verdediging en verbreiding van het geloof. Ook de AIVD gebruikt de term jihad om ‘de gewapende strijd ten behoeve van (het land van) de islam’ aan te duiden. In lijn daarmee wordt de term jihadisme gebruikt om de stroming aan te duiden die de gewapende strijd ziet als een plicht voor alle moslims (AIVD, 2008). Volgens de AIVD is deze stroming bij uitstek bereid om terrorisme in te zetten als middel om de strijd te voeren tegen het Westen, waarbij deze instantie terrorisme definieert als ‘het plegen van of dreigen met op mensenlevens gericht geweld om maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en politieke besluitvorming te beïnvloeden’ (BVD, 2001a). In dit rapport hanteren we deze definitie, omdat hierin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen terrorisme – dat op mensenlevens gericht is – en activisme. Dit onderscheid blijkt ook leidend te zijn in de Nederlandse opsporingspraktijk.4 Met jihadistisch terrorisme verwijzen we daarom naar de bereidheid om een bijdrage te leveren aan de gewapende strijd tegen het Westen en tegen andere gepercipieerde vijanden van de islam, door te dreigen met of gebruik te maken van op mensenlevens gericht geweld, of van aanslagen waarbij menselijke slachtoffers worden ingecalculeerd (vergelijk AIVD, 2008). In de praktijk is het niet altijd mogelijk om personen en activiteiten die voorkomen in de geanalyseerde dossiers te karakteriseren aan de hand van deze definitie. Van sommige personen of clusters die een actieve rol spelen in jihadistische samenwerkingsverbanden is het niet duidelijk of zij daadwerkelijk bereid zijn geweld te gebruiken, hiermee te dreigen, of anderen hiertoe aan te zetten. Van deze personen kan worden vastgesteld dat zij activiteiten uitvoeren waarmee zij een jihadistisch relatiestelsel ondersteunen, maar is er daarmee sprake van terroristische daden? En zijn het daarmee terroristen? Deze vraag is niet altijd te beantwoorden. Dit geldt met name bij faciliterende en ideologische activiteiten die worden uitgevoerd in jihadistische clusters, en voor personen die wel betrokken zijn bij dergelijke activiteiten, maar niet direct bij het plegen van of aanzetten tot gewelddaden en andere strafbare feiten. Ook aan deze personen, die zich vaak meer in de periferie van jihadistische relatiestelsels bewegen, en aan hun handelingen besteden we aandacht in dit rapport. Zij vormen immers een onderdeel van het fenomeen dat we hier beschrijven. We zullen daarom omzichtig omgaan met het gebruik van de term terrorisme.
1.3 Onderzoeksmethode en gegevensverzameling Dit onderzoek beoogt het inzicht in de aard van het jihadistisch terrorisme in Nederland te vergroten door de informatie die de politie heeft vergaard tijdens (grootschalige) opsporingsonderzoeken naar vormen van jihadistisch terrorisme systematisch te analyseren. Hiertoe maken we gebruik van een aangepaste versie van de methode die eind jaren negentig door het WODC werd ontworpen om de aard van en de ontwikkelingen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland te onderzoeken (zie Kleemans, Van den Berg & Van de Bunt, 1998; Kleemans, Brienen & van de Bunt, 2002; Van de Bunt & Kleemans, 2007).5 In deze paragraaf beschrijven we op welke wijze de afgesloten opsporingsonderzoeken – die de basis vormen van dit onderzoek – zijn geselecteerd en hoe we bij het analyseren van dit bronmateriaal te werk zijn gegaan. 1.3.1 Selectie van zaken Voor het onderhavige onderzoek zijn in totaal twaalf afgesloten opsporingsonderzoeken geselecteerd die tussen juli 2001 en juli 2005 in Nederland zijn verricht. Voor de selectie van zaken hebben we de hulp ingeroepen van verschillende terrorisme-experts van het Openbaar Ministerie (OM) en van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Aan de hand van een overzicht van alle opsporingsonderzoeken naar jihadistisch terrorisme die in de genoemde periode in Nederland plaatsvonden, hebben deze experts de voor ons meest interessante zaken geselecteerd. Dit gebeurde op basis van twee criteria. 15