeersel en Steenkamp-Wurfeld (bemiddeling en vrijwillige ruilverkaveling). Milieubewust telen en voedselveiligheid De tuinbouwsector dient dagelijks rekening te houden met de eisen aan kwaliteit en voedselveiligheid van hun producten. Vanuit Europa en de exportlanden komen toenemende eisen m.b.t. de aanwezige residu’s op de teelten, met een strengere planning en normering voor het gebruik van sproeistoffen. Vanuit de proefcentra wordt in overleg met de industrie druk gezocht naar oplossingen als alternatief voor de verboden sproeistoffen. De sector is al geruime tijd op zoek naar milieuvriendelijke productiemethoden. Vandaag hebben praktisch alle telers de overstap gemaakt naar een geïntegreerde, milieuvriendelijke teelt (gebruik van biologische bestrijdingstechnieken) en werd het kalendersproeien overboord gegooid. Volgende stap zal zeker de behandeling van het fruit en de groenten zijn, met vermindering van het residu op de vruchten. Vooral in de fruitsector wordt terzake baanbrekend onderzoek uitgevoerd. Dankzij de kennis van pcfruit inzake de inzet van gewasbeschermingsmiddelen heeft pcfruit aangepaste gewasbeschermingschema’s uitgewerkt waardoor de telers beter aan de strengere

exporteisen kunnen voldoen. Omdat minder tussen de beschikbare middelen kan worden afgewisseld neemt het risico op resistentie bij bepaalde schimmels en insecten echter toe. Daarom is pcfruit dit jaar, dankzij een GMO-project gefi nancierd door de fruitveilingen, gestart met onderzoek naar residumanagement van gewasbeschermingsmiddelen als instrument voor een voedselveilige en economisch rendabele fruitproductie. In dit project wordt onderzoek verricht naar alternatieve bestrijdingsmethoden op basis van fysische en biologische bestrijdingsmethoden zoals UV-c radiatie, thermotherapie via warm waterbehandeling na de oogst al of niet gecombineerd met specifieke gisten voor de bestrijding van vruchtrotschimmels tijdens de bewaring.

Een dynamische en innovatieve sector: eigen Limburgse kenniscentra Innovatie is de motor voor de ontwikkeling van de land- en tuinbouw in Vlaanderen. Naast het behouden en versterken van de concurrentiekracht dient het als hefboom om tegemoet te komen aan een aantal maatschappelijke uitdagingen. De snel veranderende markt en omgeving, en de specifieke context waarin de land- en tuinbouw in Vlaanderen zich bevindt, verhogen de noodzaak tot innovatie. Meer dan vroeger stelt dit zeer hoge eisen aan het innovatieve vermogen van de land- en tuinbouwbedrijven, zoals gesteld wordt in de nota “Innovatie in land- en tuinbouw in Vlaanderen” van januari 2007. Meer dan andere sectoren heeft de tuinbouw nood aan innovatie, nieuwe ideeën en vernieuwingen, ondermeer op het domein van het assortiment, teelttechnieken, bewaartechnieken en bemestings- en sproeimiddelen. Innovatie veronderstelt kennisinfrastructuur, kennisdoorstroming en -uitwisseling. Een belangrijke rol in deze innovatie wordt opgenomen door de praktijkcentra en proeftuinen. Proefcentrum voor Fruitteelt Vooral in de innovatiestimulering in de fruitsector, een belangrijk economisch speerpunt, heeft onze provincie een rijke traditie. Sinds 1959, met de oprichting van het Koninklijk Opzoekingsstation van Gorsem zet Limburg in “op de wetenschappelijke studie van alle problemen die een kwaliteits- en opbrengstverbetering teweeg brengen,


H C S I S M EEFSEL G O R U N B IMO MISCH W ELEC T NO R COP O P RA die de productiviteit van de teelten verhoogt en een duurzame fruitteelt gerandeert.” (citaat oprichtingsakte) Vrij vlug is het opzoekingsstation uitgegroeid tot een toonaangevende internationaal befaamde onderzoeksinstelling. In het verlengde van het toegepast wetenschappelijk onderzoek, werd met overheidssubsidie en onder impuls van de veilingen, het demonstratief onderzoek in onze provincie uitgebouwd. In 1977 is het Demonstratiebedrijf voor Kleinfruit Zuid-Limburg, de latere proeftuin voor aardbeien en houtig kleinfruit, opgericht. En de oprichting van de Nationale Proeftuin voor Grootfruit in 1981 legde de basis voor de proeftuinwerking inzake pit- en steenfruit.

Per 1 januari 2006 zijn de zes vzw’s van de pcfruitgroep, in de meest brede consensus, dan ook geïntegreerd in één vzw. Hierdoor is de werking sterk gerationaliseerd. Een uniform fi nancieel, personeelsen investeringsbeleid en een betere afstemming tussen het toegepast wetenschappelijk en demonstratief onderzoek zijn de belangrijke voordelen van deze integratie. Pcfruit integreert aldus de werking van 5 vroegere onderzoeks- en voorlichtingsinstellingen in de fruitteelt, nl. PCF-Koninklijk Opzoekingsstation van Gorsem, PCF-Diensten aan Bedrijven, PCF-Diensten aan Telers, PCF-Proeftuin Pit- en Steenfruit en PCF-Proeftuin Aardbeien en Houtig Kleinfruit.

Ondanks de onafhankelijke en autonome werking van de verschillende vzw’s leidt het geen twijfel dat het onderzoek in de genoemde instellingen een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de huidige concurrentiekracht en de grote product- en marktwaarde van de Limburgse fruitsector. In de jaren negentig wordt de basis gelegd voor een gecoördineerde werking van het fruitonderzoek in onze provincie. Op 7 januari 1996 wordt door de oprichting van het Proefcentrum voor Fruitteelt een voorzichtige stap gezet naar een geïntegreerde en clustergerichte werking. Om de clustergedachte verder te verfijnen en te optimaliseren is sinds 2000, vooral onder impuls van gedeputeerde van landbouw en pcfruit-voorzitter Marc Vandeput, een intensief traject voor een volledige geïntegreerde werking afgelegd.

Door de éénheidsstructuur is het Proefcentrum Fruitteelt voor de fruitteler een uniek loket voor informatie en dienstverlening inzake de meest uiteenlopende teelttechnische vragen. Bovendien heeft de geïntegreerde werking geleid tot een kwaliteitsverbetering van het onderzoek en tot een verhoogd rendement van de ingezette onderzoeksmiddelen. Pcfruit bekwam ook bij de Federale Overheid een erkenning als wetenschappelijke instelling. Dit opent nieuwe deuren voor het indienen van projecten Fruitteelt bij het Federaal Wetenschapsfonds. Door permanente investeringen in de kwaliteit van het onderzoek en door het aantrekken van bekwame jonge onderzoekers is pcfruit vooral het voorbije decennium uitgegroeid tot de preferentiële onderzoekspartner van de Vlaamse universiteiten en van binnen- en buitenlandse onderzoeksinstellingen. De recente investering in de centrale locatie zal de slagkracht van het Limburgse fruitteeltonderzoek nog verhogen. Dankzij een totale investering van meer dan 4 miljoen euro beschikt pcfruit over de meest innovatieve technologische labo’s voor zoölogisch, mycologisch, pomologisch en ecologisch onderzoek. Pcfruit heeft, voor het onderzoek voor land- en tuinbouw, ook een erkenning voor quarantaine-onderzoek in labo en serres verkregen. Door deze erkenning kan pcfruit de telers bijstaan bij de diagnose en het onderzoek van fytopathogenen die binnen Europa als quarantaineorganismen worden beschouwd. Deze groep vormt immers een groot risico bij algemene verspreiding en kan ernstige economische schade veroorzaken. Door deze ziekten te kunnen diagnosticeren en te onderzoeken biedt dit aan pcfruit de mogelijkheid om kennis op te doen en tijdig de aangepaste bestrijdingstechnieken te zoeken en de nodige acties te nemen om verspreiding binnen de Limburgse fruitteelt te voorkomen. Door de gewijzigde klimaatomstandigheden wordt de fruitsector immers geconfronteerd met nieuwe ziekten en plagen die hier voorheen niet aanwezig waren en voor de economische kracht van de sector een bedreiging vormen. Voor de fruitsector is onze provincie erin geslaagd om pcfruit uit te bouwen tot een hoogstaand onderzoeks- en kenniscentrum en tot een echt Vlaams en internationaal ‘centre of excellence’.

Agrivisie, PIBO-Campus en PVL Voor de andere land- en tuinbouwsectoren heeft de provincie vorig jaar het initiatief genomen tot de oprichting van een kenniscentrum voor de land- en tuinbouw. Onder de naam Agrivisie wordt met dit kenniscentrum alle kennis gebundeld, nieuwe kennis opgebouwd

en de sector met voorlichting en demonstratie benaderd. Naast de sectorgerichte werking is het de bedoeling om bij de huidige onderzoekscentra PVL (Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw) en PIBO-campus (Provinciaal Instituut voor Biotechnisch Onderwijs) vooral onderzoeksprojecten inzake duurzaam waterbeheer en duurzame landbouw uit te voeren. De provincie Limburg is al jaren partner van PIBO-Campus en PVL en voorziet een structurele fi nanciële ondersteuning van beide instellingen. Dit bestuurlijk en fi nancieel partnerschap levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van de onderzoeksprojecten ten gunste van de Limburgse vee- en varkenshouderij. Deze aanpak heeft succes. Diverse nieuwe projecten zijn klaar voor uitvoering. Het grensoverschrijdend Interregproject Bodembreed ter bestrijding van bodemerosie en ter verbetering van de bodemkwaliteit is in uitvoering. En binnenkort start een onderzoekstraject ten bedrage van 400.000 euro, voor de verbetering van het oppervlaktewater door het tegengaan van puntlozingen van gewasbeschermingsmiddelen. Ook het duurzaam watergebruik in de melkveehouderij wordt beoogd. Tot slot is een nieuw technologisch hoogstaand project inzake teeltadvisering goedgekeurd. Via satellietopnames krijgen Limburgse landen tuinbouwers toegang tot de kwalitatieve waarden van een aantal gewasparameters zoals vocht, stikstofgehalte of drogestofproductie. Een kleurenkaart vormt de basis voor een doelgericht teeltadvies. Deze doelgerichtheid dient te leiden tot een lagere inzet van meststoffen, water en gewasbeschermingsmiddelen. Kostenbesparing, verbetering van de economische rendabiliteit en milieuwinst zijn de fi nale projectdoelstellingen.

De fruitstreek, een unieke toeristische attractie In Haspengouw vind je op iedere ha binnen de 2.000 en 3.000 fruitbomen die in de bloeiperiode een uniek landschappelijk decor vormen. Deze pracht werd door Toerisme Limburg vermarkt via een geïntegreerde toeristische productontwikkeling. Hoogtepunt van de marketingcampagne was de televisieserie ‘Katarakt’ die een enorme toeristische toeloop opleverde. Dat de vermarkting van de fruitteelt een succes is, blijkt uit bevragingen van Toerisme Limburg en uit toeristische omzetcijfers. Toerisme werd m.a.w. een niet te verwaarlozen nevenproduct van de Haspengouwse fruitteelt.

Tot slot De uitdaging voor de Limburgse tuinbouwsector wordt kernachtig verwoord in de legislatuurnota 2007-2013 van gedeputeerde Marc Vandeput (provincie Limburg): “In bepaalde landbouwsectoren staat Limburg aan de top in Vlaanderen, in Europa en zelfs in de wereld. Vooral in de fruitteelt behoort onze provincie tot de wereldtop. Ook in de groenteteelt en melkvee- en varkenshouderij hoeven wij voor de andere provincies niet onder te doen. Om deze positie te behouden en verder voorsprong te nemen, moeten wij meer dan voorheen onze troeven uitspelen: uitstekende en vruchtbare bodems, een ruime koopkrachtige afzetmarkt maar bovenal professionele land- en tuinbouwers die agro-producten van bijzondere kwaliteit produceren. Met het provinciaal landbouw- en plattelandsbeleid streven wij dan ook naar een leefbare en duurzame landbouw.”

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 43


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Winning van delfstoffen in Limburg Limburg heeft een rijke ondergrond die de basis vormt van een diversiteit aan economische activiteiten. Van de 18 miljoen ton delfstoffen die jaarlijks in Vlaanderen gewonnen worden, neemt Limburg 14 miljoen ton voor zijn rekening. De winning van zand en grind zijn kenmerkend voor Limburg, meer bepaald voor het Maasland en voor Noord-Limburg. 9 miljoen ton is afkomstig van de grindwinning. Dit gegeven ligt aan de basis van een zeer performante Limburgse betonwarenindustrie met een hoge toegevoegde waarde. De zandwinning in Noord-Limburg creëert een concentratie van glasfabrikanten. Zuid-Limburg is de leemstreek die aan de basis ligt van de productie van diverse soorten bakstenen. En in de vroegere Mijnstreek wordt volop onderzoek gevoerd naar gaswinning.

De rijke Limburgse bodem De Limburgse bodem is reeds tientallen jaren een bron van rijkdom. In de vorige eeuw bestond die rijkdom hoofdzakelijk uit zwart goud: steenkool. Jarenlang waren de Limburgse Mijnen de belangrijkste werkgever in de provincie. Ondertussen is de steenkoolwinning al verscheidene jaren uitgedoofd en krijgen de oude mijngebouwen met de typische schachten een nieuwe bestemming. Maar de Limburgse bodem biedt meer. Onderstaande kaart geeft een beeld van de diverse delfstoffen die in Vlaanderen dichtbij of aan de oppervlakte voorkomen. In gebieden waar meer dan één delfstof een effectieve rol spelen, is dit op de kaart met een arcering weergegeven. Uit de kaart blijkt duidelijk dat Limburg zich onderscheidt van de rest van Vlaanderen. Als enige provincie beschikt de Limburgse bodem over grind, mergel en betonzand. Samen met de regio Mol, is NoordLimburg (regio Lommel) de enige plek in Vlaanderen waar glaszand gevonden wordt. Klei en leem vervolledigen de zeer gevarieerde Limburgse bodem.

In totaal worden per jaar in Vlaanderen 18 miljoen ton delfstoffen gewonnen. Het gaat dan over klei, fijn zand, grind en grof zand. Van dat totale pakket wordt 14 miljoen alleen in Limburg gerealiseerd. Bijna 78% van de totale winning is dus afkomstig uit Limburg.

Wettelijke bepalingen Voor de ontginning van de natuurlijke rijkdommen in Vlaanderen werd in 2003 het Oppervlaktedelfstoffendecreet goedgekeurd. Dit decreet gaat uit van een delfstoffenbeleid op lange termijn. Via delfstoffenplannen wordt per soort delfstof de regionale jaarlijkse behoefte bepaald. Om aan deze behoefte te kunnen voldoen kan een ontginningsbedrijf of -sector gebieden voorstellen. Deze worden dan door de overheid beoordeeld op hun draagkracht en ontginningsgeschiktheid. Alle belanghebbenden worden in dit afwegingsproces betrokken. Van zodra een gebied wordt weerhouden, wordt hiervoor een ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt. In dit plan legt de ontginner reeds de te realiseren nabestemming vast. Aansluitend zal de kandidaat-exploitant de nodige vergunningen aanvragen. Voor aanvang van ontginning moet de exploitant een fi nanciële zekerheid verschaffen aan de overheid als waarborg voor de goede uitvoering van de herinrichting. Gezien het specifieke karakter van de grindwinning in Limburg werden voor deze ontginning, reeds 10 jaar voor het Oppervlaktedelfstoffendecreet, bijkomende spelregels vastgelegd in het Grinddecreet. De twaalfjarige uitvoeringstermijn van het Grinddecreet liep ten einde bij het afsluiten van het jaar 2005. De grindwinning in de provincie Limburg zou hiermee defi nitief gestopt zijn ware het niet dat de oorspronkelijk opgelegde einddatum opgeheven werd. Zonder nieuwe einddatum kunnen de nog achterstallige productiequota verder gerealiseerd worden tot uitputting ervan. Door het programmadecreet 2007 wordt ook de dan nog resterende grindvoorraad in de vergunde grindwinningsgebieden exploiteerbaar. De uitputting van de goedgekeurde quota zal op korte termijn gehaald worden. Recent werd door het Vlaams Parlement een decreet goedgekeurd dat de toekomst van de Limburgse grindwinning regelt. Het decreet,

Oppervlaktedelfstoffen in Vlaanderen Bron: Vlaamse Overheid, Dienst Natuurlijke Rijkdommen

waarin maximaal rekening wordt gehouden met zowel de grindsector, landbouw als milieu en natuur, wordt door alle betrokken partijen gesteund. Het basisprincipe van het decreet houdt in dat commerciele grindwinning kan, op voorwaarde dat dit de mogelijkheid creëert om de landschapsecologie en biodiversiteit van de Limburgse natuur te verbeteren. Nieuwe projecten voor grindwinning kunnen enkel opgestart worden als alle betrokkenen eenparig akkoord gaan in een technische commissie die wordt opgericht. Er is dus geen sprake meer van globaal op te halen tonnages en er is geen einddatum meer vastgesteld.

Tewerkstelling in de sector De delfstoffenwinningsector behelst de winning van verschillende delfstoffen: steenkool, turf, bouw- en siersteen, cementsteen, kalksteen, gips, krijt, leisteen, zand, grind, klei, mineralen voor chemische en kunst mest industrie. De Limburgse tewerkstelling in deze sector concentreert zich vooral in de winning van zand en grind, en in mindere mate mineralen voor de chemische en kunst mestindustrie. De totale tewerkstelling in de sector is zeer gering in vergelijking met de totale tewerkstelling in Limburg. Ook het aantal vestigingen van bedrijven in deze sector is klein vergeleken met het totaal aantal gevestigde bedrijven in Limburg. Onderstaande RSZ-cijfers tonen dit aan.

De kaart geeft een beeld van de verspreiding van diverse delfstoffen die in Vlaanderen dichtbij of aan de oppervlakte voorkomen. De kaart houdt geen rekening met de diktes van de delfstoflagen en de al of niet gunstige omstandigheden voor ontginning. Ze geeft dus geen inzicht in de plaatselijke economische waarde van de delfstoffen. In gebieden waar meer dan één delfstof een effectieve rol spelen, is dit op de kaart met een arcering aangegeven. Grindafzettingen bevatten eveneens grof zand dat als beton- en metselzand kan aangewend worden. Dit wordt echter niet expliciet op de kaart afgebeeld.

Tewerkstelling

Delstoffenwinningsector in Limburg Totaal Limburg

44 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Vergeleken met 2003 daalt de tewerkstelling in de delfstoffenwinningsector in Limburg in 2006 met 23%. Het aantal vestigingen in de sector ging in diezelfde periode van 30 naar 26. Deze achteruitgang en het geringe aandeel van de sector in de totale tewerkstelling betekent niet dat de sector verwaarloosbaar is voor onze provincie. Integendeel, heel wat bedrijven zijn afhankelijk van de delfstoffenwinning in Limburg. Bijvoorbeeld de beton- en betonwarenindustrie is niet toevallig zo talrijk aanwezig in onze provincie. De transportkosten van de grondstoffen grind, zand, cement,… is immers een doorwegend element voor hun concurrentiepositie. Hierdoor verankert Limburg ongeveer 5.000 jobs rond de vindplaatsen van deze natuurlijke rijkdommen. Uit onderstaande tabel (RSZ-gegevens 2006) blijkt duidelijk dat Limburg binnen Vlaanderen een prominente plaats inneemt voor wat betreft de delfstoffenwinning in het algemeen: meer dan de helft van het totaal aantal vestigingen in de sector situeert zich in Limburg evenals 44% van de totale tewerkstelling in de sector. T.o.v. het Belgische gemiddelde zien we dat het aandeel van de Limburgse delfstoffenwinning veel minder groot is. Wallonië beschikt ook over grote natuurlijke rijkdommen en de sector stelt er meer mensen tewerk dan in Vlaanderen. Onderstaande tabel geeft de RSZ-cijfers weer van 2006 voor de totale delfstoffenwinningsector.

Vestigingen per jaar

Jaar 2003

Jaar 2006

Jaar 2003

Jaar 2006

261

200

30

26

251.230

262.159

19.476

20.060

Limburg

Vlaanderen

België

Totale tewerkstelling

200

552

3.253

Aantal vestigingen

26

53

167

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 45


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Economisch belang van de grindwinning In de Maasvallei wordt uit het brute bodemmateriaal grind gewonnen. Dat grind is eigenlijk afbraakmateriaal van diverse gebergten: Ardennen, Alpen, Vogezen, Zwarte Woud. Rijn en Maas zetten zo’n 400.000 jaar geleden het grind af in de huidige Maasvallei. Het grind dat zich in het Kempisch Plateau bevindt, is nog langer geleden hier afgezet, zo’n 500.000 jaar geleden. Om grindwinning na 2005 mogelijk te maken zijn er heel wat formele stappen gezet. Zo was er een aanpassing van het Grinddecreet uit 1993 noodzakelijk, met name de schrapping van de einddatum, om de abrupte stopzetting van de grindwinning te voorkomen. Deze wetgevende stap is gezet en voor de potentiële grindwinningsgebieden werd een nauwgezette afweging gemaakt om na te gaan welke de meest aangewezen zones zijn voor de winning van de noodzakelijke grondstoffen voor de bouwsector. Ondanks de reeds lang aan de gang zijnde ontginning zijn de reserves van onze natuurlijke rijkdommen nog zeer aanzienlijk, doch eindig in tijd. Er is een geraamd geologisch voorkomen van 4 miljard ton grind en zand, waarvan 405 miljoen ton grind in aanmerking kunnen komen voor ontgrinding. Elk jaar wordt daar 9 miljoen ton van gewonnen. Ook na de steenkool zorgt Limburg voor de belangrijkste natuurlijke grondstof in Vlaanderen. In het Grinddecreet zijn vier Limburgse gemeenten aangeduid als grindgemeente. Van noord naar zuid zijn dit:

-

Kinrooi Maaseik Dilsen-Stokkem Maasmechelen

Met de uitbreiding van de berggrindgebieden vanaf juli 2005 kwam er een grindgemeente bij: As. Het Grinddecreet uit 1993 behelst de afbouw en stopzetting van alle grindwinning in het Limburgse Maasland tegen 1 januari 2006, waarbij een globaal productiequotum van 59,5 miljoen ton valleigrind en 41,4 miljoen ton berggrind nog mag ontgonnen worden. De exploitatie wordt beperkt tot een jaarlijks quotum dat tweejaarlijks wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering en toegekend aan de erkende quotumhouders. Het ontgrinden moet gepaard gaan met landschapsherstel volgens goedgekeurde nabestemmingsplannen. Een aantal grindwinningsgebieden werden afgebakend: - Kleizone te Kinrooi - Boterakker te Kinrooi - Heerenlaak te Maaseik - Negenoord en Bichterweert, groeves Bormans en Algri te DilsenStokkem - Meerheuvel te Dilsen-Stokkem - Mechelse Heide, groeves Lugo en Bex te Maasmechelen - Mechelse Heide Zuid (Maasmechelen) - Mechelse Heide Noord (Maasmechelen) Door een gebrek aan voldoende ontginningsterreinen voor de realisatie van het totale berggrindquotum besliste de Vlaamse Regering op 18 juli 2003 tot een uitbreiding met drie zones voor de berggrindwinning op het Kempisch Plateau. Het gaat om de zones Mechelse Heide Zuid (G1 en G3) en Mechelse Heide Noord (G2). Het hierbij noodzakelijke gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) is op 15 juli 2005 defi nitief goedgekeurd. Na verlenging van de vergunningen kon de ontginning in maart 2006 aangevat worden. Jaarlijks wordt er zo’n 9 miljoen ton grind gewonnen. Dat is ongeveer 50% van alle grondstoffen die jaarlijks in Vlaanderen worden opgeleverd. Bovendien wordt de grind voor 100% in Limburg geproduceerd. Eind 2007 waren in totaal 110 mensen (84 arbeiders, 26 bedienden) aan de slag in de directe grindwinning in Limburg (Bron: Grindcomités en subcomités – jaarverslag 2007). Op tien jaar tijd is deze directe tewerkstelling met 56% gedaald. Nog eens 150 mensen werken bij leveranciers, onderaannemers, grondwerkers, herinrichters, intern transport, landmeting, studiebureaus. Het verder transport van het grind en grof zand is weer goed voor 466 jobs. De omzet van de grindbedrijven op jaarbasis bedraagt zo’n 70 miljoen euro en daarvoor wordt ongeveer 40 hectare ruimte ingenomen. 6 miljoen euro van de totale omzet gaat naar de staatskas en nog eens 5,5 miljoen euro naar de 5 Limburgse grindgemeenten.

46 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Herbestemming grindgebieden Elk jaar wordt er 40 hectare grindgebied ontgonnen. Een groot deel daarvan krijgt nadien een bestemming als natuurgebied. Zo kan het Maasland van landbouwgebied heringericht worden tot een grenzeloos natuurpark met fiets- en wandelroutes, waar ook plaats is voor watergebonden activiteiten (surfen, zeilen, kayak, waterskiën, zwemmen, vissen, jachthaven…). Het Maasland is een paradijs voor natuurliefhebbers. De reeds afgewerkte en herbestemde sites hebben een hoge natuur- en landschapswaarde. De algemene waterkwaliteit is er bijzonder goed: vaak kraakhelder en met vele vissoorten, o.a. snoek, pas, grondel, blankvoorn, beek- en regenboogforel. Regelmatig zitten de vijvers vol met vele soorten eenden en andere watervogels (slobeend, winter- en zomertaling, wilde eend, kwakeend, meerkoet, dodaars, fuut, ijsvogel, pijlstaart, smient, roerdomp, zilverreiger, diverse ganzensoorten e.a.). In de plas-dras gebieden (ondiep water) bevinden zich typische plantensoorten (wateraardbei, pijlkruid, mattenbies, pilvaren e.a.). Door de vaak weelderige plantengroei is er ook een rijk leven van ongewervelde amfibieën, vogels en een onvoorstelbaar aanbod aan libellensoorten dat voor Vlaanderen tot de absolute top behoort. In het gebied Bergerven komen niet minder dan 34 soorten voor, dat is zowat de helft van alle in België voorkomende soorten. Reptielen zoals de levend barende hagedis, vele soorten sprinkhanen, dagvlinders en nachtvlinders zijn er in overvloed. De plantenwereld is zeer divers en maakt de sites tot paradijzen voor natuurliefhebbers en wandelaars.

Een speciale vermelding krijgt de herinrichting van het gebied Boterakker in Kinrooi. In het gebied Kinrooi situeert zich reeds sinds geruime tijd (ca. 25 jaar) een groots opgezet recreatief project bestaande uit o.a. een jachthaven, een camping, zeilaccommodatie, dagstrand… Het herstructureringscomité heeft doorheen het hele planningsproces van herinrichting steeds geopteerd voor een geïntegreerde aanpak van de zich hier situerende grindwinningen: Kleizone, Boterakker en Maasweg en heeft derhalve een visie ontwikkeld over het gehele gebied (ca. 510 ha). Het comité was tevens van oordeel - conform o.a. de bepalingen uit het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Limburg - dat men de bestaande toeristische voorzieningen maximaal diende te valoriseren. Er wordt derhalve gestreefd naar een evenwicht tussen landbouw en recreatie, hoofdzakelijk watergebonden. Zo zijn er plannen voor de aanmaak van een olympische zeildriehoek, surfstranden, duikmogelijkheden, … De diverse recreatieve functies worden van elkaar gescheiden om confl ictsituaties te vermijden. Om recreatie mogelijk te maken is er nood aan paden en parkeerplaatsen, ook deze worden voorzien. Verder wordt een fiets- en wandelpad uitgestippeld en wordt er ingezet op natuurontwikkeling. De agrarische zone wordt ruimtelijk geïntegreerd in de directe omgeving middels landschappelijke beplantingen (bomenrijen, struwelen, hagen, …). In het gebied Boterakker wordt ontgrind gebied opgespoten met wit zand waarop een nieuwe deklaag wordt aangebracht die gevormd wordt door landbouwgrond die zo’n 10 à 15 jaar ‘gerust’ heeft in de omgeving. Dit nieuwe landbouwgebied moet plaats bieden voor ecologisch hoogstaande landbouwprojecten. Bedoeling is om op dit gebied een zogenaamde Agropolis te vestigen: een duurzaam kenniscentrum voor de (glas)tuinbouw, viskweek en energiewinning (uit biomassa, zon, water en wind). Het Ruimtelijk Uitvoeringsplan voor dit gebied is momenteel in opmaak. Op die manier worden landbouw, natuur en recreatie op een evenwichtige wijze met elkaar verzoend binnen hetzelfde gebied.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 47


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Veel grindopbrengsten gaan rechtstreeks naar natuurontwikkeling. Dit gebeurt steeds in overleg met de lokale overheden en de vele gebruikers. Daarenboven zorgt grindontginning sinds de tweede wereldoorlog voor een beter beheer van de Maas. Grindmeren voorkomen waterellende en creëren natuurgebieden waarin de Maas vrijer kan stromen. Grindafgraving verlaagt ook het waterbed van de Maas. In extreme omstandigheden, wanneer er zo’n 3000 m³ water per seconde voorbij stroomt, komen de dijken daardoor minder onder druk te staan. Grind uit het Maasland wordt voor 80% door de Vlaamse industrie verwerkt. De rest wordt uitgevoerd naar onze buren, Nederland en Wallonië bijvoorbeeld. 12.000 Vlamingen werken in de grindontginning en aanverwante industrieën. Limburg zorgt met 80 bedrijven voor 25% van de betonproductie in ons land. Bruggen, wegen, havens en vliegvelden worden gebouwd met grind.

Grindcomité De grindwinning in Limburg wordt ‘beheerd’ door het Grindcomité dat ondersteund wordt door drie subcomités, met name het Herstructureringscomité dat instaat voor de herinrichting van grindgebieden ontgonnen onder het grinddecreet. Het Onderzoekscomité dat onderzoeksprogramma’s vaststelt voor de ontwikkeling van grindsubstituten en voor de ontwikkeling van projecten ter ondersteuning van de commercialisering en het gebruik van zulke substituten. Het Sociaal Comité dat belast is met de sociale begeleidingsmaatregelen bij de omschakeling van de grindwinningsgebieden (sociaal plan voor werknemers uit de grindsector die tengevolge van het grinddecreet hun werk verliezen).

In deze comités zijn vertegenwoordigd: grindgemeenten, landbouworganisaties, milieu- en natuurverenigingen, D.N.R., Vlaamse Landmaatschappij, Instituut voor natuur- en bosonderzoek, werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, AROHM, Toerisme Limburg, VDAB, Vlaamse Confederatie Bouw, VITO, OCW, IWT, WTCB. Deze samenstelling staat borg voor een grindwinning en herbestemming van de grindwinningsgebieden die kan rekenen op een breed draagvlak en een sterk evenwicht tussen de economische belangen en de natuur- en landbouwbelangen, tussen economische belangen en belangen van de regio en vooral deze van de betrokken gemeenten, tussen ‘uitputting’ van de bodem en duurzame toekomstgerichte nabestemming. Het onderzoekscomité werkt voor diverse projecten nauw samen met een aantal belangrijke partners die het wetenschappelijk en technisch onderzoek uitvoeren. In de eerste plaats is dit VITO (Vlaamse instelling voor Technologisch Onderzoek). In opdracht van het Onderzoekscomité voert deze instelling momenteel een onderzoek betreffende de gezondheidsimpact van grindvervangers. Ook in het verleden voerde VITO contractonderzoek uit naar de verschillende vormen van grindsubstitutie. Het onderzoek naar grindvervangende producten gebeurt ook bij bedrijven uit de bouwsector (veelal betoncentrales). Bedrijven zoals ECHO nv, Edelbeton nv, Marmorith nv, Ebema nv, … onderzochten reeds diverse grindvervangende toepassingen op haalbaarheid en duurzaamheid. Deze bedrijven werken hiervoor vaak samen met het Instituut voor Materiaalonderzoek (IMO) van de Universiteit Hasselt en met het WTCB (Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor de Bouwnijverheid). VITO, UHasselt (toen nog LUC) en WTCB voerden overigens samen met het OCW (Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw) een voorbereidende studie uit om te komen tot een globaal actieplan dat de objectieven en prioriteiten van het Onderzoekscomité bepaalt. Een belangrijke partner voor de sensibilisering omtrent grindsubstituten is ook het Centrum Duurzaam Bouwen waar een

permanente informatie- en promotiestand werd geïnstalleerd over dit thema. Via diverse eindwerken werd de grindwinning en –gebruik ook onderzocht in de Limburgse universiteit en hogescholen. Vooral de richting Bouwkunde aan de Xios-hogeschool leverde reeds een aantal eindwerken op met waardevolle informatie voor de grindsector en aanverwante sectoren. Het Sociaal comité werkt nauw samen met de VDAB dat een vacaturebank opende speciaal voor werknemers die door de herstructurering in de sector hun job verliezen. POM Limburg heeft in het kader van het grinddecreet de opdracht gekregen om grindwinningsgebieden te verwerven, deze in concessie te geven aan de grindbedrijven en nadien terug vrij te geven in functie van de herbestemming. POM Limburg verleent eveneens logistieke ondersteuning aan de werking van de comités en stelt hiervoor personeel ter beschikking. De kosten voor de werking van de comités, de herbestemming van de gebieden en de logistieke ondersteuning worden gefi nancierd vanuit het grindfonds. Dit fonds wordt gespijsd met middelen die de grindbedrijven dienen af te dragen aan de Vlaamse overheid.

Stortbeton en asfalt Eén van de afzetkanalen voor grind is “stortklaar beton” voor bouw en wegenbouw. Limburg telt twaalf betoncentrales met een productie van 700.000 m³. In Antwerpen zijn 13 centrales goed voor 1.300.000 m³ en Vlaams-Brabant telt 10 centrales die een jaarlijkse hoeveelheid produceren van 850.000 m³. In totaal leveren deze centrales voor stortklaar beton maar liefst 185 miljoen euro omzet en 400 jobs. Een tweede afzetkanaal is de productie van “asfalt voor de wegenbouw”. Limburg telt daarvan 4 centrales met een productie van 700.000 ton per jaar. In Antwerpen zijn 7 centrales gevestigd die 900.000 ton per jaar opleveren. Vlaams-Brabant beschikt over 1 centrale goed voor 60.000 ton per jaar. In totaal leveren deze asfaltcentrales zo’n 58 miljoen euro omzet en zijn ze goed voor 120 jobs.

Betonwarenindustrie De productie van betonwaren is sterk verbonden met de grindwinning. Er is een bijzonder hoge concentratie van bedrijven die betonwaren produceren in Limburg en directe omgeving. De besparing op de transportkosten voor het grind zijn daar uiteraard niet vreemd aan. Betonwaren worden gebruikt in de bouwsector, maar het zijn ook vaak producten die huis en tuin verfraaien. Betonklinkers zijn daarvan het beste voorbeeld. Limburg telt niet minder dan 23 bedrijven in de betonwarenindustrie met 258 miljoen euro omzet en maar liefst 1911 jobs! De provincie Antwerpen doet bijna even goed met 16 bedrijven, die samen een zakencijfer van 225 miljoen euro laten noteren en ook meer dan duizend arbeidsplaatsen bieden (1118). Vlaams-Brabant telt 8 bedrijven in de betonwarenindustrie die 30,5 miljoen euro omzet en 187 jobs vertegenwoordigen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 49


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Economisch belang van de zandwinning Kwartszand, ook glaszand genoemd, is de meest waardevolle delfstof van Vlaanderen. De ontginningsgebieden bevinden zich enerzijds in Mol-Lommel en anderzijds in Maasmechelen. In de glasindustrie wordt kwartszand als basisgrondstof gebruikt voor verschillende toepassingen. De ontdekking van het kwartszand (witzand) in Noord-Limburg gaat terug tot 1845 bij het graven van het Kempisch kanaal. In de buurt van Lommel, Mol en Dessel had dit zand een zeer hoog kwartsgehalte. In 1896 werd SCR-Sibelco opgericht en werd de eerste gemechaniseerde zandgroeve van Stevensvenne uitgerust met een stoommachine. Rond 1910 waren er in de streek vele lokale zandboeren actief. Het zand uit de zandgroeven werd met binnenschepen vervoerd naar productiebedrijven in de glas- en metaalnijverheid. In de loop der jaren werd er veel vooruitgang geboekt op het gebied van technologie en geografische uitbouw. Zo werd in 1955 een nieuwe fabriek opgericht voor het drogen en malen van kwartszand. Sinds 1961 heeft S.C.R. een eigen overslaginstallatie in de Antwerpse haven, die hierdoor de belangrijkste West-Europese uitvoerhaven van kwartszand werd. Wegens hoge transportkosten werd overal ter wereld gezocht naar nieuwe ontginningsgebieden. De Limburgse ervaring en knowhow die al meer dan 120 jaar opgebouwd worden, hebben aanleiding gegeven tot de oprichting van vestigingen over de hele wereld: USA, Canada, Mexico, Brazilië, Nederland, Frankrijk, Scandinavië, Spanje, Portugal, Zwitserland… In 1983 werd in Lommel een nieuwe veredelingsinstallatie gebouwd waardoor S.C.R.-Sibelco vooraanstaande kwaliteitsproducten kon afleveren. Dit bedrijf is vandaag de mondiale marktleider voor de winning en veredeling van diverse soorten zand en mineralen, vooral hoogwaardige kwartszanden voor de industrie. Sibelco België telt een 300-tal werknemers. Wereldwijd zijn er dat meer dan 10.000 in ongeveer 250 sites. In 2008 realiseerde de groep een omzet van 1,8 miljard euro. De hoofdzetel van het bedrijf ligt in Dessel.

Om voor industriële toepassingen gebruikt te kunnen worden, moet het zand aan zeer strenge eisen voldoen, zowel fysisch als chemisch. Het ideale zand voor industriële toepassingen zou voor 100% uit kwarts (SiO2) moeten bestaan. Minimaal verontreinigde zanden zijn zeer schaars. Vlaanderen en meer bepaald Limburg zijn hierin bevoorrecht. De zandsoorten in Lommel en de mioceenzanden aangetroffen in Maasmechelen, zijn van een uitzonderlijke kwaliteit en worden door verdere behandeling opgewaardeerd tot zeer hoge kwaliteitsproducten. De producten vervaardigd uit kwartszand zijn zeer divers. In de glasindustrie wordt kwartszand als basisgrondstof gebruikt voor verschillende toepassingen. Hierbij vormt kwartszand steeds 60 tot 65% van de glasmassa. Glas is een materiaal dat niet weg te denken is in ons dagelijks leven. Denk maar aan vensterglas, spiegelglas, flessen, bokalen, televisieschermen, brillen, glaswol, glasvezel… Kwartszand en cristobaliet worden ook als grondstof gebruikt in de specifieke keramische industrie van email en porselein. Het wordt o.a. gebruikt voor vuurvaste stenen, sanitair, vaatwerk en tegels. In de metallurgische sector wordt kwartszand onder meer gebruikt in hittebestendige materialen. Door zijn hardheid wordt kwartszand toegepast in schuurpoeders, slijpschijven, slijpstenen, zandpapier en voor het zandstralen. De chemische toepassingen zijn veel omvattend. Kwartsderivaten worden o.a. gebruikt voor meststoffen, farmaceutische bereidingen, als bindmiddel in verf en lijm, bij de productie van cosmetica, als bleekmiddel in de papierindustrie en als bestanddeel in detergenten en waspoeders. Talloze vulstoffen worden vervaardigd op basis van kwartszand zoals verf, polymeerbeton, siliconenkit, metselspecie, sierpleisters, tegellijm, roofi ng… Naast deze toepassingen staat de bouwsector bekend als grote afnemer van kwartszand voor sierstenen, cementtegels, cellenbeton, vloeren, gevel- en dakpannen, wegenasfalt, isolatiemateriaal… Tenslotte wordt kwartszand ook gebruikt in waterfi lters, op golfbanen en sportterreinen, bij putboringen, als remzand voor tram- en treinstellen, als strooizand voor volières en aquaria,… Op de Olympische Spelen van Athene (2004) werd kwartszand van Sibelco gebruikt voor het beachvolleybaltornooi en voor de ruitersport.

Men kan stellen dat zonder kwartszand ons comfort en onze leefwereld er heel anders zouden uitzien. De kwartszandindustrie is eveneens een belangrijke exporttak. Eind 2007 telde Limburg 14 vestigingen voor de winning van zand die samen goed zijn voor 126 tewerkstellingen. In Vlaanderen zijn er in totaal 23 vestigingen en 330 tewerkgestelden. België telt in totaal 33 zandwinningbedrijven die samen 388 mensen tewerkstellen. Maar ook het toerisme in Lommel is deels gebaseerd op de aanwezigheid van kwartszand en de glasnijverheid die daaruit ontsproot. Zo is de Lommelse Sahara een uniek natuurgebied waarvan het dorre landschap bedekt is met witzand. Eén van de toeristische uithangborden van Lommel is het Glazen Huis. Dit museum toont glaskunstwerken en wisselende tentoonstellingen hieromtrent. Er is ook een eigen glasatelier. Bouwkundig zeer merkwaardig is de grote glazen kegel met een hoogte van 30 m, die men aan de binnenkant kan bestijgen.

Leemwinning Leem vormt samen met klei de belangrijkste traditionele keramische grondstof. Leem vertoont een bijna oneindige verscheidenheid in samenstelling en eigenschappen, en is een relatief goedkoop uitgangsmateriaal aangezien het veelvuldig en ondiep voorkomt. Leem kan ingedeeld worden in: Roodbakkende leem: bovenste leemlaag waar er door verwering ontkalkte leem ontstaat. Geelbakkende leem: onderliggende leemlaag met een kalkgehalte groter dan 0%. De leem die in Zuid-Limburg voorkomt wordt toegepast voor de vervaardiging van handvorm- en strengpersgevelstenen. De ontgin ning van leem is relatief ruimteverslindend door de geringe diktes van de lagen. Leemwinning in Zuid-Limburg is nooit op grote schaal geëxploiteerd. Er zijn geen tewerkgestelden in deze sector.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 51


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Gaswinning, een economische troef voor Limburg? De oude steenkoolmijnen van Limburg herbergen naast steenkool nog een andere vorm van natuurlijke rijkdom, met name methaangas. Nu de steenkoolexploitatie is uitgedoofd voert men volop onderzoek naar de mogelijkheid om methaangas te winnen uit de steenkoollagen. LRM is de initiatiefnemer voor het onderzoek. VITO heeft reeds een studie afgeleverd over de aanwezigheid van methaangas in de Limburgse ondergrond. Methaangas bevindt zich onder de grond, in de koolsteen zelf vanaf ca. 400 m diepte tot over 1000 m diepte. Bij ontstaan van het kool in diepere lagen onder hoge druk en hoge temperatuur, is het grootste deel van dit gas in de koolsteen gekomen. Deze koollagen zijn dan, op een geologische tijdschaal, minder diep komen te liggen. Omdat de koollagen in Limburg het hoogst liggen was dit destijds al de reden voor de ophaling van steenkool en is dit nu een reden waarom de winning van methaangas in Limburg interessant is. Als eigenaar van de concessies van de vroegere mijnen bestelde LRM in 2007 een studie bij VITO die de aanwezigheid van methaangas in de Limburgse ondergrond in kaart moest brengen. VITO heeft die aanwezigheid onderzocht en uit dat onderzoek blijkt dat er op verschillende plaatsen voldoende gas aanwezig is op relatief gunstige diepten. In totaal zou er 31 miljard m³ methaangas in de ondergrond zitten, waarvan 7 miljoen m³ winbaar met een grotere kans op succes en bruikbaar, wat overeen zou komen met een equivalent van één jaar energievoorraad voor heel België, weliswaar indien rendabel exploiteerbaar, over een langere periode. Gebieden die in aanmerking kunnen komen voor gaswinning zijn grotendeels gelokaliseerd ten noorden van de vroegere mijnen.

in de koollaag dalen zodat het gas onttrokken wordt aan de koolsteen en naar de productieput migreert. Nadat eerst het water wordt weggepompt, begint de gasproductie. Het gas kan dan gecomprimeerd worden voor verder vervoer of verbrand voor energie opwekking. Om te weten of gaswinning uit de Limburgse mijnen een rendabele business is, moeten er eerst proefboringen worden uitgevoerd. Op die manier kan de permeabiliteit of doorlaatbaarheid van de steenkoollagen onderzocht worden. Als die permeabiliteit te laag is, laat het kool onvoldoende gas door om winstgevend te zijn. Voorlopig zijn er nog geen recente boringen geweest, maar dat is wel de volgende logische stap. LRM is deze proefboringen aan het voorbereiden op haar concessie gebied. Pas als uit die proefboringen blijkt dat er op een winstgevende manier gas kan gewonnen worden uit de Limburgse bodem, zal LRM de mogelijke exploitatie ervan onderzoeken. Het koollaagmethaangas is geschikt voor effectief gasgebruik, maar kan eveneens via een generator elektriciteit produceren. De praktijk begon 10 jaar geleden op beperkte schaal in Amerika waar het vandaag goed is voor 10% van de totale Amerikaanse gaswinning. Pilootprojecten, exploraties en opstart van productie zijn nu ook begonnen in o.a. China, India, Australië, Engeland, Frankrijk en Italië.

Om het gas te winnen moet er geboord worden tot aan de steenkoollaag. Dit gebeurt b.v. aan de hand van een put tot 1.000m diep. Onderaan worden in de wanden van de put openingen voorzien tot in de koollagen. Omwille van de dichte bebouwing zal men in Limburg wellicht horizontale boringen uitvoeren. Men maakt hierbij 1 verticale put in de grond en ondergronds zijn er horizontale vertakkingen die tot 1.000 m ver kunnen reiken. Om het gas te winnen, moet de druk

52 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 53


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Alcoholproductie in Limburg

Alcoholische dranken zoals wijnen, bieren, likeuren zijn ideale producten om lokale grondstoffen in te verwerken. Op gebied van tewerkstelling is de sector van de alcoholische dranken in Limburg relatief klein, maar toch is er in deze sector heel wat bedrijvigheid te vinden. In het verleden is de productie van alcohol - met zeker de jenerverstokerij in Hasselt als typevoorbeeld - een belangrijke kiem van economische activiteit geweest. Ook nu nog biedt de sector heel wat mogelijkheden voor innovaties en vormt ze de basis van interessante toeristische activiteiten. Naast de economische waarde van de sector is het ook een sector die de passie opwekt van liefhebbers die heel wat inspanningen leveren om eigen producten te ontwikkelen.

Enkele cijfergegevens Tewerkstelling in de sector Op basis van de officiële RSZ-statistieken werkten in Limburg op 31.12.2006 in heel de sector van voeding en dranken 5.987 personen. In de sector “Vervaardiging van dranken” telde Limburg op dat ogenblik 955 loontrekkende tewerkstellingen. Hiervan werken 685 personen in deelsectoren die met alcohol te maken hebben. In Vlaanderen zijn dit 4.375 personen (Limburgs aandeel is 15,7%) en in heel België zijn 6.009 mensen tewerkgesteld in de alcoholische drankensector (Limburgs aandeel is 11,4%). In vergelijking met 2004 is er een lichte achteruitgang in de drankensector van 968 naar 955 tewerkstellingen (-1,3%). In Vlaanderen (-4,2%) en België (-4,9%) was die achteruitgang veel sterker. Het aandeel van de Limburgse alcoholische drankensector in Vlaanderen en België is eerder beperkt. Limburg telt slechts 9 erkende producenten van alcohol (Vlaanderen: 77, België: 125). Vooral het beperkte aandeel van de vervaardiging van bier valt op: Limburg telt slechts 6 RSZ-vestigingseenheden, Vlaanderen 65, België 99. Opvallend is verder dat de enige producent van cider en andere vruchtenwijnen in Vlaanderen in de provincie Limburg gevestigd is, en dat de helft van de Vlaamse producenten van gedistilleerde alcoholische dranken (2 op 4) in Limburg liggen. Volgens de RSVZ-cijfers zijn op 31.12.2006 in Limburg 10 zelfstandigen actief in de volledige sector van de productie van dranken (dus inclusief mineraalwater en frisdranken). Dit cijfer kan niet uitgesplitst worden naar deelsectoren die al dan niet met alcohol te maken hebben. Op 31.12.2007 is het aantal zelfstandigen in de totale Limburgse drankensector gedaald tot 6. De drankensector zorgt echter ook voor een niet te onderschatten indirecte tewerkstelling: toeleveringsbedrijven, bierhandelaars, transportsector, kleinhandel, horeca,…. De totale indirecte tewerk stelling in de brouwerijsector bijvoorbeeld wordt in heel België geraamd op ca. 69.450 personen, daar waar de directe tewerkstelling in de hele drankensector op ruim 6.000 personen ligt.

Aantal bedrijven in Limburg Vanuit een inventaris van diverse bronnen (Bedrijvendatabank Agentschap Ondernemen, navraag bij overkoepelende verenigingen en gegevens van Toerisme Limburg en Provincie Limburg m.b.t. ambachtelijke bedrijven) komen we tot onderstaand overzicht. Dit overzicht is niet volledig, maar geeft wel een indicatie van de sector, ruimer dan enkel de bovenstaande RSZ-cijfers. Qua spreiding van de bedrijvigheid binnen de provincie merken we het volgende op: - Voor bier is er een relatieve spreiding over Noord-Limburg (3 producenten), Midden-Limburg (2 producenten) en Haspengouw (2 producenten; met evenwel Alken-Maes als grootste producent t.o.v. de andere 6 middelgrote of kleine brouwerijen in Limburg). - Voor wijn is er - rekening houdend met geschikte gronden en klimatologische eigenschappen - bij de 12 benoemde producenten een overwicht van Haspengouw-Voeren (9 wijnbouwers), maar ook een niet te verwaarlozen aanwezigheid in het Maasland (3). - Op het vlak van jenever en likeuren is er logischerwijze een zwaartepunt in en rond Hasselt (incl. Zonhoven/Houthalen-Helchteren) (5), maar zijn er ook activiteiten doorheen heel de provincie (4). Limburg 31.12.2006

Productiecijfers Op het vlak van productie- en omzetcijfers kunnen er geen globale gecoördineerde Limburgse cijfers naast elkaar gelegd worden voor het totaalpakket aan bier-wijn-jenever-likeuren. Bier In 1900 kenden België 3.223 brouwerijen. Vandaag zijn er nog 115 actieve brouwerijen in België. Vele kleine familiebrouwerijen zijn verdwenen of opgekocht door de grotere. De bierproductie bedroeg in 2007 meer dan 18,5 miljoen hectoliter. Opmerkelijk is dat meer dan de helft (ruim 10,6 hectoliter; oftewel 57%) van de bierproductie uitgevoerd werd. In vergelijking met 2000 is dit een verdubbeling. In vergelijking met 1980 is dit zelfs een vervijfvoudiging. De Unie van Belgische Brouwers wijst in de publicatie van de jaarcijfers 2007 evenwel op de zorgwekkende toekomst van de Belgische brouwerijsector, aangezien de bierconsumptie in België blijft dalen. België wordt in toenemende mate afhankelijk van de export om een zekere groei in de productie te behouden aangezien de interne markt verzwakt. De doelstelling van de Belgische Brouwers is de binnenlandse bierconsumptie te stabiliseren door een gevarieerd en kwalitatief hoogstaand aanbod binnen en buiten de landsgrenzen te blijven aanbieden. Wijn In de totale wijnbouwoppervlakte in België heeft Haspengouw in 2006 een aandeel van 25,4% (18,27 ha op 71,91 ha). In de productie bedraagt het aandeel van Haspengouwse wijn 31,3% (68.920 op 220.556 liter). Voor 2008 wordt een stijging geprojecteerd in alle Belgische gebieden voor wat betreft de oppervlakte (85,41 ha) en de productie (301.445 liter). Jenever/likeuren Voor de productie van jenever en likeur zijn geen gecoördineerde cijfers beschikbaar.

15.91 Vervaardiging Gedistilleerde alcoholische dranken

Vestigingen

M

Tewerkstelling V

T

2

20

5

25

15.92 Productie Ethylalcohol door gisting

0

0

0

0

15.93 Vervaardiging Wijnen

0

0

0

0

15.94 Vervaardiging Cider en andere vruchtenwijnen

1

124

35

159

15.95 Vervaardiging Andere niet-gedistilleerde gegiste dranken

0

0

0

0

15.96 Vervaardiging Bier

6

440

61

501

15.97 Vervaardiging Mout

0

0

0

0

15.98 Productie Mineraalwater en frisdranken

2

241

29

270

15.9 Totaal Productie van dranken

11

825

130

955

Totaal enkel alc dranken (15.91 t.e.m. 15.97)

9

584

101

685

Totaal sector voeding en dranken Totaal RSZ-tewerkstelling

410

3.691

2.296

5.987

20.060

146.043

116.116

262.159

Bron: RSZ, eigen verwerking

Aantal

Overzicht

Productie van bier

7

Kasteelbrouwerij De Dool / Ter Dolen (Houthalen-Helchteren); Brouwerij Alken-Maes (Alken); Brouwerij van Kerkom (Sint-Truiden); Brouwerij Martens (Bocholt); Brouwerij Sint-Jozef (Bree); St Benedictusabdij De Achelse Kluis (Hamont-Achel); Jessenhofke (Kuringen - Hasselt)

Productie van wijn

12+

Wijndomein Aldeneyck (Maaseik); Wijnkasteel Genoelselderen (Riemst); Pomoenologisch Onderzoekscentrum - Kelder I genne Pley (Voeren); Domein Cohlenberg (Borgloon); Wijngaard Karthuizerhof (Kortessem) - gestopt per 01.07.2008; Wijngaard ‘d Wijngaerd Velt (Sint-Truiden); Wijnhuis Hoogveld (Kinrooi); Wijnmakerij Huize Timmermans (Dilsen-Stokkem); Clos d’Opleeuw (Borgloon); Domein Schorpion (Kortessem); Domein Pirar (Borgloon); Wijndomein Pietershof (Voeren) En daarnaast nog tientallen amateur-wijnbouwers

Productie van jenever of likeur

9

Graanstokerij Wissels (Hasselt); Distillery Massy (Houthalen-Helchteren); Nationaal Jenevermuseum (Hasselt); Jenevers Fryns (Hasselt; productie momenteel in Gent); Konings-Smeets (Zonhoven); Sodiko (Diepenbeek); Tonio Idea (Bilzen); Ets Marc Schleck (Sint-Truiden); Distilleerderij Leukenheide (Hechtel-Eksel)

Andere alcoholische dranken

Meerdere producenten en handelaars van artisanale alcoholische dranken in Limburg: deels vanuit eigen productie, of op basis van aangekochte alcohol: o.m. Edel Williabamps (Sint-Truiden), Marie-Thérèse Delicatessen (Gingelom), Paardenmelkerij Ulenaers-Bloemen (Peer), Geitenboerderij Holhoornhoeve (Peer), Blueberry Fields bvba (Beringen), Blauwe Bessenkwekerij (Meeuwen-Gruitrode), Tievishoeve (Opglabbeek), …

Totaal

28+

Bron: VLAO, Toerisme Limburg, Provincie Limburg, Nationaal Jenevermuseum, eigen verwerking

54 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 55


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO

Evolutie van de drankconsumptie in België

Verbruikscijfers Hoewel bier in 2007 met een consumptie van 86 liter per inwoner op jaarbasis de meest geliefde alcoholische drank blijft, gaat haar positie er jaar na jaar op achteruit. In 1970 werd nog gemiddeld 132 liter bier per jaar per persoon gedronken. Het verbruik van wijn kent door de jaren heen een groei, en is de laatste jaren gestabiliseerd op ongeveer 25 liter wijn per inwoner per jaar. De sterke alcoholische dranken kennen een stagnatie op ca. 1,2 liter per Belg. Dit evenwicht wordt in de hand gewerkt door een dalend verbruik van o.m. graanjenevers, maar tegelijkertijd een stijging van fruitjenevers. Interessant is ook een overzicht van de uitgaven per huishouden aan dranken (in euro’s). Hieruit blijkt dat het meeste geld wordt uitgegeven aan wijnen en aperitieven, alcoholvrije dranken en bieren. De stijging van de uitgaven voor wijn wordt deels verklaard door zowel een toenemend verbruik, als door een verbruik van meer duurdere en ‘betere’ wijnen. Voor de uitgaven aan bier geven de stijgende cijfers de prijsstijgingen weer (stijgingen in grondstofprijzen, energie, milieu-investeringen en materiaal zoals glas), maar reflecteren ze ook hier een meeruitgave door de aankoop van andere bieren dan pils. Voor speciaalbieren is de consument bereid om meer te betalen voor specialere smaken.

Limburgse producten en specialiteiten

Water en limonade

Bier In hl

In liter per capita

1970

12.780.674

132

1980

12.945.253

131

1990

12.036.828

121

2000

10.064.401

2005

9.474.652

2006

9.369.937

2007

9.136.875

In hl

Wijn en schuimwijn

Alcohol (20-100% vol)

In liter per capita

In hl

In liter per capita

In hl

In liter per capita

7.496.691

77

1.256.934

13

127.610

1,3

11.522.498

117

2.027.957

21

233.831

2,4

18.362.442

185

1.837.000

18

119.674

1,2

99

24.010.183

234

2.153.211

21

123.467

1,2

91

26.840.000

257

2.550.852

24

128.652

1,2

89

26.805.000

255

2.623.400

25

128.407

1,2

86

26.390.000

249

2.624.917

25

128.578

1,2

Bron: FOD Economie, Unie van Belgische Brouwers, eigen verwerking

Overzicht van de uitgaven per huishouden aan dranken (in euro’s). Dranken

1978-1979

1987-1988

2000

2005

2006

Koffie

93,48

76,87

73,03

73,06

75,56

Thee, kruidendrank, cacao

6,20

9,15

11,73

13,96

14,40

Alcoholvrije dranken (incl. water/frisdrank)

97,08

172,93

267,01

335,51

330,57

Sterke drank

72,81

52,28

51,64

52,74

59,23

Wijn en aperitieven (max. 23 graden)

84,11

139,37

254,41

302,37

336,01

Bier

83,94

76,18

98,91

104,33

117,95

Totaal uitgaven aan dranken

427,62

526,77

756,72

881,97

933,74

Bron: FOD Economie

Limburgse producten Ondanks het feit dat het aantal producenten van alcoholische dranken in Limburg vrij beperkt is, bestaat er wel een gigantisch aanbod aan producten en smaken. Op het vlak van bieren voorzien de slechts 7 producenten Limburg van een volwaardig gamma aan bieren. Binnen de samenwerking van 4 Limburgse brouwers als Glimburger (zie verder bij samenwerkingsverbanden) alleen al is er een complementair aanbod van 23 verschillende bieren, waaronder een erkend abdijbier. Daarbij komen nog de trappisten van Achel, het biologisch bier van Jessen hofke en de bieren van Alken-Maes. Bij de wijnboeren worden in iedere wijngaard verschillende druivenrassen geteeld, die op hun beurt ook weer tot verschillende wijnvarieteiten leiden. Limburg kent de gecontroleerde oorsprongsbenaming (AOC) voor Haspengouwse wijn, maar daarnaast worden ook heel wat andere experimenten met fruitwijnen op de markt gebracht. Ook de Belgische mousserende kwaliteitswijn wordt in Haspengouw geproduceerd. Wat sterke dranken betreft is de naam van Limburg momenteel uiteraard verbonden aan de Hasseltse jenever. Daarnaast worden er echter ook nog heel wat andere specialiteiten geproduceerd: op basis van lokale vruchten - met zelfs een Zepperse Poire Williams en verschillende artisanale verwerkingsprocessen bestaat er een uitgebreid gamma aan jenevers, likeuren en brandewijnen. Naast het bestaande aanbod van de producenten, heeft quasi elke gemeente of een gemeentelijke trekpleister een eigen drank - meestal een jenever of likeur, soms een bier - op de markt met een eigen naam.

56 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Deze gemeentelijke producten worden in hoofdzaak ontwikkeld binnen Limburg (wat jenevers betreft door distilleerderij Leukenheide of Massy), maar zijn soms ook van buiten de provincie afkomstig. Een overzicht van deze gemeentelijkè producten kan onmogelijk volledig zijn, aangezien hier jaarlijks nieuwe variëteiten met hun eigen naam op de markt komen …. Het voordeel van het grote en verscheiden aanbod is dat de koepelproducten zoals jenever en bier hiermee zeker een goede promotie kunnen krijgen, aangezien het kennismakingsaanbod groot genoeg is voor ieders gading. Het nadeel is dat de consument geen overzicht meer kan bewaren over het juiste aanbod in de markt.

Kwaliteitslabels en erkenningen De voedingssector wordt de laatste jaren gekenmerkt door een toename van labels. Enkele labels die het vermelden waard zijn voor de Limburgse alcoholische dranken: - Streekproduct.be: Limburg kent momenteel 5 erkende alcoholische streekproducten: - Hasseltse graanjenever (Distillery Massy, HouthalenHelchteren); - Limburgse appelwijn met druiven (Wijnhuis Timmermans, Rotem Dilsen-Stokkem); - Limburgse Heidebitter (Distillery Massy, HouthalenHelchteren); - Zuid-Limburgse Schuimwijn (Domein Schorpion, Vliermaal-Kortessem); - Kempense Ale / Ops-Ale (Brouwerij Sint-Jozef, Opitter - Bree).

- Gecontroleerde oorsprongsbenaderingen voor wijn: erkenning van “Haspengouwse wijn” als kwaliteitswijn met gecontroleerde oorsprongsbenaming VQPRD. Bij Schorpion in Jesseren-Borgloon wordt erkende Belgische mousserende kwaliteitswijn geproduceerd. - Erkend Belgisch Abdijbier : de Kasteelbrouwerij De Dool mag als enige Limburgse brouwerij het label van Erkend Belgisch Abdijbier dragen, voor de Ter Dolen Blond, Donker en Tripel. - Authentic Trappist Product : het Limburgse Achel kent een trappistenklooster dat het erkende trappistenlabel draagt voor haar bier. - Distilleerderij Leukenheide heeft voor haar dennenappeljenever een apart FSC-label, van de Forest Stewardship Council, die streeft naar verantwoord bosbeheer wereldwijd. - Europese Verordening die voorziet in een wettelijke geografische bescherming voor de “jenever”-benamingen, voorbehouden aan producten die traditioneel worden vervaardigd in Nederland, België en Noord-Frankrijk. Specifiekere geografische aanduidingen, zoals Hasseltse Jenever, zijn expliciet in de Verordening opgenomen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 57


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Enkele marktgegevens Activiteiten en grondstoffen: lokale specialiteiten Zeker in de Limburgse wijnbouw is het duidelijk dat de grondstoffen ter plaatse geteeld worden: druiven als basis, maar zeker ook heel wat andere fruitsoorten - voornamelijk appelen - voor bijkomende verwerking. De volledige verwerking van de ingrediënten: persen, vinifiëren van de sappen, gisten, bottelen en verkopen van wijnen gebeurt op de wijndomeinen. Heel wat wijnen worden op natuurlijke en ambachtelijke wijze (zonder fi ltering of ontzuring) gemaakt, met een verfijning door een evenwichtige menging qua smaak, geur en zuurtegraad. Alle bieren worden in de basis volgens hetzelfde principe gebrouwen: met water, hop en mout. Hop en mout worden aangekocht in binnenof buitenland. Voor de aankoop van grondstoffen merken de kleine brouwerijen wel dat ze weinig onderhandelingsmarge hebben over de dagprijzen voor mout en hop in vergelijking met grote brouwerijen. Daarnaast worden waar mogelijk zeker lokale ingrediënten in de bieren verwerkt: de Bloesembink van de Brouwerij van Kerkom krijgt zijn specifieke smaak op basis van honing van Sint-Truiden en perensiroop van Vrolingen. De jenevers en likeuren zijn eveneens een ideaal product om lokale grondstoffen in te verwerken. Bij Distilleerderij Leukenheide worden de granen zelf gestookt en worden alle vruchten, groenten (tot en met witloof, tomaten, asperges, …) en kruiden vers - en sommigen dus seizoensgebonden - aangekocht om te verwerken in de distillaten. Ook de verwerkte honing is zoveel mogelijk afkomstig vanuit Hechtel-Eksel en Noord-Limburg. Een voordeel van deze eigen verwerking is dat er een gedegen in-huis controle van in het begin kan gebeuren, en dat er voor de aanlevering van de basisdistillaten geen afhankelijkheid is van andere bedrijven.

Vanuit de eigen grondstoffen ontstaan ook lokale specialiteiten: in Zepperen bij Sint-Truiden wordt de Edel Williabamps ontwikkeld, een Zepperse Poire Williams. De flessen worden aan de boom opgehangen, zodat de peer in de fles kan groeien. De alcohol wordt elders geproduceerd op basis van de eigen geteelde peren en wordt daarna terug ter plaatse gebotteld. Bij de blauwbessenplantage Schrijnwerkers in Meeuwen-Gruitrode vindt de teelt van de blauwe bessen plaats, en de verkoop van een alcoholisch eindproduct, maar gebeurt de alcoholische productie op andere locaties: het blauwe bessensap wordt gebruikt voor de aanmaak van een liquorette (productie in Nederlands-Limburg) en voor een wijn en een schuimwijn/secco (productie in Duitsland).

Distributie Distributie op lokaal/regionaal niveau Uit een eigen bevraging van de Limburgse producenten en van de Limburgse gemeenten in juli-augustus 2008 kwam een diversiteit aan lokale/regionale distributiekanalen naar voren: directe verkoop aan particulieren, eigen vervoer door producent, lokale drankenhandelaars en speciaalzaken, deelname aan beurzen, restaurants, gemeentelijke toeristische infokantoren, musea, internet, (streekproduct) markten, … Distributie is dikwijls een probleem voor kleine en middelgrote producenten, aangezien dit in eigen beheer dient te gebeuren. De Limburgse gemeenten geven aan dat de distributie van streekproducten een groot probleem is, waarbij een overkoepelende coordinatie van de provincie een belangrijke rol kan spelen. Heel wat producenten produceren momenteel in bijberoep en zijn niet altijd te bereiken. Bovendien worden er op verschillende locaties losstaande initiatieven genomen. Belangrijk is een geïntegreerde en gecoördineerde aan-

Toeristische valorisatie pak, waarbij producenten een degelijk distributiekanaal kennen, met een provinciale samenwerking tussen toerisme, landbouw, economie en cultuur. Vanuit het provinciaal beleid wordt dan ook ingezet op de uitbouw van een gecoördineerd distributiesysteem voor hoeve- en streekproducten. Ter ondersteuning van de promotie van regionale producten moet er ook voor gezorgd worden dat cafés, restaurants en kleinhandelszaken er gedurende heel het jaar over kunnen beschikken. Voor het restaurantwezen en winkeliers is het ook interessant om meerdere producten uit het Limburgse aanbod in groep te kunnen aankopen, om zo efficiënt mogelijk de producten te kunnen bestellen en te gebruiken.

Export Zware commerciële inspanningen van de grote brouwerijen op het vlak van export trekken de kleine en middelgrote brouwerijen mee omhoog, zodat ook de export van speciaalbieren stijgt. De hele wereld wil steeds meer genieten van het Belgisch bier. De grootste afnemers van Belgisch bier zijn Frankrijk, Nederland, Duitsland, de VS en het Verenigd Koninkrijk. Concurrentieel staat België zeer sterk in vergelijking met de brouwerijen in de buurlanden. Zowel de brouwerijen van Martens en SintJozef kennen een belangrijke export. Bij Martens bedraagt de export ruim 85% van de productie; Martens is prominent aanwezig in Duitsland en Centraal- en Oost-Europa, maar ook in China en Taiwan, met een specialisme in bier in plastic flessen. De brouwerij van Sint-Jozef exporteert ca. 20% van haar productie naar o.m. Madeira, Canada, Cambodja en Japan. Zelf investeren in het buitenland is echter onbegonnen werk voor de kleinere producenten.

58 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Culinair toerisme vormt een niche binnen het ganse toeristische gebeuren. Gegroeid vanuit de wijnindustrie kent de hele sector van alcoholproductie toeristische troeven, geassocieerd met begrippen als relaxatie, gezelligheid en gastronomisch eten. Toeristische promotie-inspanningen kunnen moeilijk zijn voor kleine en middelgrote producenten, maar uiten zich onder meer op volgende manieren: rondleidingen en degustaties, eigen evenementen (vb. Binkfeesten in Kerkom, Ter Dolen Fietshappening, wijnfeesten in en rond wijnhuizen, …), deelname aan beurzen (vb. Weekend van de Belgische Bieren, Jeneverfeesten, Week van de Smaak, Dagen van de Limburgse hoeve- en streekproducten, Dag van het eetbare landschap, …), …. Ook wandelingen en fietstochten zijn populair. Hier kunnen ook arrangementen aan gekoppeld worden: het Wijnkasteel van Genoels-Elderen biedt bijvoorbeeld via een traiteur de mogelijkheid aan om een maaltijd te nuttigen. Andere wijnbouwers, zoals het Domein Pietershof, bieden een eigen overnachtingsmogelijkheid of werken samen met hotels in de omgeving. Een interessante lokale toeristische toepassing gebeurt bij Beer, Bed & Breakfast Jessenhofke in Kuringen-Hasselt. De hoofdactiviteit van Jessenhofke is het verkopen van het eigen biologisch kruidenbier (het enige bier ter wereld waar knoflook een ingrediënt is). Geproduceerde bieren in de kleine demobrouwerij (120 liter) zijn op hun beurt niet voor de verkoop bestemd, maar mogen geschonken worden als welkomstdrink in de Bed & Breakfast. Er worden ook bierarrangementen aangeboden. Uit een eigen bevraging van de 44 Limburgse gemeenten in juli-augustus 2008 blijkt dat op gemeentelijk niveau promotie gevoerd en

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 59


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO ondersteuning geboden wordt voor de lokale/regionale alcoholische dranken (en naar uitbreiding uiteraard ook voor alle streekproducten). Een aantal lokale besturen neemt ook specifieke initiatieven zoals de ontwikkeling van een eigen drank, de coördinatie van een geleid museumbezoek (Brouwerijmuseum Bocholt, Nationaal Jenevermuseum Hasselt), ontwikkeling van ‘actieve’ promotie-instrumenten (vb. De Chokier-wandelroute in Gingelom, ter promotie van het lokale bier), geïntegreerd project voor de promotie van streekproducten in DilsenStokkem, wedstrijd voor de ontwikkeling van een streekproduct (vb. Lummen), installatie streekproductenwinkel (wordt momenteel vb. onderzocht in Borgloon), … Op provinciaal niveau zijn de Dag van het Eetbare Landschap (Bokrijk) en de Dagen van de Limburgse Hoeve- en Streekproducten belangrijke inspanningen ter promotie en ondersteuning van het regionale aanbod. De Provincie Limburg werkt in samenwerking met Toerisme Limburg ook mee aan de uitgave van kook- en gastronomische boeken over de Limburgse specialiteiten. Toerisme Limburg en Toerisme Vlaanderen werken in het project ‘Tafelen in Vlaanderen’ - Vlaanderen Lekker Land’ aan een overkoepelende noemer waaronder concrete projecten en evenementen worden gelanceerd die symbool staan voor ‘genieten op z’n Vlaams’ en ‘het goede leven’. Vanuit dit Vlaams project is er ook een provinciaal coordinatrice verbonden aan Toerisme Limburg. In dit kader lanceerde Toerisme Limburg ook de Bier- en Kaasroute in de Limburgse Kempen, met een fiets- en proefroute langsheen de brouwerijen van Achel, Ter Dolen, Martens en Sint-Jozef. Heel belangrijk is ook televisie- en persaandacht: in het kader van lifestyle en toerisme, zoals in weekendbijlagen van kranten of in algemene tijdschriften, maar zeker ook in programma’s als Vlaanderen Vakantieland en lifestyleprogramma’s op lokale zenders. Televisieseries als Katarakt en De Smaak van de Keyser (met specifieke aandacht voor de jenevergeschiedenis van de provincie) dragen in belangrijke mate bij tot een groeiende toeristische aandacht.

Enkele sectorgegevens Samenwerkingsverbanden Zowel voor de producenten als voor de consumenten bestaan er een aantal overkoepelende verenigingen/organisaties. Enkele opmerkelijke zijn: - Glimburger : Samenwerkingsverband tussen de Limburgse brouwerijen Martens, De Dool, Sint-Jozef en Kerkom om streekeigen, Limburgse bieren te promoten. Samen bieden ze 23 complementaire kwaliteitsbieren aan. Qua samenwerking ligt de nadruk op promotie en gezamenlijke ondersteuning qua technische-administratieve elementen. De verregaande samenwerking tussen deze 4 brouwerijen in Limburg is een uniek gegeven in het Belgische landschap. De trappistenbrouwerij van Achel is geen lid van Glimburger.

60 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

- Confrérie van de Hasseltse Jenever: De Confrérie beschermt en promoot Hasseltse Jenever sinds 1974, stond mee in voor de erkenning van de Hasseltse Jenever als streekproduct, gaf de aanzet voor de oprichting van het ‘Nationaal Jenevermuseum’, en stond aan de wieg van de Jeneverfeesten in Hasselt. - Lekker Limburgs: coöperatieve vennootschap Limburgse Specialiteiten en Delicatessen met als doel de gezamenlijke promotie van in Limburg geproduceerde voedingswaren en de uitbating van een centraal verkooppunt. - De Haspengouwse Wijnbouwers: Groepering van Haspengouwse wijnbouwers, zowel amateurs als professionelen. Doel is onderling ervaringen over druiventeelt, oenologie en degustatietechnieken uit te wisselen. Ook worden actieve contacten onderhouden met andere binnen- en buitenlandse wijnbouwers, om de kwaliteit van de wijnbouw in Haspengouw naar een steeds hoger niveau te tillen. - Stichting ‘Confrérie des Chevaliers du Vin Limbourgeois’: De stichting heeft tot doel het promoten, keuren, classificeren en waarderen van wijnen uit de beide provincies Limburg. - Zythos: Confederatie van 30 consumentenverenigingen die met bier begaan zijn, met als doel het bewaren en bevorderen van de Belgische biercultuur. Zythos telt 2 verenigingen in Limburg: De Limburgse Biervrienden (Hasselt) en De Breese Beerprevers (Bree). - Academie voor Streekgebonden Gastronomie: De Academie werkt multidisciplinair en wetenschappelijk aan het bewaren en promoten van ons culinair erfgoed.

Onderzoek en ontwikkeling Het is vooral in de bedrijven zelf dat er onderzoek gevoerd wordt. Binnen grote bedrijven bestaat er dankzij consolidatie en kapitaal de mogelijkheid om op grote(re) schaal onderzoeksprojecten te fi nancieren, met eigen labo’s en meetapparatuur. In middelgrote en kleine bedrijven wordt aan onderzoek en ontwikkeling gewerkt op een kleinere schaal. Analyses van KMO-brouwerijen kunnen gebeuren in onafhankelijke labo’s, of in labo’s van onderwijsinstellingen. Voor nieuwe technologie en kennis wordt bovendien publiek onderzoek van de European Brewery Convention (EBC) ter beschikking gesteld, of kunnen de brouwerijen deelnemen aan studiedagen van de brouwerijafdelingen. Binnen Limburg merken we een samenwerking op tussen verschillende brouwerijen in de ontwikkeling en commercialisering van nieuwe producten. Al in 1935 werkten de brouwerijen Martens en Sint-Jozef samen voor het pilsbier Duobock. In 1993 commercialiseerden zij samen de Limburgse Witte. De brouwerijen Sint-Jozef en Ter Dolen ontwikkelden gezamenlijk de Ter Dolen Kriek, op basis van de Limburgse Witte. De trappistenbrouwerij van Achel werkt samen met Westmalle voor onderzoek en ontwikkeling. Kleinschaligheid betekent echter niet dat er geen grootse dingen mogelijk zijn: de distilleerderij Leukenheide beschikt weliswaar over een klein labo, maar er werden al ruim 1.200 recepten ontwikkeld (en gekeurd) voor jenevers, likeuren en advocaten. In Ter Dolen gebeuren af en toe kleine innovaties: in 2008 werd bijvoorbeeld het hoogblond bier Leoniden 8 gebrouwen. Bij Jessenhofke wordt ongeveer 4 maal

per jaar een proefbrouwsel gemaakt in de demobrouwerij. Momenteel staan 2 van deze recepten op het punt om op de markt gelanceerd te worden. Kleine en middelgrote producenten halen uit directe contacten met klanten ook inspiratie voor de ontwikkeling van nieuwe producten. Het Bosbier van Sint-Jozef - een fruitbier op basis van bosbessen - werd op bestelling van een horecazaak ontwikkeld, maar kreeg achteraf een vaste plaats in het gamma van de brouwerij voor alle consumenten. Binnen de wijnsector wordt er continu geëxperimenteerd met andere rassen en druivensoorten aangepast aan de evolutie van ons klimaat. Het oenologisch onderzoekscentrum verbonden aan de Kelders I Genne Pley in Voeren voert onderzoek naar de mogelijkheden van alle mogelijke appelrassen, bodems, cultuurtechnische aspecten inzake wijnbereiding, zowel in de plantages als in de persing, rijping en afwerking.

Kennis en opleiding België Op secundair niveau is er een samenwerking tussen het hotel- en voedingsonderwijs en de brouwerijsector, met het oog op praktijkgerichte productkennis ‘bier’. Er bestaan geen specifieke brouwersopleidingen. In het hoger onderwijs hebben een viertal instellingen nog een brouwerijafdeling: in Gent (2), Brussel en Leuven. Een aantal centra voor volwassenenonderwijs kennen sinds september 2008 een éénjarige opleiding bierkenner. Bedoeling is om een algemene bierkennis (brouwproces) te verwerven, een inzicht te krijgen in het professioneel degusteren van biertypes, en het leren opstellen van een bierkaart voor een gastronomisch menu.

Limburg Op hogeschoolniveau is er in de masteropleiding agro- en biotechnologie aan de PHL een afstudeerrichting biotechnologie, met een specialisatie Voedingsmiddelentechnologie. Deze opleiding biedt mogelijkheden om in het brouwerijwezen terecht te komen. Syntra-Limburg startte in Hasselt vanaf november 2008 samen met het Hoger Instituut voor Bier en Gastronomie met een tweejarige cursus “Zytholoog”, sommelier in bier. Deze opleiding komt er als hervatting op een oude cursus van de hotelschool in Herk-de-Stad. De opleiding voorziet een volledige basiskennis over bier, met aandacht voor de combinatie bier-gastronomie. De Gilde Demerdal-Vliermaalroot vzw is een vereniging met als doelstelling het aanleren van ambachtelijk fruitwijn en druivenwijn maken, het ambachtelijk bierbrouwen en de samenstellen van likeuren. De Gilde Demerdel telt momenteel 100 leden waarvan 20 wijnmakers en 80 bierbrouwers. De vzw organiseert jaarlijks cursussen wijn- en bierbrouwen.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 61


L E S S F E L W EE S GSRG F R U E U E B B H CH W C S LLEIICMM I S I M O ON NOM ECO Trends en evoluties Smaakevolutie: verzoeting en meer geprononceerde smaken Zowel in de jenever- als in de bierensector is een verzoeting van de smaak merkbaar. Dankzij deze verzoeting konden de producenten een grotere markt aanboren, met een ruimer kennismakingsgamma van het product ‘bier’ of ‘jenever’ aan de consumenten. De laatste 5 jaar zijn echter ook bijkomende trends merkbaar naar meer bittere, zure en authentieke smaken. Tegen smaakvervlakking bij grote brouwerijen is er een reactie op gang gekomen met speciale bieren. In plaats van een neutrale pils kiest men voor een iets sterker blond bier dat net meer smaak en karakter heeft.

Authenticiteit en kwaliteit Consumenten zijn op zoek naar het authentieke, het echte, het pure (onderzoek Guidea naar de trends in voeding en dranken in horeca in 2007). Dit blijkt uit een stijgende vraag naar speciale bieren en naar lokale, authentieke producten zoals streekwijnen, streekbieren en eigen jenevers. Bieren baden al heel sterk in een zweem van authenticiteit. Brouwerijen vermelden dikwijls het jaartal van oprichting (vb. Cristal Alken 1928) of geven in hun communicatie aan dat het recept al vele decennia onveranderd is. Bij wijnen wordt dan meer de focus gelegd op de herkomst.

Vernieuwing en innovatie - eigenheid en identiteit Consumenten gaan op zoek naar dranken die specialer zijn. Dit uit zich in een toenemend succes van wereldwijnen en Europese nietFranse wijnen, maar ook van speciale bieren met nieuwe en andere - meer gedurfde - smakenpaletten. Brouwers en producenten van dranken moeten vooral de eigenheid van hun merk accentueren en zichzelf profi leren. Dit uit zich o.a. in het feit dat alcoholische dranken meer als een ‘beleving’ worden aangeboden: er wordt geïnvesteerd in nieuwe, aantrekkelijke flessen, glazen en etiketten. Het spreekt voor zich dat grote bedrijven meer middelen in marktonderzoek en labo’s kunnen voorzien.

Kleinschaligheid Kleinere merken kunnen een horeca-uitbater een zekere exclusiviteit geven voor een bepaalde regio. Bij de ontwikkeling van speciale dranken zoals bieren met nagisting kunnen kleine brouwerijen een voorsprong hebben: zware bieren met nagisting zijn een echte specialiteit en kunnen slechts in beperkte volumes worden gebrouwen. De SintGummarus van Sint-Jozef gist ca. 2 maanden; voor een Leffe van hoge gisting worden slechts 2 weken voorzien. Kleine brouwerijen werken meer ambachtelijk, voor elk brouwsel apart.

62 - ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009

Schaalvergroting versus lokale bedrijvigheid Door de globalisering en een toegenomen schaalvergroting, merken we op wereldniveau dat kosten van marketing en automatisering om minder producten en minder werknemers vragen. De economische top kan echter enkel bestaan met een degelijke basis van kleine en middelgrote ondernemingen. In kleine ondernemingen kunnen nog specialisaties ontwikkeld worden, waarbij het personeel een specifieke know-how en expertise kan ontwikkelen. Deze lokale ontwikkelde expertise kan een toegevoegde waarde bieden aan grote concerns (via doorgroei personeel of doorstroming van kennis).

Toenemende kosten Ook de alcoholische producten worden geconfronteerd met prijsstijgingen, als gevolg van duurder wordende grondstoffen zoals granen/mout, hop, energie en flessen, maar ook door kosten op het vlak van accijnzen, BTW, verpakkingsheffi ngen/ecotaks, kosten voor waterzuivering en afvalwaterverwerking, mechanisatie, …. De prijsstijgingen zijn bovendien niet tijdelijk en gering, maar van grote en blijvende aard. Niettemin zetten de drankenproducenten zich voortdurend in om een product van hoogstaande kwaliteit te leveren aan de consumenten. Dit wordt bijvoorbeeld weerspiegeld in het feit dat in 2007 de Belgische brouwers op de eerste plaats in de voedingssector stonden qua investeringen, met meer dan 167 miljoen euro. Dit komt overeen met 14% van de totale investeringen in de voedingssector. Er wordt vooral geïnvesteerd in de modernisering van de installaties en productieuitrustingen, in de kwaliteitsverbetering van de producten en in de zorg voor het milieu.

Tot slot De sector van alcoholische dranken in Limburg is op zich een relatief kleine sector op het vlak van tewerkstelling. Bovendien wordt de sector geconfronteerd met een algemeen dalend alcoholverbruik, wat het niet altijd makkelijk maakt om als producent te overleven. Daartegenover staat dat er heel wat bedrijvigheid binnen deze sector te vinden is, met veel creativiteit in het uitdenken van lokale en regionale specialiteiten, met gebruik van lokale en regionale producten als grondstof. Binnen de sectoren wordt sterk de link gelegd tussen nostalgie en traditie aan de ene kant en vernieuwing en innovatie aan de andere kant. In de drankensector bestaan dan ook nog heel wat opportuniteiten voor verdere productontwikkeling en -versteviging, zowel in de lokale, regionale als internationale markten. Voorwaarde hiervoor is dan wel een degelijke ondersteuning vanuit overheden en overkoepelende organisaties op het vlak van administratie, regelgeving en controles m.b.t. fiscaliteit, hygiëne en milieu, maar ook op het vlak van (toeristische) promotie en distributie.

ECONOMISCH RAPPORT POM-ERSV LIMBURG - MEI-JUNI 2009 - 63


.m. s . i e d r e rea lise n EFRO g r u b m POM Li ncie Limburg e tiefilm de prov iomische promo nd’. de econ g, a perfect bra : ‘Limbur rijgbaa r at is verk 0 ra ag g r op aa nv f tel. 011 300 10 is lm fi o e .b Dez e g r m limbu info @po

EEN UITGAVE VAN POM-ERSV LIMBURG


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.