3 minute read

Column Vief

Angela is moeder van twee studerende kinderen (21 en 23), partner van Wilko en eindredacteur annex coördinator bij Springlevend024. Als columnist schrijft ze hier over haar belevenissen als vijftigplusser. Ze voelt zich helemaal niet oud, juist Springlevend of Vief, om maar een lekker ouderwets woord te gebruiken. Bovendien: ‘The best is yet to come’. Toch?

Alles gaat hangen, behalve je tandvlees… Was het Brigitte Kaandorp die deze uitdrukking over de wat ouder wordende vrouw bedacht? Geen idee, ze zorgde er in ieder geval voor dat ie mij ter ore kwam. Al weer wat jaartjes geleden overigens.

Advertisement

Lachen! Nou, als een boer met kiespijn dus. Want helaas kan ik het inderdaad uit eigen ervaring bevestigen. Al valt dat ‘hangen’ eigenlijk nog best mee, het is vooral het omhoog kruipende tandvlees dat irriteert.

Met mijn tanden is helemaal niks mis. Een paardengebit heb ik. Oersterk, nooit gaatjes. Maar dat gedonder met mijn tandvlees dateert al van ver voor mijn dertigste. Toen begon het gekrab en gekras aan de randen van mijn tandvlees door de tandarts. Eerlijk gezegd twijfel ik er serieus aan of dat destijds het gevolg was van een of andere nieuwe cursus die hij net had gevolgd, of dat er daadwerkelijk wat aan de hand was in mijn mond. Sterker, ik vermoed dat de actie van de tandarts misschien wel juist mijn probleem heeft veroorzaakt of minstens heeft versterkt. Onvoorstelbaar? Nou, ik hoop het, maar ik twijfel. Niet veel later is de betreffende man veroordeeld voor verzekeringsfraude. Hij zou zelf zijn eigen vingers met behulp van een klapraampje, ernstig hebben bezeerd om een flinke arbeidsongeschikheidsvergoeding te cashen... Afijn, dat terzijde.

Het beroep mondhygiënist bestond in die tijd nog niet eens. Die figuren zag ik pas later voor het eerst, in een praktijk aan de Sint Annastraat waar ik me na een verhuizing had aangemeld. Deze tandarts kon of wilde al dat geschraap niet meer zelf bolwerken en nam er personeel voor in dienst. Inmiddels heb ik her en der al meer dan een paar dozijn mondhygiënisten m/v voorbij zien komen. De een was vlot, de ander traag. Gemiddeld ga ik vier keer per jaar. De ene keer krijg ik de complimenten: ‘goed gedaan, ziet er keurig uit’, terwijl ik in werkelijkheid amper ragertjes en tandenstokers heb verbruikt. De andere keer krijg ik op mijn kop, terwijl ik dan juist weer wel zeer therapietrouw ben geweest. Ik kan er geen peil op trekken. Wat ik ook doe, stoppen deed het in ieder geval niet. Sterker, ik verloor meerdere kiezen aan wat inmiddels geen terugtrekkend tandvlees meer werd genoemd, maar officieel parodontitis was gaan heten.

Als midden vijftiger sta ik hierin niet alleen. Het lijkt wel dé aandoening van deze generatie. Ook weer niet zo gek, want eerder viel er tegen die tijd niet veel meer te krabben. Veel mensen, waaronder mijn ouders, waren vroeger ruim voor hun zestigste, vaak al hun tanden al kwijt. Bij mijn moeder werd op haar zeventiende (!) alles getrokken. Ingeruild voor een kunstgebit. Ook iets waarvoor de tandarts in die tijd wellicht net een cursus had gehad?

Met een beetje geluk ga ik dat, misschien toch met dank aan de mondhygiënist, nooit meemaken. Want als het in dit tempo doorgaat, haal ik de negentig wel met mijn eigen gebit. Ik hoop alleen dat dit ook voor (de generatie van) mijn kinderen geldt. Inmiddels zit de tandarts immers al lang niet meer in de basiszorgverzekering en zie ik steeds meer jongeren de halfjaarlijkse controle uit kostenbesparing overslaan. Tricky! Als dat maar niet weer tot veel mensen met kunstgebitten voor hun zestigste gaat leiden. Een voordeel, parodontitis krijgen ze dan niet.

This article is from: