COLUMN
Manon Kroezen is cabaretière en woont met haar vriend in een Betuws dorp.
Laatst ben ik op mijn kont gelikt door een kalf. Naast dat ik graag aandacht krijg van mijn nog net niet verloofde, hij gaat mij nog ten huwelijk vragen, of eigenlijk, ik verwacht dat hij mij tussen nu en 3 maanden ten huwelijk vraagt, anders doe ik het. Goed, dat parkeren we even. Ik kan dit makkelijk publiekelijk opschrijven, mijn nog net niet verloofde leest toch niets van wat ik schrijf, en als die er naar luistert valt hij in slaap. Goed, dat parkeren we ook even. Dat kalf. Ik krijg graag aandacht van dieren. Ik ben een dierenmens. En ik merk dat ik net zo jaloers kan zijn op een mens dat aandacht krijgt van een dier als dat een normaal mens jaloers wordt omdat je man bij de buurvrouw in bed ligt. Een goede vriendin van mij heeft een kalverhouderij. Oftewel een plaats waar de kalfjes gevoed, dik en lekker gemaakt worden voordat ze op transport gaan. Op vakantie naar de hemel. Zelf ben ik geen vegetariër, maar als je daar dan staat en je al die oogjes ziet dan smelt je en ga je het zielig vinden. Ik heb vervolgens heel erg mijn best gedaan om ze dè ‘middag van hun leven’ te geven. Het enige probleem is; ze moeten mij niet. In een blauwe overall, die ik expres heb aangetrokken omdat die al stinkt naar de kalfjes, klom ik over het hek heen en sprong ik in de stal waar ongeveer 6 à 8 kalfjes stonden.
Op dat moment lijkt het wel alsof ze op hol slaan, gillend springen ze naar de andere kant, wat maar een meter verder is, dat geheel terzijde, ze zijn bang. Mijn nog net niet verloofde springt vervolgens in een andere stal, en al die kalfjes: geïnteresseerd, nieuwsgierig, snuffelend, knuffelend, koppies bij elkaar. En ik begin te gloeien, van binnen en van buiten. Daar kan ik dus niet tegen. Ik hou meer van dieren dan hij. Ik hou meer van deze kalfjes, dan hij. Mijn nog net niet verloofde zegt nog: ‘Als je te graag wilt dan komen ze nooit.’ Met gefronste wenkbrauwen klim ik uit de stal en draai ik mij om. De mokkert die ik ben. En dan voel ik het. Mijn rug is klaarblijkelijk minder eng. Drie snuiten voel ik tegen mijn enkels aan, ik beweeg niet. Aan de rechterkant loopt een heel klein kalfje mijn kant op. Zijn bek gaat open en er komt een reusachtige tong uit. Slurp! Van mijn kuiten tot en met mijn billen. Mijn nog net verloofde is niet jaloers. Hij ziet het niet eens. ‘Wessel kijk!’, roep ik. Hij kijkt op en ziet dat de kalfjes mijn benen onder likken. Eentje is er bij gaan liggen, en de ander is op zijn voorste knieën gaan zitten. ‘Kijk,’ zegt Wessel, ‘pas als je niets verwacht gaat ie op z’n knieën!’
Manon Kroezen