6 minute read

Onrechtmatige daad ondernemer door weigering kosten ondernemingsraad te voldoen

Een door de ondernemingsraad ingeschakelde advocaat spreekt de ondernemer rechtstreeks aan tot betaling van haar kosten. Omdat de onderneming en de ondernemingsraad inmiddels zijn opgeheven, resteert als grondslag voor voldoening van de factuur van de advocaat een onrechtmatige daad van de ondernemer. Het Gerechtshof oordeelt dat de ondernemer inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de advocaat door haar factuur niet te voldoen. De ondernemer wordt vervolgens veroordeeld tot betaling van de factuur van de advocaat en alle proceskosten.

Artikelen 22 en 36 Wet op de ondernemingsraden (WOR) Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) Gerechtshof Amsterdam, 5 april 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:1037

Feiten

Een advocaat, die was ingeschakeld door de ondernemingsraad, krijgt haar factuur niet betaald. Zij heeft daarom de ondernemer rechtstreeks aangesproken om de factuur te voldoen. Het Gerechtshof heeft in een tussenarrest van 28 september 2021 geoordeeld dat dit alleen succesvol kan als de ondernemer gehouden is deze kosten te dragen. De ondernemer in kwestie is niet op basis van een vermeende mondelinge toezegging gehouden de factuur te voldoen. Het gaat hier om de vraag of op grond van artikel 22 lid 2 van de WOR kosten vergoed dienen te worden. Dit kan volgens het Hof alleen aan de orde worden gesteld in een procedure ex artikel 36 lid 2 van de WOR tussen de ondernemingsraad en de onderneming, en die is niet gevoerd.

Er is ook niet gesteld noch gebleken dat de ondernemingsraad haar rechten ter zake aan de advocaat heeft gecedeerd (cederen van een vordering is het overdragen van een vordering van de ene op de andere partij). De ondernemer heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat de onderneming (in liquidatie) inmiddels is uitgeschreven uit het Handelsregister en dat de ondernemingsraad is opgeheven. Het betekent dat als grondslag om de factuur te voldoen een onrechtmatige daad van de onderneming zou kunnen gelden.

De onderneming stelt zich op het standpunt dat de factuur van de advocaat in feite oninbaar is, terwijl de kosten van de advocaat wel redelijkerwijs noodzakelijk zijn geweest voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad. Het Hof heeft uitgesproken dat de partijen zich bij akte mogen uitlaten over de grondslag onrechtmatige daad. Dit is nu in deze rechtszaak aan de orde.

Oordeel Gerechtshof

Het Hof oordeelt dat de ondernemer onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de advocaat door haar factuur niet te voldoen. Zo heeft de ondernemer zich richting de ondernemingsraad met betrekking tot de betaling van de factuur van de advocaat op het (door het Hof bij zijn tussenarrest als onjuist beoordeelde) standpunt gesteld dat sprake was van een jaarlijks budget in de zin van artikel 22 lid 4 van de WOR. Nu het gaat om de vraag of op grond van artikel 22 lid 2 van de WOR kosten vergoed dienen te worden, had de ondernemingsraad ex artikel 36 lid 2 van de WOR een procedure tegen de ondernemer aanhangig moeten maken. Dat heeft de ondernemingsraad echter niet gedaan. Dit kan de advocaat echter niet worden tegengeworpen. De stelling van de ondernemer dat de ondernemingsraad destijds alle tijd en gelegenheid had om een procedure ex artikel 36 lid 2 van de WOR te starten is niet juist. Er zat tijdsdruk op de advisering door de ondernemingsraad en een procedure zou de voorgenomen overname hebben vertraagd.

De werkgever heeft de (onervaren en niet juridisch onderlegde) ondernemingsraad ook niet gewezen op de mogelijkheid van een dergelijke procedure. De ondernemer kan de advocaat niet tegenwerpen dat zij de ondernemingsraad had moeten adviseren een procedure ex artikel 36 lid 2 WOR te voeren of ervoor moeten zorgen dat de ondernemingsraad zijn rechten ter zake aan de advocaat had gecedeerd.

Omdat de ondernemer en de ondernemingsraad inmiddels zijn opgeheven, resteert als grondslag voor voldoening van de factuur van de advocaat een onrechtmatige daad van de ondernemer. De factuur van de advocaat is door de opheffing van de ondernemer en de ondernemingsraad oninbaar geworden, terwijl haar kosten wel redelijkerwijs noodzakelijk zijn geweest voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad.

Het ging hier om de overname van Zonvaart Reizen door D-Reizen en de ondernemer heeft er bij de ondernemingsraad op aangedrongen zich door een deskundige te laten bijstaan, omdat het een ‘ingewikkelde materie’ betrof, zelfs voor deskundigen op dit gebied. Bovendien werden de arbeidsvoorwaarden niet een-op-een door D-Reizen overgenomen, wat van de ondernemingsraad een kritische blik vroeg en naar aanleiding waarvan de ondernemingsraad extra informatie heeft opgevraagd. De ondernemer was ten tijde van de voorgenomen overname financieel draagkrachtig.

De ondernemingsraad is in een vrij laat stadium om advies gevraagd en er ontbraken stukken, zodat er voldoende reden was voor de ondernemingsraad zich grondig te laten

adviseren. Daarbij komt dat er sprake was van een jonge en onervaren ondernemingsraad.

Het Hof acht de factuur van de advocaat van 5.746,53 euro inclusief btw (waarop een matiging van 1.950 euro is toegepast) niet onredelijk. De ondernemer heeft voor de kantonrechter aangeboden een bedrag van 1.512,50 euro inclusief btw aan advieskosten te voldoen. De kantonrechter heeft dit bedrag toegewezen. In hoger beroep heeft de advocaat een bedrag van 4.234,03 euro inclusief btw gevorderd. Het Gerechtshof vernietigt het bestreden vonnis en veroordeelt de ondernemer om aan de advocaat deze 4.234,03 euro te betalen.

Aantekening

De ondernemer is een maatschappij tot exploitatie van reisbureaus Kennemerland B.V. KLH is een holding met twee dochtervennootschappen: Kennemerland en Anko Tours B.V. Kennemerland heeft diverse nevenvestigingen en heeft onder andere als handelsnaam Zonvaart Reizen. X is bestuurder en enig aandeelhouder van KLH en bestuurder van Kennemerland en Anko. KLH is enig aandeelhouder van Kennemerland.

Op 26 juni 2019 stuurde Y de gevolmachtigde van Kennemerland, directeur HRM en echtgenote van X, een email aan de voorzitter van de ondernemingsraad waarin zij de ondernemingsraad verzocht op korte termijn met de directie bij elkaar te komen. Op 2 en 9 juli 2019 vonden besprekingen plaats tussen de ondernemingsraad en de directie, waarbij de ondernemingsraad in kennis werd gesteld van een voorgenomen overname van Zonvaart Reisgroep door D-reizen. Na de bespreking van 9 juli 2019 verzocht de ondernemingsraad aan de directie de adviesvraag te formaliseren. Op 10 juli 2019 vroeg Y de ondernemingsraad om schriftelijk advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot overname van Zonvaart Reisgroep.

Hiertoe heeft de ondernemingsraad een advocaat benaderd voor het geven van juridisch advies. De advocaat heeft op 15 juli 2019 Zonvaart Reizen een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarin bracht zij Zonvaart Reizen op de hoogte van haar uurtarief en de daarover verschuldigde kantoorkosten en btw. Ook laat zij daarin Zonvaart Reizen weten dat de kosten op grond van artikel 22 van de WOR voor rekening komen van de onderneming.

De ondernemingsraad heeft per e-mail van 18 juli 2019 Y laten weten dat hij de advocaat heeft ingeschakeld als deskundige. Y liet weten dat het budget voor juridisch advies maximaal duizend euro bedraagt. De ondernemingsraad heeft hierop geantwoord dat er nooit een budget is genoemd en dat een schatting van de advocaat van de totale kosten uitkomt op vierduizend euro. Y heeft de ondernemingsraad hierop bericht dat dat bedrag onbespreekbaar is. Ook bestuurder X heeft laten weten dat geen toestemming is gegeven voor het uurtarief van de advocaat en dat hij voor de goede sfeer maximaal 1.250 euro plus btw zal betalen.

De ondernemingsraad heeft op 7 augustus 2019 een positief advies uitgebracht aan de directie. De volgende dag heeft de advocaat aan de ondernemer een declaratie voorzien van een urenspecificatie voor een bedrag van 5.746,53 euro inclusief btw en kantoorkosten. In de declaratie is een matiging van 1.950 euro exclusief btw verwerkt. Deze factuur is echter onbetaald gebleven, ten onrechte echter, aldus het Hof.

Let op

Sinds 2013 is het toegestaan om een budget voor externe bijstand af te spreken, maar bij ingewikkelde zaken is dit niet altijd een verstandige keuze.

This article is from: